Aan den avond van dezen dag zat Rufinus met de zijnen en zijn vriend
Philippus in den tuin. Ook Paula was bij hen en liet van tijd tot
tijd haar hand op de goudgele zijden haren rusten van Pulcheria,
die zich aan hare voeten had neergezet met het hoofd tegen haar knie
geleund. Het was volle maan en zoo helder in den tuin, dat allen
elkander duidelijk konden zien, en het voorstel van Rufinus om hier
de maansverduistering af te wachten, die één uur voor middernacht
zou plaats hebben, vond onverdeelden bijval, omdat de lucht zoo
aangenaam was.
Het gesprek der mannen liep over het te verwachten verschijnsel
aan den hemel. Zij hadden er over geklaagd, dat de kerk, nog altijd
toegevende aan het bijgeloof der menigte, in zulke natuurverschijnselen
kwade voorteekenen zag en God ook heden avond door een bedestond
zou trachten te bewegen het onheil af te wenden. Rufinus noemde
het eene lastering van den Allerhoogste, verschijnselen, die uit
eeuwige wetten volgden en zich vooruit berekenen lieten, tegelijk
uit te geven voor dreigende vingers van het goddelijk wezen, alsof
de noodzakelijkheid van de bestraffing der menschen gelijken tred
zou houden met den loop van zon en maan. Ditmaal zouden de bisschop
en de geheele geestelijkheid van de plaats de processie voorafgaan en
daardoor eene zoo eenvoudige gebeurtenis in de gemoederen der menigte
opschroeven tot eene beteekenis, die zij niet hebben kon.
"En wanneer de kleine komeet, die mijn oude pleegvader reeds in
de vorige week ontdekt heeft, verder zoo toeneemt," voegde de arts
erbij, "en zijn staart zich over een gedeelte van den hemel uitbreidt,
dan zal de angst haar toppunt bereiken, en zie ik nog gebeuren dat
de lieden zich aanstellen als bezetenen."
"Een komeet voorspelt toch oorlog, hitte, pest en hongersnood,"
zeide Pulcheria uit volle overtuiging.
"Dat heb ik ook altijd geloofd," voegde Paula erbij.
"Geheel ten onrechte," antwoordde de arts. "Ontelbare bewijzen zijn
hiertegen aan te voeren, en het is ergerlijk dat men de menigte in
dit bijgeloof versterkt, het jaagt hun angst en schrik aan; en wilt
gij wel gelooven dat uit zulk eene verontrusting der gemoederen,
vooral in dezen tijd van lagen waterstand, wanneer er toch reeds
meer zieken zijn dan anders, de eene krankheid na de andere geboren
wordt? Wij zullen de handen vol krijgen, waarde Rufinus!"
"Ik ben tot uw dienst," antwoordde de oude, "doch ik had liever dat
die knaap daar met zijn staart, als hij toch kwaad moest stichten,
de lieden armen en beenen brak, dan dat hij hunne hersenen verdraaide."
"Welk een wensch!" zeide Paula. "Menigmaal zegt gij dingen en zie ik
andere in uwe omgeving gebeuren, waarvan ik het rechte begrip niet
heb. Gij hebt mij reeds gisteren beloofd..."
"U te verklaren waarom ik zoovele creaturen Gods, die met verdraaide
en gebroken ledenmaten de last des levens dragen, rondom mij verzamel."
"Juist!" antwoordde Paula. "Er is wel geen grooter bewijs van
barmhartigheid te geven, dan dat men zulke ongelukkigen het leven
dragelijk maakt."
"Maar daarom, denkt gij," zoo viel de bewegelijke grijsaard haar in
de rede, "uit zulk eene edele oorzaak alleen zal de oude zonderling
zijn stokpaardje wel niet berijden, en daaraan hebt gij gelijk. Van
kindsbeen heb ik bijzonder veel opgehad met het beenderstelsel
van menschen en dieren, en evenals een verzamelaar van herten-
en gazellengeweien, wanneer hij allerlei soorten van horens bezit,
er zich met bijzonderen ijver op toelegt om vreemde en ziekelijk
vergroeide horens te verzamelen, zoo stel ik er eene eer in, allerlei
vergroeiingen en verminkingen van dierlijke en menschelijke beenderen
te leeren kennen."
"En ze weer recht te maken," voegde de arts erbij. "Van zijne jeugd
af heeft hij zich aan dezen hartstocht overgegeven."
