VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

In den namiddag gaf Orion gehoor aan de roepstem van den Arabischen

gebieder over Egypte. Op zijn edel ros reed hij over de schipbrug. Twee

jaren geleden zag men ter plaatse waar nu de nieuwe residentie Fostat

zich aansloot bij het oude fort Babylon niets anders dan akkers en

tuinen, maar als door een wonder was zij op bevel van Amr als uit

de aarde opgeschoten, en thans verhief zich in de straten en op

de pleinen reeds het eene huis naast het andere, de haven lag vol

schepen en booten, op de markt heerschte groote bedrijvigheid, en

waar gedurende het beleg der vesting Babylon de winkel van een kramer

stond, omgaven nu reeds lange dubbele zuilenrijen de ruime bidzaal

van eene moskee. Van Egyptenaars en Egyptisch leven was hier weinig

te zien; het was als had een demon een deel van Medina uit Arabië

aan den Nijl verplaatst. De menschen, de dieren, de huizen, de kramen

droegen den stempel van hun vaderland, ofschoon de gebouwen bewezen,

dat de bouwmeesters ook andere dingen hadden gezien in de door hen

veroverde beschaafde landen van Azië. Waar Orion een landsman zag,

stond deze als arbeider of rentmeester in dienst van den vreemdeling,

die hier zoo spoedig vasten voet had verkregen.

Voor zijn vertrek naar Konstantinopel had daar, waar zich nu tegenover

de half voltooide moskee het woonhuis van Amr verhief, een palmentuin

van zijn vader gestaan. Waar thans honderden muzelmannen met den

tulband op het hoofd en in de kleederdracht van hun vaderland, die

reeds veel weelderiger was geworden door den in korten tijd geroofden

buit en het gemeenzaam verkeer met pronklievende natiën, zich heen en

weer bewogen, deels te voet, deels te paard, en lange rijen kameelen

gehouwen steenen droegen naar de bouwplaats, had hij weleer slechts

nu en dan een ossenwagen met knarsende raderen ontmoet, een ruiter

op een ezel of op den ongezadelden rug van een oud trekpaard, en van

tijd tot tijd ook eenige overmoedige Grieksche soldaten. In plaats

van de taal zijner voorouders en van de Grieksche overheerschers van

weleer vernam hij thans de harder en scherper klinkende van de zonen

der woestijn. Zonder den dienaar, die naast hem ging, zou hij zich

op zijn eigen vaderlijken grond niet hebben kunnen doen verstaan.

Het huis van Amr was spoedig bereikt en een Egyptisch schrijver

deelde hem hier mede, dat zijn heer op de jacht was en hem niet in

de stad maar op den Lichtenburg ontvangen zou. In dit schoone gebouw,

oorspronkelijk opgetrokken voor den prefect des keizers op eene goed

gekozen plaats van het kalkgebergte, dat zich achter het fort Babylon

en de nieuw verrijzende stad verhief, had Amr thans zijne vrouwen,

kinderen en lievelingspaarden geherbergd, en om goede redenen hield hij

zich daar liever op dan in het huis in de stad, te midden van al die

voor den dienst bestemde vertrekken. Bovendien benam hier de nieuwe

moskee het uitzicht op den Nijl, terwijl men van den Lichtenburg ver

in de rondte kon zien.

De zon neigde ten ondergang, toen Orion zijn doel bereikte; doch de

veldheer was nog niet van de jacht teruggekeerd en de poortwachter

verzocht hem wat te toeven. Den jongeling, die gewoon was door zijne

landgenooten als de erfgenaam van den eersten man des lands behandeld

te worden, steeg het bloed naar het hoofd, en het deed zijn Egyptisch

hart zeer, dat hij tegenover den Arabier zijn trots buigen en zijn

spijt verkroppen moest. Hij behoorde thans tot de onderworpenen,

en de gedachte dat éen woord uit zijn mond voldoende zou zijn,

om weder in de rij der heerschappij voerenden te worden opgenomen,

vatte opeens en met nadruk post in zijne ziel. Doch hij onderdrukte

haar met alle kracht en liet zich zwijgend naar het terras brengen,

dat door lange met wijngaardloof omrankte gaanderijen voor de

zonnehitte beschut werd. Hij nam plaats op eene der marmeren banken

bij de borstwering van dit groote tuinbalcon en liet zijn oog door de

ruimte weiden. Al wat hij daar zag was hem nauwkeurig bekend, immers

het was het tooneel zijner kindsheid en vroege jeugd. Dit tafereel

had zich wel honderdmaal voor zijne oogen uitgebreid, en toch maakte

het heden een gansch anderen indruk op hem dan vroeger. Zou er, vroeg

hij zich af, wel een vruchtbaarder, weelderiger land gevonden kunnen

worden dan het zijne? Hadden niet reeds de Grieksche dichters den Nijl

bezongen als de eerwaardigste aller rivieren? Had de groote Caesar het

ontdekken van zijn oorsprong niet zulk eene heerlijke taak geacht,

dat hij daarvoor, volgens zijne eigene uitspraak, de heerschappij

over de wereld zou hebben prijsgegeven?

