VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Terwijl maan en sterren den nachtelijken hemel verhelderden nam Orion

den terugweg aan. Hij hield het hoofd fier opgericht, zoo vroolijk

en vol hoop als bij dezen rit had hij zich niet gevoeld sedert dat

watertochtje met Paula. Aan gene zijde van de schipbrug stuurde

hij zijn paard niet rechtstreeks naar het stadhouderlijk paleis,

de frissche nachtlucht deed hem zoo goed, zijn hart was zoo ruim,

dat hij zich niet dadelijk in een eng vertrek kon opsluiten. Met

nieuwe geestdrift bezield en van eene zwaren last bevrijd reed hij

in snellen draf naar het huis waar zijne geliefde gehuisvest was,

en hij stelde zich voor hoe verheugd zij zijn zou bij het bericht,

dat hij in Amr een helper bij de verwezenlijking zijner plannen, ja,

misschien een vriend gevonden had.

De veldheer, dien zijn vader zoo hoogschatte om zijn edel gemoed,

zijn verstand en zijne rechtvaardigheid was ook in zijn oog het

ideaal van een voortreffelijk man, en als hij hem vergeleek met

de voorname beambten en bevelhebbers over de troepen, die hij aan

het Byzantijnsche hof had gezien, moest hij glimlachen. Zij allen

stonden tot dezen waardigen en toch levenslustigen en deelnemenden

man in verhouding als de oude stijve godenbeelden zijner voorvaderen

tot de edele gestalten der Grieksche kunst. Thans zegende hij het

aandenken zijns vaders, die zijn geboortegrond bevrijd had van de

heerschappij van dit ontaard gebroed. Heden, dit wist hij zeker, zou de

afgestorvene, wiens beeld hem zoo levendig voor den geest stond, over

hem tevreden zijn, en dat gaf hem een gevoel van geluk dat hij wilde

vasthouden en nog verhoogen door hetgeen hij verder zou overleggen en

uitrichten. "Het leven een ambt, een dienst, eene verplichting," deze

tooverspreuk uit een zoo dierbaren mond, zou hem houden op den goeden

weg en hoe spoedig hoopte hij, zeker van zijne zaak, op mannelijke

daden te kunnen wijzen, die hem voor zichzelven het recht gaven,

om het lot van de edelste der vrouwen aan het zijne te verbinden!

Van zulke gedachten vervuld, was hij aan het huis van Rufinus

gekomen. De vensters van het hoekvertrek op de bovenste verdieping,

waarvan twee in de Nijlstraat, twee op den stroom uitzagen, waren

verlicht. Hij wist niet juist welke kamers Paula bewoonde, maar hij

keek toch naar boven in het onzeker vermoeden, dat dit licht bij

haar nog zoo laat brandde, en de vrouwelijke gestalte, die thans

zich vertoonde aan de door het maanlicht beschenen vensteropening,

zeide hem dat hij zich niet had bedrogen, want hij herkende in haar

Paula's voedster Perpetua. De hoefslag had haar uit nieuwsgierigheid

naar het venster doen gaan, doch zij scheen hem bij het matte licht

niet te herkennen. Langzaam reed hij voorbij en toen hij spoedig

daarop omkeerde en opkeek, in de hoop ditmaal zijne geliefde aan

het venster te zullen vinden, zag hij niemand meer. Maar hij merkte

eene lange donkere schaduw op, die zich van de eene zijde van het

vertrek naar de andere bewoog en die noch van de voedster, noch van

hare slanke meesteres afkomstig kon zijn. Het moest de schaduw zijn

van een bijzonder lang man, en terwijl hij stilhield en verontrust

door allerlei pijnlijke gewaarwordingen nog eens naar boven keek,

herkende hij duidelijk den arts Philippus.

Het middernachtelijk uur was reeds voorbij: hoe te verklaren dat

Paula hem thans ontving? Was zij ziek geworden? Of was dit vertrek

misschien niet het hare? Bevond de voedster zich toevallig met haar

en den arts in eene woonkamer van Rufinus?

Maar neen! De vrouw die thans voorbij het venster ging en zich met

uitgestrekte hand juist bewoog naar de schaduw van den man, was Thomas'

dochter en geene andere.

Zijn hart begon steeds sneller te kloppen en hem overviel eene

bezorgdheid, die tot hiertoe door zijne edelheid was teruggehouden,

ofschoon hij toch meermalen getuige was geweest van de vriendelijke

verstandhouding, die er tusschen Paula en den arts bestond. Misschien

was het meer dan vriendschap en onschuldig vertrouwen, dat de jonkvrouw

aanleiding gaf de bescherming en de hulp van dezen man zoo onverholen

in te roepen. Zou hij Paula's hart, hare liefde gewonnen hebben? Zou

dat mogelijk zijn? En waarom niet? Wat had zij bij Philippus anders

te vergeten dan zijn leelijk gelaat en zijne lage afkomst? Maar

hoeveel andere vrouwenharten hadden zich over gansch andere dingen

moeten heenzetten! De arts was nauwelijks vijf jaren ouder dan hij,

en zijne bezorgdheid klom als Orion zich den blik weer voor den geest

bracht, waarmede hij Paula heden morgen had aangezien. Ja, Philippus

had Paula lief!

Eene kleine omstandigheid, die hem eenklaps inviel, was voor hem,

die in zulke dingen maar al te veel ervaring had, voldoende om

dit als zeker te beschouwen. Reeds gisteren was het hem opgevallen

dat Philippus zich sedert den dood zijns vaders, dus sedert Paula

verhuisd was naar het huis van Rufinus, zich veel zorgvuldiger dan

vroeger gekleed had. "Daarin," dacht hij, "brengt een ernstig man

geen verandering, wanneer de liefde hem er geen aanleiding toe geeft."