"En ze is toegenomen sedert ikzelf eens mijn been gebroken en
ondervonden heb, wat men daarbij gevoelt," zeide de oude man,
dit toestemmende. "Met behulp van mijn studiegenoot die daar staat
ben ik van een dilettant een wezenlijk wondarts geworden, en nog
wel een die Aesculapius dient voor eigene rekening. Overigens heb
ik nog bijbedoelingen, die er mij toe brachten zulk eene vreemde
omgeving te kiezen. Een mismaakte slaaf bijvoorbeeld is goedkoop,
en dan zijn er zekere waarnemingen, die mij een onschatbaar genoegen
verschaffen. Doch dat is niet voor u, meisje!"
"O, zeker!" zeide Paula. "Evengoed als ik Philippus versta als hij
mij iets op het gebied der natuurwetenschap uiteenzet..."
"Halt," hernam Rufinus lachend, "onze vriend zal zich wel wachten u
dat te verklaren! Hij acht het eene dwaasheid, en geeft alleen dit
eene toe, dat een heelmeester en waarnemer als ik ben zich geen
beter, gewilliger en onderhoudender huisgenooten kan denken dan
mijne kreupelen."
"Zij zijn u zeker dankbaar," merkte Paula op.
"Dankbaar?" vroeg de oude heer. "Dat komt wel eens voor, maar
erkentelijkheid is geen rente waarop een verstandig man rekent. Gij
weet nu genoeg, reeds om der wille van Philippus willen wij de rest
laten rusten."
"Neen, neen," bad Paula, en toen zij den grijsaard de handen toestak,
zeide hij vroolijk: "Wie zou u iets kunnen weigeren! Ik zal het kort
maken, doch gij moet mij opmerkzaam volgen. Nu dan: de mensch is de
maatstaf aller dingen! Hebt gij dit begrepen?"
"Wel zeker! Gij zegt het telkens. De voorwerpen, bedoelt gij, zijn
zooals zij ons toeschijnen."
"Ons, zegt gij, omdat wij, gij, ik en wij allen hier gezond zijn naar
lichaam en geest. Die voorwerpen, Gods eigen werk, moeten wij zooals
ze zijn onvoorwaardelijk als gezond en normaal beschouwen. Wij moeten
dus in de eerste plaats verlangen dat de mensch, die een maatstaf
van al het geschapene zal zijn, zelf normaal en gezond is. Of kan
een kastenmaker met eene kromme of scheeve liniaal rechte planken
pasklaar maken?"
"Zeker niet!"
"Dan zult gij ook begrijpen, hoe bij mij de vraag kon opkomen: Meet
de zieke, mismaakte, wanstaltige mensch de dingen ook met een anderen
maatstaf dan wij gezonde menschen? Zou het niet een dankbaar onderwerp
zijn om na te sporen welk een onderscheid er bestaat tusschen zijne
meetingen en de onze?"
"En hebben die onderzoekingen bij uwe kreupelen tot een resultaat
geleid?"
"Tot vele en groote," verzekerde de oude; doch de arts belette hem
verder te gaan door luide "Oho!" te roepen, en te verzekeren dat
zijn vriend veel te snel gereed was om uit enkele verschijnselen
wetten af te leiden. Velen zijner waarnemingen hadden ongetwijfeld
zeker belang....
Hier viel Rufinus hem weer in de rede en het gesprek zou in een strijd
ontaard zijn, als Paula zich niet in den redetwist had gemengd en haren
opgewonden gastheer had verzocht om ten minste een zijner resultaten
mede te deelen.
"Ik heb bevonden," antwoordde deze, zeker van zijn zaak, terwijl hij
zijn langen zwaren baard met zekere deftigheid uitstreek, "dat zij
niet alleen verstandig zijn, daar zij reeds vroeg de rede scherpen,
om door geestelijke gaven te vergoeden wat zij aan lichamelijke
missen. Zij zijn in den regel geestig, gelijk de fabeldichter
Aesopus en de Egyptische God Besa, die, zooals Horus, de oude vriend
van Philippus, aan wien wij al onze Egyptische wijsheid te danken
hebben, ons mededeelde onder de heidenen de god was van de grappen,
den scherts, de kwinkslagen en bovendien van het vrouwentoilet. Dit
getuigt van de fijne opmerkingsgaven der ouden, want de gebochelde,
wiens lichaam krom gegroeid is, meet de dingen ook met een krommen
maatstaf. Met behulp van zijn verstand leert hij meestal evenzoo
meten als de meeste menschen, waaronder hij leeft, dat wil zeggen
recht; doch op zekere tijden, wanneer hij aan zijne natuurlijke
neiging toegeeft, maakt hij het rechte krom en het kromme recht,
en zoo ontstaat de scherts, die toch in niets anders bestaat dan in
eene scheeve opvatting en voorstelling der dingen. Knoop maar eens
een onderhoud aan met mijn gebochelden tuinman Gibbus, of let eens
op hem. Wanneer hij zich 's avonds bij onze lieden neerzet lachen ze
al, zoodra hij den mond maar opent. Zijne natuur dwingt hem enkel in
paradoxen te spreken. Weet gij wat dat is?"
