TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Tot voor weinige dagen was de kleine Katharina een onzelfstandig

en gehoorzaam kind geweest, dat er eene eer in gesteld had niet

alleen hare moeder maar ook vrouw Neforis en, sedert hare eigene

Grieksche opvoedster het huis verlaten had, zelfs de bitse Eudoxia

zoo snel mogelijk en op haar wenk te gehoorzamen. Ook het kleinste

vergrijp tegen hetgeen haar bevolen was, ook eene ondeugendheid of

eigenmachtige handeling zou zij voor hare moeder en hare degelijke

opvoedster, waaraan zij gehecht was, niet verborgen hebben; ja het

was haar onmogelijk geweest in te slapen zonder voor het avondgebed

alles wat zij in haar eigen klein hart als niet volkomen in den haak

beschouwde, te bekennen aan eene andere die zij liefhad en van deze

volle vergeving te hebben ontvangen. Zorgeloos en met een geweten

zoo blank als de borst van hare witste duif was het kwikstaartje

avond aan avond ingeslapen, en het ergste wat zij overdag misdreven

had bestond in eene verbodene klauterpartij, en meestentijds in een

heftig of onvriendelijk woord.

Sedert Orion's kus onder den bedwelmenden geur der bloeiende boomen

had de eerste omkeering bij haar plaats gegrepen en bijna ieder

volgend uur had nieuwe wenschen en beschouwingen in haar gewekt. Wat

vroeger niet bij haar was opgekomen, namelijk zich een oordeel

over hare moeder aan te matigen, dat deed zij nu onophoudelijk. De

manier, waarop deze met de vrienden van het stadhouderlijk verblijf

gebroken had scheen haar verkeerd en onbetamelijk, en de hatelijke,

bittere uitvallen tegen de oude vrienden, waarvan vrouw Susanna's

mond overvloeide, ergerde Katharina en brachten haar eindelijk in

tegenspraak met haar, wier oordeel haar tot hiertoe onfeilbaar was

toegeschenen. Nadat het paleis van den overleden Mukaukas voor haar

gesloten was, bezat zij dus niemand, aan wie zij gaarne haar vertrouwen

had geschonken, en tusschen Paula en haar rezen scheidsmuren op,

tegen welker hoogte zij angstig opzag zoo vaak zij toegaf aan het

verlangen om ze te overschrijden. Zij was zeker de andere van wie

Orion gesproken had, en hoewel zij aan den avond na de begrafenis

van zijn vader heimelijk tot Paula was gekomen, zoo had minder een

brandend verlangen om vertrouwelijk te spreken met een deelnemend

gemoed haar daartoe gedreven, dan wel eene kwellende met ijverzucht

gepaarde nieuwsgierigheid. In een zonderling gemengde stemming van

teeder verlangen en doffe haat was zij door de heg geslopen, en toen

het tot eene tweede ontmoeting gekomen was, had zij zich aanvankelijk

geheel overgegeven aan het genot, om zich openhartig uit te spreken

en gehoor te vinden bij eene die zoo ver boven haar stond. Doch na

Paulas terughouding bij het antwoorden op hare rondborstige vragen,

waren haat en nijd weder in haar ontwaakt. Wie Orion niet haatte,

moest hem volgens haar inzicht liefhebben. Behoorden die twee reeds

bij elkander?

Misschien had Paula haar onder de sykomore slechts als een

lichtgeloovig kind behandeld en haar wat wijs gemaakt. Dit 'misschien'