Eeuwenlang had van de opbrengst dezer uitgestrekte akkers het geluk

en het ongeluk afgehangen van de grootste steden der aarde, ja het

keizerlijk Rome en het machtig Konstantinopel hadden gebeefd bij

de vrees voor naderenden hongersnood, wanneer een mislukte oogst

de hoop van den landman verijdelde. Was er eene vlijtiger bevolking

van landbouwers te vinden, en bestond er voorheen wel eene wijzer en

kunstvaardiger? Als hij terugzag op de lotgevallen en daden der natiën,

dan zag hij in het verst verwijderd verschiet, daar waar het spoor

der geschiedenis nog bijna niet te herkennen is, als eerste en oudste

gedenkteekenen van het menschelijk scheppingsvermogen de reusachtige

sphinx liggen, dezelfde pyramiden staan, die als oudste kunstmonumenten

daarginds, aan gene zijde van den Nijl en zijne vervallene vaderstad

Memphis, aan den voet van het Lybische gebergte zich altijd nog

onveranderd, even grootsch en trotsch als weleer verhieven en eerbied

afdwongen. Hij was een nazaat dergenen, die deze onvergankelijke

kunstwerken hadden opgericht, wellicht vloeide in zijne aderen nog

een druppel van het bloed der pharaonen, die in deze reuzenmausoleën

eeuwige rust gezocht, wier grootere nakomelingen aan het hoofd

hunner legerscharen de halve wereld onderworpen en bewondering en

gehoorzaamheid afgedwongen hadden. Hij, die zich zoo vaak gevleid had

gevoeld, wanneer men--niet enkel met het oog op de taalverbastering,

die zijn tijd kenmerkte--zijn zuiver Grieksch en zijne innemende

Helleensche manieren prees, hij gevoelde zich hier op dit oogenblik

trotsch op zijne Egyptische afkomst. Ruimer ademhalende rustte zijn oog

op het westen en de ondergaande zon scheen hem de onschatbare waarde

van zijn vaderland prachtig te willen verduidelijken, terwijl zij,

haar wondervol licht uitgietende over het geheele landschap, de akkers,

den stroom, de palmbosschen, de daken der stad, ja zelfs het naakte

woestijngebergte en de pyramiden in louter goud veranderde. Thans ging

zij achter den keten der Libysche hoogten ter rust. De naakte, heldere

kalkrots glinsterde als lichtende ijskristallen, en het was alsof de

vuurbol in het hart van het gebergte wegsmolt, terwijl zij achter zijn

kam verdween, als verbonden die laatste opwaarts schietende stralen

het dal zijner geboorte door millioenen gouden draden met den hemel,

de woning der godheid, die het boven alle andere landen gezegend had.

Dit heerlijk stukje grond en zijn volk van de overheerschers te

bevrijden, daaraan de macht en de grootheid weer te geven, die het

eens bezeten had; de halve maan te rukken van de tenten en gebouwen

daar beneden, in de plaats daarvan weer het kruis te planten, dat hem

van kindsbeen heilig was; den overmoed der muzelmannen te fnuiken aan

het hoofd van met geestdrift bezielde Egyptische mannen, en met dezen

het oosten te onderwerpen als die Sesostris, waarvan geschiedenis en

sage wisten te spreken, dat was eene taak, den kleinzoon van Menas, den

zoon van den grooten en rechtvaardigen Mukaukas Georg waardig. Tegen

zulk een plan zou Paula zich niet verzetten, ja zijne overprikkelde

verbeelding deed hem in haar aan zijne zijde eene tweede Zenobia zien,

bereid om zulk eene grootsche roeping te volgen, om te handelen,

hem bijstand te verleenen, te heerschen!

