DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Orion en Paula hadden over veel gesproken, sedert de eerste het huis

van Rufinus had betreden. De onderhandelingen over de bezorging van

het vermogen der Damasceensche hadden lang geduurd. Ten laatste hadden

hare raadgevers besloten, de eene helft te plaatsen bij den juwelier

Gamaliël en zijn broeder, die te Konstantinopel aan het hoofd stond

van eene groote zaak. Toevallig was deze te Memphis en beide broeders

hadden zich bereid verklaard, om het aangeboden kapitaal ieder voor

de helft tegen eene behoorlijke rente in ontvangst te nemen. Beiden

wilden gemeenschappelijk de verantwoordelijkheid op zich nemen zoodat

ieder borg bleef voor het geheel van het hun toevertrouwd vermogen,

wanneer de ander, om welke reden dan ook, zijne betalingen eens moest

staken. Nilus had op zich genomen te zorgen voor de rechterlijke

bekrachtiging van dit verdrag en de vereischte zestien getuigen. Het

andere deel van het vermogen zou, op voorstel van den arts Philippus,

de broeder van den Arabischen koopman Haschim ontvangen, die in

de nieuw gebouwde stad Fostat aan den oostelijken Nijloever een

wisselbank had opgericht, waarin ook de tapijthandelaar deel had. Deze

plaatsing had dit voor, dat het kapitaal onaantastbaar bleef, zoolang

de Arabieren in Egypte heerschappij voerden. Na deze onderhandelingen

ging Nilus heen met dat gedeelte van het vermogen, hetwelk aan den

muzelmanschen wisselaar morgen door Orion zou worden toevertrouwd.

Paula was getuige geweest van deze onderhandelingen der mannen, zonder

er echter aan deel te nemen; zij had alleen dankbaar hare toestemming

gegeven tot hetgeen besloten was. Het was haar niet ontgaan hoe klaar,

ernstig en beslist Orion zich getoond had bij deze overleggingen,

en hoewel de verstandige, korte, eenvoudig uitgesprokene opmerkingen

van den rentmeester altijd doeltreffend bleken te zijn, had zij toch

het meeste waarde gehecht aan de gronden en toelichtingen van Orion,

want het kwam haar voor als getuigden ze van grooter staatsmanswijsheid

en dieper inzichten dan die der overigen. Na het sluiten der zitting,

had men haar met Orion alleen gelaten.

Er volgden onvermijdelijk pijnlijke oogenblikken, waarin het hart van

den jonkman zoowel als het hare sneller klopten. Eerst toen de zoon

van den Mukaukas meer moed had gevat en om vergeving biddend aan hare

voeten was gezonken, was zij weder geheel tot kalmte gekomen en had

hem herinnerd aan zijn brief, die haar omtrent zijn persoon gerust

had gesteld. Doch het hart drong haar met onweerstaanbare macht tot

meerdere toenadering, en daaraan toegevende vroeg zij snel, wat hij

bedoeld had met den ruil, waarover hij geschreven had.

Hij was daarop met neergeslagen oogen tot haar gekomen, had uit de

borstplooien van zijn gewaad een doosje te voorschijn gehaald, hetwelk

de smaragd bevatte met de verborgen kas van bladgoud. Beiden had hij

haar smeekend toegestoken, en daarbij met zijne zware stem op zijn

eigenaardigen diepen toon gezegd: "Ziedaar uw eigendom! Neem het aan,

en schenk mij in de plaats ervan uw vertrouwen, uwe vergeving!"

Hierop was zij enkele schreden achteruit gegaan, had eerst hem, daarna

den steen en de kas verrast, blijde en ontroerd met wijd geopende

oogen aangezien. Het was den jonkman daarbij niet mogelijk geweest

een woord te spreken, en hij had haar het juweel en het eenvoudig

stuk bladgoud dichter en dichter onder de oogen gebracht, toegereikt

als een arme, die het waagt een trotsch, rijk en aanzienlijk man het

beste wat hij heeft ten geschenke aan te bieden, ofschoon de gave te

gering is voor hem die haar ontvangt.