"Zeker!" antwoordde Paula.
"En gij, Pul?"
"Neen, vader."
"Gij zijt ook te recht van lijf en leden, ook wat uwe eenvoudige ziel
betreft, om voor zoo iets een zin te hebben. Luister dan! Een paradox
zou bijvoorbeeld zijn, als ik den bisschop bij de processie van heden
wilde toeroepen: 'Gij zijt goddeloos uit louter vroomheid,' of wanneer
ik mij bij de dochter van Thomas, met het oog op de vleierijen, welke
zij zoo straks van uwe moeder en uit mijn mond vernam, verontschuldigde
met te zeggen: 'onze wierook was bitter van louter zoetigheid.' Deze
paradoxen zijn, als men ze op den keper bekijkt, waarheden in verbogen
vorm, en daarom gaan ze den gebochelden het best af. Vat ge?"
"Ja zeker," antwoordde Paula.
"En gij, Pul?"
"Ik weet het niet recht, het zou mij beter bevallen als men eenvoudig
zeide: Wij hadden haar niet zooveel vleiende dingen moeten zeggen,
want dat kan een meisje hinderen."
"Bravo, mijn recht kind!" zeide de oude lachend. "Doch daar staat
de tuinman. Heidaar, mijn wakkere Gibbus! Stelt je eens voor dat
ge iemand zulke grove vleierijen hadt gezegd, dat hij in plaats van
zich te verblijden zich hierover ergerde, hoe zoudt ge u uitdrukken,
wanneer ge mij dat wildet mededeelen?"
De hovenier, een klein, dik man met een verbazenden hoogen rug doch
met een verstandig en goed gevormd gelaat, bedacht zich een oogenblik
en antwoordde toen: "Daar heb ik ezel hem rozen willen laten ruiken
en hem distels onder den neus geduwd."
"Voortreffelijk!" riep Paula, en toen Gibbus schaterlachend wegliep,
zeide de arts: "Men zou dien man om zijn bochel kunnen benijden,
maar--niet waar jonkvrouw Paula?--wij kennen ook lieden die recht
opgegroeid zijn en toch als het er op aankomt allerlei verdraaide
voorstellingen tot hunne beschikking hebben."
Gelukkig ontsloeg Rufinus Paula van het antwoord, door haar op zijn
geschrift over de verkrommingen der ziel en des lichaams te wijzen,
en daarna met warmte voort te gaan: "Ik roep u allen tot getuigen of
die lamme Baste--een harer beenen is veel korter dan het andere, en
wij hebben het met moeite zoover gebracht dat het haar draagt--haar
meten der dingen niet beperkt tot het laagste, tot de oppervlakte
der aarde? Zij moet altijd naar den grond kijken, wil zij niet
struikelen. En wat is daarvan het gevolg? zij kan u nooit zeggen
wat aan een boom hangt en zoowat drie weken geleden heb ik haar bij
helderen hemel en afnemende maan, en nadat zij avond aan avond tot laat
met de andere lieden in de open lucht had gezeten--het was omstreeks
den middag--gevraagd, of de maan gisteren aan den hemel had gestaan,
en zij is mij het antwoord schuldig gebleven. Ja, ik heb opgemerkt dat
zij redelijk groote mannen, die zij drie- en viermalen gezien heeft,
moeielijk weder herkent. Evenals haar been zoo is ook haar maatstaf
der dingen te kort uitgevallen; heb ik gelijk of niet?"
"In dit geval hebt gij gelijk," antwoordde de arts; "toch ken ik
gebrekkigen..."
Wederom ontstond er strijd tusschen de vrienden, doch Pulcheria maakte
er ditmaal een einde aan door met groote warmte uit te roepen: "Die
Baste is het beste en goedhartigste schepsel in het geheele huis!"
"Omdat zij ook in haar binnenste ziet," antwoordde Rufinus. "Zij
kent zichzelve, en daar zij weet hoe pijnlijk de smart is, behandelt
zij anderen met verschooning. Weet gij nog, Philippus, hoe wij na
de ontleedkundige voordracht, die wij in Caesarea te zamen gehoord
hadden, redetwistten..."