martelde haar, en zij wilde althans beproeven er een einde aan te

maken. Een helper had zij tot hare beschikking in den persoon van

haar zoogbroeder, den zoon van hare doove voedster, en zij wist dat

deze blindelings al hare wenschen vervullen, ja als het haar aangenaam

kon zijn, zich midden onder de krokodillen van den Nijl werpen zou. De

jonge Anubis had in al hare kinderspelen gedeeld en op zijn veertiende

jaar was hij, nadat hij met haar lezen en schrijven had geleerd, op

voorspraak van hare moeder als leerling op het rentmeesterskantoor van

den stadhouder gekomen, om daar onder den voortreffelijken rentmeester

Nilus zich verder te bekwamen. Vrouw Susanna dacht hem later op hare

goederen te gebruiken of hem te Memphis aan het hoofdkantoor van

het bestuur over haar vermogen eene aanstelling te bezorgen, die aan

zijne bekwaamheden beantwoordde. De knaap woonde nog steeds bij zijne

moeder ten huize van de weduwe, doch bracht zijne werkdagen door in

het stadhouderlijk paleis, waar hij zich bij den arbeid zeer vlijtig

betoonde, terwijl hij zich in zijne vrije uren bezig hield met dingen,

die ver buiten zijn toekomstig beroep lagen. Op verzoek van Katharina

had hij eene duivenpost aangelegd tusschen het huis harer moeder en

het paleis van den stadhouder, en langs dezen weg was menig briefje

met kleine mededeelingen, uitnoodigingen, afspraken en dergelijken

van het kwikstaartje tot de kleine Maria en van deze weder tot haar

overgebracht. Anubis vermaakte zich bijzonder met die kleine diertjes,

en met goedkeuring van zijne meesters was de duivenslag op het dak

van het rentmeestersambt getimmerd. Maria lag nu op het ziekbed en

elke gemeenschap met haar was afgebroken; de goed ingerichte post

behoefde daarom niet ongebruikt te blijven en Katharina was begonnen

zich daarvan voor andere doeleinden te bedienen.

Orions schrijver was gisteren zeer lang opgehouden ten huize van haar

buurman, en door Anubis, wien niets ontging wat in het kantoor van

Nilus verhandeld werd, was zij te weten gekomen dat aan Paula eerlang

haar vermogen zou worden uitgekeerd, en waarschijnlijk wel door Orion

in persoon. Bij die gelegenheid moest een onderhoud plaats hebben,

en misschien was het haar vergund dit af te luisteren. Hoe dat kon

bewerkstelligd worden, was haar ten aanzien van 's buurmans huis

dikwijls genoeg op de proef gebleken; zij had alleen te zorgen ter

rechter tijd op de plaats te zijn.

In den morgen, die op den nacht der maansverduistering volgde,

omstreeks twee en een half uur voor den middag, bracht de kleine

duivenoppasser, die de gevleugelde boden in den slag voederde, haar een

briefje, waarop Anubis geschreven had, dat Orion zich gereed maakte

om heen te gaan. Deze tijding werd echter niet bijzonder vriendelijk

ontvangen, want dit tijdstip kwam haar zeer ongelegen. Heel in de

vroegte toch had de bisschop Plotinos hare moeder medegedeeld, dat

de patriarch Benjamin uit Alexandrië zich aan gene zijde van den Nijl

bij den Arabischen gouverneur Amr bevond, om wat later Memphis met een

bezoek te vereeren. De patriarch zou éen dag vertoeven, had voor elke

plechtige ontvangst bedankt, en het aan hem overgelaten een geschikt

kwartier te zoeken voor zijn persoon en voor hen die hem vergezelden,

daar hij niet wenschte af te stappen aan het stadhouderlijk paleis. De

ijdele weduwe had zich terstond volgaarne bereid verklaard, om den

hoogen gast onder haar dak te herbergen. Het bezoek van den kerkvorst

moest haar huis zegen aanbrengen, en zij dacht daaruit eenig voordeel

te trekken ook voor veel, dat haar thans bezighield. Den patriarch

moest eene prachtige ontvangst worden bereid. Daarvoor bleven haar

maar weinige uren over, en daarom begon zij, nog vóór de bisschop

van haar afscheid had genomen, hare bedienden samen te roepen en hare

bevelen te geven. Het geheele huis moest van boven tot beneden schoon

gemaakt worden; een deel van het keukenpersoneel moest haastig naar de

stad gaan om inkoopen te doen, terwijl een ander deel alles aan den

haard in gereedheid bracht. De tuinlieden plunderden de bloembedden

en heesters om guirlandes, kransen en ruikers voor de ontvangst in

orde te brengen. Van den kelder tot op den beganen vloer waren een

vijftigtal blanke, bruine en zwarte slaven met alle kracht in de

weer; want ieder meende door dezen dienstijver ter wille van den

patriarch op de bijzondere genade des hemels te mogen rekenen, en

daarbij schreeuwde hunne onvermoeide meesteres hun gestadig toe, wat

zij verlangde dat gedaan zou worden. Zij, die als meisje de oudste

dochter was geweest van een gezin dat rijk met kinderen gezegend,

maar minder met goederen bedeeld was, en zelf de handen had moeten

uitsteken, vergat heden dat zij eene rijke aanzienlijke vrouw was

geworden, wie het niet meer paste in persoon huis te houden, en zoo

was zij nu hier, dan daar, hield een oog op alles, op ieder groot en

klein, alleen niet op hare dochter.

