Evenmin als de arts Philippus, kon ook Orion dien nacht rustig
slapen. Hij twijfelde niet meer aan Paula, doch zijn geheele hart was
vervuld van vurig verlangen naar haar en naar de bevestiging dat zij
hem en hem alleen liefhad, en dat verlangen hield hem wakker. Bij het
krieken van den dag stond hij op, blijde dat de nacht voorbij was,
en stak den Nijl over om den wisselaar Salech, den broeder van den
ouden koopman Haschim, de helft toe te vertrouwen van het vermogen
der dochter van Thomas.
In Memphis was alles nog stil en wat hij daar zag, kwam hem heden
bijzonder oud, afgeleefd, traag en vervallen voor. Alles scheen niet
meer waard dan om onder te gaan, terwijl hij aan gene zijde van den
stroom, in het jonge Fostat, niet anders waarnam dan een frisch,
bedrijvig en krachtig jeugdig leven. Onwillekeurig vergeleek hij de
oude pharaonenstad achter zich met eene vergane mummie en de nieuwe
residentie van Amr met een jonkman, die dorst naar daden. Alles was
daar leven en beweging. Den wisselaar, die, als alle muzelmannen vroeg
opstond, "zoodra men een witten van een zwarten draad onderscheiden
kon," om zijn eerste gebed te verrichten, vond hij reeds bezig
met het uitbetalen van rollen goud en zilver, en hoe gezwind, hoe
knap en handig wist de Arabier deze zaak met hem en Nilus, die hem
vergezelde af te doen! Werwaarts hij het oog ook richtte, hij zag
niets dan oogen vol vuur, niets dan aangezichten, die van geestkracht,
kloekheid en ondernemingszucht getuigden, geen slaafs gebogen halzen,
geen trage suffers, geen blik van sombere berusting, zooals in zijne
vaderstad aan de andere zijde. Hier in Fostat vloeide het bloed hem
sneller door de aderen, dáar drukte het leven hem als een last. De
Arabieren trokken voor alles hem aan.
De kraam van den wisselaar bestond gelijk alle verkoopwinkels in de
bazar van het jonge Fostat uit eene houten tent, waarin de koopman
met zijn helpers verblijf hield. Door de opene zijde, die naar de
straat was gekeerd, onderhandelden zij met de bezoekers, die als de
onderhandelingen over een zaak wat langer moesten duren, door den
koopman binnen werden genoodigd, ten einde naast hem te gaan zitten
op de uitstallingsplanken. Ook Orion en Nilus hadden aan zulk eene
uitnoodiging gehoor gegeven, en terwijl zij bij hunne samenspreking
met den wisselaar daar zaten voor het oog van alle voorbijgangers,
stapte de Wekil Obada, welke zich over den afkeer die de zoon des
stadhouders hem gisteren avond betoond had zoo geweldig boos had
gemaakt, rakelings hen voorbij. Tot zijne verbazing groette deze
hem met bijzondere vriendelijkheid, en indachtig aan de waarschuwing
van den veldheer, beantwoordde hij dien groet van den gehaten man,
hoe zwaar het hem ook viel. Toen Obada echter andermaal en ten derde
male daar langs ging, gevoelde Orion dat hij bespied werd. Doch het
was ook mogelijk dat de Wekil insgelijks met den wisselaar zaken te
doen had en wachtte tot hij gereed zou zijn.
Intusschen zou Orion deze ontmoeting weldra vergeten, want tehuis
wachtten hem gewichtige zaken.
Zooals vaak geschiedt, had de dood van een enkel man, ofschoon zijn
huis door zijn verscheiden noch rijker noch armer was geworden,
en men daarin gedurende den laatsten tijd zijn afgezonderd leven
nauwelijks had waargenomen, dit huis geheel, ja bijna onherkenbaar
veranderd. De anders zoo levendige vertrekken waren nu stil en als
uitgestorven. Smeekelingen en aanklagers vulden niet meer de voorzaal,
en zij die hunne deelneming kwamen betuigen waren naar oud gebruik
op den dag na de begrafenis ontvangen. De zooveel gedruisch makende
bedrijvigheid van vrouw Neforis, haar roepen en het rinkelen harer
sleutels dat alles vernam men niet meer, want zij hield zich van allen
afgezonderd enkel in het slaapvertrek of in de koele fonteinzaal op,
welke laatste het lievelingsverblijf van haar gemaal was geweest,
wanneer zij ten minste niet in de kerk vertoefde, die zij dagelijks
tweemalen bezocht, Met hetzelfde afgematte en onverschillige gezicht
waarmede zij naar den tempel reed, keerde zij daaruit terug, en wie
haar werkeloos en in somber gepeins verzonken op den divan zag zitten,
die gewoonlijk de rustplaats was geweest van haar overleden gemaal,
zou in haar bezwaarlijk de altijd bezige, zorgvuldige vrouw van voor
weinige dagen hebben herkend, die zoo geheel vervuld was van hare
huishoudelijke beslommeringen. Zij treurde en klaagde eigenlijk niet
over het verlies van haar echtgenoot, en als had zij in den nacht na
de dagen van het sterven en begraven voor altijd uitgeweend, zoo had
zij thans geen tranen meer voor hare smart. Zij kon helaas niet komen
tot dien door vriendelijke herinneringen gewijden weemoed, waarin
vertroostende engelen, als men het eerste zieldoorvlijmend leed te
boven is, zoo vaak eenige verkwikkende druppels mengen. Zij gevoelde,
zij wist echter dat met haar gemaal een deel van haar eigen wezen van
haar was afgescheurd, al had zij ook nog niet begrepen dat dit deel
niets minder omvatte dan de hoofdbestanddeelen van haar innerlijk en
uiterlijk bestaan.