Paula was niet lang besluiteloos gebleven, maar had naar zijne gave de

hand uitgestoken, en dankbaar met hare van vreugde stralende oogen het

verloren kleinood als verslonden. Eergisteren zou zij het als bezoedeld

en ontheiligd beschouwd hebben, het zou streelend zijn geweest voor

haar trots dezen kostbaren schat vrouw Neforis en haar zoon opeens

voor de voeten geworpen te hebben, om dien nimmer weder te zien. Zoo

bezwaarlijk geeft men het recht op, om hem te haten die op misdadige

wijze ons leven verbitterd en onze zielen gewond hebben. Doch heden

deed Paula vrijwillig afstand van een recht, dat zij nog kort geleden

voor niets zou hebben prijs gegeven, ja zij wees dien eisch af als een

drukkenden last, die de vrije ademhaling en het rustig kloppen van

het hart belemmert. In dit juweel zag zij thans weder het dierbaar

aandenken aan hare overledene moeder, het vereerend sieraad dat een

groot monarch aan een harer voorouders had geschonken, en zij was

blijde dat het haar weder toebehoorde. Deze herinneringen hadden

echter het warme, zonnige gevoel, dat haar thans doordrong, niet bij

haar doen ontwaken en zij waren ook de oorzaak niet dat het zoo snel

in kracht was toegenomen; neen, hare oogen letten nauwelijks op den

fraaien, blinkenden steen, maar staarden onafgebroken op het armzalig

bladgoud, waarin hij was gevat en dat haar zulk eene vreeselijke ure

had bereid.--Wel bezat dit ellendig verbogen voorwerp de macht zich

voor hare rechters en vijanden te rechtvaardigen; wel zou het haar

gemakkelijk zijn gevallen met dit ding in de hand hare aanklagers te

vernietigen; maar ook dit was het niet wat haar zoo onuitsprekelijk

goed deed. Het woord van den arts was haar voor den geest gekomen,

dat er namelijk geen grooter vreugde is dan te ervaren zich in een

mensch tot zijn nadeel bedrogen te hebben, en zij had den man die

daar voor haar stond eenmaal liefgehad. Hij stond daar diep bewogen

voor haar, wederom bereid tot alle goed, en het oordeel dat zij over

hem geveld had, was honderd-, ja duizendmaal te hard geweest! Alleen

een edele verwacht met vertrouwen edelmoedigheid van den vijand en

hij, hij gaf zich weerloos over in de handen van haar, die door deze

noodlottige, misschien eenige schandelijke daad zijns levens doodelijk

getroffen was. Met dit stuk bladgoud leverde Orion zich zelven uit,

als bezitster van dezen talisman stond zij tegenover hem als het

almachtige noodlot! En toen zij den blik naar hem opsloeg en zijne

groote oogen zag, waaruit geest en leven straalden en waarin tranen

blonken van innige ontroering, scheen het haar onbetwistbaar zeker,

dat deze lieveling der fortuin, die zoo zwaar gezondigd had, toch

in staat was het grootste en hoogste te bereiken wanneer een vriend

hem wees op den verhevensten eisch des levens, en hij bereid werd

bevonden diens wenk te volgen. En deze vriend wilde zij voor hem zijn!

Evenals Orion zoo kon ook zij eerst geen woorden vinden. Eindelijk

was hij zichzelven niet meer meester, naar haar toegesneld, en had

hij zijne lippen met warmen dank op hare rechter hand gedrukt. Zij

had het zich moeten laten welgevallen en zou ook niet in staat zijn

geweest het te beletten als hij haar driftig, gelijk in dien droom, in

de armen gekneld en aan zijn hart gedrukt had. Met geestdrift was zijn

brandende mond op hare hand blijven rusten, doch maar een oogenblik had

zij toegegeven aan de machtige ontroering, die haar had aangegrepen;

toen was zij door de wilskracht ten goede, die haar bezielde, haar

gevoel meester geworden, had hem bepaald maar toch niet onvriendelijk

teruggewezen, en hem op bewogen en liefderijk schalkschen toon,--iets

dat hem vreemd in haar voorkwam en hem nog meer in verrukking

bracht dan hare grootheid en trots--met dreigend opgeheven vinger

toegeroepen: "Neem u in acht, Orion! Ik behoud den steen en de kas,

ja ook de kas! Wacht de gevolgen maar af, gij onvoorzichtige man!"

"Spreek niet zoo," had hij in zalige stemming geantwoord. "Zeg liever:

gij dwaas, die eindelijk eens eene verstandige daad volbrengt. Wat ik u

hier uitlever is geen geschenk, maar altijd uw eigendom geweest. Voor

u kan het niet meer of niet minder gelden dan vroeger, doch voor mij

heeft het nu deze nieuwe, onschatbare waarde, dat het mij, mijne eer,

misschien ook mijn leven in uwe handen stelt, dat gij nu over mij

beschikken kunt gelijk de keizer over zijn armsten dienstknecht in

het paleis. Behoud en gebruik den steen en dit noodlottig nietswaardig

stukje goud, tot de dag komt, waarop mijn wél en wee het uwe zal zijn."