Geheel onder den indruk van deze bespiegelingen in de toekomst,

had hij zijn blik afgewend van het glanzend schouwspel van dezen

zonsondergang en voor zich gestaard; daar stoorden de stemmen van

menschen op den weg in de onmiddellijke nabijheid van het terras

zijne hoogvliegende droomen. Hij keek naar beneden en zag aan zijne

voeten ongeveer een twintigtal Egyptische arbeiders, vrije, door

geene teekenen van slavernij onteerde lieden, die met weerzien en

toch zwijgend gehoorzamende daarheen trokken en aan geen tegenweer of

vluchten dachten, ofschoon éen enkele Arabier hen in ontzag hield. Dit

gezicht trof zijn in hooge mate opgewonden gemoed, als eene wolkbreuk

het glimmend vuur, als een hagelslag het jonge groene graanveld. Zijn

oog, dat zooeven nog vol geestdrift fonkelde, zag teleurgesteld en

met minachting op de ongelukkigen neer, wie hetzelfde bloed door de

aderen stroomde. Een trek van bitteren spot speelde om zijn mond,

want die schare vrijwillige slaven achtte hij zijn toorn niet waard,

en des te minder hoe levendiger hij zich voorstelde wat zijn volk

eenmaal was geweest en wat het nu was. Eigenlijk dacht hij er niet

over na, maar terwijl de duisternis viel, kwam in zijne herinnering

het eene tooneel na het andere op, waarbij Egyptenaars zich smadelijk

gedragen en bewezen hadden, dat zij de vrijheid niet verdienden en

gewoon waren als knechten te bukken. Gelijk thans éen Arabier zoo

waren vroeger drie Grieken voldoende geweest, om eene geheele schare

zijner landslieden in bedwang te houden. Op de landgoederen en aan

het hof zijns vaders had hij tallooze voorbeelden gezien van eene

bijna blijmoedige onderdanigheid van Egyptische boeren, dorpshoofden

en beambten, enkel vrijgeboren lieden. Hadden ook in Alexandrië en

Memphis zijne stamgenooten het juk der vreemde overheersching niet

gewillig gedragen, en het zich laten welgevallen overal, evenals waren

zij van minder soort en afkomst, door de Grieken in de schaduw gesteld

en vernederd te worden, als men maar niet raakte aan de instellingen

en spitsvondige geloofsartikelen van hun godsdienst?--Alleen in

het laatste geval had hij hen zien opstaan en hun bloed vergieten,

doch ook dan nog met groot misbaar en veel belovend vertoon. Reeds

de eerste nederlaag was beslissend en een handvol goed geoefende

strijders bleek voldoende om hen zulk eene te doen lijden.

Voor dit volk, met dit volk en aan zijn hoofd iets groots te willen

ondernemen tegen een machtigen, stouten veroveraar zou waanzinnig

geweest zijn. Hem bleef niet anders over dan in dienst van den vijand

zijn volk mede te beheerschen en zijne beste krachten in te spannen,

om het lot zijner landgenooten dragelijker te maken. Daarom had ook

zijn wijze vader, een man van zooveel ervaring, het raadzamer gevonden,

om zijne landslieden van dienst te zijn als bemiddelaar tusschen hen

en de Arabieren op te treden, dan den muzelmannen een vruchteloozen

weerstand te bieden aan het hoofd der Byzantijnen. "Ellendig, ontaard

geslacht!" mompelde hij verstoord in zichzelven, terwijl hij overlegde

of hij den tuin verlaten en den overmoedigen Arabier toonen zou,

dat althans nog éen Egyptenaar den moed had om zich zijne minachting

niet te laten welgevallen, dan of hij ter wille van de goede zaak

blijven, zijn toorn onderdrukken en de rest afwachten zou. Neen,

zulk eene behandeling wilde en mocht hij, de zoon van den Mukaukas,

niet dulden. Hij wilde liever als rebel het leven laten of in de

wijde wereld gaan rondzwerven, om ver van zijne geboortegrond een

groot veld voor zijne werkzaamheid te zoeken, dan met den voet van

dezen vreemdeling op den vrijen nek.

Midden in deze overpeinzingen werd hij gestoord door voetstappen

in zijne nabijheid, en toen hij omkeek zag hij lantaarnen, die al

schommelende juist naar hem toekwamen. Dat moesten boden zijn van Amr,

om hem te geleiden tot hun meester die dan, daarvan hield hij zich

overtuigd, zoo genadig zou zijn, vermoeid van de jacht hem op zijn

rustbed te ontvangen, en hem zeer uit de hoogte, als had hij met een

vrijgelatene te doen, zou vragen wat hij begeerde.

Doch het waren niet enkel boden die kwamen, neen, de groote veldheer

zelf zocht hem op; de lampendragers moesten niet hem, Amr, maar "den

geliefden zoon van zijn gestorven vriend" voorlichten. De trotsche

plaatsvervanger van den Kalief was op dit oogenblik de voorkomende

gastheer, wien het gastrecht gebood den man, dien hij de hand had

gereikt om hem welkom te heeten, het verblijf onder zijn dak te

veraangenamen. In verstaanbaar Grieksch, dat hij reeds in zijne

jeugd geleerd had, toen hij eene karavaan naar Alexandrië geleidde,

verontschuldigde hij zich over zijn lang uitblijven, en sprak zijn

leedwezen uit Orion zulk een tijd te hebben laten wachten, hij berispte

zijne dienaars, die verzuimd hadden zijn gast in huis te brengen en

hem ververschingen aan te bieden. Op den weg door den tuin legde hij

zijn arm op den schouder van den jongeling, vertelde hem dat de leeuw

dien hij vervolgd had, hoewel door een zijner pijlen getroffen, hem

ontkomen was en voegde er dan opgewekt bij dat hij hoopte de schade

weer in te halen en in plaats van het ontsnapte roofdier heden een

nog edeler wild voor zich te winnen.

Den jongeling bleef niet anders over dan zooveel hoffelijkheid met

beleefdheid te beantwoorden, en dat werd hem gemakkelijk gemaakt, want

de welluidende stem van den veldheer, die getuigde van ongeveinsde

hartelijkheid, alsmede diens natuurlijke en voorname houding, deden

hem goed, streelden hem, boezemden hem vertrouwen in, en namen hem

onwillekeurig in voor den man op rijper jaren, die tegelijk een

beroemd held was.