Haar vader en die van haar gemaal waren de eerste mannen in Memphis,
ja in Egypte geweest. Trotsch, gelukkig, met een hart vol liefde,
had zij den zoon van Menas de hand gereikt. Hij was niet alleen
maar verbonden met haar opgeklommen tot de hoogste waardigheden,
die een Egyptenaar bereiken kon, en zij had alles gedaan wat in haar
vermogen was, om hem te handhaven op zijn door velen benijd standpunt,
om hem dat schitterend en waardig te doen innemen. Na vele bij uitstek
gelukkige jaren had de smart over hunne vermoorde zonen de harten van
dit reeds innig verbonden paar nog vaster aan elkander gesloten, en
toen haar gade in een kwijnende ziekte verviel, vergezelde zij hem
blijmoedig in zijne afzondering, wijdde zij zich geheel aan zijne
verpleging, en deelde zij met hem in den twijfel en de bezorgdheid,
die zijne staatkundige handelwijze deed ontwaken. Het bewustzijn van
voor hem niet alleen veel maar alles te zijn, maakte haar trotsch
en gelukkig. De afkeer, die zij meer en meer voor Paula gevoelde,
was allereerst hier uit ontstaan, dat zij had opgemerkt hoe zij,
Neforis, niet meer onmisbaar was voor den lijdenden echtgenoot,
zoodra deze zijne schoone nicht tot gezelschap had. En thans? Thans?
Wanneer zij in een slapeloozen nacht ontwaakte uit de sluimering die
haar niet verkwikte, luisterde zij onwillekeurig naar eene zachte,
afgebrokene ademhaling, en toch was er in hare nabijheid geen borst
meer, die zich op en neer bewoog. Als zij in den vroegen morgen de
eenzame legerstede verliet, scheen de aangebroken dag haar een ledige,
dorre woestijn te zijn. Des nachts zoowel als overdag trachtte zij
herhaaldelijk zich het beeld van den afgestorvene voor den geest te
brengen; doch zoo vaak dit hare zwakke verbeeldingskracht voor een
oogenblik was gelukt, had zij hem enkel gezien zooals hij was in
de laatste oogenblikken zijns levens, hem gezien en gehoord met de
verwensching van zijn eigen zoon op de bevende lippen. Deze akelige
herinnering bedierf voor haar de laatste troost der treurenden en
het vriendelijk aandenken aan den ontslapene, en benam haar tegelijk
het trotsch en blijmoedig welgevallen in haar eenig kind. De jonkman,
die nog kort geleden de afgod harer ziel was geweest, stond daar voor
haar als besmet en geschandvlekt. De last, die de rechtvaardigste van
alle rechtvaardigen op Orion had gewenteld, mocht zij waarlijk niet
voorbijzien. Doch in plaats van met verdubbelde teederheid hem aan haar
hart te drukken, in plaats van het schrikkelijk oordeel, dat de vader
over hem geveld had, te verzachten en wat hem drukte te verlichten,
wist zij hem enkel te beklagen. Als Orion haar opzocht, streelde zij
hem over de krullende haren, en daar zij hem noch beleedigen wilde,
noch ongelukkiger maken, dan hij reeds was, berispte en vermaande
zij hem niet, en herinnerde hem nimmer aan den vloek zijns vaders. En
hoe verarmd was dit onvrijgevige hart, dat zich gewend had alles wat
het aan liefde bezat slechts aan enkelen, ja bijna aan een enkele
te wijden, die nu niet meer onder de levenden was. De vroolijke
kinderstemmen in huis waren voor haar aangename tonen geweest, zoolang
zij haar lijdendenden gemaal niet gestoord hadden; nu waren echter ook
dezen verstomd, en aan hare eigene kleindochter, die de zonneschijn
van hare zeer beperkte liefde nog niet ten volle had genoten, had
zij die liefde thans geheel ontzegd. Droeg niet de kleine Maria de
schuld van dat vreeselijk vonnis, dat in de laatste ure van haar
gemaal over haar en Orion was geveld? Ja, in het overprikkeld gemoed
van de treurende vrouw had de valsche voorstelling post gevat, dat
dit kind de booze demon van het huis was en een werktuig van den satan.