Katharina was het fijne, Grieksch opgevoede popje des huizes, aan

wier ernstige hulp niet gedacht kon worden; ja, zij zou meer in

den weg hebben gestaan. Na het afscheid van den bisschop had zij

enkel den last bekomen, den patriarch in haar beste kleed met een

ruiker te ontvangen onder het linnen afdak aan de hoofddeur. Meer

verlangde Susanna van hare dochter niet, en deze dacht, terwijl zij de

trap opvloog die naar hare kamer geleidde: "Orion zal weldra komen,

vóor het middag is verloopen er nog ten minste twee uren, en wanneer

hij een half uur hier naast blijft, is het al lang. Ik zal nog tijd

genoeg overhouden om mij te kleeden, en uit voorzichtigheid zal ik

mij de nieuwe schoenen reeds dadelijk aan de voeten laten binden. De

voedster en de kamenier mogen mijne kamer niet meer verlaten Voor

het geval dat het wat later wordt moeten zij alles gereed houden,

want misschien hebben Paula en hij elkander veel te zeggen. Zonder

eene terechtwijzing laat zij hem niet gaan, tenzij zij hare verwijten

reeds op eene andere manier aan den man heeft gebracht."

Spoedig hierop sprong zij, met fraaie, met gouddraad doorstikte en

blauwe saffieren bezaaide sandalen aan de kleine voeten, op een met

zoden belegden aardheuvel, die zij reeds vroeger had laten maken

achter de heg, waardoor zij gisteren gekropen was, en zette zich

daar met een tevreden lachje op een zeteltje neer, als gold het eene

theatervoorstelling. Eenige bladplanten, die achter deze verborgen

zitplaats groeiden, beschutten haar eenigermate voor het branden der

zon, en terwijl zij op dezen uitkijk, waarvan zij zich niet voor de

eerste maal bediende, wachtte en luisterde, begon haar hartje steeds

sneller te kloppen, ja, zij vergat door hare groote gejaagdheid het

suikerwerk, dat zij, om den tijd te verdrijven, op een groot blad

in haar schoot had gestrooid. Tot haar geluk liet Orion niet lang

op zich wachten, hij kwam in de gesloten vierwielige carruca van

zijne moeder. Naast den voerman zat een dienaar, en op elk der beide

treden van de deuren van het voertuig zat een slaaf. De wagen werd

gevolgd door eenige nietsdoende mannen en vrouwen en eene schare van

halfnaakte kinderen. Maar de nieuwsgierigen hadden zich misrekend,

want de carruca bleef niet op straat stilstaan; zij reed den tuin van

Rufinus binnen, en de planten en boomen onttrokken haar aan de blikken

van het daarbuiten wachtende gepeupel, dat nu spoedig vrijwillig

uiteenging. Vóor de middendeur van het woonhuis steeg Orion en na hem

de rentmeester uit den wagen, en terwijl de oude heer den zoon van den

Mukaukas begroette, zag Nilus toe op het overbrengen van een tamelijk

aantal zware zakken in de schaduwrijke werkkamer van den ouden heer.

Bij dit alles was er voor Katharina niets merkwaardigs te zien dan het

aanzienlijk aantal en de grootte van de zeker met goud gevulde buidels,

en de man, waarom het haar vooral te doen was. Zoo schoon was Orion

haar nog nooit voorgekomen, want het laag neerhangende treurgewaad,

waarvan hij de einden in breede plooien over den schouder had geslagen,

deed de natuurlijke lengte van zijne gestalte nog beter uitkomen. Zijn

overvloedig thans ongekruld haar hing in rijke kunstelooze golvingen

langs zijn gelaat, dat er bleek en ernstig uitzag, hetgeen haar

tegelijk roerde en onweerstaanbaar aantrok. De gedachte, dat deze

uitmuntende jonkman eens hare hand gevraagd, haar bemind en gekust

had, hem bezeten en daarna voor altijd verloren te hebben, omdat hij

eene andere liefhad, deed haar pijn, als een gevoel van smart dat

van de borst uitging, en zich tot in de hersenen deed gevoelen. Nadat

Orion in het huis verdwenen was, meende zij hem nog altijd te zien,

en toen zijn beeld daarna ook voor haar zielsoog verflauwde, en zij

zich voorstelde hoe hij thans stond tegenover die andere, Paula, en

deze evenzoo aanzag als haar eenige dagen geleden, verdubbelde haar

zieleleed. Of die Damasceensche ook maar half zoo gelukkig was als zij

in die onvergetelijke ure? Ach het was haar zoo wee om het hart! Het

liefst ware zij over de heg gesprongen, om zich in 's buurmans huis

tusschen Paula en Orion te werpen.