"Heel goed," viel de arts in, "en het leven heeft sedert mijne
inzichten van toen slechts bevestigd. Er is geen nadeeliger en
logenachtiger spreuk dan die Latijnsche: 'Mens sana in corpore sano',
wanneer men haar altijd als gewoonlijk overzet: 'Alleen in een gezond
lichaam kan eene gezonde ziel wonen'. Als wensch laat ik dit woord
gelden; ja menigmaal kwam ik in verzoeking om ook deze nog bedenkelijk
te vinden. Want juist in kranke lichamen heb ik vaak eene sterkte
van ziel gevonden, eene hoopvolle en ook voor het geringste dankbare
stemming, eene fijnheid van gevoel, eene verstandige zelfbetrachting en
eene onvoorwaardelijke overgave aan het hoogere, als ik bij gezonden
niet heb weergevonden. Het lichaam is wel de woning der ziel, en
evenals er in hutten en paleizen goeden en kwaden, wijzen en dommen
worden gevonden, en men in stulpen dikwijls meer goedhartigheid
aantreft als in de prachtige huizen der grooten, zoo vindt men edele
zielen in leelijke en schoone, gezonde in kranke lichamen, en in de
laatsten misschien menigvuldiger dan in de eersten. Maar met zulke
onjuiste spreuken, die de een den ander nazegt, moet men behoedzaam
omgaan, want zij kunnen hen kwetsen, die bovendien het in dit leven al
zwaar genoeg te verantwoorden hebben. Naar mijne opvatting denkt een
gebochelde even recht als een athleet; of meent gij dat, al brengt
eene moeder in een hol zoo gedraaid als een slakkenhuisje kinderen
groot, zij daarom niet rechtop naar den hemel kunnen groeien, zooals
toch met den mensch plaats heeft?"
"Deze vergelijking gaat mank!" zeide de oude heer met geestdrift,
"en moet recht gebogen worden. Willen wij niet in openbare tegenspraak
met elkander komen..."
"Gij zult vrede houden!" riep opeens vrouw Johanna haar man toe,
en voor deze nog een woord kon zeggen, vroeg Paula rondweg en op den
man af: "Hoe oud zijt gij, waardige gastheer?"
"De tweede dag van mijn zeventigste jaar werd daardoor gewijd,
dat gij toen ons huis juist voor de eerste maal hebt betreden,"
antwoordde Rufinus, deftig buigende.
Doch zijne vrouw stak dreigende den vinger tegen hem op en zeide:
"hebt gij ook misschien een geheime bochel, manlief? Zoo'n fraai
gedraaid antwoord..."
"Hij ziet zijne kreupelen de kunst af," schertste Paula. "Maar nu komt
gij aan de beurt, vriend Philippus. Uwe redeneering was die van een
bedaagden wijze, en heeft mij--om der wille van Rufinus zeg ik niet
'overtuigd', maar 'meegesleept'. Ik ben u eerbied schuldig, en toch
zou ik willen weten hoeveel jaren gij...."
"Ik zal weldra mijn een-en-dertigste intreden," zeide de arts, nog
voor zij haar vraag voleindigd had.
"Dat is een eerlijk antwoord," zeide vrouw Johanna, lachende. "Op uw
leeftijd klemt men zich gaarne aan het twintigste jaar vast."
"Waarom?" vroeg Pulcheria.
"Ach, daarom," antwoordde de moeder. "Er zijn meisjes die een dertiger
voor ouder aanzien dan hem lief is."
"Domme schepsels," hernam Pul. "Zij zullen bezwaarlijk een jonkman
vinden, die beminnelijker is dan onze vader, en wanneer Philippus, ja
gij Philippus, tien of twintig jaren ouder waart dan negen-en-twintig,
meent gij dat dit u minder verstandig en goed kon maken?"
"En minder leelijk in geen geval," voegde de arts erbij.
Daarop zeide Pulcheria knorrig, als hadden die woorden haar gekrenkt:
"Gij zijt in het geheel niet leelijk! Wie u daarvoor uitgeeft, heeft
in het geheel geene oogen! Gij zeidet het ook alleen om te hooren,
dat gij een deftig man zijt."
Terwijl het gevoelige meisje aldus den vriend tegen zichzelve
verdedigde, streek Paula haar over de gouden haren en zeide tot den
arts: "Pulcheria's vader heeft gelijk. Zij weet de menschen met den
waren maatstaf te meten. Vergeet dit niet, Philippus! Verder... Houd
mij de vraag ten goede, maar moet het niet mijne verwondering
wekken, dat een een-en-dertiger en een zeventiger te gelijkertijd de
hoogeschool hebben bezocht?--Het duurt nog lang eer de maan, die zoo
helder en blank daar voorttrekt, verduisterd wordt. Ook gij Rufinus
zijt zulk een wereldreiziger geweest, en wanneer gij mij een groot
genoegen wilt doen, dan vertelt gij ons iets uit uw leven, en hoe
gij hier te Memphis gekomen zijt."