"Om der wille van den afgestorvene," had zij hem sterk blozende

geantwoord, "gaat dit wél mij thans reeds ter harte. Wie over

het hoofd van een ander den vloek eens vaders bracht, is het haar

plicht niet den zwaar belaste te helpen, om zich van dien vloek te

ontheffen? En misschien ligt dit in mijne macht, Orion, wanneer gij

het niet versmaadt den raad te volgen van een onwetend meisje."

"Spreek!" had hij met aandrang gebeden, doch zij had hieraan niet

dadelijk gehoor gegeven, maar hem verzocht met haar in den tuin te

gaan. Hem zoowel als haar was de sombere kamerlucht onverdragelijk

geworden, en zoodra toen zij het huis verlieten, hadden de bespiedende

blikken van Katharina het paar in het oog gekregen, waarbij het deze

niet ontgaan kon hoe beider wangen gloeiden. Daarbuiten temperde

een nauwelijks merkbaar zuchtje van de Nijlzijde den middaggloed, en

hier had Paula den moed gevonden hem uiteen te zetten wat Philippus

zijne levensopvatting noemde.--Deze was hem niet nieuw, ja zij was

in overeenstemming met de voornemens, die hij ten aanzien van zijn

toekomstig leven had opgevat. Dankbaar nam hij die levensopvatting

over; "het leven een ambt, een dienst, eene verplichting," dat was

als eene roepstem, die hem bij het doorzetten van zijne plannen voor

de toekomst behulpzaam zou zijn.

"En dit woord," zeide hij tot Paula, "zal mij bovendien lief zijn,

omdat het komt uit uw mond, doch voor mij het is niet meer noodig. Ook

de wijste en nuttigste levensregelen hebben nog geen mensch beter

gemaakt. Wie nam ze niet uit de school in de wereld mede? Woorden

helpen niets, als zich niet bij de vaart door het leven de mannelijke

wil aan het roer zet. Ik heb dien opgeroepen en deze zal mij tot het

doel leiden, want den stuurman zweeft eene heldere ster voor oogen,

die hem geleidt. Gij, meisje, kent haar, het is..."

"Het is datgene wat gij uwe liefde noemt," sprak zij blozende hem in

de rede vallende. "Uwe liefde voor mij, en ik wil aan haar gelooven."

"Gij wilt!" zeide hij met vuur. "Gij veroorlooft mij te hopen..."

"Hopen, hopen!" haastte zij zich weder te zeggen, "intusschen..."

"Intusschen," ging hij voort, "'dring thans niet verder aan',

wildet gij laten volgen. O, ik versta u, en voor ik niet voel dat gij

weder reden hebt om op te zien tot den dwaas, die u door eigen schuld

verloren heeft, spreek ik, die u eens als een doodvijand bestreden heb,

zelf het laatste woord niet uit, leg ik aan mijn smachtend verlangen

het zwijgen op, wil ik beproeven..."

"Zult gij beproeven mij te toonen, neen, zult ge mij toonen," hernam

Paula, "dat ik in u uit een vijand en vervolger den meest geliefden

vriend heb gewonnen. Wij weten nu wat wij aan elkander hebben, willen

verder steeds en blijmoedig op elkander bouwen en den Allerhoogste

danken, dat hij een nieuwen heerlijken levensweg voor ons geopend

heeft. Wij willen te zamen dezen dag..."

"Zegenen en onder de besten rekenen," viel Orion blijmoedig in,

en nu volgde het gesprek over de kleine Maria, dat Katharina had

afgeluisterd.

