Tot voor weinige dagen was de kleine Katharina een onzelfstandig
en gehoorzaam kind geweest, dat er eene eer in gesteld had niet
alleen hare moeder maar ook vrouw Neforis en, sedert hare eigene
Grieksche opvoedster het huis verlaten had, zelfs de bitse Eudoxia
zoo snel mogelijk en op haar wenk te gehoorzamen. Ook het kleinste
vergrijp tegen hetgeen haar bevolen was, ook eene ondeugendheid of
eigenmachtige handeling zou zij voor hare moeder en hare degelijke
opvoedster, waaraan zij gehecht was, niet verborgen hebben; ja het
was haar onmogelijk geweest in te slapen zonder voor het avondgebed
alles wat zij in haar eigen klein hart als niet volkomen in den haak
beschouwde, te bekennen aan eene andere die zij liefhad en van deze
volle vergeving te hebben ontvangen. Zorgeloos en met een geweten
zoo blank als de borst van hare witste duif was het kwikstaartje
avond aan avond ingeslapen, en het ergste wat zij overdag misdreven
had bestond in eene verbodene klauterpartij, en meestentijds in een
heftig of onvriendelijk woord.
Sedert Orion's kus onder den bedwelmenden geur der bloeiende boomen
had de eerste omkeering bij haar plaats gegrepen en bijna ieder
volgend uur had nieuwe wenschen en beschouwingen in haar gewekt. Wat
vroeger niet bij haar was opgekomen, namelijk zich een oordeel
over hare moeder aan te matigen, dat deed zij nu onophoudelijk. De
manier, waarop deze met de vrienden van het stadhouderlijk verblijf
gebroken had scheen haar verkeerd en onbetamelijk, en de hatelijke,
bittere uitvallen tegen de oude vrienden, waarvan vrouw Susanna's
mond overvloeide, ergerde Katharina en brachten haar eindelijk in
tegenspraak met haar, wier oordeel haar tot hiertoe onfeilbaar was
toegeschenen. Nadat het paleis van den overleden Mukaukas voor haar
gesloten was, bezat zij dus niemand, aan wie zij gaarne haar vertrouwen
had geschonken, en tusschen Paula en haar rezen scheidsmuren op,
tegen welker hoogte zij angstig opzag zoo vaak zij toegaf aan het
verlangen om ze te overschrijden. Zij was zeker de andere van wie
Orion gesproken had, en hoewel zij aan den avond na de begrafenis
van zijn vader heimelijk tot Paula was gekomen, zoo had minder een
brandend verlangen om vertrouwelijk te spreken met een deelnemend
gemoed haar daartoe gedreven, dan wel eene kwellende met ijverzucht
gepaarde nieuwsgierigheid. In een zonderling gemengde stemming van
teeder verlangen en doffe haat was zij door de heg geslopen, en toen
het tot eene tweede ontmoeting gekomen was, had zij zich aanvankelijk
geheel overgegeven aan het genot, om zich openhartig uit te spreken
en gehoor te vinden bij eene die zoo ver boven haar stond. Doch na
Paulas terughouding bij het antwoorden op hare rondborstige vragen,
waren haat en nijd weder in haar ontwaakt. Wie Orion niet haatte,
moest hem volgens haar inzicht liefhebben. Behoorden die twee reeds
bij elkander?
