Orion en Paula hadden over veel gesproken, sedert de eerste het huis
van Rufinus had betreden. De onderhandelingen over de bezorging van
het vermogen der Damasceensche hadden lang geduurd. Ten laatste hadden
hare raadgevers besloten, de eene helft te plaatsen bij den juwelier
Gamaliël en zijn broeder, die te Konstantinopel aan het hoofd stond
van eene groote zaak. Toevallig was deze te Memphis en beide broeders
hadden zich bereid verklaard, om het aangeboden kapitaal ieder voor
de helft tegen eene behoorlijke rente in ontvangst te nemen. Beiden
wilden gemeenschappelijk de verantwoordelijkheid op zich nemen zoodat
ieder borg bleef voor het geheel van het hun toevertrouwd vermogen,
wanneer de ander, om welke reden dan ook, zijne betalingen eens moest
staken. Nilus had op zich genomen te zorgen voor de rechterlijke
bekrachtiging van dit verdrag en de vereischte zestien getuigen. Het
andere deel van het vermogen zou, op voorstel van den arts Philippus,
de broeder van den Arabischen koopman Haschim ontvangen, die in
de nieuw gebouwde stad Fostat aan den oostelijken Nijloever een
wisselbank had opgericht, waarin ook de tapijthandelaar deel had. Deze
plaatsing had dit voor, dat het kapitaal onaantastbaar bleef, zoolang
de Arabieren in Egypte heerschappij voerden. Na deze onderhandelingen
ging Nilus heen met dat gedeelte van het vermogen, hetwelk aan den
muzelmanschen wisselaar morgen door Orion zou worden toevertrouwd.
Paula was getuige geweest van deze onderhandelingen der mannen, zonder
er echter aan deel te nemen; zij had alleen dankbaar hare toestemming
gegeven tot hetgeen besloten was. Het was haar niet ontgaan hoe klaar,
ernstig en beslist Orion zich getoond had bij deze overleggingen,
en hoewel de verstandige, korte, eenvoudig uitgesprokene opmerkingen
van den rentmeester altijd doeltreffend bleken te zijn, had zij toch
het meeste waarde gehecht aan de gronden en toelichtingen van Orion,
want het kwam haar voor als getuigden ze van grooter staatsmanswijsheid
en dieper inzichten dan die der overigen. Na het sluiten der zitting,
had men haar met Orion alleen gelaten.
Er volgden onvermijdelijk pijnlijke oogenblikken, waarin het hart van
den jonkman zoowel als het hare sneller klopten. Eerst toen de zoon
van den Mukaukas meer moed had gevat en om vergeving biddend aan hare
voeten was gezonken, was zij weder geheel tot kalmte gekomen en had
hem herinnerd aan zijn brief, die haar omtrent zijn persoon gerust
had gesteld. Doch het hart drong haar met onweerstaanbare macht tot
meerdere toenadering, en daaraan toegevende vroeg zij snel, wat hij
bedoeld had met den ruil, waarover hij geschreven had.
Hij was daarop met neergeslagen oogen tot haar gekomen, had uit de
borstplooien van zijn gewaad een doosje te voorschijn gehaald, hetwelk
de smaragd bevatte met de verborgen kas van bladgoud. Beiden had hij
haar smeekend toegestoken, en daarbij met zijne zware stem op zijn
eigenaardigen diepen toon gezegd: "Ziedaar uw eigendom! Neem het aan,
en schenk mij in de plaats ervan uw vertrouwen, uwe vergeving!"
Hierop was zij enkele schreden achteruit gegaan, had eerst hem, daarna
den steen en de kas verrast, blijde en ontroerd met wijd geopende
oogen aangezien. Het was den jonkman daarbij niet mogelijk geweest
een woord te spreken, en hij had haar het juweel en het eenvoudig
stuk bladgoud dichter en dichter onder de oogen gebracht, toegereikt
als een arme, die het waagt een trotsch, rijk en aanzienlijk man het
beste wat hij heeft ten geschenke aan te bieden, ofschoon de gave te
gering is voor hem die haar ontvangt.