Een pijnigend gevoel van angst en toorn overviel hem, toen hij de

lange schaduw weder bij het venster zag verschijnen. Voor de eerste

maal in zijn leven gevoelde hij de kwelling van den ijverzucht,

waarom hij zijne vrienden dikwijls had uitgelachen. Toch was hij niet

dwaas genoeg om zich er door te laten martelen, immers sedert heden

morgen kon hij zeker op zijne geliefde bouwen. Al moest hij, Orion,

voor een hoogeren rechter bij dezen achterstaan, voor een vrouwenhart

was hij gewis zijn meerdere. Desniettemin hinderde het hem te weten

dat de arts op dit uur bij Paula was, en korselig rukte hij aan den

teugel om het paard te doen keeren. Het beviel hem dat het edele,

vurige beest zich verzette tegen deze ongewone ruwe handeling en

een honderd passen voorbij dat verwenschte verlichte venster weder

de koppigheid toonde, die men het als veulen had afgeleerd. Orion

moest werkelijk een strijd beginnen met den hengst, en het deed

hem goed het dier met den toom en zijne beenen zijn overmacht te

doen gevoelen. Wel steigerde de hengst en draaide hij met hem in een

cirkel rond, maar de krachtige ruiter werd hem de baas, en nadat hij

het dier tot stilstaan en gehoorzaamheid gedwongen had, streelde hij

het langs den gladden hals en zag, tot verademing gekomen, nog eens om.

Naast hem verhieven zich boven de lage heg de dichte sombere

bosschages van den tuin der weduwe Susanna, en daarachter schemerde

uit de achterzijde van het huis die op de Nijlstraat uitzag, een nog

helderder licht als uit Paulas woning. Uit drie vensters straalde

het in den tuin, uit twee slechts met een mat schijnsel, misschien

het licht van eene enkele lamp. Dat alles kon hem onverschillig zijn,

toch bleef zijn oog gevestigd op het dak van de zuilengaanderij, die

onder de bovenverdieping heenliep, want daarop stond dicht tegen het

kozijn van een der verlichte vensters geleund, eene kleine vrouwelijke

gestalte, die het hoofdje zoover vooruitstak om te luisteren, dat het

licht schemerde door het golvende haar dat het omlijstte. Katharina

beluisterde het gesprek, dat de patriarch Benjamin, wiens gebaarde

apostelkop Orion goed onderscheiden kon, met den presbyter Johannes

voerde, een klein onaanzienlijk mannetje, van wien Orions vader

echter getuigde, dat hij den ouden bisschop Plotinos in geest en

kloekheid overtrof.

Het zou den jongeling niet moeilijk zijn gevallen elke beweging van

Katharina te volgen, doch dit was hem de moeite niet waard. Terwijl

hij doorreed zag hij in zijne verbeelding het kwikstaartje, hoewel

niet alleen, want het beeld der geliefde plaatste zich dadelijk

daarnaast, en hoe kleiner gene hem voorkwam, des te heerlijker kwam

de wasdom van deze uit. Ieder woord, dat hij heden vroeg van Paula's

lippen vernomen had, kwam hem weder voor den geest, en die schoone,

levendige herinnering verdreef alle bezorgdheid. De vrouw, die zich

nog dezen morgen bereid verklaard had met hem te hopen, alles van

hem te gelooven, zijne bescherming aan te nemen, de edele jonkvrouw,

aan wie hij gaarne had toegestaan het oog mede te richten op wat

hij zich in de toekomst ten doel had gesteld, wier reine blik zijn

hartstocht, zijn eigenwaan als met toovermacht in toom had gehouden

en hem nochtans het recht gegeven had naar haar bezit te streven,

dat trotsche heldenkind, dat zijn vader zoo gaarne als dochter aan

het hart had gedrukt, zou het mogelijk zijn dat zij hem misleidde

als eene behaagzieke schoone uit de hoofdstad? Kon zij ooit hare

waardigheid als vrouw vergeten? Neen, duizendmaal neen! Aan haar

te twijfelen was haar te beleedigen, was een onrecht tegen haar en

zichzelven. De arts had haar lief, doch wat haar ook aanleiding gaf

om hem zoo laat te ontvangen, eene andere beweegreden dan die van

vriendschap bestond er zeker niet. Schande over hem, wanneer hij de

lage verdenking van vroeger weder plaats gaf in zijne ziel.

Als van een last bevrijd haalde hij vrijer adem, toen zijn

dienstknecht verscheen, die bij de betaling van den bruggetol was

opgehouden. Terstond sprong hij uit het zadel en beval dezen het paard

naar huis te brengen, daar hij begeerde verder te voet te gaan, om

ongestoord zijne gedachten te kunnen vervolgen. Weldra wandelde hij

dan ook peinzend onder de sykomoren voort, en nog was hij niet ver

gekomen, toen hij aan de andere zijde van den thans stillen hoofdweg

iemand met groote, haastige schreden achter zich hoorde naderen,

die spoedig hem voorbijschoot. Zijn scherpziend oog deed hem in

den wandelaar den arts Philippus herkennen, en het verheugde hem

dezen te zien, want nu was het bewijs geleverd hoe dwaas en verkeerd

zijn twijfel was geweest, hoe weinig grond hij had om in den arts

een medeminnaar te zien. Die man daarginds zag er toch niet als een

gelukkige uit. Met gebogen hoofd, als ging hij gebukt onder een last,

ijlde hij voorwaarts, en thans bracht hij als iemand die vertwijfelt

de hand aan het voorhoofd. Neen, achter dien haastigen, nachtelijken

wandelaar lag geene zalige ure, en als zijne houding iets van hem

vroeg, dan was het niet nijd, maar medelijden.