In een helder verlichte, met kostbare Perzische tapijten behangen kamer

noodigde Amr zijn gast uit, om het eenvoudig jagersmaal met hem te

deelen en zich de Arabische gewoonten te laten welgevallen. En zoo nam

Orion plaats op de eene zijde van den divan, terwijl op de andere de

veldheer en zijn Wekil [11] Obada, een Goliath met het zwarte gelaat

van een Moor, naar de zeden huns volks meer hurkten dan zaten. De

donkerkleurige reus verstond, zooals Amr zijn gast mededeelde, geen

Grieksch en bracht slechts nu en dan iets in het midden, hetwelk de

veldheer, als hij het noodig oordeelde, voor Orion vertaalde, en dezen

beviel wat die zwarte tusschen het gesprek invlocht al even weinig als

zijne geheele houding en verschijning. Obada was in zijn kindsheid een

slaaf geweest en had zich door zijne eigene bekwaamheden weten op te

werken tot den hoogen rang, dien hij thans bekleedde. Het eten, dat hij

gulzig en op ruwe manier verslond, scheen hem geheel bezig te houden,

en toch moest hij, die geen Grieksch verstond, het gesprek zeer goed

kunnen volgen, gelijk bleek uit zijne opmerkingen. Wanneer hij opkeek

van de schotels, die op lage tafeltjes voor de spijzenden geplaatst

werden, om wat te zeggen, verdraaide hij zijne groote oogen zoo,

dat men alleen het wit ervan zag; richtte hij ze echter op Orion, dan

was het dezen of die kleine zwarte oogappels doordringende, brandende

stralen schoten, en zeiden dat hij hem zeer kwalijk gezind was.

De tegenwoordigheid van dezen man van wiens onvrije geboorte--in

het oog van den aanzienlijken jonkman iets om hem te minachten--van

wiens wilde dapperheid en groote scherpzinnigheid hij gehoord had,

beangstigde hem, en al verstond hij niet wat Obada sprak, er lag

toch in den toon zijner woorden iets wat hem het bloed naar het

hoofd deed stijgen en hem meer dan eens aanleiding gaf de tanden op

elkaar te klemmen. Hoe meer de houding en de taal van den veldheer

hem weldadig aandeden en innamen voor zijn persoon, des te meer

afkeer kreeg hij van zijn onbehagelijken plaatsvervanger, en hij

voelde dat hij zich vollediger en vrijer zou hebben uitgesproken,

menige vraag doeltreffender zou hebben beantwoord, als hij met Amr

alleen was geweest. In den beginne liet de veldheer Orion vertellen

van zijn verblijf te Konstantinopel en van zijn vader, en scheen met

bijzonder genoegen naar de mededeelingen van den jonkman te luisteren,

tot Obada hem opeens in de rede viel om een vraag tot zijn meester

te richten. Deze beantwoordde haar snel in het Arabisch en gaf weldra

aan het gesprek eene andere wending. De Wekil had gewenscht te weten,

waarom Amr den Egyptischen melkbaard zoo lang liet zwetsen eer de

hoofdzaak was behandeld, waarom hij hem geroepen had, waarop de

veldheer geantwoord had, dat hij meent het meest onderhoudend te

zijn, wien men gelegenheid geeft om zichzelven te hooren spreken;

overigens was de jonge man goed op de hoogte en wat hij vertelde was

bovendien gewichtig.

Terwijl de muzelmannen zich geheel van het drinken onthielden, werd

Orion op den voortreffelijksten wijn onthaald, doch hij dronk weinig,

en toen Amr eindelijk over de begrafenis zijns vaders begon te spreken,

aan de vijandelijke houding van den patriarch herinnerde en erbij

voegde, dat hij dezen heden morgen gesproken en zich verwonderd had,

hoe hij zoo lijnrecht tegenover zijn gestorven geloofsgenoot had

kunnen staan, die toch vroeger zijn vriend was geweest, nam Orion het

woord. Hij zette den veldheer duidelijk uiteen waarom de patriarch

eene zoo in het oogvallende vijandschap tegen zijn overleden vader

had aan den dag gelegd, die wijd en zijd was opgemerkt. Benjamin was

er thans alles aan gelegen voor de oogen der overige christenen zich

te zuiveren van het verwijt, dat hij een land, hetwelk den godsdienst

van den Heiland aanhing, had overgeleverd aan hen, die de christenen

"ongeloovigen" noemen; daarom had hij het erop toegelegd zijn vader

voor te stellen als den man wien eenig en alleen de schuld trof van

zijn geboortegrond aan de muzelmannen in handen te hebben gespeeld.

"Juist, juist, dat begrijp ik," gaf Amr den jongeling ten

antwoord; en toen deze vervolgens mededeelde, dat het wegens het

Cæcilia-klooster,--welks goed recht de patriarch had willen bestrijden

door aan een oud, maar duidelijk document eene verkeerde uitlegging

te geven--tusschen den kerkvorst en den afgestorvene tot een openbare

vredebreuk was gekomen, wisselde de veldheer ras een blik met den

Wekil, en vroeg Orion: "Maar gij? Zijt gij voornemens u geduldig te

laten welgevallen wat deze onrustige grijsaard, die u zoowel als uw

vader kwalijk gezind is, tegen u en het aandenken van den waardigen

Mukaukas verkiest te doen?"

"In geenen deele," antwoordde de jonkman trotsch.