Misschien had Paula haar onder de sykomore slechts als een
lichtgeloovig kind behandeld en haar wat wijs gemaakt. Dit 'misschien'
martelde haar, en zij wilde althans beproeven er een einde aan te
maken. Een helper had zij tot hare beschikking in den persoon van
haar zoogbroeder, den zoon van hare doove voedster, en zij wist dat
deze blindelings al hare wenschen vervullen, ja als het haar aangenaam
kon zijn, zich midden onder de krokodillen van den Nijl werpen zou. De
jonge Anubis had in al hare kinderspelen gedeeld en op zijn veertiende
jaar was hij, nadat hij met haar lezen en schrijven had geleerd, op
voorspraak van hare moeder als leerling op het rentmeesterskantoor van
den stadhouder gekomen, om daar onder den voortreffelijken rentmeester
Nilus zich verder te bekwamen. Vrouw Susanna dacht hem later op hare
goederen te gebruiken of hem te Memphis aan het hoofdkantoor van
het bestuur over haar vermogen eene aanstelling te bezorgen, die aan
zijne bekwaamheden beantwoordde. De knaap woonde nog steeds bij zijne
moeder ten huize van de weduwe, doch bracht zijne werkdagen door in
het stadhouderlijk paleis, waar hij zich bij den arbeid zeer vlijtig
betoonde, terwijl hij zich in zijne vrije uren bezig hield met dingen,
die ver buiten zijn toekomstig beroep lagen. Op verzoek van Katharina
had hij eene duivenpost aangelegd tusschen het huis harer moeder en
het paleis van den stadhouder, en langs dezen weg was menig briefje
met kleine mededeelingen, uitnoodigingen, afspraken en dergelijken
van het kwikstaartje tot de kleine Maria en van deze weder tot haar
overgebracht. Anubis vermaakte zich bijzonder met die kleine diertjes,
en met goedkeuring van zijne meesters was de duivenslag op het dak
van het rentmeestersambt getimmerd. Maria lag nu op het ziekbed en
elke gemeenschap met haar was afgebroken; de goed ingerichte post
behoefde daarom niet ongebruikt te blijven en Katharina was begonnen
zich daarvan voor andere doeleinden te bedienen.
Orions schrijver was gisteren zeer lang opgehouden ten huize van haar
buurman, en door Anubis, wien niets ontging wat in het kantoor van
Nilus verhandeld werd, was zij te weten gekomen dat aan Paula eerlang
haar vermogen zou worden uitgekeerd, en waarschijnlijk wel door Orion
in persoon. Bij die gelegenheid moest een onderhoud plaats hebben,
en misschien was het haar vergund dit af te luisteren. Hoe dat kon
bewerkstelligd worden, was haar ten aanzien van 's buurmans huis
dikwijls genoeg op de proef gebleken; zij had alleen te zorgen ter
rechter tijd op de plaats te zijn.
In den morgen, die op den nacht der maansverduistering volgde,
omstreeks twee en een half uur voor den middag, bracht de kleine
duivenoppasser, die de gevleugelde boden in den slag voederde, haar een
briefje, waarop Anubis geschreven had, dat Orion zich gereed maakte
om heen te gaan. Deze tijding werd echter niet bijzonder vriendelijk
ontvangen, want dit tijdstip kwam haar zeer ongelegen. Heel in de
vroegte toch had de bisschop Plotinos hare moeder medegedeeld, dat
de patriarch Benjamin uit Alexandrië zich aan gene zijde van den Nijl
bij den Arabischen gouverneur Amr bevond, om wat later Memphis met een
bezoek te vereeren. De patriarch zou éen dag vertoeven, had voor elke
plechtige ontvangst bedankt, en het aan hem overgelaten een geschikt
kwartier te zoeken voor zijn persoon en voor hen die hem vergezelden,
daar hij niet wenschte af te stappen aan het stadhouderlijk paleis. De
ijdele weduwe had zich terstond volgaarne bereid verklaard, om den
hoogen gast onder haar dak te herbergen. Het bezoek van den kerkvorst
moest haar huis zegen aanbrengen, en zij dacht daaruit eenig voordeel
te trekken ook voor veel, dat haar thans bezighield. Den patriarch
moest eene prachtige ontvangst worden bereid. Daarvoor bleven haar
maar weinige uren over, en daarom begon zij, nog vóór de bisschop
van haar afscheid had genomen, hare bedienden samen te roepen en hare
bevelen te geven. Het geheele huis moest van boven tot beneden schoon
gemaakt worden; een deel van het keukenpersoneel moest haastig naar de
stad gaan om inkoopen te doen, terwijl een ander deel alles aan den
haard in gereedheid bracht. De tuinlieden plunderden de bloembedden
en heesters om guirlandes, kransen en ruikers voor de ontvangst in
orde te brengen. Van den kelder tot op den beganen vloer waren een
vijftigtal blanke, bruine en zwarte slaven met alle kracht in de
weer; want ieder meende door dezen dienstijver ter wille van den
patriarch op de bijzondere genade des hemels te mogen rekenen, en
daarbij schreeuwde hunne onvermoeide meesteres hun gestadig toe, wat
zij verlangde dat gedaan zou worden. Zij, die als meisje de oudste
dochter was geweest van een gezin dat rijk met kinderen gezegend,
maar minder met goederen bedeeld was, en zelf de handen had moeten
uitsteken, vergat heden dat zij eene rijke aanzienlijke vrouw was
geworden, wie het niet meer paste in persoon huis te houden, en zoo
was zij nu hier, dan daar, hield een oog op alles, op ieder groot en
klein, alleen niet op hare dochter.