De arts merkte hem niet op, want geheel in zichzelven gekeerd vloog

hij verder, terwijl nu en dan een zucht of eene doffe klacht zijne

borst ontsnapte. Voor enkele oogenblikken ging hij een huis binnen,

waaruit luide klaagtonen werden vernomen, en toen hij daarna zijn

weg vervolgde, schudde hij van tijd tot tijd het hoofd, als iemand

die allerlei tooneelen onder zijne oogen ziet afspelen, waarvan hij

het rechte begrip niet heeft. Het doel van zijne wandeling was een

gebouw, dat aan een paleis deed denken. Het pleister was voor een deel

afgevallen en de vensters van de bovenste verdieping waren tot groote

aan de zijden uitgebroken openingen verwijd. Weleer had dit huis de

stedelijke en districtbeambten voor de financiën geherbergd en de

benedenvertrekken waren toen zeer geschikt en doelmatig ingericht

voor den ideoloog, den hoofdbeambte van dezen tak van bestuur, die

gewoonlijk te Alexandrië verblijf hield, maar bij zijne inspectiereis

zich soms weken lang te Memphis moest ophouden. Doch de Arabieren

hadden het beheer der financiën van het geheele land verlegd naar de

nieuwe hoofdstad Fostat aan gene zijde van den stroom, en die van de

vervallen plaats was verbonden geworden met het stadhouderlijk ambt. De

senaat van Memphis had het te kostbaar gevonden om het groote gebouw te

sloopen, en was zeer blijde geweest toen men voor de benedenvertrekken

in den arts Philippus en den Egyptenaar Horus Apollon huurders had

gevonden. Beide geleerden bewoonden wel afzonderlijke vertrekken,

maar dezelfde slaven bezorgden het gemeenschappelijk huishouden en

moesten bovendien den helper van Philippus, een bescheiden en wel

onderwezen Alexandrijn, diensten bewijzen.

Toen de arts de hooge en ruime werkzaal van zijn grijzen vriend

betrad was deze nog wakker, en zat achter een groot aantal opene

schriftrollen zoo geheel verdiept in zijn arbeid, dat hij den

laat terugkeerenden vriend eerst vluchtig opmerkte, toen deze hem

een avondgroet toeriep. Het antwoord daarop bestond enkel uit een

onduidelijk gebrom, en nog eenige oogenblikken daarna bleef de oude

geheel in zijne handschriften verdiept. Eindelijk keerde hij het

gelaat naar Philippus en wierp daarbij het ivoren staafje, waarmede

hij de papyrusrollen openlegde en gladstreek, ongeduldig op de tafel,

en tegelijk begon zich daaronder eene donkere massa te bewegen, de

sedert lang ingeslapen slaaf van den grijsaard. De drie lampen op de

schrijftafel plaatsten den oude en zijne omgeving in het volle licht,

terwijl de arts, die zich op eene rustbank op den achtergrond van

het groote vertrek had neergevleid, in het donker bleef.

Wat dien arbeider bij nacht opschrikte was het zwijgen van den

teruggekeerde, waaraan hij niet gewoon was; dit hinderde hem als het

stilstaan der klepperende raderen den molenaar.

Hij zag nu den vriend verstomd en vragend aan, maar deze bleef stom

waarop de oude zich weder in zijne schriftrollen verdiepte. Toch had

hij zeker de noodige aandacht verloren, want zijne gebruinde hand,

waarop de aderen als blauwe knoopen en draden zichtbaar waren,

verschoof nu eens de rol, dan weer het ivoren staafje, en zijn

ingevallen mond, die eerst vast gesloten was, bleef voortdurend in

beweging. De uitwendige gedaante van dezen man bood een zonderlingen,

weinig opwekkenden aanblik, want zijne magere, bruinachtige gestalte

was van ouderdom gebogen, zijn echt Egyptisch gelaat met de breede

kaakbeenderen en de hoog opstaande ooren was gerimpeld als eikenbast,

zijn schedel had het laatste haar verloren, en zijn gezicht was

wel-is-waar pas geschoren, maar op de plaats van zijn baard wiesen in

de diepe rimpels van kin en wangen enkele grauwe haren als struiken,

die uit het enge bed van eene beek te voorschijn komen. Het scherpe

scheermes had die plaatsen niet kunnen bereiken, en die haren gaven aan

zijn geheele gelaat een onordelijk en verwaarloosd aanzien. Hiermede

was de kleeding van den grijsaard in overeenstemming, als het linnen

schort en het witte doek, dat sedert het ondergaan der zon over

zijne naakte schouders hing, zulk een naam verdiende. Doch niemand

op straat zou hem voor een bedelaar hebben gehouden, want het linnen

dat hij droeg was fijn en sneeuwwit, en uit zijne wijd uitpuilende

schitterende oogen, waarboven juist in het midden kleine maar lange

borstelige wenkbrauwen zonderling opstaken, spraken helder verstand,

krachtig zelfbewustzijn en afstootende norschheid, eigenschappen die

een ontvanger van aalmoezen even weinig pasten als de van wilskracht

getuigende, soms honende trek, die altijd om den mond van dezen man

scheen te spelen. Er lag in de trekken van dezen ouden man niets

aanvalligs, niets teeders of behagelijks, en wie zijn leven kende

kon zich niet verwonderen, dat de jaren niet in staat geweest waren

zijne ruwheid en onaangename zucht tot tegenspraak te breken, of

te verkeeren in die vriendelijke toegevendheid, die vaak een hoogen

leeftijd kenmerkt, als men zoo vaak gestruikeld is en zoovelen heeft

zien vallen.

Hij was voor tachtig jaren geboren op het schoone eiland Philae, aan

gene zijde van den katarakt in de nabijheid van den Isis-tempel,

dus bij het eenige Egyptische heiligdom, waarin de heidensche

eeredienst nog tot in zijne jeugd en nog wel openlijk kon worden

uitgeoefend. Sedert den grooten Theodosius hadden keizers en

"praefectus augustales" om strijd krijgslieden te voet en te paard

den katarakt laten overtrekken, om aan de afgoderij op het lieflijke

Nijleiland een einde te maken, maar allen waren door de dappere

Blemmyers, die in de woestijn tusschen den stroom en de Roode zee

huisden, tot de terugtocht gedwongen of vernietigd geworden, want

dit onrustig zwervend volk vereerde de Isis van Philae als zijne

schutsgodin, en volgens een oud verdrag werd het beeld hunner patrones

door hunne priesterschap jaarlijks in feestelijken optocht naar de

Blemmyers gebracht, om eenige weken in hun midden te verwijlen.