"Dat is goed," riep de veldheer, "dat had ik van u verwacht, doch

leer mij de wapenen kennen, waarmede gij, als Christen, den slimmen

en invloedrijken man denkt te trotseeren, aan wien gij u zoo als

ik weet--en dat niet alleen ten aanzien van het heil uwer zielen,

op genade of ongenade hebt overgegeven."

"Ik ken ze zelf nog niet," antwoordde Orion, en keek voor zich toen

zijn oog den honenden blik van den Wekil ontmoette.

Maar Amr stond op, ging naar hem toe en zeide: "Gij zult ook tevergeefs

daarnaar zoeken, jonge vriend! En al vondt gij ze, toch zoudt gij ze

niet kunnen gebruiken. Het is gemakkelijker op eene verlatene vrouw,

een aal of een vliegenden vogel los te slaan, dan op die buigzame,

zwakke, ongewapende langrokken, die liefde en vrede in den mond dragen,

hunne weerloosheid en lichamelijke onmacht als schild gebruiken en met

onzichtbare, vergiftige pijlen ieder treffen, op wien zij het voorzien

hebben. En tot de zoodanigen behoort gij in de eerste plaats, zoon

van den Mukaukas; ik weet het en raad u op uwe hoede te zijn. Denkt

gij er echter werkelijk over den smaad der nagedachtenis uws vaders

aangedaan mannelijk te wreken, dan kunt gij spoedig uw doel bereiken,

hoewel altijd onder eene voorwaarde."

"Wijs mij het middel aan!" zeide Orion, en zijne oogen schoten vuur.

"Kort en goed: word de onze!"

"Daarvoor ben ik hier gekomen. Mijn geest en mijn arm zullen van

heden af behooren aan hen die mijn vaderland beheerschen, aan u,

aan ons gemeenschappelijk opperhoofd, den Kalief."

"Ja salam! [12] Goed zoo!" riep Amr, terwijl hij zijne hand op

Orions schouder legde. "Er is geen God buiten God; en de uwe is de

onze, want hij heeft geen tweede naast zich. Gij zult als geloovig

muzelman weinig hebben prijs te geven, want uw Heer Jezus Christus

rekenen wij mede onder de geloovigen, en dat de laatste en de hoogste

onder hen Mohammed is, de ware profeet Gods, onze Heer Mohammed, moet

gij, moet ieder erkennen, die niet met opzet de oogen sluit voor de

gebeurtenissen, die onder zijne aanvoering en in zijn naam gebeurd

zijn. Uw eigen vader heeft toegestemd...."

"Mijn vader?"

"Hij heeft moeten toegeven, dat wij ernstiger, dieper, met meer

geestdrift van ons geloof doordrongen zijn dan gij, al zijne eigene

geloofsgenooten."

"Dat weet ik."

"En toen ik hem vertelde, hoe ik bevolen had in onze nieuwe moskee

den lezenaar van den koranvoorlezer weg te laten, omdat deze zoodra

hij die plaats beklimt boven de andere biddenden staat, heeft de

vreugde over deze mededeeling den vermoeiden man opgefrischt en hem

bewogen tot eene luide bijvalsbetuiging. Wij muzelmannen--dat was de

beteekenis van mijn bevel--willen allen gelijk zijn voor den eeuwigen,

barmhartigen God; de leider der gebeden mag zich boven de anderen

zelfs geen hoofdlengte verheffen, en de leer van den profeet toont

ieder den weg tot de vreugde van het paradijs; wij hebben om haar

te vinden, geen menschelijke gidsen noodig. Het geloof, onze wil ten

goede, onze daden, en geen sleutel in de hand eens priesters openen

of sluiten voor ons den hemel. Als een der onzen kan geen Benjamin u

de vreugde der aarde vergallen, kan geen patriarch u en uw vader het

recht op de zaligheid ontzeggen. Gij hebt eene goede keuze gedaan,

jonkman! Geef mij uwe hand, mijn nieuwe geloofsbroeder!"

Daarop stak hij Orion in blijde ontroering zijne rechterhand toe. Doch

deze nam haar niet aan, maar deed een schrede achterwaarts en zeide

bezorgd: "Versta mij niet verkeerd, groote veldheer, hier is mijne

hand en ik ken geen hooger eer dan haar in de uwe te leggen, daarmede

op uw bevel het zwaard te zwaaien, haar te gebruiken in den dienst

van u en van mijn heer, den Kalief; maar ik mag de trouw aan mijn

geloof niet breken!"

"Zoo laat u dan door Benjamin vertreden!" sprak Amr teleurgesteld

en met weerzin, terwijl hij eene minachtende beweging met de hand

maakte en zich tot den Wekil wendde, om dezen op een honenden uitroep

schouderophalend antwoord te geven.

Orion zag beiden zwijgend en besluiteloos aan, doch weldra kwam hij

weder geheel tot zichzelven en zeide op den toon eener bescheidene en

dringende bede: "Luister naar mij, heer, en wijs niet af, wat ik in

staat ben u aan te bieden. Wat kan de overgang tot uw geloof mij anders

aanbrengen dan voordeel? En toch weersta ik deze groote verzoeking,

maar evenals mijn geloof zal ik ook mijn woord aan u weten te houden."