Katharina was het fijne, Grieksch opgevoede popje des huizes, aan
wier ernstige hulp niet gedacht kon worden; ja, zij zou meer in
den weg hebben gestaan. Na het afscheid van den bisschop had zij
enkel den last bekomen, den patriarch in haar beste kleed met een
ruiker te ontvangen onder het linnen afdak aan de hoofddeur. Meer
verlangde Susanna van hare dochter niet, en deze dacht, terwijl zij de
trap opvloog die naar hare kamer geleidde: "Orion zal weldra komen,
vóor het middag is verloopen er nog ten minste twee uren, en wanneer
hij een half uur hier naast blijft, is het al lang. Ik zal nog tijd
genoeg overhouden om mij te kleeden, en uit voorzichtigheid zal ik
mij de nieuwe schoenen reeds dadelijk aan de voeten laten binden. De
voedster en de kamenier mogen mijne kamer niet meer verlaten Voor
het geval dat het wat later wordt moeten zij alles gereed houden,
want misschien hebben Paula en hij elkander veel te zeggen. Zonder
eene terechtwijzing laat zij hem niet gaan, tenzij zij hare verwijten
reeds op eene andere manier aan den man heeft gebracht."
Spoedig hierop sprong zij, met fraaie, met gouddraad doorstikte en
blauwe saffieren bezaaide sandalen aan de kleine voeten, op een met
zoden belegden aardheuvel, die zij reeds vroeger had laten maken
achter de heg, waardoor zij gisteren gekropen was, en zette zich
daar met een tevreden lachje op een zeteltje neer, als gold het eene
theatervoorstelling. Eenige bladplanten, die achter deze verborgen
zitplaats groeiden, beschutten haar eenigermate voor het branden der
zon, en terwijl zij op dezen uitkijk, waarvan zij zich niet voor de
eerste maal bediende, wachtte en luisterde, begon haar hartje steeds
sneller te kloppen, ja, zij vergat door hare groote gejaagdheid het
suikerwerk, dat zij, om den tijd te verdrijven, op een groot blad
in haar schoot had gestrooid. Tot haar geluk liet Orion niet lang
op zich wachten, hij kwam in de gesloten vierwielige carruca van
zijne moeder. Naast den voerman zat een dienaar, en op elk der beide
treden van de deuren van het voertuig zat een slaaf. De wagen werd
gevolgd door eenige nietsdoende mannen en vrouwen en eene schare van
halfnaakte kinderen. Maar de nieuwsgierigen hadden zich misrekend,
want de carruca bleef niet op straat stilstaan; zij reed den tuin van
Rufinus binnen, en de planten en boomen onttrokken haar aan de blikken
van het daarbuiten wachtende gepeupel, dat nu spoedig vrijwillig
uiteenging. Vóor de middendeur van het woonhuis steeg Orion en na hem
de rentmeester uit den wagen, en terwijl de oude heer den zoon van den
Mukaukas begroette, zag Nilus toe op het overbrengen van een tamelijk
aantal zware zakken in de schaduwrijke werkkamer van den ouden heer.
Bij dit alles was er voor Katharina niets merkwaardigs te zien dan het
aanzienlijk aantal en de grootte van de zeker met goud gevulde buidels,
en de man, waarom het haar vooral te doen was. Zoo schoon was Orion
haar nog nooit voorgekomen, want het laag neerhangende treurgewaad,
waarvan hij de einden in breede plooien over den schouder had geslagen,
deed de natuurlijke lengte van zijne gestalte nog beter uitkomen. Zijn
overvloedig thans ongekruld haar hing in rijke kunstelooze golvingen
langs zijn gelaat, dat er bleek en ernstig uitzag, hetgeen haar
tegelijk roerde en onweerstaanbaar aantrok. De gedachte, dat deze
uitmuntende jonkman eens hare hand gevraagd, haar bemind en gekust
had, hem bezeten en daarna voor altijd verloren te hebben, omdat hij
eene andere liefhad, deed haar pijn, als een gevoel van smart dat
van de borst uitging, en zich tot in de hersenen deed gevoelen. Nadat
Orion in het huis verdwenen was, meende zij hem nog altijd te zien,
en toen zijn beeld daarna ook voor haar zielsoog verflauwde, en zij
zich voorstelde hoe hij thans stond tegenover die andere, Paula, en
deze evenzoo aanzag als haar eenige dagen geleden, verdubbelde haar
zieleleed. Of die Damasceensche ook maar half zoo gelukkig was als zij
in die onvergetelijke ure? Ach het was haar zoo wee om het hart! Het
liefst ware zij over de heg gesprongen, om zich in 's buurmans huis
tusschen Paula en Orion te werpen.