De vader van den grijsaard was de laatste horoscoop en zijn grootvader

de laatste opperpriester van Isis op Philae geweest. Zijn jongenstijd

had hij nog doorleefd op het eiland der godin. Toen was het echter

aan een Byzantijnsch legioen gelukt de Blemmyers te verslaan,

het eiland te omsingelen, het heiligdom uit te plunderen en te

sluiten. De Isis-priesters ontkwamen aan de keizerlijke vervolgers,

en Horus Appollon had zijne geheele jeugd met vader, grootvader en

twee jongere zusters op de vlucht doorgebracht, overal door groote

gevaren bedreigd. Haat tegen de vervolgers, de misdadigers die het

geloof zijner vaderen verachtten en vernietigden was de spijs geweest,

waarmede men zijn jeugdig gemoed had gevoed, en deze haat zou klimmen

tot onverzoenlijke bitterheid, nadat te Antiochië de zijnen door

keizerlijke soldaten overvallen en zijn grootvader benevens zijn beide

onschuldige zusters neergehouwen waren. Op aanhitsen van den bisschop

die in de vreemde familie Egyptische afgodendienaars had herkend en

wien de prefect des keizers, een overmoedig en trotsch patriciër,

de gewapende macht gewillig ter beschikking had gesteld, had deze

ontzettende gebeurtenis plaats gehad. Slechts aan een toeval of,

zooals de oude meende aan de 'groote Isis' was het te danken, dat

zijn vader gelukkig ontkwam met hem en de kostbaarheden, die de oude

opperpriester uit den tempelschat had medegenomen. Het ontbrak hun dus

niet aan middelen om onder vreemde namen te reizen en zich eindelijk

in Alexandrië neer te zetten. De vervolgde jongeling veranderde hier

zijn naam Horus in den Griekschen vorm ervan, en heette van nu aan

in huis en in de school Apollon. De begaafde jonkman gebruikte met

vurigen ijver de rijke leermiddelen van een stad als Alexandrië,

rusteloos verdiepte hij zich in elk gebied der Grieksche wetenschap

en verwierf daarbij onder de leiding zijns vaders al de kennis van

een Egyptischen horoscoop, die in dezen lateren tijd toch nog niet

geheel was te loor gegaan.

Te midden van de christenen der hoofdstad en hun geloofsstrijd bleven

vader en zoon heidenen en Isis-dienaars, en toen de oude priester

op hoogen leeftijd stierf, verhuisde Horus Apollon naar Memphis,

waar hij het stille afgezonderde leven van een onderzoeker leidde,

van tijd tot tijd vertoonde hij zich op de sterrewacht onder de

astronomen, astrologen en kalendermakers, of bezocht hij de laboratoria

der alchymisten, die ook in christelijk Egypte zich ijverig bleven

bezighouden met pogingen om onedele in edele metalen te veranderen. De

scheikundigen en sterrekundigen erkenden weldra de meerdere kennis

van den ouden man en ondanks zijne zwartgalligheid en de beleedigende

wijze waarop hij iemand kon afwijzen, vroeg men toch bij moeielijke

vraagstukken hem om raad. De roep die van hem uitging was ook tot

de Arabieren doorgedrongen, en toen het de vraag was hoe men aan de

gebedsnis in de nieuwe moskee van Amr de juiste richting naar Mekka

zou geven, werd zijne hulp ingeroepen en zijn advies was beslissend.

De arts Philippus was eenige jaren geleden aan het ziekbed van den

oude geroepen en had aan hem zijn meesten tijd en zijne beste krachten

gewijd, daar in die dagen nog maar weinigen een beroep deden op de

kunst van een pas beginnende. Er kwam bij dat Horus Apollon door

de degelijke beschaving en den ernstigen zin tot onderzoek van den

jongen geleerde werd aangetrokken en spoedig warme sympathie voor

hem had opgevat, ja, de warmste, die hij na den dood der zijnen voor

een zijner medemenschen had getoond. Eindelijk sloot de oudere den

jongeren man met zulk eene teederheid aan zijn hart, als beijverde

hij weer goed te maken wat hij in liefdebewijzen tot hiertoe was te

kort gekomen. Geen vader kon inniger, met meer zelfverloochenende

liefde gehecht zijn aan een zoon als de grijsaard aan den arts, en

toen eene ziekte hem opnieuw aan den rand des grafs bracht, maakte

hij Philippus tot zijn vertrouwde, openbaarde hij hem het geheim

van zijn uit- en inwendig leven van den aanvang af, en beloofde

hij den arts tot zijn erfgenaam te zullen maken, wanneer deze zich

verbond bij hem te blijven tot zijn einde. Philippus, wien de grijze,

geestrijke onderzoeker reeds van den beginne de grootste belangstelling

had ingeboezemd, nam dezen voorslag aan, nadat ook hij zich meer had

ingelaten met de studiën van den ouden man waaraan hij soms deelnam,

noodigde deze hem uit een werk te helpen voltooien dat hij voor

zijn dood wilde afmaken. Het handelde over het hiëroglyphenschrift

en moest de beteekenis der afzonderlijke teekens, voor zoover

deze nog was vast te stellen, verklaren en aan de nakomelingschap

overbrengen. De grijsaard, die alleen Egyptisch wilde schrijven omdat

hij het Grieksch niet genoeg machtig was, vertrouwde aan zijn jongen

vriend de vertaling zijner opteekeningen in deze taal toe, en het

samenleven van die twee in ouderdom en karakter zoo uiteenloopende,

maar in betrekking tot hun geestelijk streven verwante mannen, nam

een voor beide partijen aangenamen en voordeeligen vorm aan, ondanks

de velerlei zonderlingheden, de ruwheid en hardheid van den ouden man.