"Tot de priester u dwingt het te breken," haastte de muzelman zich

er schamper bij te voegen.

"Neen, neen!" zeide Orion. "Ik weet dat Benjamin mijn vijand is;

doch ik heb een dierbaren vader verloren en geloof aan een wederzien

hiernamaals."

"Ik ook!" hernam de muzelman, "en er is maar éen paradijs en éene hel,

gelijk er maar éen God is."

"Hoe komt gij aan die zekerheid?"

"Door mijn geloof!"

"Vergeef mij dan wanneer ik aan het mijne vasthoud en mijn vader in

dien hemel hoop weer te zien..."

"Die, zooals gij dwazen meent, geene andere zielen opneemt dan de

uwe! En als die hemel nu eens enkel openstaat voor het onsterfelijk

deel der muzelmannen en voor de christenen gesloten blijft? Wat weet

gij dan wel van het paradijs? Ik ken uwe heilige geschriften: staat het

daarin geschreven? De algoede God heeft onzen profeet vergund een blik

daarin te slaan, en wat hem gegeven werd dáar te zien heeft hij zoo

geschilderd, als had de Allerhoogste zelf de schrijfstift bestuurd. De

muzelman weet wat hij van zijn hemel te wachten heeft... Gij, gij--uw

hel, die kent gij; het valt uw priesters gemakkelijker te vloeken

dan te zegenen! Wie maar een haar breed afwijkt van hunne leer, hem

duwen zij aanstonds naar de plaats der verdoemden: mij, de mijnen, de

Grieksche christenen en in de eerste plaats--geloof mij, jonkman--uw

vader en u!"

"Wist ik maar dat ik hem daar zou wedervinden!" riep Orion uit,

terwijl hij zich op de borst sloeg. "Het zou mij waarlijk niet

afschrikken hem daar te volgen. Ik moet hem wedervinden, weerzien,

al ware het in de hel?"

Bij deze woorden barstte de Wekil in luid gelach uit. Toen de veldheer

hem hierover zijne ontevredenheid betuigde, weerlegde de andere hem,

en nu ontspon zich tusschen beiden eene levendige woordenwisseling.

De hoon van den zwarte had Orions toorn gewekt, en alles wat in hem

was, dreef hem aan om den onbeschaamden spotter het zwijgen op te

leggen. Doch met inspanning van al zijne wilskracht hield hij zich in,

tot Amr zich weder tot hem wendde en op een toon van gezag maar niet

onvriendelijk zeide: "Deze scherpzinnige man spreekt een vermoeden uit,

dat ook bij mij is opgekomen. Een jong, wereldschgezind christen als

gij geeft geluk en welzijn hier op aarde niet gemakkelijk prijs voor

de onzekere vreugde van uw paradijs; en als gij het toch doet en alles

wat een man het dierbaarst moet zijn: eer, tijdelijke bezittingen,

een ruim veld van werkzaamheid en wraak over uwe vijanden afwijst om de

ziel van een afgestorvene aan gene zijde des grafs weer te ontmoeten,

dan moeten hiervoor bijzondere gronden bestaan. Tracht uzelve gerust te

stellen en geloof mijne verzekering, dat gij mij bevalt en in mij een

ijverig beschermer, een stilzwijgend vriend zult vinden, wanneer gij

mij open en naar waarheid de beweegreden van uw besluit blootlegt. Er

is ook voor mij veel aan gelegen onze ontmoeting te maken tot eene

vruchtbare voor ons beiden. Stel dus vertrouwen in den ouderen man,

die een vriend van uw vader was, en spreek!"

"In geen geval in tegenwoordigheid van dezen man," antwoordde Orion

met bevende stem. "Hij, die geen Grieksch heet te verstaan, volgt elk

mijner woorden met loerende oogen, ja hij heeft het durven wagen mij

uit te lachen, hij..."

"Hij is even verstandig als dapper en mijn Wekil," dus wees Amr hem

terecht. "Gij zult hem moeten gehoorzamen, wanneer gij een der onzen

wilt worden, en--vergeet dit niet jonkman--ik heb u laten roepen, om

u voorwaarden te stellen, niet om ze mij te laten voorschrijven. Ik

schenk u gehoor als heer van dit land, als plaatsvervanger van Omar,

uw en mijn Kalief."

"Zoo bid ik u mij te laten gaan; want voor dien man daar blijven mijn

hart en mijne lippen gesloten; ik voel dat hij mijn vijand is."

"Pas op, dat hij het niet wordt!" zeide de veldheer, terwijl Obada

met minachting de schouders ophaalde.

Orion begreep zijn gebaar, doch hoewel het hem ook ditmaal gelukte

zijne tegenwoordigheid van geest te bewaren, was hij toch niet zeker

meer van zichzelven, en daarom boog hij, zonder op den Wekil acht te

geven, eerbiedig en diep voor den stadhouder, en verzocht voor heden

hem te laten gaan.