"Zijn levensloop?" zeide vrouw Johanna. "Wanneer hij ons die vertellen
wil van het begin tot het einde met alle bijzonderheden, dan verloopt
de geheele nacht en wordt morgen ons ontbijt nog koud. Hij heeft een
leven gehad als dat van den avontuurlijken Odusseus. Doch verhaal
een en ander, man! Gij weet, wij luisteren met het grootste genot."
"Mij roept mijn plicht," zeide de arts, en nadat hij van de anderen
vriendelijk afscheid genomen en Paula meer afgemeten dan in de laatste
dagen vaarwel gezegd had, begon Rufinus aldus:
"Ik ben in Alexandrië geboren, in een tijd toen handel en nijverheid
er nog bloeiden. Mijn vader was een wapensmid en in zijne werkplaats
arbeidden wel tweehonderd slaven en vrijen. Hij had veel van het
beste erts noodig en dat ontving hij gewoonlijk uit Brittannië over
Massilia. Eens geleidde hijzelf het schip van zijn handelsvriend
naar het verre eiland, en daar leerde hij mijne moeder kennen. Haar
goudblond haar, dat onze Pul geërfd heeft, moet hem bekoord hebben,
en daar de schoone vreemdeling--want mijn vader was een man zooals er
weinigen meer zijn--haar goed beviel, werd zij om zijnentwil christin
en volgde hem bereidwillig. Zij hebben er beiden nooit berouw over
gehad, want ofschoon zij eene stille vrouw was, die het Grieksch
tot aan hare laatste ure sprak als eene vreemde, zeide de oude man
toch vaak, dat zij zijn beste raadgeefster was. Daarbij bezat zij
zulk een gevoelig gemoed, dat zij geen schepsel kon zien lijden,
en hoe ijverig zij ook aan den haard en aan den weefstoel dagelijks
bezig en op haar plaats was, zoo kon zij toch geen hoen, geen gans,
geen varken zien slachten. Haar hart--moet ik zeggen 'helaas' of
'goddank'?--heb ik geërfd. Ik had nog twee oudere broeders, die mijn
vader moesten helpen en later de zaak zouden voortzetten. Toen ik
tien jaren oud was, moest ik een beroep kiezen. Mijne moeder had
gaarne een geestelijke van mij gemaakt, en ik zou het met vreugde
geworden zijn, maar mijn vader stemde hierin niet toe, en daar wij
een oom hadden die rhetor was en met zijn ambt veel geld verdiende,
leende mijn vader het oor aan zijn voorslag, om mij voor dit beroep op
te leiden. Zoo ging ik dan van den eenen leermeester tot den anderen
en kwam in de school goed vooruit.
"Tot mijn twintigste jaar woonde ik altijd bij mijne ouders, en
gedurende mijne veelvuldige vrije uren kon ik doen en laten wat mij
het best aanstond, en dat waren, als het niet te voornaam klinkt,
louter geneeskundige zaken. Als twaalfjarige knaap was ik het eerst
begonnen mij daaraan te wijden, en wel door een toeval. Ik liep
natuurlijk gaarne in de werkplaatsen rond, en daar was eene ekster,
een potsierlijk beest, dat mijne medelijdende moeder opgevoed had. Het
dier kon 'jij domkop', mijn naam en nog andere woorden roepen, en
hield veel van lawaai; want waar de smeden en slotenmakers het drukst
hamerden en vijlden, daar fladderde het 't liefst heen en weer, en waar
het zich neerzette bij een aambeeld, keek het onder al dat kloppen,
knarsen en slijpen altijd vroolijk rond. Jarenlang was het dier zijne
gezelligheid goed bekomen, maar op zekeren dag geraakte het in een
schroefbank beklemd en zijn linkerpootje brak. Dat arme beestje!"