Sedert eergisteren had Neforis eenige betere uren gehad. Gedurende de
slapeloosheid, die haar als eene lichamelijke smart begon te kwellen,
was haar ingevallen, welk eene verlichting den afgestorvene juist
in onrustige nachten die witte opiumpilletjes hadden gegeven,
en zij had nog een pas aangebroken fleschje met deze artsenij
bij de hand. Leed ook zij niet ondragelijke pijn? Waarom zou zij
het middel niet gebruiken, dat de smarten van haar echtgenoot zoo
wonderbaar had gelenigd? Bij langdurig en al te veelvuldig gebruik
konden die pilletjes schadelijk werken, en zij had den overledene
vaak teruggehouden om er zich te rijkelijk van te bedienen; maar kon
haar leed dan nog verergeren? Moest zij dit geneesmiddel niet danken,
wanneer het dit ellendig leven voor haar verkortte? Zoo gebruikte
zij dus het proefhoudend bevonden middel, eerst aarzelende, dan
menigvuldiger en reeds op den tweeden dag met waar genot en blijde
verwachting. Het had haar niet alleen een goeden nacht bezorgd,
maar haar ook den volgenden morgen eene groote weldaad bewezen, want
de afgestorvene was haar voor het eerst na zijn dood niet als een
vloekende voor den geest gekomen, maar als een jong, levenslustig
man. Niemand in huis wist van welk een troostmiddel de weduwe zich
bediende en de arts zoowel als haar zoon hadden zich gisteren verheugd,
dat zij haar gelatener hadden aangetroffen.
Toen Orion, nadat hij te Fostat zijne zaken met den wisselaar had
afgedaan, naar huis terugkwam, moest hij aan de voorpoort zich een weg
banen door een aantal lieden, die van alle zijden waren saamgeloopen,
daar hij het binnenhof vol menschen en de wacht alsmede alle bedienden
in groote beweging vond. Niemand minder dan de patriarch was het
stadhouderlijk paleis een bezoek komen brengen en deze vertoefde thans
bij zijne moeder. Hij had, zoo deelde de huismeester Sebek hem mede,
ook naar hem gevraagd, en vrouw Neforis wenschte, dat hij terstond tot
haar zou komen, om den allerheiligsten vader zijn eerbied te betuigen.
"Wenscht zij dat?" vroeg de jongeling, en bleef besluiteloos staan,
terwijl hij een slaaf zijn reishoed toewierp. Hij was te veel kind
van zijn tijd, en de kerk en hare dienaars hadden een te grooten
invloed op zijne opvoeding uitgeoefend, dan dat hij het bezoek van den
grooten prelaat niet als eene groote eer zou hebben beschouwd. Toch
kon hij den smaad, die der nagedachtenis zijns vaders was aangedaan,
kon hij de vermaning van den edelen Arabischen veldheer om zich voor
de vijandschap van Benjamin te wachten, niet vergeten, en wellicht,
zeide hij tot zichzelven, was het beter om eene samenspreking met
den machtigen man te ontwijken, dan zich bloot te stellen aan het
gevaar van gedurende het onderhoud zich niet te kunnen inhouden en
nieuw voedsel te geven aan zijne eigene verbolgenheid.
Doch hem zou geen keuze worden gelaten, want de kerkvorst zelf trad uit
de fonteinzaal in het viridarium. De hooge gestalte van den grijsaard
was nog ongekromd, zijn trotsch hoofd was omgeven door sneeuwwitte
haren, en zijne grijze baard daalde in zachte golvingen af tot op
zijne borst. De scherpe blik van zijne krachtige oogen vestigde zich
op den jongen man, in wien hij terstond den heer des huizes herkende,
ofschoon hij hem het laatst als knaap had gezien. Terwijl Orion diep
voor hem boog, riep de patriarch hem met eene zware, welluidende
stem waaruit opgewektheid en waardigheid spraken, vroolijk toe:
"Wees welkom, zoon van mijn onvergetelijken vriend! Het kind is,
gelijk ik zie, een flinke man geworden. Ik heb een uurtje aan uwe
moeder gewijd, thans moet ik met den zoon belangrijke zaken bespreken."