Amr, wien de houding van Obada niet ontgaan was, en die te fijngevoelig

was om niet te begrijpen wat er bij den jonkman omging, hield hem

wel niet terug, maar veranderde van toon en werd opnieuw weder de

voorkomende gastheer. Ja hij noodigde Orion zelfs uit, daar het reeds

laat geworden was, den nacht onder zijn dak door te brengen. Doch

Orion sloeg deze uitnoodiging hoffelijk af, en toen hij eindelijk

heenging--andermaal zonder den Wekil een blik waardig te achten--deed

Amr hem uitgeleide naar de voorzaal. Hier greep hij de hand van

den jonkman en zeide hem op zachten, vermanenden toon, doch vol

oprechte vaderlijke deelneming: "Neem u in acht voor dien zwarte,

wien gij mannelijk maar niet verstandig hebt getoond, dat gij hem

doorziet. Wat mij betreft, ik meen het waarlijk goed met u."

"Dat geloof ik, dat weet ik," antwoordde Orion, wiens gekwetst gevoel

weldadig werd aangedaan door den warmen, diepen toon waarop de edele

Arabier hem toesprak, als drupte er balsem in zijne ziel. "En nu

wij alleen zijn, vertrouw ik u gaarne alles toe. Ik, heer, ik--mijn

vader--gij hebt hem gekend. In bittere verbolgenheid is hij--heeft

hij zijn eenigen zoon, voor hij de oogen sloot, den zegen onthouden."

De herinnering aan die verschrikkelijke ure zijns levens greep hem zoo

zeer aan, dat hij eenige oogenblikken niet spreken kon; maar weldra

ging hij weder voort: "Eene enkele daad van misdadige lichtzinnigheid

had den stervende in toorn doen ontsteken, doch onder mijn leed

en berouw dacht ik na over het leven dat achter mij lag en bevond,

dat het ijdel geweest was. Wanneer ik nu hierheen gekomen ben met

een vol gemoed en in blij vertrouwen, om u alles wat ik aan geestes-

en lichaamsgaven bezit te kunnen aanbieden, dan geschiedde dit, heer,

omdat ik grootsche, verheven, moeilijke, als het zijn moet onmogelijke

daden wensch te verrichten, omdat ik in een woord verlang nuttig

werkzaam te zijn..."

Amr liet hem niet verder gaan; hij legde zijn gespierden arm

op den schouder van den jonkman en zeide: "En omdat gij de ziel

van uw gestorven vader, dien rechtschapen man, toonen wilt dat

gij door een lichtvaardigen jongensstreek toch zijn zegen niet

onwaardig zijt geworden, omdat gij door wakkere daden hem dwingen

wilt de ontevredenheid in goedkeuring, de minachting in achting

te verkeeren..."

"Ja, ja, daarom, heer, juist daarom!" viel Orion met groote geestdrift

den veldheer in de rede.

Maar deze gaf hem dadelijk een wenk om wat zachter te spreken, als

vreesde hij dat iemand die hen beluisterde, hun gesprek op zou vangen,

en haastig fluisterde hij hem toe op een toon van warme toegenegenheid:

"En ik, ja ik zal uw helper zijn bij uw loffelijk streven. O, hoe doet

ge mij denken aan den zoon mijns harten, die gestruikeld was als gij,

en wien het vergund was alles, meer dan alles op het slachtveld door

den dood, den heldendood voor zijn geloof te boeten! Reken op mij, en

laat wat gij u hebt voorgenomen tot daad worden. In mij hebt gij een

helper gevonden. Ga thans, weldra zult gij weder van mij hooren. Nog

eens: terg den zwarte niet, neem u voor hem in acht, en als gij hem

weer ontmoet, toom dan uw trots in en neem den schijn aan, als zaagt

gij hem voor de eerste maal."

Daarbij zag hij Orion aan met een weemoedigen blik, als deed het zien

van dezen jonkman eene dierbare herinnering in zijne ziel ontwaken,

hij kuste hem op het voorhoofd en zoodra de zoon van den Mukaukas de

voorzaal verlaten had, schoof hij het zware gordijn, dat deze van de

eetzaal scheidde haastig terug. Enkele schreden daarachter vond hij

den Wekil, die bezig scheen te zijn met den bandelier van zijn zwaard,

en riep dezen verstoord toe: "Ge luistert! Man van geest, man van

de daad, een held in den slag en in den raad, een leeuw, een slang

en een pad tegelijk; wanneer zult gij eindelijk al dat erbarmelijke

en kleine uit uwe ziel rukken? Wees wat gij geworden zijt, niet wat

gij waart, en herinner hem die u groot gemaakt heeft niet dagelijks,

dat gij uit een slavin zijt geboren."

"Heer!" sprak de man, dien daar de les werd gelezen, knarsetandend,

terwijl het wit zijner oogen akelig afstak bij zijn donker gelaat.

Doch Amr belette hem verder te gaan, liet zich niet van zijn stuk

brengen en vervolgde op streng vermanenden toon: "Ge hebt u tegenover

dezen jonkman als een gek, als een potsenmaker op de jaarmarkt,

als een onzinnige aangesteld."

"Naar de hel met hem!" riep Obada. "Ik haat dat gouden gelukskind!"

"Nijdigaard! Terg hem niet! Alles kan verkeeren en er zou een dag

kunnen komen, waarop gij reden hadt hem te vreezen."

"Hem?" schreeuwde de andere. "Als een mug druk ik dien speelpop in

elkaar. Hij zal het ondervinden."