Daar zat zij nu rusteloos en toch zonder zich te verroeren, geheel

beheerscht door booze gedachten, die maar zelden ter sluiks de ziel

van een goed mensch doorkruisen, daar zat zij te staren op het huis

van Rufinus. Dat lag daar doodstil in den gloeienden zonneschijn, als

was het ingeslapen. Ook in den tuin bewoog en verroerde zich niets

dan de dunne waterstraal, die uit het marmeren bekken opschoot met

zacht, eentonig en telkens afgebroken geplas, niets dan de kapellen,

vlinders, bijen en kevers, wier gegons zij niet hoorde en die de

bloemen zonder eenig geluid schenen te omfladderen. De vogels sliepen

zeker, want er vertoonde zich niet éen, geen enkele brak met zijn

tjilpen en fluiten de benauwende stilte af. De carruca stond als voor

de huisdeur vastgenageld, de voerman was van zijn zetel gestegen en had

zich naast de andere slaven neergevleid in de smalle schaduwstrepen

van de zuilen der veranda. Allen lieten het hoofd op de borst rusten

en niemand sprak een woord; alleen de paarden verroerden zich, als zij

met de volle staarten zich tegen de vliegen weerden, of beten naar de

brandende wonden die zij gestoken hadden. Soms hieven zij onrustig de

distelboom op, en als de wagen zich dan krakend achterwaarts bewoog

liet de slaapdronken voerman zijn "brrr!" hooren.

Katharina had een breed blad op haar schedel gelegd om zich te

beschutten tegen het branden der zon, want zij durfde noch een

zonnescherm noch een hoed gebruiken, uit vrees van gezien te zullen

worden. De planten rondom haar gaven maar bitter weinig schaduw en

de middaggloed kwelde haar, doch hoewel de eene minuut na de andere,

kwartier op kwartier met slakkengang voortkropen, hield de spanning

waarin zij verkeerde alle slaperigheid verre. Zij had geen zonnewijzer

noodig om den tijd te berekenen, immers zij wist precies hoe laat het

was wanneer de eene schaduw tot hier, de andere tot daar was getrokken,

en wilde zij de oogen aan het gevaar blootstellen om naar den vuurbol

boven haar op te zien, dan kon zij zich volkomen zekerheid verschaffen.

Thans moesten er hoogstens nog drie kwartier verloopen voor het

middag was en ginds in huis bleef alles even stil als te voren. De

patriarch moest echter op zijn tijd afgewacht worden, en van haar

geheele toilet had zij nog niet anders aangetrokken dan de gouden

sandalen. Zij nam een kort besluit, ijlde naar hare kamer, verbood

de kamenier haar kapsel opnieuw te ordenen en vergunde haar alleen

eenige rozen te steken in de natuurlijke lokken. Vervolgens liet

zij zich in vliegende haast haar zeegroen bombyxkleed, dat met fraai

geborduurde randen omzoomd was, over de schouders werpen, beval den

peplos te bevestigen met den eersten den besten haak, en toen zij

zichzelve een armband van kostbare saffieren wilde aandoen en het

slot daarbij brak, smeet zij het kleinood bij hare overige sieraden,

gelijk men een onrijpen appel bij de anderen werpt. Spoedig sloop haar

handje nu door een gouden spiraalveer, die haar halven arm bedekte,

en eindelijk greep zij de overige kleinoodiën bijeen, die zij zichzelve

buiten op den wachtheuvel wilde aandoen. De kamenier kreeg bevel haar

op het middaguur te komen roepen met den ruiker voor den patriarch,

en een kwartier nadat zij hare schuilplaats verlaten had, was zij

er weer terug. Zij kwam op het rechte tijdstip, want terwijl zij de

medegenomen sieraden aandeed kwam Nilus uit het huis, gevolgd door

slaven met een aantal lederen zakken, die zij weder in de carruca

legden. Hierna stegen de rentmeester en de arts Philippus in en de

wagen verliet den tuin.