"In de werkkamer mijns vaders!" riep Orion den huismeester toe, terwijl
hij den patriarch voorging, daarbij de vormelijke, uitnoodigende
beweging makende van de kamerheeren aan het keizerlijk hof.
Voor de patriarch hem volgde, gaf hij hen die hem vergezelden een
wenk, dat zij achter zouden blijven, en zoodra het vertrek gesloten
was, trad hij op Orion toe en zeide: "Andermaal breng ik u mijn
groet! Hier heb ik dus den kleinzoon voor mij van den braven Menas,
den zoon van den Mukaukas Georg, den algemeen gevierden afgod van
mijne Memphietische schapen, die bij den duizelingwekkenden dans der
aanzienlijke jongelieden te Konstantinopel hun de baas is gebleven! Een
zeldzaam meesterstuk voor een Egyptisch christen! Doch allereerst,
mijn kind, allereerst uwe hand!"
Daarbij stak hij hem de rechterhand toe en Orion gaf hem de zijne,
hoewel schoorvoetend. Want in die toespraak van den patriarch trilde
een toon van lichte bespotting, en hij vroeg zich af, of deze man hem
werkelijk zoo welgezind was, dat hij hem met een goed hart, gelijk
zijne ouders als "mijn kind" durfde aanspreken. Er viel niet aan te
denken hem de hand te weigeren. Toch had hij den moed om te antwoorden:
"Uw wensch, heilige vader, heb ik te gehoorzamen; intusschen weet
ik niet of het den zoon wel vrij staat de hand aan te nemen van een
vijand, dien zelfs de dood, die alles doet vergeten, niet verzoende,
die zijn vader, den braafsten man, en met dezen ook hemzelven op het
kerkhof, aan het gaf, den zwaarsten smaad heeft aangedaan."
De patriarch schudde met een gemaakt lachje het hoofd, legde Orion
de hand op den schouder, waarbij deze een gevoel had als ging er een
gloed door al zijne leden, en zeide met vriendelijken ernst: "Het valt
den christen niet zwaar den belager, den tegenstander, den vijand te
vergeven en het is hem eene vreugde het den zoon niet euvel te duiden,
dat hij zich in de ziel van zijn eigen vader gekrenkt gevoelt, hoe
kortzichtig en dwaas zijne boosheid ook zij. Uwe verontwaardiging
kan mij zoo weinig deren als den Allerhoogste in den hemel, en gij
zoudt daarover zelfs geene berisping verdienen, wanneer niet--doch
daarover spreken wij later--wanneer niet--gij moet het maar dadelijk
hooren--wanneer niet uit uwe houding juist zoo duidelijk en tastbaar
bleek, wat u nog ontbreekt om een oprecht christen, om een man te zijn,
gelijk hij moet zijn dien God in dit door ongeloovigen overheerschte
land op eene zoo hooge plaats heeft gesteld. Gij weet wat ik bedoel?"
Daarop liet de kerkvorst zijne hand van 's jonkmans schouder
glijden, zag hem vragend aan, en toen Orion, zonder een antwoord te
vinden verder van hem terugging, zeide de grijsaard met toenemende
opgewondenheid: "Deemoed, vrome en geloovige overgave, ziedaar, mijn
vriend, wat ik bij u mis. Wie ben ik? Maar als de plaatsvervanger,
het spraakorgaan van hem voor wien wij allen niets zijn dan wormen
in het stof, moet ik vorderen dat ieder, die zich een christen, een
Jacobiet noemt, mijn wil en mijn gebod, zonder er over te denken of
te morren, zoo onvoorwaardelijk en zonder tegenstreven gehoorzaamt,
als trof het heil of onheil hem van hooger hand. Waar zou het heen,
wanneer ieder zich durfde vermeten mij te weerstaan en zijn eigen weg
te gaan! Nog éen menschenleeftijd, en met den dood der ouderen, die nog
als ware christenen zijn opgegroeid, zou het uit zijn met de leer des
Heilands aan dezen stroom, zou overal in plaats van het kruis de halve
maan prijken, zouden zich weeklachten in den hemel doen hooren over
zoovele verlorene zielen. Leer u deemoedig en bescheiden te buigen
voor den wil des Allerhoogsten en zijne plaatsvervangers op aarde,
overmoedige knaap, en laat uwe houding tegenover mij u toonen, hoe
ver uw eigen oordeel reikt. Gij houdt mij voor een vijand uws vaders?"
"Ja!" antwoordde Orion op stelligen toon.