Daar zat zij nu rusteloos en toch zonder zich te verroeren, geheel
beheerscht door booze gedachten, die maar zelden ter sluiks de ziel
van een goed mensch doorkruisen, daar zat zij te staren op het huis
van Rufinus. Dat lag daar doodstil in den gloeienden zonneschijn, als
was het ingeslapen. Ook in den tuin bewoog en verroerde zich niets
dan de dunne waterstraal, die uit het marmeren bekken opschoot met
zacht, eentonig en telkens afgebroken geplas, niets dan de kapellen,
vlinders, bijen en kevers, wier gegons zij niet hoorde en die de
bloemen zonder eenig geluid schenen te omfladderen. De vogels sliepen
zeker, want er vertoonde zich niet éen, geen enkele brak met zijn
tjilpen en fluiten de benauwende stilte af. De carruca stond als voor
de huisdeur vastgenageld, de voerman was van zijn zetel gestegen en had
zich naast de andere slaven neergevleid in de smalle schaduwstrepen
van de zuilen der veranda. Allen lieten het hoofd op de borst rusten
en niemand sprak een woord; alleen de paarden verroerden zich, als zij
met de volle staarten zich tegen de vliegen weerden, of beten naar de
brandende wonden die zij gestoken hadden. Soms hieven zij onrustig de
distelboom op, en als de wagen zich dan krakend achterwaarts bewoog
liet de slaapdronken voerman zijn "brrr!" hooren.
Katharina had een breed blad op haar schedel gelegd om zich te
beschutten tegen het branden der zon, want zij durfde noch een
zonnescherm noch een hoed gebruiken, uit vrees van gezien te zullen
worden. De planten rondom haar gaven maar bitter weinig schaduw en
de middaggloed kwelde haar, doch hoewel de eene minuut na de andere,
kwartier op kwartier met slakkengang voortkropen, hield de spanning
waarin zij verkeerde alle slaperigheid verre. Zij had geen zonnewijzer
noodig om den tijd te berekenen, immers zij wist precies hoe laat het
was wanneer de eene schaduw tot hier, de andere tot daar was getrokken,
en wilde zij de oogen aan het gevaar blootstellen om naar den vuurbol
boven haar op te zien, dan kon zij zich volkomen zekerheid verschaffen.
Thans moesten er hoogstens nog drie kwartier verloopen voor het
middag was en ginds in huis bleef alles even stil als te voren. De
patriarch moest echter op zijn tijd afgewacht worden, en van haar
geheele toilet had zij nog niet anders aangetrokken dan de gouden
sandalen. Zij nam een kort besluit, ijlde naar hare kamer, verbood
de kamenier haar kapsel opnieuw te ordenen en vergunde haar alleen
eenige rozen te steken in de natuurlijke lokken. Vervolgens liet
zij zich in vliegende haast haar zeegroen bombyxkleed, dat met fraai
geborduurde randen omzoomd was, over de schouders werpen, beval den
peplos te bevestigen met den eersten den besten haak, en toen zij
zichzelve een armband van kostbare saffieren wilde aandoen en het
slot daarbij brak, smeet zij het kleinood bij hare overige sieraden,
gelijk men een onrijpen appel bij de anderen werpt. Spoedig sloop haar
handje nu door een gouden spiraalveer, die haar halven arm bedekte,
en eindelijk greep zij de overige kleinoodiën bijeen, die zij zichzelve
buiten op den wachtheuvel wilde aandoen. De kamenier kreeg bevel haar
op het middaguur te komen roepen met den ruiker voor den patriarch,
en een kwartier nadat zij hare schuilplaats verlaten had, was zij
er weer terug. Zij kwam op het rechte tijdstip, want terwijl zij de
medegenomen sieraden aandeed kwam Nilus uit het huis, gevolgd door
slaven met een aantal lederen zakken, die zij weder in de carruca
legden. Hierna stegen de rentmeester en de arts Philippus in en de
wagen verliet den tuin.