"Paula vertrouwt Orion opnieuw haar vermogen toe," dacht

Katharina. "Zij zijn het nu eens, en van nu aan kan er eene geregelde

verstandhouding tusschen het huis van Rufinus en het paleis van den

stadhouder beginnen. Een slim overlegd spel, maar wacht eens, wacht!"

Daarbij klemde zij de kleine witte tandjes op elkaar, doch behield

tegenwoordigheid van geest genoeg, om niets over het hoofd te zien van

hetgeen verder gebeurde. Gedurende hare afwezigheid toch was Orions

zwarte hengst in den tuin gekomen, een ander ruiter te paard leidde

het dier daar rond, en terwijl zij met hare oogen de paarden volgde,

prevelde zij met een spottenden lach in zichzelven: "Hij neemt haar

dus in elk geval niet dadelijk mee."

Wederom verliepen eenige stille oogenblikken; eindelijk kwam Paula

uit het huis, en vlak achter haar, bijna aan hare zijde Orion. En hoe

zagen zij er uit! Zijne wangen waren niet bleek meer, neen zeker niet,

ze gloeiden evenals die van Katharina zelve! En hoe helder stonden

zijne oogen, waarin blijdschap en tevredenheid te lezen was! Zij had

wel eene slang willen zijn om beiden in de verzenen te steken! Bij

dit alles had de Damasceensche hare edele, trotsche houding niet

verloren. En hij?--Als een betooverde zag hij zijne geleidster

aan, en zij meende te zien dat de plooien van zijn rouwgewaad

zich boven zijn hart op en neder bewogen. Ook Paula droeg heden een

rouwkleed. Natuurlijk! Zij behoorden immers bij elkander en zijn leed

moest ook het hare zijn, hoewel zij het huis van den Mukaukas als eene

gevangenis was ontvlucht. O, die deugdzame schoone wist wel, dat haar

niets beter stond dan donkere kleuren. In houding, gang en grootte

schenen deze beiden twee bevoorrechte schepsels, die het lot zelf

voor elkander bestemd had; dat kon Katharina zich zelf niet ontveinzen.

Een nijdige demon, zij noemde hem een vriendelijke, voerde hen zoo na

aan haar voorbij, dat zij met hare scherpe ooren ieder woord verstond,

dat hij en zij, nu eens langzaam voortwandelende, dan stilstaande

spraken; en het vlugge kwikstaartje volgde hen, terwijl het langs de

heg onmerkbaar voortsloop.

"Ik heb u zooveel te danken," waren de eerste woorden, die zij

uit Orions mond opving, "dat ik schroom u nog één ding te vragen;

maar juist dit betreft ook u. Gij weet hoe zwaar de wond is, die de

kinderhand van Maria mij geslagen heeft, doch wat haar daartoe bewoog

was hare brave, oprechte gezindheid en hare afgodische liefde voor u."

"Gij wilt dat ik mij dit kind zal aantrekken?" vroeg Paula. "Deze

wensch is natuurlijk reeds dadelijk ingewilligd, alleen..."

"Alleen?" vroeg Orion.

"Alleen moet gij haar hierheen zenden, want gij weet dat ik het

stadhouderlijk paleis niet weder betreden wil."

"Helaas! Maar het kind is zwaar ziek geweest en zal het huis moeielijk

kunnen verlaten. En--dit moet ik er bijvoegen--mijne moeder ontwijkt

het op eene wijze, die het toch reeds overprikkelde kind verdriet

doet en telkens opnieuw beangstigt."

"Hoe kan vrouw Neforis haar hartediefje dat leed aandoen?"

"Bedenk toch eens," zeide Orion met een zucht, "wat mijne arme moeder

voor mijn vader geweest is! Thans is zij als verpletterd en als zij

het kind ziet, komt de laatste ure van haar ongelukkigen gemaal haar

weder voor den geest, en wat mijn vader en mij toen is aangedaan,

door Maria alleen. Zij ziet in die kleine de booze demon van ons huis."

"Dan moet men haar daaruit verwijderen," zeide Paula bewogen. "Zend

haar naar ons! Onder het dak van Rufinus huizen vriendelijke en

vertroostende geesten."