Paula was niet lang besluiteloos gebleven, maar had naar zijne gave de
hand uitgestoken, en dankbaar met hare van vreugde stralende oogen het
verloren kleinood als verslonden. Eergisteren zou zij het als bezoedeld
en ontheiligd beschouwd hebben, het zou streelend zijn geweest voor
haar trots dezen kostbaren schat vrouw Neforis en haar zoon opeens
voor de voeten geworpen te hebben, om dien nimmer weder te zien. Zoo
bezwaarlijk geeft men het recht op, om hem te haten die op misdadige
wijze ons leven verbitterd en onze zielen gewond hebben. Doch heden
deed Paula vrijwillig afstand van een recht, dat zij nog kort geleden
voor niets zou hebben prijs gegeven, ja zij wees dien eisch af als een
drukkenden last, die de vrije ademhaling en het rustig kloppen van
het hart belemmert. In dit juweel zag zij thans weder het dierbaar
aandenken aan hare overledene moeder, het vereerend sieraad dat een
groot monarch aan een harer voorouders had geschonken, en zij was
blijde dat het haar weder toebehoorde. Deze herinneringen hadden
echter het warme, zonnige gevoel, dat haar thans doordrong, niet bij
haar doen ontwaken en zij waren ook de oorzaak niet dat het zoo snel
in kracht was toegenomen; neen, hare oogen letten nauwelijks op den
fraaien, blinkenden steen, maar staarden onafgebroken op het armzalig
bladgoud, waarin hij was gevat en dat haar zulk eene vreeselijke ure
had bereid.--Wel bezat dit ellendig verbogen voorwerp de macht zich
voor hare rechters en vijanden te rechtvaardigen; wel zou het haar
gemakkelijk zijn gevallen met dit ding in de hand hare aanklagers te
vernietigen; maar ook dit was het niet wat haar zoo onuitsprekelijk
goed deed. Het woord van den arts was haar voor den geest gekomen,
dat er namelijk geen grooter vreugde is dan te ervaren zich in een
mensch tot zijn nadeel bedrogen te hebben, en zij had den man die
daar voor haar stond eenmaal liefgehad. Hij stond daar diep bewogen
voor haar, wederom bereid tot alle goed, en het oordeel dat zij over
hem geveld had, was honderd-, ja duizendmaal te hard geweest! Alleen
een edele verwacht met vertrouwen edelmoedigheid van den vijand en
hij, hij gaf zich weerloos over in de handen van haar, die door deze
noodlottige, misschien eenige schandelijke daad zijns levens doodelijk
getroffen was. Met dit stuk bladgoud leverde Orion zich zelven uit,
als bezitster van dezen talisman stond zij tegenover hem als het
almachtige noodlot! En toen zij den blik naar hem opsloeg en zijne
groote oogen zag, waaruit geest en leven straalden en waarin tranen
blonken van innige ontroering, scheen het haar onbetwistbaar zeker,
dat deze lieveling der fortuin, die zoo zwaar gezondigd had, toch
in staat was het grootste en hoogste te bereiken wanneer een vriend
hem wees op den verhevensten eisch des levens, en hij bereid werd
bevonden diens wenk te volgen. En deze vriend wilde zij voor hem zijn!
Evenals Orion zoo kon ook zij eerst geen woorden vinden. Eindelijk
was hij zichzelven niet meer meester, naar haar toegesneld, en had
hij zijne lippen met warmen dank op hare rechter hand gedrukt. Zij
had het zich moeten laten welgevallen en zou ook niet in staat zijn
geweest het te beletten als hij haar driftig, gelijk in dien droom, in
de armen gekneld en aan zijn hart gedrukt had. Met geestdrift was zijn
brandende mond op hare hand blijven rusten, doch maar een oogenblik had
zij toegegeven aan de machtige ontroering, die haar had aangegrepen;
toen was zij door de wilskracht ten goede, die haar bezielde, haar
gevoel meester geworden, had hem bepaald maar toch niet onvriendelijk
teruggewezen, en hem op bewogen en liefderijk schalkschen toon,--iets
dat hem vreemd in haar voorkwam en hem nog meer in verrukking
bracht dan hare grootheid en trots--met dreigend opgeheven vinger
toegeroepen: "Neem u in acht, Orion! Ik behoud den steen en de kas,
ja ook de kas! Wacht de gevolgen maar af, gij onvoorzichtige man!"
"Spreek niet zoo," had hij in zalige stemming geantwoord. "Zeg liever:
gij dwaas, die eindelijk eens eene verstandige daad volbrengt. Wat ik u
hier uitlever is geen geschenk, maar altijd uw eigendom geweest. Voor
u kan het niet meer of niet minder gelden dan vroeger, doch voor mij
heeft het nu deze nieuwe, onschatbare waarde, dat het mij, mijne eer,
misschien ook mijn leven in uwe handen stelt, dat gij nu over mij
beschikken kunt gelijk de keizer over zijn armsten dienstknecht in
het paleis. Behoud en gebruik den steen en dit noodlottig nietswaardig
stukje goud, tot de dag komt, waarop mijn wél en wee het uwe zal zijn."