De oude bukte even, om heimelijk zijne oogen af te vegen, en ging
toen opnieuw voort: "De ekster viel op zijn rug en zag mij zoo
medelijdend aan, dat ik den blaasbalgtrekker, die hem uit medelijden
den genadeslag wilde geven, de tang uit de handen rukte, het beestje
voorzichtig aangreep en mij voornam het te genezen. Toen heb ik de
ekster op mijne kamer aan een kunstig bedacht toestelletje bevestigd,
opdat zij zich stil zou houden en zich geen pijn zou doen; ik heb het
pootje gezet, de gewonden einden in mijn mond verwarmd en bevochtigd,
en kleine houtjes als spalkjes daarom bevestigd. En ziedaar, het pootje
genas waarlijk, het beestje werd gezond, fladderde als vroeger in de
werkplaats rond, en als ik mij vertoonde vloog het op mijn schouder en
pikte met zijn spits snaveltje mij voorzichtig in het haar. Van dat
oogenblik af zou ik gaarne de hoenders in den hof de pooten gebroken
hebben om ze te genezen; doch ik kwam op een ander denkbeeld. Ik
ging naar de barbiers en zeide hen, dat wie een vogel, een hond
of eene kat met gebroken leden had, die mocht ze bij mij brengen,
ik verklaarde mij bereid ze om niet te heelen, dat konden ze aan
hunne klanten vertellen. Reeds den volgenden dag bracht men mij een
patiënt, een zwarten jachthond met gele vlekken boven de oogen, dien
eene afgedwaalde lans een poot verbrijzeld had; ik zie dat beest nog
voor mij! Op dezen volgden andere gevederde en viervoetige kranken,
en zoo was dan mijn heelmeesterswerk begonnen. Die lijdende vogels,
die daar aan de boomen hangen, dank ik weder aan mijne bondgenooten, de
barbiers. Met viervoeters houd ik mij thans slechts bij uitzondering
bezig. De lamme kinderen, die gij als helpers in den tuin ziet,
behooren aan arme ouders, voor wie de wondarts te duur is. Die
vroolijke krullebol die u onlangs de roos bracht, mag over weinige
dagen naar huis gaan. Maar wij moeten naar mijne jeugd terug!
"De hoogere beweeggronden, die aan mijn leven deze richting gaven,
hebben zich eerst later na mijn twintigste jaar en nadat ik de
hoogeschool reeds achter mij had, bij mij doen gelden, ja door hunne
kracht ben ik eerst aangegrepen, nadat mijn oom mij reeds menige
gelegenheid had verschaft om mij in mijn vak te oefenen. Zonder
ijdelheid mag ik zeggen, dat mijne voordrachten de lieden bevielen,
en ofschoon ik een afkeer had van gezwollenheid en bloemrijk gezwets
werd ik toch niet uitgefloten. Hoewel de ouders zich verblijdden als
ik uit Nikou, Arsinoë of uit andere plaatsjes in de provincie met
lauwerkransen en goudstukken terugkeerde, was ik in mijne eigene
oogen altijd een bedrieger. Doch om mijn vader waagde ik het niet
een ander beroep te kiezen, ofschoon het mij al meer en meer tegen
de borst stuitte lieden hemelhoog te verheffen, die ik noch liefhad
noch achtte, en tranen van ontroering te schreien, terwijl ik bereid
geweest zou zijn hartelijk te lachen.
"Vrije tijd had ik in overvloed, en daar het mij niet aan moed ontbrak
en ik zeer gehecht was aan onze Grieksche geloofsbelijdenis, was ik
er altijd bij als er verschillende geloofsgenooten met elkander in
opstand kwamen en handgemeen werden. Gewoonlijk liep het af met builen
en schrammen, doch soms werden ook de zwaarden getrokken. Eens waren
duizenden tegen duizenden in strijd geraakt, en de prefect had de
troepen--allemaal Grieken--laten uitrukken, om de rust met geweld te
herstellen. Dit gaf eene slachting, waarbij wel duizend vielen. Ik
kan u dit niet schilderen. Zulke dingen gebeurden niet zelden en
vaak richtten de woede en hebzucht der menigte, waarachter maar al te
dikwijls de overheid en de creaturen van den aartsbisschop stonden,
zich tegen de joden. Wat ik dan aanschouwen moest is zoo akelig,
zoo afgrijselijk, dat de tong weigert het te vertellen. Maar die
arme joodsche moeder, wier man door ellendige rekels--nog wel onze
geloofsgenooten--werd vermoord, die haar huis hadden leeggeplunderd
en daarna door een zwaargewapende bij de haren over den grond werd
gesleurd, terwijl een bloeddorstige kerel haar zuigeling voor hare
oogen bij de voetjes nam en den schedel tegen den muur verpletterde,
gelijk men een natten doek tegen een paal uitslaat--die schoone jonge
vrouw en haar kind heb ik nooit vergeten, en niet zelden verschijnen
ze mij bij nacht in den droom.