"En ik heb hem liefgehad als mijn broeder," hernam de prelaat op
gemoedelijken toon. "Hoe gaarne had ik onder tranen zijne lijkbaar
bestrooid met palmen des vredes, zooals alleen de kerk die schenkt."
"Toch hebt gij hem, dien gij uw vriend noemt," zeide Orion, "onthouden
wat de kerk den dief en den moordenaar niet weigert, wanneer hij
vergeving van zonden verlangt en die uit de mond eens priester heeft
ontvangen, zooals toch...."
"Zooals toch uw vader!" viel de grijsaard hem in de rede. "Wel
hem! Hij mag thans misschien de heerlijkheid van den Allerhoogste
aanschouwen. En desniettemin heb ik de geestelijkheid verboden hem
eer te bewijzen aan zijn graf. Waarom, om welke afdoende redenen is
dit bevel uit den mond van een vriend tegen een vriend uitgegaan?"
"Omdat gij hem," antwoordde Orion somber, "in het oog van de geheele
wereld wildet brandmerken als de man, die aan de ongeloovigen de
voorkeur gegeven en hen de overwinning gemakkelijk gemaakt heeft."
"Ziedaar, dat noem ik de kunst te verstaan om in de harten te
lezen!" zeide de prelaat, terwijl hij den jongeling aanzag met een
spottenden blik, die half van instemming, half van ontevredenheid
getuigde. "Welnu, knaap, nemen wij eens aan, dat ik de christenen van
Memphis had willen toonen welk lot hem wacht, die zijn land voor den
vijand opent en hand in hand met de ongeloovigen wandelt, zou ik dan
niet in mijn recht zijn geweest?"
"Heeft mijn vader de Arabieren hierheen geroepen?" vroeg de jongeling
op zijn beurt.
"Neen, mijn kind," antwoordde de bisschop, "de vijand is vanzelf
gekomen."
"En gij," ging Orion voort, "hebt uit de woestijn, nadat de Grieken
u in ballingschap hadden gezonden, voorspeld, dat de Arabieren zouden
komen om de Grieksche Melchietische vijanden van ons geloof overhoop
te werpen en uit dit land te verjagen."
"Zoo heeft de Heer gesproken door mijn mond," hernam de grijsaard,
terwijl hij deemoedig het hoofd boog. "En mij werden nog andere
dingen geopenbaard, toen ik bij mijne askese mijn lichaam kastijdde
in de brandende hitte der woestijnzon. Pas op, mijn kind, wees
voorzichtig! Volg mijn raad, opdat het niet vervuld worde, en het
huis van Menas verdwijne als de wolken, die de stormwind uit elkander
drijft. Ik weet het, uw vader heeft mijne profetie zoo uitgelegd,
als ware van mij aan hem de raad uitgegaan, om de ongeloovigen
te ontvangen als werktuigen des Allerhoogsten en hen te helpen de
Melchietische dwingelanden uit dit land te verjagen."
"Uwe voorspelling," hernam de jongeling, "heeft in elk geval een
diepen indruk op mijn vader gemaakt, en toen de zaak des keizers en
der Grieken verloren was, was uw woord, dat de Melchieten niet minder
ongeloovig waren dan de belijders van den Islam, hem tot grooten
troost. Zoo iemand, dan weet gij, hoe hij allen grond had hen te
haten, die twee zijner bloeiende zonen hadden vermoord. Wat daarna
geschied is, heeft hij gedaan om zijne en uwe ongelukkige broeders,
die aan zijne en uwe zorgen waren toevertrouwd, uit het verderf
te redden; en hier, hier in dezen lessenaar ligt het antwoord,
dat hij op de verwijten van den keizer heeft medegedeeld aan het
Grieksche gezantschap, die hem in ditzelfde vertrek rekenschap kwamen
vragen. Terstond na hun vertrek heeft hij het opgeschreven; wilt gij
het hooren?"
"Ik kan den inhoud van dat stuk wel raden."
"Neen, neen!" riep de jonkman vol vuur; opende in allerijl den
lessenaar zijns vaders, haalde bij den eersten greep eene wastafel
daaruit te voorschijn en zeide: "Aldus luidt het gegeven antwoord!"
Al lezende vervolgde hij: "De Arabieren zijn ondanks hunne minderheid
machtiger dan wij met onze menigte; éen man van hen is zooveel
als honderd van ons, want zij zoeken den dood, die hen liever is
dan het leven. Ieder hunner dringt vechtend vooruit, en zij kennen
geen verlangen om naar hun vaderland en hunne haardsteden weder te
keeren. Voor ieder dien zij dooden verwachten zij eene groote belooning
in den hemel en zeggen, wanneer zij in den krijg vallen, dat zich de
poorten van het paradijs voor hen openen. Zij hebben in deze wereld
niets te wenschen, wanneer zij hunne dringendste behoeften aan voedsel
en kleeding bevredigd zien. Wij daarentegen hebben het leven lief en
vreezen den dood; hoe zouden wij tegen hen stand kunnen houden? Ik
zeg u, dat ik den met de Arabieren gesloten vrede niet breken zal...."