Horus Apollon leefde op de manier van een oud Egyptisch priester, daar

hij zich onderwierp aan veelvuldige wasschingen en scheringen, weinig

anders nuttigde dan brood, groenten en tamme vogels, zich onthield

van peulvruchten en het vleesch van alle viervoetige dieren en niet

alleen van de reeds aan zijne voorvaderen verbodene zwijnen, zich

van geen andere dan reine linnen gewaden bediende en zekere uren voor

zich hield tot het uitspreken van die heidensche gebedsformulieren,

welker magische kracht de goden moest dwingen aan het verlangen hunner

aanbidders te voldoen.

Zooals de oude aan Philippus zijn geheele vertrouwen geschonken had,

zoo verborg deze voor hem niets wat in hem omging. Deed hij het soms,

dan gevoelde de ander dit met wonderbare scherpzinnigheid. De arts

had den vaderlijken vriend vaak over Paula gesproken en hem hare

voortreffelijke eigenschappen geschilderd met al de warmte van

een liefhebbend hart; doch de oude was haar van den aanvang niet

genegen, reeds dadelijk omdat zij de dochter was van een patriciër en

prefect. Wie dezen titel voerde was voor hem een voorwerp van haat,

immers een prefect en patriciër droeg de schuld van het bloedig

einde dergenen, die hij het meest had liefgehad. Wel-is-waar had de

stadhouder van Antiochië enkel op last van den bisschop gehandeld,

doch het lustte den grijsaard--en zijn vader had er van den aanvang

af evenzoo over gedacht--alle schuld op den prefect te laden; want

de nazaat van een overoud priestergeslacht verheugde zich, dat hij

al de volheid van zijn toorn over een ander kon uitstorten dan over

een dienaar onverschillig van welke godheid.

Als Philippus Paula's groote gestalte, hare voorname houding, den

adel van hare vormen en van hare gezindheid prees, voer de oude

tegen hem uit en riep: "Zoo is dat 't! Pas op, knaap, wees op uwe

hoede! Hoogmoed, eigenwaan, zelfverheffing, teekent ge mij, maar

verguld met de schoonste namen. Het woord patriciër bevat alles in

zich, wat wij ons onder zelfzucht en onmenschelijkheid denken, en de

ergsten, onverschilligsten, hebzuchtigsten onder hen maken die apen in

purper, die de keizerstroon schandvlekken, tot hunne prefecten. Zooals

zijzelven zijn, is ook hun gebroed. Al wat zij in hunne aanmatiging

'klein' noemen, wordt door hen in 't stof geworpen en onder den voet

getreden; maar wij, gij en ik, allen die in het burgerlijk leven

arbeidzaam de handen roeren, wij zijn in hunne oogen de verachtelijke

kleinen. Let erop, knaap! Heden lacht de dochter van den stadhouder en

den patriciër u toe, omdat zij u noodig heeft, morgen werpt zij u weg,

gelijk ik mijn oud pantervel, dat in den winter mijne voeten verwarmt,

wegschop als de heete dagen van Maart komen."

Was hij de dochter van Thomas niet genegen, hij was even afkeerig

van den zoon van den Mukaukas, ofschoon hij hem nooit gezien had,

en toen de arts hem verteld had, dat groote verbolgenheid tegen

Orion zich had meester gemaakt van het hart zijner vriendin, was de

grijsaard in een hoonenden schaterlach uitgebarsten en had gezegd,

als bezat hij het vermogen om in de harten te lezen en in de toekomst

te zien: "Heden bijten zij elkaar, over drie dagen zullen zij elkaar

kussen! Haat en liefde zijn de eindpunten van denzelfden staf. Hoe

gemakkelijk draait men dien om! Die twee, ze zijn van hetzelfde bloed

en van denzelfden aard! De zoodanigen vliegen naar elkander toe als

de magneet naar het ijzer en het ijzer naar den magneet."

Maar soortgelijke vermaningen hadden op het gevoel van den arts

weinig invloed uitgeoefend, en zelfs door de afwijzing van zijn

warm aanzoek, nadat Paula haar intrek had genomen in het huis van

Rufinus, was zijne hoop van haar eindelijk geheel voor zich te winnen

niet geheel geschokt. Heden morgen bij de onderhandeling over het

vastzetten van het vermogen der geliefde, was Paula van harte bereid

geweest hem tot haren kurios, haar voogd aan te nemen, om in haar

plaats bij het gerecht op te treden; doch uit menig teeken meende

hij waargenomen te hebben, wat zijne ziel zoo pijnlijk aandeed,

dat zijn grijze vriend goed had gezien, dat de staf gekeerd en in

het hart der jonkvrouw haat in liefde veranderd was. Toch had Paula

hem nog nooit zulk eene warme genegenheid getoond, had hij hare stem

in het gesprek nooit zoo week en hartelijk hooren klinken dan heden

avond in den tuin van zijn vriend. Vroolijker en spraakzamer dan ooit

was zij niet moede geworden zich tot hem te wenden. Daarbij waren

langzamerhand zijne bezorgdheid en zielesmart geweken, en eindelijk

had hij gevoeld, hoe teedere aandoeningen opnieuw bij hem ontwaakten

en zijne eigene geestelijke kracht toenam... Ja, hij meende dat hij

aan zijne gedachten nooit schooner en beter uitdrukking had gegeven

dan in de laatst verloopen uren. Zij had hem ook haar bijval niet

onthouden, had blijmoedig hare instemming betuigd met elk zijner

stellingen, en toen hij zich een half uur voor middernacht met haar

naar de kranken had begeven, was er eene nieuwe heerlijke hoop in hem

ontwaakt. Gelukkig en als betooverd had hij aan haar wensch voldaan

om haar te volgen naar hare woonkamer, en dáar, op die plaats...