Toen zij zich weder uit het bereik van haar gehoor verwijderd

hadden, verklaarde Orion, dat de zaak van het kind tot morgen moest

blijven rusten, daar hij heden aan gene zijde van den stroom met den

veldheer Amr moest spreken. Zeer bepaald verklaarde hij zich tegen

hare bezorgdheid, dat hij zich door den muzelman tot zijn geloof zou

laten overhalen; want hoeveel lust hij ook had om den patriarch te

doen gevoelen, dat hij niet van plan was den smaad zijn vader aangedaan

lijdelijk te dragen, was hij toch te vast aan zijn geloof gehecht, wist

hij te goed wat hij aan de nagedachtenis van den afgestorvene en ook

aan haar verschuldigd was, om tot dit uiterste over te gaan. Vervolgens

schilderde hij haar met geestdrift, hoe hij in de toekomst zijne

beste krachten aan zijn arm onderworpen vaderland dacht te wijden,

hetzij in dienst van den Kalief, hetzij op andere wijze. Vol vreugde

liet zij zich medeslepen door zijne edele opgewondenheid, ging zij

op zijne plannen in en gevoelde weder met stil genot het meesterschap

van zijn geest en de groote veerkracht zijner ziel.

Toen het gesprek haar onwillekeurig op het verledene bracht, vroeg zij

hem zacht, op den man af en zonder hem aan te zien, waar de smaragd

uit het Perzische tapijt gebleven was.

Hij verbleekte, keek voor zich en antwoordde aarzelend, dat hij dien

naar Konstantinopel had gezonden om hem in goud te laten vatten en

op te maken tot een sieraad--waardig voor haar, die hij...

Doch eensklaps hield hij op, stampte boos met den voet op den grond

en zeide, terwijl hij de jonkvrouw flink in de oogen zag: "Leugen,

vervloekte, onwaardige leugen! Van kindsbeen af heb ik de waarheid

gehuldigd, maar het is als verlangde die verwenschte aller dagen iets

onwaardigs van mij, telkens wanneer ik er weer op terugkom. Ja Paula,

ja, de steen is op weg naar Byzantium, maar dat gestolen goed was

niet voor u bestemd, maar voor eene schoone, zachte vrouw, die zeker

niet verdient veroordeeld te worden, eene vrouw die mij haar hart

had geschonken. Zij is voor mij nooit meer geweest dan een aardig

speelgoed; toch zijn er uren geweest, waarin ik geloofde... Arme

ziel!... Eerst door u heb ik de liefde leeren kennen, geleerd hoe

groot zij is en hoe heilig. Ziedaar, dat is de waarheid!"

Hierna wandelden zij weder op en Katharina, die den samenhang dezer

verklaring niet had kunnen rijmen, verstond nu weder hoe Paula

met warmte en blijmoedig tot hem zeide: "Ja, dat is de waarheid,

ik begrijp het; en van nu aan zij er eene streep gehaald door dezen

heilloosten aller dagen, worde hij uit uw en mijn leven uitgewischt,

en wat gij mij verder ook zeggen wilt, ik zal het gelooven!"

Verder vernam het luistervinkje hoe de jonkman antwoordde met bevende

stem: "En gij zult u in mij niet bedrogen vinden! Ik ga thans, ik ga,

en bij al mijne ellende als een blijmoedig man, die op nieuw geluk mag

hopen. O meisje, dit alles ben ik aan u verschuldigd! En, niet waar,

als wij elkander wederzien, zult gij mij niet anders bejegenen dan

op dien avond bij die spelevaart na mijne terugkomst?"

"Zelfs met nog blijder vertrouwen," hernam Paula, waarbij zij hem

met eene edele aandrift, die het hart haar ingaf, de hand reikte. Hij

drukte haar een oogenblik vast aan zijne lippen en sprong toen in het

zadel, om in snellen draf den tuin te verlaten. Zijn slaaf volgde hem.

"Katharina, kindlief, Katharina!" zoo riep uit de richting van

het huis der weduwe Susanna eene krijschende vrouwenstem. Het

kwikstaartje verschrikte, en wierp, terwijl het de hand nog even over

het haar streek, een boozen blik op de Damasceensche, "die andere,"

die vleister, die haar onder de sykomore schandelijk bedrogen had,

en zij balde de kleine vuist, nu er niets meer te luisteren viel,

toen zij Paula den heengaanden Orion met van vreugde stralende oogen

zag nastaren.

Met een zalig gevoel, en als had zij vleugelen aangeschoten, ging

Paula naar haar huis terug, terwijl de arme, diep gekrenkte kleine

bij het eerste scheldwoord harer moeder, die allesbehalve tevreden

was met haar verfrommeld toilet, in heete tranen losbarstte en daarna

weerbarstig en korzelig zeide, dat zij den patriarch den ruiker niet

aanbieden maar op haar kamer blijven wilde, daar zij bijna stierf

van hoofdpijn. En zoo gebeurde het ook.

De nijlbruid · 第 35 / 66 题