"En wat blijkt uit dit antwoord?" vroeg opeens de patriarch, de
schouders ophalende.
"Dat mijn vader zich gedwongen zag vrede te sluiten, en dat hij--lees
maar verder--dat hij als wijs man den vijand de hand moest reiken."
"Den vijand, aan wien hij maar al te gewillig toegaf, en wien hij
grooter eer bewees, dan hem als christen betaamde! Klinken die woorden
niet als hadden onze verdoemde, bloeddorstige dwingelanden alleen het
recht de vreugde van het paradijs te verwachten? En dat muzelmansche
paradijs! Wat is het anders dan een poel, waarin zinnelijke driften
wellustig ronddartelen? De leugenprofeet heeft het bedacht om de zijnen
op te winden, opdat zij zijne valsche leer het eene volk na het andere
zouden opdringen, met geweld en woeste doodsverachting. Maar onze
Heer kwam als het menschgeworden woord op aarde, en won de geesten
en harten door de overtuigende kracht der eenige, eeuwige, tot daad
gewordene waarheid, die van hem uitgaat als het licht van de zon. Deze
Mohammed daarentegen is een menschgeworden zwaard! Ook mij blijft in
zeker opzicht niets over dan mij te onderwerpen aan de overmacht, maar
ik wil hun dwazen, zielen misleidenden waan haten en verafschuwen,
en dat doe ik, dat zal ik doen tot aan den laatsten slag van dit
oude hart, dat hoe eer hoe liever moge stilstaan. Maar gij? Maar uw
vader? Waarlijk, waarlijk, wie maar éen oogenblik vergeet ongeloof en
valsch geloof te haten, die heeft zich voor zijn geheele leven hier
en hiernamaals tegen het eenig waarachtig en zuiver geloof en hem die
het verkondigde bezondigd. Met misdadige, teerhartige lofredenen op de
vroomheid en gematigdheid van den vijand, den verderver van lichamen
en van zielen, den lichamelijken antichrist, heeft uw vader zijn hart
en zijne tong bezoedeld."
"Bezoedeld?" herhaalde de jonkman, terwijl zijne wangen
gloeiden. "Beiden heeft hij rein en eervol bewaard; want er is geen
woord van onwaarheid over zijne lippen gekomen. Gerechtigheid, ja
gerechtigheid tegenover ieder, ook tegenover zijn tegenpartij, dat
was de grondtrek, dat het richtsnoer van zijn vlekkeloos leven, en
zelfs de edelsten onder de heidensche Grieken hebben hem bewonderd,
die zichzelven zoozeer overwinnen kon, dat hij ook wat groot, waar
en goed is in den vijand erkende."
"En zij hadden gelijk," hernam de patriarch, "want zij waren nog niet
in het bezit der waarheid. In het wereldlijk leven mag ieder onzer ook
heden hen daarin navolgen. Doch wie hen vergeeft, die de hooge waarheid
aanranden, die het brood, het vleesch en den wijn onzer christen ziel
is, die bezondigt zich tegen deze waarheid. Is hij een leidsman der
menigte, zoo lokt hij daarmede ook hen, die naar hem opzien en maar
al te licht zijn voorbeeld volgen, in het eeuwige vuur. Waar uw vader
een onwillig gehoorzamend vijand had moeten zijn, daar is hij een
bondgenoot, en wat het hoofd der ongeloovigen aangaat--het heeft mij
heete tranen gekost--een vriend geworden. En naar hetgeen ons arme volk
zag gebeuren met zijn hoofd, heeft het--barmhartig God, schenk zijne
verleiders vergiffenis!--heeft het zijne verhouding geregeld. Vele
duizenden zijn van ons zaligmakend geloof afgevallen en overgeloopen
tot hen, die in hunne oogen wel geen ellendige verdoemelingen konden
zijn, daar zij hun wijzen en rechtvaardigen aanvoerder hand aan hand
met hen zagen wandelen en handelen. En, daarom, daarom alleen, om de
misleide menigte te waarschuwen, heb ik niet geaarzeld mijn eigen
hart pijn te doen, eene waarschuwende stem aan de groeve van een
dierbaar vriend te doen hooren, hem de eer en den zegen te onthouden,
die hij echter door een deugdzaam en rechtvaardig leven voor de wereld
waardiger was dan duizenden. Ik heb mij verklaard en nu moet er een
einde komen aan uwe dwaze verstoordheid, en zult gij zeker de hand,
die de wachter over de zielen der zijnen u andermaal reikt, gaarne
en met een gerust hart aanvaarden."