"Eerst gij, en dan hij!" zeide Amr, dreigend. "Van u beiden is

hij voor ons van de meeste beteekenis, hij, het gelukskind, die

speelpop! Hebt gij het gehoord? Hebt gij het verstaan? Als gij hem

éen haar krenkt, kost u dat neus en ooren! Vergeet geen oogenblik,

dat gij enkel leeft, ten onrechte leeft, omdat twee paar lippen tot

heden gesloten blijven! Gij kent ze. De vindingrijke kop blijft niet

langer op uw hals, als het hun behaagt. Houdt hem vast, man; gij hebt

er maar éen op het spel te zetten! Het was noodig, mijnheer de Wekil,

u hieraan weder eens te herinneren!"

De zwarte steende bij het hooren dezer woorden als een gewond dier

en bracht met moeite en doffe stem deze woorden uit: "Zoo beloont

men bewezen diensten; zoo dankt de muzelman zijn geloofsgenoot,

om der wille van een christenhond!"

"Dank hebt gij ontvangen, meer dan genoeg," antwoordde Amr op kalmen

toon. "Gij weet wat gij beloofd hebt, eer ik u, roover, terwille van uw

helder hoofd en uw zwaard tot mijn Wekil heb gemaakt; gij weet wat ik

vergeten moest eer ik het deed, niet om uwentwil, maar voor de groote

zaak van den Islam. Verlangt ge te blijven die ge zijt, geef dan uwe

onstuimige driften prijs! Zijt gij daartoe niet bij machte, dan zend

ik u liever heden dan morgen naar het leger, en maakt gij het te erg,

gebonden en met het doodsoordeel in den gordel naar Medina terug."

Onder deze woorden stiet de zwarte doffe geluiden uit; de veldheer ging

echter ongestoord voort: "Waarom gij dezen jongeling haat? Een kind

kan het doorzien. In den zoon en erfgenaam van den Mukaukas Georg

ziet gij den toekomstigen Mukaukas, terwijl gij den waanzinnigen

wensch koestert om zelf Mukaukas te worden."

"En waarom moet die wensch waanzinnig zijn?" riep de ander met

eene krijschende stem, terwijl zijne lippen brandden. "U er buiten

gelaten--wie is hier verstandiger en sterker dan ik?"

"Misschien geen muzelman; doch een Egyptenaar, een christen, en

niet gij of een ander geloovige zal den gestorvene in zijn ambt

opvolgen. Dit vordert de wijsheid en--zoo luidt het bevel van den

Kalief."

"En gebiedt deze ook den schoongelokten aap zijne millioenen te laten?"

"Verlangt gij daarnaar, onverzadelijke gierigaard, naar dat

geld? Drukt u nog niet zwaar genoeg, wat gij door hebzucht hebt

bijeengeschraapt! Goud, altijd meer goud, dat is het doel, het

walglijk doel uwer wenschen! Een vet hapje, die grondbezittingen van

den Mukaukas, zijne talenten goud, zijne edelgesteenten, slaven en

paarden; dat vind ik ook! Maar den barmhartigen God zij dank, wij

zijn geen dieven en roovers!"

"Wie heeft de millioenen te voorschijn gehaald, die de Egyptenaar

Petrus onder den waterbak had verstopt, en hem zelven in het gras

doen bijten?"

"Ik, ik! Maar alleen, zooals gij weet, om ze naar Medina te

zenden. Petrus had ze voor ons verborgen, eer wij hem terecht stelden;

de Mukaukas daarentegen en zijn zoon hebben alles wat zij bezitten

aangegeven tot op den laatsten dinar en den uitersten akker lands;

zij hebben de belasting stipt betaald, en dus blijft het hunne

hun eigendom, gelijk voor mij en u ons zwaard, ons paard, onze

vrouw. Waar zet uw nimmer verzadigde ziel u toch toe aan?--De hand van

den dolkgreep!--Geen koperstuk van hen daar ginds zal in uw hongerigen

muil vallen, zoowaar helpe mij de Almachtige! Gij werpt den zoon van

den Mukaukas niet andermaal een boozen blik toe! Stel mijn geduld niet

op te zware proef, anders,--houd uw kop maar vast!--anders hebt gij hem

weldra voor uwe voeten te zoeken. Wat ik daar zeide is gezegd. Goeden

nacht voor heden! Morgen vroeg zet gij in den divan uiteen, wat gij

ontworpen hebt ten aanzien van de nieuwe landindeeling. Mij wil dit

plan in zijn geheel en in zijne deelen niet best bevallen, en ik zal

ook nog andere ontwerpen laten uitwerken."

Hierop keerde de veldheer den Wekil den rug toe, en zoodra de deur

zich achter hem gesloten had balde Obada de vuist, en dreigde woedend

zijn heer en bedwinger, die tot hiertoe verzwegen had, dat hij een

deel van eene bezending goud had gestolen, die Amr hem bevolen had

naar Medina te geleiden, en liep toen driftig, hijgend en snuivend

op en neer, tot de slaven kwamen om het tafelgereedschap weg te ruimen.

De nijlbruid · 第 36 / 66 题