"Paula vertrouwt Orion opnieuw haar vermogen toe," dacht
Katharina. "Zij zijn het nu eens, en van nu aan kan er eene geregelde
verstandhouding tusschen het huis van Rufinus en het paleis van den
stadhouder beginnen. Een slim overlegd spel, maar wacht eens, wacht!"
Daarbij klemde zij de kleine witte tandjes op elkaar, doch behield
tegenwoordigheid van geest genoeg, om niets over het hoofd te zien van
hetgeen verder gebeurde. Gedurende hare afwezigheid toch was Orions
zwarte hengst in den tuin gekomen, een ander ruiter te paard leidde
het dier daar rond, en terwijl zij met hare oogen de paarden volgde,
prevelde zij met een spottenden lach in zichzelven: "Hij neemt haar
dus in elk geval niet dadelijk mee."
Wederom verliepen eenige stille oogenblikken; eindelijk kwam Paula
uit het huis, en vlak achter haar, bijna aan hare zijde Orion. En hoe
zagen zij er uit! Zijne wangen waren niet bleek meer, neen zeker niet,
ze gloeiden evenals die van Katharina zelve! En hoe helder stonden
zijne oogen, waarin blijdschap en tevredenheid te lezen was! Zij had
wel eene slang willen zijn om beiden in de verzenen te steken! Bij
dit alles had de Damasceensche hare edele, trotsche houding niet
verloren. En hij?--Als een betooverde zag hij zijne geleidster
aan, en zij meende te zien dat de plooien van zijn rouwgewaad
zich boven zijn hart op en neder bewogen. Ook Paula droeg heden een
rouwkleed. Natuurlijk! Zij behoorden immers bij elkander en zijn leed
moest ook het hare zijn, hoewel zij het huis van den Mukaukas als eene
gevangenis was ontvlucht. O, die deugdzame schoone wist wel, dat haar
niets beter stond dan donkere kleuren. In houding, gang en grootte
schenen deze beiden twee bevoorrechte schepsels, die het lot zelf
voor elkander bestemd had; dat kon Katharina zich zelf niet ontveinzen.
Een nijdige demon, zij noemde hem een vriendelijke, voerde hen zoo na
aan haar voorbij, dat zij met hare scherpe ooren ieder woord verstond,
dat hij en zij, nu eens langzaam voortwandelende, dan stilstaande
spraken; en het vlugge kwikstaartje volgde hen, terwijl het langs de
heg onmerkbaar voortsloop.
"Ik heb u zooveel te danken," waren de eerste woorden, die zij
uit Orions mond opving, "dat ik schroom u nog één ding te vragen;
maar juist dit betreft ook u. Gij weet hoe zwaar de wond is, die de
kinderhand van Maria mij geslagen heeft, doch wat haar daartoe bewoog
was hare brave, oprechte gezindheid en hare afgodische liefde voor u."
"Gij wilt dat ik mij dit kind zal aantrekken?" vroeg Paula. "Deze
wensch is natuurlijk reeds dadelijk ingewilligd, alleen..."
"Alleen?" vroeg Orion.
"Alleen moet gij haar hierheen zenden, want gij weet dat ik het
stadhouderlijk paleis niet weder betreden wil."
"Helaas! Maar het kind is zwaar ziek geweest en zal het huis moeielijk
kunnen verlaten. En--dit moet ik er bijvoegen--mijne moeder ontwijkt
het op eene wijze, die het toch reeds overprikkelde kind verdriet
doet en telkens opnieuw beangstigt."
"Hoe kan vrouw Neforis haar hartediefje dat leed aandoen?"
"Bedenk toch eens," zeide Orion met een zucht, "wat mijne arme moeder
voor mijn vader geweest is! Thans is zij als verpletterd en als zij
het kind ziet, komt de laatste ure van haar ongelukkigen gemaal haar
weder voor den geest, en wat mijn vader en mij toen is aangedaan,
door Maria alleen. Zij ziet in die kleine de booze demon van ons huis."
"Dan moet men haar daaruit verwijderen," zeide Paula bewogen. "Zend
haar naar ons! Onder het dak van Rufinus huizen vriendelijke en
vertroostende geesten."