Wederom stak de grijsaard Orion zijn rechterhand toe, doch deze nam
hem ook ditmaal slechts aarzelend aan, en sloeg daarbij zijne oogen
verward en somber naar den grond, in plaats van den kerkvorst in het
aangezicht te zien. Doch de patriarch scheen het tegenstribbelen van
den jonkman niet op te merken en drukte hem krachtig de hand. Hij
bracht vervolgens het gesprek op Orions treurende moeder, den
achteruitgang van Memphis, de toekomstige plannen van den jongen man,
en eindelijk op de edelgesteenten, die de afgestorvene aan de kerk
vermaakt had. Het gesprek vloeide nu kalm en op den toon van een
gezellig onderhoud, de prelaat zat nu op den leuningstoel van den
gestorvene, en het klonk natuurlijk en ongezocht, toen hij zich bij
zijn lof op de juweelen de vraag naar den grooten smaragd ontvallen
liet. Orion antwoordde op denzelfden toon, dat deze steen eigenlijk
niet tot de schenking behoorde; doch de prelaat was van een ander
gevoelen.
Wat Orion sedert dien noodlottigen gang naar het tablinum gekweld en
beangstigd had, werd door dit gesprek weder levendig; toch strekte het
hem tot eenige geruststelling dat noch zijne moeder, noch vrouw Susanna
aan den prelaat scheen medegedeeld te hebben, welk eene schuld hij
als rechter op zich had geladen terwille van dien steen. De weduwe
had deze aangelegenheid naar het scheen verzwegen, om niet in de
noodzakelijkheid te komen van te spreken over het valsche getuigenis,
dat haar dochtertje daarbij had afgelegd. Doch hoe gemakkelijk konden
die onzalige dingen den strengen grijsaard ter oore komen, en daarom
scheen den schuldige geen offer te groot elke vraag naar dat ongelukkig
kleinood opzij te schuiven. Hij verzekerde daarom onverwijld, dat die
smaragd hem afhandig was gemaakt, doch hij verklaarde zich bereid de
volle waarde ervan te betalen. Benjamin mocht zijn waarde schatten en
hem naar believen elke som noemen, die hij voor een of ander weldadig
doel noodig had, hij zou hem, Orion, bereid vinden, deze onverwijld
te betalen.
Doch de patriarch stond dood bedaard op zijn eisch, gaf Orion in
bedenking ijverig naar den steen onderzoek te doen, en verklaarde dat
hij dien als eigendom van de kerk beschouwde, en de uitlevering van
dit kleinood, wanneer zijn geduld zou zijn uitgeput, zeer stellig met
alle middelen die hem ten dienste stonden zou vorderen. Orion bleef
dus niet anders over dan te verklaren, dat hij het onderzoek naar
den verloren smaragd wilde voortzetten; doch hij deed dit morrend,
als iemand die toegeeft aan een onbillijken eisch.
De patriarch hoorde dit eerst gelaten aan, doch toen hij daarna
opstond om afscheid te nemen, veranderde hij plotseling van houding
en zeide op strengen en ernstigen toon: "Ik ken u thans, zoon van
den Mukaukas Georg, en waarmede ik begonnen ben, daarmede besluit
ik ditmaal: de deemoed van den christen is u vreemd, de macht en
de waarde van ons geloof kent gij niet, maar gij weet ook niet
hoeveel liefde dat geloof bevat, welk een vurig verlangen om den
afgedwaalden zondaar terug te brengen op het pad des heils. Met
betraande oogen bekende uwe voortreffelijke moeder mij voor welk een
afgrond gij staat. Gij verlangt een verbond voor uw leven te sluiten
met eene ongeloovige, eene Melchietin. En daar is nog iets anders,
dat het vrome moederhart beangstigt en martelt met het oog op u en
uw heil. Zij heeft beloofd het mij in de kerk toe te vertrouwen, en
ik zal het bij mijn terugkeer weten uit te vorschen. Maar waarlijk,
wat het ook zij, uwe ziel kan in geen erger gevaar komen dan door eene
echtverbintenis met die Melchietin. Waaraan hangt uw hart? Enkel aan
het geluk dezer aarde? Gij dingt naar de hand des dochters van een
ongeloovigen ketter; gij rijdt--neen hoor mij verder!--rijdt naar de
overzijde, naar Fostat en biedt uw verstand en uw arm--gisteren is het
gebeurd--den ongeloovigen aan. Maar ik, ik, de herder mijner kudde,
zal het niet dulden, dat de aanzienlijkste van geboorte, de rijkste
van vermogen, de machtigste onder de Jacobieten door de klank van
zijn naam alleen, duizenden met zich afvallig maakt. Ik bezit den wil
en de macht om een dam op te werpen tegen zulk een onheil! Volg mij,
of het zal u met bloedige tranen berouwen."