"Om der wille van den afgestorvene," had zij hem sterk blozende
geantwoord, "gaat dit wél mij thans reeds ter harte. Wie over
het hoofd van een ander den vloek eens vaders bracht, is het haar
plicht niet den zwaar belaste te helpen, om zich van dien vloek te
ontheffen? En misschien ligt dit in mijne macht, Orion, wanneer gij
het niet versmaadt den raad te volgen van een onwetend meisje."
"Spreek!" had hij met aandrang gebeden, doch zij had hieraan niet
dadelijk gehoor gegeven, maar hem verzocht met haar in den tuin te
gaan. Hem zoowel als haar was de sombere kamerlucht onverdragelijk
geworden, en zoodra toen zij het huis verlieten, hadden de bespiedende
blikken van Katharina het paar in het oog gekregen, waarbij het deze
niet ontgaan kon hoe beider wangen gloeiden. Daarbuiten temperde
een nauwelijks merkbaar zuchtje van de Nijlzijde den middaggloed, en
hier had Paula den moed gevonden hem uiteen te zetten wat Philippus
zijne levensopvatting noemde.--Deze was hem niet nieuw, ja zij was
in overeenstemming met de voornemens, die hij ten aanzien van zijn
toekomstig leven had opgevat. Dankbaar nam hij die levensopvatting
over; "het leven een ambt, een dienst, eene verplichting," dat was
als eene roepstem, die hem bij het doorzetten van zijne plannen voor
de toekomst behulpzaam zou zijn.
"En dit woord," zeide hij tot Paula, "zal mij bovendien lief zijn,
omdat het komt uit uw mond, doch voor mij het is niet meer noodig. Ook
de wijste en nuttigste levensregelen hebben nog geen mensch beter
gemaakt. Wie nam ze niet uit de school in de wereld mede? Woorden
helpen niets, als zich niet bij de vaart door het leven de mannelijke
wil aan het roer zet. Ik heb dien opgeroepen en deze zal mij tot het
doel leiden, want den stuurman zweeft eene heldere ster voor oogen,
die hem geleidt. Gij, meisje, kent haar, het is..."
"Het is datgene wat gij uwe liefde noemt," sprak zij blozende hem in
de rede vallende. "Uwe liefde voor mij, en ik wil aan haar gelooven."
"Gij wilt!" zeide hij met vuur. "Gij veroorlooft mij te hopen..."
"Hopen, hopen!" haastte zij zich weder te zeggen, "intusschen..."
"Intusschen," ging hij voort, "'dring thans niet verder aan',
wildet gij laten volgen. O, ik versta u, en voor ik niet voel dat gij
weder reden hebt om op te zien tot den dwaas, die u door eigen schuld
verloren heeft, spreek ik, die u eens als een doodvijand bestreden heb,
zelf het laatste woord niet uit, leg ik aan mijn smachtend verlangen
het zwijgen op, wil ik beproeven..."
"Zult gij beproeven mij te toonen, neen, zult ge mij toonen," hernam
Paula, "dat ik in u uit een vijand en vervolger den meest geliefden
vriend heb gewonnen. Wij weten nu wat wij aan elkander hebben, willen
verder steeds en blijmoedig op elkander bouwen en den Allerhoogste
danken, dat hij een nieuwen heerlijken levensweg voor ons geopend
heeft. Wij willen te zamen dezen dag..."
"Zegenen en onder de besten rekenen," viel Orion blijmoedig in,
en nu volgde het gesprek over de kleine Maria, dat Katharina had
afgeluisterd.