Arme, bitter teleurgestelde man! Daar zat hij in den donkeren hoek van

de ruime studeerkamer, waarin het verstand tot hiertoe het grootste

woord had gevoerd en naar de stem van het hart nooit was gevraagd. Hoe

hij den weg hierheen had gevonden, dat wist hij zelf niet meer. Dit

alleen herinnerde hij zich nog, dat hij, gehoor gevende aan zijn

plicht, het huis van een Memphiet was binnengegaan, wiens vrouw, eene

moeder van vele kinderen, in den namiddag stervende was; dat hij daar

een lijk en vele luid en oprecht weeklagende menschen had gevonden,

dat hij met hun en zijn eigen leed in het hart naar huis was gewaggeld

en zich daar niet naar zijne vertrekken, maar naar dat van den grijzen

vriend had begeven, omdat hij zichzelve niet vertrouwde. Het leven had

alle bekoorlijkheid, alle waarde voor hem verloren; doch hij schaamde

zich, dat hij door eene vrouw het edelst doel van zijn bestaan zich

geheel ontvreemden, door haar zijne blijmoedige stemming verstoren

liet, die hij niet missen kon om verder zijn beroep in den zin van

zijn vriend Rufinus te vervullen. Hij kende zijn ouden huisgenoot en

wist dat deze loog in zijn wonden zou gieten; maar daar had hij vrede

mee. De grijsaard had reeds zoo vaak getracht Paulas beeld van zijn

hoog voetstuk te werpen en te vernielen, maar altijd te vergeefs, en

het zou hem ook heden niet gelukken! Het vurig verlangen, de brandende

hartstocht naar haar, die door zijn aderen woelden sedert den nacht

waarin hij den woedenden Masdakiet had bedwongen, dat wilde hij te

niet doen, in het stof werpen, door alle winden laten verstrooien. De

grijsaard daar aan de tafel, wiens strenge en onvriendelijke trekken

door de drie lampen zoo helder verlicht werden, was geheel de man om

dit werk der vernietiging te volbrengen, en Philippus wachtte op zijne

eerste woorden als een zieke op den heelmeester, die het schroeiijzer

in het vuur houdt, waarmede hij de wond wil uitbranden.

Arme man, die na deze ontgoocheling de genezing zoozeer behoefde! Daar

lag hij op den divan en zag hoe de ander over de schriftrollen hem

bespiedde en daarbij heen en weer schoof in zijn leunstoel. Het

zwijgen van Philippus verontrustte den oude zichtbaar en de arts zag

aan de spichtige wenkbrauwen, die boven de oogen van den grijsaard

zich opzetten, dat hij zijn eigen oordeel vormde, dat zeker het ware

was. Weldra moest het zwijgen gebroken worden en Philippus verwachtte

den aanval. Hij was bereid de grootste moeielijkheid uit den weg te

ruimen, maar hoe zou hij over zich kunnen verkrijgen den pijniger

zijn werk te verlichten?

Zoo verliep er een geruimen tijd en evenals de arts op de toespraak van

den grijsaard, wachtte deze op zijn eerste woord. Doch het ongeduld

en de nieuwsgierigheid van den ouden man waren machtiger dan het

verlangen van den jongeren naar genezing, en opeens legde deze de

schriftrol neder, greep met eene onwillekeurige beweging het ivoren

staafje, dat hij zoo even had weggeworpen, gaf aan den zwaren stoel

met een voor zijn hoogen leeftijd verwonderlijk krachtigen ruk eene

andere richting, keerde Philippus zijn volle gelaat toe en vroeg luide,

terwijl hij met het staafje dreigend naar hem wees: "Het besluit van

het spel, niet waar? Het einde van een treurspel!"

"Niet geheel, want ik leef nog!" antwoordde de arts.

"Maar het bloedt daarbinnen, en die wond doet pijn," hernam de oude. Na

zich een oogenblik bedacht te hebben ging hij voort: "Wie niet hooren

wil moet voelen! Men heeft den vos den haak getoond, maar het lokaas

was te verleidelijk. Gisteren was het nog tijd geweest om de kluister

van den voet te strijken, men had slechts ernstig te willen, want men

was goed onderricht omtrent de gruwzame listen van den jager. Nu is

het gebeurd, men heeft geen enkel wapen waarover men te beschikken

had ontzien, en nu ligt het wild stom van smart en schaamte, en

verwenscht zijne eigene dwaasheid. Men schijnt heden het zwijgen te

verkiezen. Wil ik u eens vertellen, hoe dat alles gekomen is?"

"Ik weet het zelf maar al te goed," antwoordde Philippus.

"Doch ik, ik kan het mij wel voorstellen," gromde de oude. "Zoo

lang die patricische deerne het trekdier noodig had, heeft zij het

aangehaald, het gerst en dadels toegeworpen. Nu baadt zij zich in

het goud, woont onder een veilig dak, en flap! in eens krijgt de

uitgediende beschermer zijn afscheid. Evenals de hemel de zon laat

opgaan, wanneer de bleeke maan achter de bergen verdwijnt, zoo stelt

deze jonkvrouw, die gebied voert over de harten van ons zwakkelijk en

van vrijheid verzadigd geslacht, in de plaats van den armen, langen

arts den rijken Adonis uit het stadhouderlijk paleis. Als het anders

gebeurd is, heet het mij liegen!"

"Kon ik dat maar!" zuchtte Philippus. "Gij hebt goed gezien,

verwonderlijk goed, en toch zoo verkeerd als mogelijk is."

"Dat klinkt duister," zeide de grijsaard gelaten. "Maar ik kan ook in

den nacht zien. Het feit staat vast, doch gij zijt nog verblind genoeg,

om die beweegredenen niet te laten gelden. Overigens verheugt het mij,

dat uwe dwaling een zoo 'gelukkig' en wat mij betreft een zoo 'spoedig'

einde heeft genomen; de aanleiding--zooals gewoonlijk eene vrouw--is

mij onverschillig geworden. Waarom zou ik haar zonder noodzakelijkheid

van iets ergers verdenken, dan zij gedaan heeft? Alleen om uwentwil

zou ik dit gaarne vermijden, want rechtgeaarde zielen hechten zich

gaarne aan hen, die zij onrecht zien aandoen. Doch het staat aan u,

dacht ik, niet aan mij, om te spreken; ook zonder uw hardnekkig zwijgen

weet ik wel dat gij wijsgeer zijt; en wat mij betreft, ondanks mijne

tachtig jaren ben ik nog altijd niet vrij van nieuwsgierigheid."