De prelaat verwachtte Orion na deze woorden de knie te zien buigen;
doch deze deed niet wat hij verlangde, maar staarde hem met wijd
geopende oogen diep bewogen en besluiteloos aan.
Benjamin ging echter voort, met klimmenden aandrang: "Ik ben tot u
gekomen om mijn stem te verheffen, en ik verlang, ik vorder, ja ik
beveel: verbreek elken band met den vijand van uw volk en van ons
geloof daarginds, verban de liefde voor de Melchietische sirene,
die uwe onsterfelijke ziel bedreigt met een onherroepelijk verderf,
uit uw gemoed..."
Tot dusverre had Orion de vermaningen van den kerkvorst, die als
vloeken hem naar het hoofd werden geslingerd, zwijgend en met gebogen
hoofd aangehoord, Maar nu kwam al wat in hem was tegen den kerkvorst
in verzet, de kracht om zich in te houden begaf hem, en met eene
krachtige stem den prelaat in de rede vallende, zeide hij: "Nooit,
nooit, neen nooit zal ik dit doen! Smaad mij, als gij wilt! Wat ik ben,
dat zal ik blijven: een trouw lid der kerk, die de vaderen hebben
aangehangen en voor welke mijne broeders gestorven zijn. Deemoedig
belijd ik mijn Heer Jezus Christus. Ik geloof in hem, geloof in den
goddelijken meester, die gestorven is om ons te verlossen en die de
liefde in de wereld heeft geopenbaard. Onwrikbaar en trouw houd ik
vast aan de mijnen. Nooit, neen nooit zal ik haar opofferen, die mij
als een godsgezante, als mijne goede engel geleerd heeft den ernst
en de waarde des levens recht te begrijpen, die ook mijn vader heeft
liefgehad. Gij hebt de macht! Verlang billijke, bereikbare dingen
van mij en ik wil trachten mijzelve te bedwingen en ze te volbrengen;
doch trouweloos worden om u getrouw te zijn, dat wil, dat kan ik in
eeuwigheid niet, en wat de Arabieren aangaat...."
"Genoeg!" dus brak de prelaat zijne woorden af. "Ik ga naar
Opper-Egypte en bij mijn terugkeer hebt gij te kiezen. Tot zoo lang
geef ik u tijd om tot uzelven te komen, u te bezinnen en in alle
kalmte beveel ik: vergeet de Melchietin! Uwe, juist uwe verbintenis
met eene kettersche vrouw is een gruwel, die nooit te dulden is. Over
uwe verhouding tot de Arabieren en over de vraag of het voegzaam is
dat gij, als degene die gij zijt, bij hen dienst neemt, zullen wij
later nog spreken. Zijt gij als ik wederkeer, met betrekking tot die
vrouw tot betere gedachten gekomen--het staat u vrij de hand van elke
Jacobietische jonkvrouw te vragen--dan zal ik op een anderen toon met
u spreken. Ik bied u dan mijne vriendschap en hulp aan; in de plaats
van den vloek beloof ik u dan den zegen der kerk, de genade en de
vergeving van den Allerhoogste, den effen weg tot aan gene zijde des
grafs, en de zaligheid van het beangstigde gemoed eener bekommerde
moeder met nieuw leven te vervullen. Mijn laatste woord luidt aldus:
gij moet u losmaken van de vrouw, van wie gij niets te verwachten
hebt dan ellende."
"Toch kan, en wil en zal ik het niet doen!" antwoordde Orion op
stelligen toon.
"Dan moet en wil en zal ik u doen gevoelen hoe zwaar de vloek drukt,
dien ik in het uiterste geval niet aarzelen zal u naar het hoofd
te slingeren!"
"Dat zal aan u staan," hernam Orion. "Maar gaat gij tot het uiterste
over, dan dwingt gij mij den zegen, waaraan mijne ziel inniger behoefte
heeft dan gij bevroeden kunt, heer, dan dwingt gij mij het heil,
dat ik behoef, te zoeken bij hen die gij verdoemt, aan gene zijde
van den stroom."
"Waag het!" riep de patriarch, en verliet met gloeiende wangen en
vasten stap het vertrek.