"Dat alles heb ik beleefd, en met afgrijzen zag ik, een schepsel Gods,
een redelijk wezen zijn medemensch verscheuren, vervolgen, diep
ongelukkig maken. En waarom? Barmhartige Heiland, waarom? Alleen
uit haat, alleen--zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen
is--voortgezweept door eene gruwzame begeerte om zijn naaste, die
niet wilde zijn wat hij was, ja den naaste, die het waagde voor
zichzelven iets te zijn, te schaden, te krenken en leed te doen. En
deze woestelingen, deze legers die zich schaarden onder de banier
der onbarmhartigheid, der vernielingswoede, van den bloeddorst,
waren christenen, gedoopt in den naam van hem die gebood den vijand te
vergeven, die de liefde had uitgebreid van huis en stad en stal over de
menschheid, die de echtbreekster uit het stof ophief, die de kinderen
in zijne armen nam en zich meer wilde verheugen over éen zondaar die
zich bekeert dan over negen-en-negentig rechtvaardigen! Bloed wilden
zij zien, bloed, en was dan niet de leer van hem, op de belijdenis
waarvan zij zich verhieven, gesproten uit het bloed van den man, die
zijn leven had opgeofferd voor alle menschen, gelijk de lotusbloem
zich verheft uit het helder water van het marmeren bekken? En zij die
in de eerste plaats zulk eene leer der barmhartigheid door woord en
daad moesten verkondigen en verdedigen: de patriarch, de bisschop,
de presbyter en de diaken, zij hitsten de volkswoede aan, in plaats
van der menigte het beeld te toonen van den goeden herder, die het
afgedwaalde schaap opheft en vriendelijk naar de kudde terugdraagt.
"De eeuw waarin ik leefde scheen mij de jammerlijkste van alle eeuwen
en zij is het ook, zoo waar de mensch de maatstaf is aller dingen;
want in dezen tijd is de liefde veranderd in haat, barmhartigheid in
onverbiddelijke gevoelloosheid. Niet alleen de tronen der wereldlijke
vorsten, ook die der geestelijke gezagvoerders dropen van het bloed
van den naaste. Keizer en bisschop gaven het voorbeeld, het volk en de
leek deden het hun na. Evenals de grooten, de mannen van het zwaard,
zoo ook de kleinen, zoo ook de vreedzamen, die zochten naar geestelijke
goederen. Wat ik als man op straat zag gebeuren, dat had ik als knaap
en jongeling reeds op de lagere en hoogere scholen waargenomen. Elke
leer had hare aanhangers, en wie het met Cnejus eens was, die haatte
Cajus en deze sprak en schreef op zijn beurt met geen ander doel dan
om Cnejus te benadeelen, te vernederen, te kwellen. Elk tracht met
den meesten ijver de fouten van zijn evenmensch aan te toonen en hem
aan den schandpaal te binden, vooral wanneer deze voor grooter werd
gehouden dan hij, of dreigde hem boven het hoofd te wassen. Hoort de
meisjes aan de bron en de vrouwen bij het spinnewiel! Alleen hij is
zeker bijval te zullen vinden, die van andere mannen en vrouwen wat
kwaads kan vertellen. Wie vraagt naar den lof van zijn naaste? Wie
over het geluk van een ander hoort spreken wordt zijn benijder.
"Haat, overal haat! Overal de wil, de wensch, de hartstocht om een
ander te bedroeven en ten val te brengen, in plaats van hem op te
heffen, voort te helpen, te genezen! Dat is de geest van mijn tijd
en alles wat in mij is verhief zich daartegen met heiligen toorn,
en ik zwoer anders te zullen zijn en te handelen, en geen ander doel
te willen nastreven dan den ongelukkige bij te staan, den ellendige te
helpen, tot mij te trekken allen die een voorwerp waren van onbillijke
bespotting, bij mijn naaste recht te maken wat krom, heel wat gebroken
is, balsem te gieten in wonden en ze te genezen, ja te genezen!
"Gode zij dank, het is mij gelukt althans voor een deel die gelofte
te houden, en al paarde ik later aan mijn ijverig streven ook zekere
grillen en eene zonderlinge begeerte tot onderzoek, het groote
levensdoel waarover ik u sprak heb ik eerst onafgebroken in het
oog gehouden, nadat mijn vader gestorven was en mijn oom mij zijn
aanzienlijk vermogen had nagelaten. Toen hing ik den rhetorsmantel
aan den kapstok, doorreisde het westen en het oosten om het land
te zoeken, waar liefde de menschen aan elkander verbindt, en haat
als eene krankheid wordt beschouwd. Maar--zoo waarlijk de mensch de
maatstaf is aller dingen--tot heden is alle moeite om dat land te
vinden vruchteloos geweest. Inmiddels heb ik mijn huis zoo ingericht,
dat het een burcht der liefde is geworden. Daar waait eene lucht
waarin de haat niet kan tieren en in de kiem verstikt.