Toen stond Philippus haastig op en terwijl hij nu eens in het groote

vertrek op en neer liep, dan weder voor den ouden vriend staan bleef,

vertelde hij hem met vuurroode wangen en levendige gebaren wat hij

gehoopt en geleden had, hoe Paula eerst nieuw vertrouwen bij hem gewekt

en hem daarna in hare woning ontboden had--om diep ontroerd, verbaasd

over zichzelve en toch niet bij machte en ook niet voornemens om de

zaligheid te verbergen die haar vervulde, hem in haar hart te laten

lezen. Gelijk eene beangstigde ziel voor den priester biecht, zoo had

zij hem, haren besten vriend, geopenbaard, wat sedert de begrafenis

van den gestorven Mukaukas in haar binnenste was omgegaan, en hoe

zij thans overtuigd was dat Orion na zijn zwaren misslag zichzelven

had wedergevonden.

"En daarover," viel de grijsaard hem in de rede, "was zoo groote

vreugde in den hemel, dat men niet wachten kon met den afgedankten

vrijer de weldaad te bewijzen, om ook daaraan deel te nemen."

"Veeleer heeft zij mij onder zwaren strijd beleden, wat het hart

van haar vordert; ja, ofschoon zij niets dan spot, waarschuwingen,

verwijten van mij verwachten kon, heeft zij toch haar binnenste voor

mij ontsloten."

"En waarom, met welk doel?" vroeg de oude met schrille stem. "Wil ik

het u eens zeggen? Omdat een vriend altijd nog zoo'n halve minnaar

is en de vrouwen ook niet een vierde van zulk een geliefde prijs

geven willen."

"Dat is niet waar!" haastte Philippus zich met afkeuring te

zeggen. "Zij heeft het gedaan omdat zij mij hoog schat, mij acht,

mij--ik ben niet ijdel--mij als een broeder genegen is, en het niet

verdragen kon mijn gevoel voor haar--het zijn hare eigene woorden--ook

maar een uur te misleiden. Dat is edel, dat is groot, is harer waardig,

en niettegenstaande alles wat in mij is zich daar tegen verzette, zag

ik mij toch gedwongen hare oprechtheid, hare trouwe vriendschap, hare

zelfverloochening en haar moed in het beheerschen van hare vrouwelijke

teergevoeligheid te bewonderen. Neen, val mij nu niet weer in de rede,

spot nu niet! Het beteekent niet weinig voor eene trotsche jonkvrouw,

die zich van hare waardigheid bewust is, de zwakheid van haar hart zoo

bloot te leggen voor een man, van wien zij weet, dat hij haar bemint,

op de wijze als zij dit gedaan heeft. Zij noemde mij haar weldoener,

zichzelve mijne zuster, en welke drijfveeren gij, die haar haat

om een oud vooroordeel, zonder haar zelfs te kennen, ook aan hare

handelwijze wilt toedichten, ik geloof haar en begrijp haar ook. Kon

ik anders doen dan de hand aannemen die zij mij bood, toen zij met

betraande oogen mij bad haar vriend, haar beschermer, haar kurios te

blijven? En toch, toch! Waar zal ik de kracht vinden om niets anders

van haar te verlangen, van haar tot wie ik mij door eene brandende

hartstocht getrokken gevoel, niets anders dan een vriendelijken blik,

een handdruk, een verstandig overwegen van hetgeen ik zeg? Hoe zal ik

mijne kalmte, mijne zielsrust, mijne zelfbeheersching bewaren, als

ik haar zie in de armen van den schoonen halfgod, dien ik gisteren

nog als een nietswaardig jongeling verachtte? Welk ijs kan den gloed

verkoelen van dit brandend gemoed? Welke lans doorboort den draak

van den hartstocht, die in mij woelt? Dit hart is gekomen tot aan

de grenzen van een menschenleeftijd, zonder toch naar de liefde te

smachten, waarvan onze dichters zingen. Alleen door hen of door de

klacht van een vriend, wiens zwakheid mij leed deed, heb ik zulk een

gevoel leeren kennen, en thans, nu de liefde mij zoo laat met al hare

onbedwingbare macht overvalt, aan zich onderwerpt en mij in ketenen

slaat, hoe kan ik mij van haar bevrijden? Hier, trouwe man, die mij als

uw zoon beschouwt, van wien ik het gaarne hoor, als gij mij 'knaap' en

'kind' noemt, die de plaats bekleedt van mijn vroeg gestorven vader,

hier blijft mij niets anders over dan u en deze stad te verlaten,

hare nabijheid te ontvluchten, een nieuw verblijf voor mij te zoeken,

ver van haar met wie ik zoo gelukkig zou hebben kunnen zijn als de

zaligen in het paradijs, en die mij nu nog ellendiger heeft gemaakt

als de verdoemden in het eeuwige vuur! Ik wil, ik moet van hier als

gij, die zooveel vermoogt, mij niet leert dezen hartstocht te dooden,

of dien te veranderen in eene koele, broederlijke vriendschap."