"Hartelijk dank! Ik zal mijne moeder zoo dringend mogelijk vragen...."
"Doe dat!" haastte Paula zich te zeggen. "Hebt gij Pulcheria, de
dochter van mijn waardigen gastheer gezien?"
"Ja, een eigenaardig lieftallig meisje."
"Zij geeft Maria dadelijk eene plaats in hare trouwe ziel."
"En onze arme kleine heeft eene vriendin noodig, sedert vrouw Susanna
hare dochter heeft verboden den voet over onzen drempel te zetten."
Nu kwam het gesprek op de beide meisjes en zij spraken over haar als
lieve, beklagenswaardige kinderen, en toen Orion opmerkte hoe ver
zijn nichtje in ontwikkeling hare jaren vooruit was, voegde Paula er
bij, op een toon van zacht verwijt: "Ook Katharina hebben de laatste
dagen gerijpt; uit het flinke kind is een meisje geworden, welks kort
geleden zoo luchtig hartje bezwaard is door pijnlijke ervaringen."
"Die last wentelt zij, als ik haar goed ken, weldra weder van zich
af," antwoordde de ander. "Zij is een lief, vroolijk, klein schepsel,
en onder al het kwaad, dat ik op dien vreeselijken dag heb begaan, heb
ik haar misschien het ergste leed aangedaan. Ik kan niets tot mijne
verontschuldiging aanvoeren, en toch: alleen om den lievelingswensch
van mijne moeder te vervullen, stemde ik toe om haar te vragen... Maar
spreken wij daarover niet verder! De groote schreden waarmede ik
van nu aan mijn weg verder vervolgen wil, moet zij kunnen volgen,
wie de liefde den moed geeft om mijne levensgezellin te worden!"
De laatste woorden had Katharina nog met alle inspanning verstaan,
thans sloegen de beluisterden een pad in dat, maar even door enkele
boomen voor de middagzon beschut, naar het waterbekken in het midden
van den tuin leidde, en zij verwijderden zich al verder en verder. Zij
verstond niet meer wat zij zeiden, doch zij had genoeg gehoord en kon
de rest er wel bij denken. Het hoofddoel van hare tegenwoordigheid aan
deze plaats was bereikt; zij meende nu zeker te weten wie die andere
was. En hoe hadden die twee over haar gesproken! Niet als over eene
verlatene bruid, wier goed recht men met voeten heeft getreden, maar
als over een kind, dat men de deur wijst, wanneer het lastig begint te
worden. Doch zij meende dat paar daarginds te doorzien en te weten,
waarom het dus over haar gesproken had. Paula moest voorkomen dat er
een nieuwe band tusschen haar en Orion geknoopt werd, en hij hield
het voor verstandig over haar, die hij toch eens met teederheid had
overladen, te spreken als over een kind, om zich te vrijwaren voor
de jaloezie van de andere die zoo gestreng oordeelde. Dat hij haar
althans op dien avond onder de boomen had liefgehad, daaraan hield
zij met onwrikbare taaiheid vast, aan deze overtuiging moest zij
zich vastklemmen, om niet het laatste steunpunt te verliezen. Hare
geheele natuur was in geweldigen opstand. Hare handen beefden, bij
deze middaghitte was haar mond als verdroogd. Zij wist dat er verdord
loof tusschen hare voeten en de sandalen was geraakt, en dat bladeren
en takjes in heure haren waren blijven hangen doch zij lette hierop
niet, en toen de de dichte struiken de wandelenden aan hare blikken
onttrokken, snelde zij naar haar uitkijk terug. Dáar kon zij hen
weder met het oog bereiken, en nu had zij het liefste en beste wat
zij bezat willen geven om dat te zijn, waarmede zij zich ongaarne
hoorde vergelijken: een kwikstaartje of een andere vogel.
Het middaguur moest nabij, zeer nabij zijn, misschien was het reeds
daar; zij maakte hare sandalen schoon, en gaf er geen acht op dat
eene roos op den grond viel, terwijl zij hare krullen weder in orde
bracht en zuiverde van de dorre bladeren. Alleen de handen, niet de
oogen waren met dit werk bezig. Plotseling verhelderde haar blik,
want het paar dat zij bespiedde, liep recht op de heg toe, en weldra
zou het haar mogelijk zijn hen weder te beluisteren.