"Maar ondanks dit alles ben ik geen heilige geworden, en hoeveel
dwaasheden, hoeveel onrecht heb ik begaan; hoeveel geld en goed,
dat ik misschien beter voor de mijnen had kunnen bewaren, is mij
door de vingers gegleden, hoewel meerendeels bij het vervullen van
plichten die ik voor de edelste hield. Wilt gij 't wel gelooven,
Paula? Vergeef den ouden man, als hij de dochter van Thomas zoo
vaderlijk toespreekt. Nauwelijks vijf jaren na mijn huwelijk met
deze mijne beste vrouw, spoedig nadat wij onzen eenigen kleinen zoon
verloren hadden, heb ik haar en mijn dochtertje, deze Pul, verlaten,
voor meer dan twee jaren verlaten, om zonder opgeroepen te zijn,
geheel vrijwillig keizer Heraclius te volgen in den krijg tegen de
Perzen, die mij niets in den weg gelegd hadden. Trouwens ik ging
niet als krijgsknecht, maar als een leergierige wondarts. Eerlijk
gezegd, schepte ik evenzeer behagen in het zien en behandelen van
breuken, wonden en verminkingen bij menigte en in het groot, als
in het betoonen van mijne mildheid. Met een gebroken doch redelijk
samengelapt been keerde ik tot de mijnen terug, weinige jaren later
echter kon ik het niet langer op dezelfde plaats uithouden. De
trekvogel haalde vrouw en kind uit de rust van huis en tuin, en
sleepte ze mee naar de hoogeschool. De echtgenoot, de vader, de
grijskop maakte een wonderlijk figuur onder die jonge metgezellen,
die de lessen en verklaringen van den leeraar volgden. Maar zoo waar
de mensch de maatstaf aller dingen is, in vlijt en ijver stond ik
bij niemand hunner achter, hoewel menigeen mij in geest en gave verre
overtrof, en onze Philippus muntte uit boven allen. Ziedaar de reden,
edele Paula, waarom de grijsaard en de man in den bloei zijner jaren
studiegenooten zijn, doch de oude buigt zich heden nog gaarne voor
den jongeren kunstbroeder, die van denzelfden geest bezield is. Recht
maken, troosten, heelen dat is ook het doel van zijn leven, en vaak
lust het mij oudje, die het doel van Philippus zooveel eerder dan
hij heb nagestreefd, mij zijn leerling te noemen."
Hier zweeg Rufinus en stond op, ook de Damasceensche verhief zich
van haar zetel, drukte hem hartelijk de hand en zeide: "Ware ik een
man, ik sloot mij bij u beiden aan. Doch het is ook aan eene vrouw
geoorloofd, zooals Philippus mij leerde, in uw geest te werken. En
thans verzoek ik u nog, en gij zult mij deze gunst niet weigeren, mij
nooit anders dan Paula te noemen. Zoo gelukkig als ik thans ben bij u,
had ik niet gedacht mij nog ooit weder te zullen gevoelen. Mijn hart
wordt hier frisch en gezond. Vrouw Johanna, wees gij mij tot eene
moeder! Ik heb een besten vader verloren, en tot ik hem wedervind
zult gij Rufinus zijn plaats bekleeden."
"Gaarne, volgaarne!" riep de oude man, greep hare beide handen en ging
daarna opgewekt voort: "Daarvoor verzoek ik u echter, dat gij onze
Pul als eene jongere zuster aanneemt. Maak gij van het schuchtere,
menschenschuwe schepseltje een jonkvrouw naar uw voorbeeld.--Maar kom,
kinderen, spoedig den blik naar den hemel gericht, want daar begint,
zooals de oude heidenen van dit land zeiden, als de maan verduisterde,
Typhon reeds in de gedaante van een everzwijn het Horus-oog te
verslinden. Ziet hoe de schaduw de blanke schijf bedekt! Als de
vaderen dit zagen maakten zij geweld; zij schudden het sistrum met
zijne metalen ringen, zij trommelden, bliezen, tierden en raasden, om
den booze vrees aan te jagen en hem te verdrijven. Voor vierhonderd
jaren zal dat hier voor het laatst gebeurd zijn, en heden--trekt
de hoofddoeken wat vaster aan en volgt mij naar den stroom--heden
maken christenen zich bespottelijk door hetzelfde te doen. In welk
christelijk land ik ook geweest ben, overal heb ik hetzelfde schouwspel
aangetroffen. Onze heilige godsdienst heeft het geloof der heidenen
vernietigd, maar hun bijgeloof bleef leven en is door de voegen en
naden in onze gebruiken binnengedrongen. Daar trekken ze heen met den
bisschop aan het hoofd, en hoe luide overstemt het gejammer der vrouwen
en het huilen der mannen het gezang der geestelijkheid. Hoort maar! Ook
die liederen klinken zoo klaaglijk en zoo hartstochtelijk smeekend,
als voerde de oude Typhon nog in zijn schild de maan te verslinden,
en als stond de wereld het grootste onheil te wachten. Ja--zoo waar
de mensch de maatstaf is aller dingen--die beangstigde schepsels
daar beneden zijn geesteskrank, en hoe kan men hen vergeven, die het
wagen christenen, ja christenen, met de overblijfselen van heidensche
dwaasheid bang te maken en hun geestelijk oog te verblinden!"