Philippus, die vlak bij den ouden man was blijven staan, sloeg de

handen voor het aangezicht, doch Horus was bij de laatste woorden van

zijn geliefden leerling met jeugdige kracht opgerezen. Met een stevigen

ruk trok hij diens rechterhand van het gelaat, en zeide driftig en

buiten zichzelven van verontwaardiging en groote bezorgdheid: "En

zegt ge mij dat in ernst? Zijt gij, verstandige man, zoo diep in de

dwaasheid verzonken? Is het u niet genoeg, uw eigen geluk om deze--hoe

zal ik haar noemen--verspeeld, verslingerd te hebben? Begrijpt gij

dan nu eindelijk waarom ik u voor dat patriciërgebroed gewaarschuwd

heb? Trouw, dankbaarheid, de liefde van een degelijk man--wat vraagt

zij daarnaar? Werp dien katvisch van den haak, smijt hem in het

zand! Daar komt reeds de vette wentelaar [13] aangezwommen, die zal

wel bijten! Wilt gij aan haar en dien ellendigen stadhoudersjongen

ook het heil en de hoop der laatste jaren van een grijsaard opofferen,

die zich gewend heeft u, die zulks verdient, als zijn eigen zoon lief

te hebben? Wilt gij, flinke arbeider, gij man met zulk een krachtigen

geest, zoo vol ijver in het vervullen van uw plicht, in wien de goden

een welgevallen hebben, wilt gij als een verlaten meisje wegloopen,

van de Leukadische rots springen als de door liefde verteerde Sappho

op het theater, waarover de toeschouwers zitten te schudden van het

lachen? Gij blijft, knaap, gij blijft! En ik, ik zal u toonen hoe

een man den hartstocht onder bedwang krijgt, die hem onteert!"

"Toon het mij," antwoordde Philippus met zachte stem. "Ik verlang

niets beters. Meent gij, dat ikzelf mij niet zou schamen over mijne

zwakheid? Zij staat mij toch slecht genoeg, mij vooral, wien het lot

eer tot alle andere dingen bestemd heeft dan tot een zuchtend minnaar

en dweper. Strijden wil ik, worstelen met al de kracht mijner ziel;

maar hier, hier in Memphis, hier in de nabijheid, als haar kurios, ben

ik dagelijks gedwongen haar weer te zien, moet ik dag aan dag nieuwe

smadelijke nederlagen lijden. Hier, altijd in hare nabijheid, put de

strijd mij uit, zie ik mijzelven ondergaan naar lichaam en ziel. Op

dezelfde plaats, in dezelfde stad is er geen ruimte voor ons beiden."

"Dan moet zij het zijn," riep de oude met schelle stem, "die plaats

maakt voor u."

Hierop richtte Philippus het gebogen hoofd omhoog en vroeg verrast

en op streng afkeurenden toon: "Wat bedoelt gij hiermede?"

"Niets," antwoordde de ander onverschillig, terwijl hij de schouders

ophaalde. Daarna ging hij vergoelijkend voort: "Memphis heeft in

elk geval van u meer nut te verwachten, dan van die patricische

deerne." Vervolgens schudde hij zijne leden, alsof hij het koud

had, sloeg met de hand op de borst en zeide: "Hier binnen is alles

in oproer, en ik kan thans helpen noch raden. Weldra begint het in

het oosten te schemeren; wij willen trachten wat te slapen. In den

zonneschijn kan men knoopen loswikkelen, die bij lamplicht niet

te ontwarren schijnen, en misschien toont de godin mij, terwijl

ik slapeloos op mijne legerstede lig, den weg, dien ik zoo straks

beloofde u te zullen wijzen. Een weinig meer luchthartigheid zou ons

beiden niet schaden. Tracht uw eigen leed te vergeten door te denken

aan dat van anderen; daarvan leert gij alle dagen genoeg kennen. Het

zou niet veel baten of ik u al een goeden nacht wenschte, maar moge

hij u wat tot kalmte brengen! Op mijne hulp kunt gij staat maken;

maar van weggaan, vluchten of iets dergelijks, daarvan zult ge mij,

arme man, niets meer laten hooren, niet waar? Neen, neen, dat--ik

ken u genoeg Philippus--dat leed doet gij uw eenzamen vriend niet aan!"

Deze laatste woorden waren de teederste, die de arts ooit uit den mond

van den grijsaard vernomen had, en het deed hem goed toen deze hem een

oogenblik omarmde en aan zijn hart drukte. Aan zijn woord: dat het aan

Paula stond om plaats te maken, dacht Philippus niet verder; doch de

oude man scheen het toch zeer ernstig gemeend te hebben, want zoodra

hij alleen was, wierp hij het ivoren staafje weder heftig op tafel

en prevelde met fonkelende oogen, eerst in toorn en dan spottend:

"Om dit trouwe hart, dezen besten aller arbeiders voor mij en de

wereld te behouden, zou ik een dozijn van die volbloed deernen naar

de Amenthe [14] willen sturen. Ei, ei, gij schoonste der schoonen,

de brave arts is voor ons te slecht, en men smijt hem weg als de

pit van een dadel, dien men opgegeten heeft? Een ieder naar zijn

smaak! Maar hoe zou het zijn, als de oude Horus u eens dwong hem te

leeren hoogschatten? Geduld, geduld! Met het doel voor oogen is het

mij nog altijd gelukt den weg te vinden; op het veld der wetenschap,

meen ik natuurlijk. Doch het leven, wat is het leven van den wijze

anders dan toegepaste wetenschap? Waarom zou de oude Horus niet nog

eens vóor zijn einde beproeven, wat zijn geest vermag uit te richten

op de markt van het leven der werkelijkheid? Hoe goed of het u ook bij

uw liefje in Memphis bevalt, gij breekster der harten, gij zult toch

plaats moeten ruimen voor den armen weggegooiden speelbal! Ja, dat

zult ge! Reken er op, mijne lieveling, dat zult ge!--Heidaar Anubis!"

Bij deze woorden gaf hij den slaaf, die onder de tafel rustig was

blijven doorslapen, een schop met zijn naakten voet, en terwijl

deze zijn meester voorlichtte naar het slaapvertrek en hem daar,

bij zijne zorgvuldige en langdurige wasschingen behulpzaam was,

hield de grijsaard niet op afgebroken volzinnen te prevelen, nu eens

verwenschingen uit te stooten en dan weer in ondeugend gelach uit

te barsten.

De nijlbruid · 第 37 / 66 题