"Hartelijk dank! Ik zal mijne moeder zoo dringend mogelijk vragen...."

"Doe dat!" haastte Paula zich te zeggen. "Hebt gij Pulcheria, de

dochter van mijn waardigen gastheer gezien?"

"Ja, een eigenaardig lieftallig meisje."

"Zij geeft Maria dadelijk eene plaats in hare trouwe ziel."

"En onze arme kleine heeft eene vriendin noodig, sedert vrouw Susanna

hare dochter heeft verboden den voet over onzen drempel te zetten."

Nu kwam het gesprek op de beide meisjes en zij spraken over haar als

lieve, beklagenswaardige kinderen, en toen Orion opmerkte hoe ver

zijn nichtje in ontwikkeling hare jaren vooruit was, voegde Paula er

bij, op een toon van zacht verwijt: "Ook Katharina hebben de laatste

dagen gerijpt; uit het flinke kind is een meisje geworden, welks kort

geleden zoo luchtig hartje bezwaard is door pijnlijke ervaringen."

"Die last wentelt zij, als ik haar goed ken, weldra weder van zich

af," antwoordde de ander. "Zij is een lief, vroolijk, klein schepsel,

en onder al het kwaad, dat ik op dien vreeselijken dag heb begaan, heb

ik haar misschien het ergste leed aangedaan. Ik kan niets tot mijne

verontschuldiging aanvoeren, en toch: alleen om den lievelingswensch

van mijne moeder te vervullen, stemde ik toe om haar te vragen... Maar

spreken wij daarover niet verder! De groote schreden waarmede ik

van nu aan mijn weg verder vervolgen wil, moet zij kunnen volgen,

wie de liefde den moed geeft om mijne levensgezellin te worden!"

De laatste woorden had Katharina nog met alle inspanning verstaan,

thans sloegen de beluisterden een pad in dat, maar even door enkele

boomen voor de middagzon beschut, naar het waterbekken in het midden

van den tuin leidde, en zij verwijderden zich al verder en verder. Zij

verstond niet meer wat zij zeiden, doch zij had genoeg gehoord en kon

de rest er wel bij denken. Het hoofddoel van hare tegenwoordigheid aan

deze plaats was bereikt; zij meende nu zeker te weten wie die andere

was. En hoe hadden die twee over haar gesproken! Niet als over eene

verlatene bruid, wier goed recht men met voeten heeft getreden, maar

als over een kind, dat men de deur wijst, wanneer het lastig begint te

worden. Doch zij meende dat paar daarginds te doorzien en te weten,

waarom het dus over haar gesproken had. Paula moest voorkomen dat er

een nieuwe band tusschen haar en Orion geknoopt werd, en hij hield

het voor verstandig over haar, die hij toch eens met teederheid had

overladen, te spreken als over een kind, om zich te vrijwaren voor

de jaloezie van de andere die zoo gestreng oordeelde. Dat hij haar

althans op dien avond onder de boomen had liefgehad, daaraan hield

zij met onwrikbare taaiheid vast, aan deze overtuiging moest zij

zich vastklemmen, om niet het laatste steunpunt te verliezen. Hare

geheele natuur was in geweldigen opstand. Hare handen beefden, bij

deze middaghitte was haar mond als verdroogd. Zij wist dat er verdord

loof tusschen hare voeten en de sandalen was geraakt, en dat bladeren

en takjes in heure haren waren blijven hangen doch zij lette hierop

niet, en toen de de dichte struiken de wandelenden aan hare blikken

onttrokken, snelde zij naar haar uitkijk terug. Dáar kon zij hen

weder met het oog bereiken, en nu had zij het liefste en beste wat

zij bezat willen geven om dat te zijn, waarmede zij zich ongaarne

hoorde vergelijken: een kwikstaartje of een andere vogel.

Het middaguur moest nabij, zeer nabij zijn, misschien was het reeds

daar; zij maakte hare sandalen schoon, en gaf er geen acht op dat

eene roos op den grond viel, terwijl zij hare krullen weder in orde

bracht en zuiverde van de dorre bladeren. Alleen de handen, niet de

oogen waren met dit werk bezig. Plotseling verhelderde haar blik,

want het paar dat zij bespiedde, liep recht op de heg toe, en weldra

zou het haar mogelijk zijn hen weder te beluisteren.

De nijlbruid · 第 34 / 66 题