Toen zij zich weder uit het bereik van haar gehoor verwijderd
hadden, verklaarde Orion, dat de zaak van het kind tot morgen moest
blijven rusten, daar hij heden aan gene zijde van den stroom met den
veldheer Amr moest spreken. Zeer bepaald verklaarde hij zich tegen
hare bezorgdheid, dat hij zich door den muzelman tot zijn geloof zou
laten overhalen; want hoeveel lust hij ook had om den patriarch te
doen gevoelen, dat hij niet van plan was den smaad zijn vader aangedaan
lijdelijk te dragen, was hij toch te vast aan zijn geloof gehecht, wist
hij te goed wat hij aan de nagedachtenis van den afgestorvene en ook
aan haar verschuldigd was, om tot dit uiterste over te gaan. Vervolgens
schilderde hij haar met geestdrift, hoe hij in de toekomst zijne
beste krachten aan zijn arm onderworpen vaderland dacht te wijden,
hetzij in dienst van den Kalief, hetzij op andere wijze. Vol vreugde
liet zij zich medeslepen door zijne edele opgewondenheid, ging zij
op zijne plannen in en gevoelde weder met stil genot het meesterschap
van zijn geest en de groote veerkracht zijner ziel.
Toen het gesprek haar onwillekeurig op het verledene bracht, vroeg zij
hem zacht, op den man af en zonder hem aan te zien, waar de smaragd
uit het Perzische tapijt gebleven was.
Hij verbleekte, keek voor zich en antwoordde aarzelend, dat hij dien
naar Konstantinopel had gezonden om hem in goud te laten vatten en
op te maken tot een sieraad--waardig voor haar, die hij...
Doch eensklaps hield hij op, stampte boos met den voet op den grond
en zeide, terwijl hij de jonkvrouw flink in de oogen zag: "Leugen,
vervloekte, onwaardige leugen! Van kindsbeen af heb ik de waarheid
gehuldigd, maar het is als verlangde die verwenschte aller dagen iets
onwaardigs van mij, telkens wanneer ik er weer op terugkom. Ja Paula,
ja, de steen is op weg naar Byzantium, maar dat gestolen goed was
niet voor u bestemd, maar voor eene schoone, zachte vrouw, die zeker
niet verdient veroordeeld te worden, eene vrouw die mij haar hart
had geschonken. Zij is voor mij nooit meer geweest dan een aardig
speelgoed; toch zijn er uren geweest, waarin ik geloofde... Arme
ziel!... Eerst door u heb ik de liefde leeren kennen, geleerd hoe
groot zij is en hoe heilig. Ziedaar, dat is de waarheid!"
Hierna wandelden zij weder op en Katharina, die den samenhang dezer
verklaring niet had kunnen rijmen, verstond nu weder hoe Paula
met warmte en blijmoedig tot hem zeide: "Ja, dat is de waarheid,
ik begrijp het; en van nu aan zij er eene streep gehaald door dezen
heilloosten aller dagen, worde hij uit uw en mijn leven uitgewischt,
en wat gij mij verder ook zeggen wilt, ik zal het gelooven!"
Verder vernam het luistervinkje hoe de jonkman antwoordde met bevende
stem: "En gij zult u in mij niet bedrogen vinden! Ik ga thans, ik ga,
en bij al mijne ellende als een blijmoedig man, die op nieuw geluk mag
hopen. O meisje, dit alles ben ik aan u verschuldigd! En, niet waar,
als wij elkander wederzien, zult gij mij niet anders bejegenen dan
op dien avond bij die spelevaart na mijne terugkomst?"
"Zelfs met nog blijder vertrouwen," hernam Paula, waarbij zij hem
met eene edele aandrift, die het hart haar ingaf, de hand reikte. Hij
drukte haar een oogenblik vast aan zijne lippen en sprong toen in het
zadel, om in snellen draf den tuin te verlaten. Zijn slaaf volgde hem.
"Katharina, kindlief, Katharina!" zoo riep uit de richting van
het huis der weduwe Susanna eene krijschende vrouwenstem. Het
kwikstaartje verschrikte, en wierp, terwijl het de hand nog even over
het haar streek, een boozen blik op de Damasceensche, "die andere,"
die vleister, die haar onder de sykomore schandelijk bedrogen had,
en zij balde de kleine vuist, nu er niets meer te luisteren viel,
toen zij Paula den heengaanden Orion met van vreugde stralende oogen
zag nastaren.
Met een zalig gevoel, en als had zij vleugelen aangeschoten, ging
Paula naar haar huis terug, terwijl de arme, diep gekrenkte kleine
bij het eerste scheldwoord harer moeder, die allesbehalve tevreden
was met haar verfrommeld toilet, in heete tranen losbarstte en daarna
weerbarstig en korzelig zeide, dat zij den patriarch den ruiker niet
aanbieden maar op haar kamer blijven wilde, daar zij bijna stierf
van hoofdpijn. En zoo gebeurde het ook.