TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

In de zindelijke vertrekken, die de vrouw van Rufinus had ingericht

voor hare kranke gasten, heerschte op den middag de vreedzaamste

rust. Door de zware groene gordijnen, die het zonlicht tegen hielden,

drong een zachte schemering naar binnen en de verpleegsters hadden

kort geleden den morgenmaaltijd gebruikt. Paula goot nieuwe druppels

op het verband van den Masdakiet en Pul was in het aangrenzend vertrek

met Mandane bezig, die zich stil, verstandig en zonder eenig spoor

van waanzin aan de voorschriften van den arts onderwierp.

Paula verkeerde nog altijd onder den indruk van den afgeloopen

nacht. Zulk een onrust had zich van haar meester gemaakt, dat zij

geheel tegen haar gewoonte niet lang stil kon zitten, en als Pul

bij haar kwam, om haar dit of dat te vertellen, luisterde zij zoo

verstrooid en onverschillig toe, dat het bescheiden meisje uit vrees

van haar te storen, zich terugtrok bij hare kranke en dus geduldig

wachtte tot haar nieuwe afgod haar riep.

Thomas' dochter had inderdaad wel reden om zich eenigszins beangst te

maken, want heden zou Orion, wanneer zij zich niet in alles bedroog,

zich bij haar aanmelden, teneinde haar vermogen over te brengen,

en terwijl zij gisteren op den terugweg van het kerkhof tot de

overtuiging was gekomen, dat zij hem afwijzen moest en wilde, zoo

had de groote ontroering, die het gevolg was van Katharina's verhaal

en van haren droom, haar te meer in die overtuiging bevestigd. Hare

voedster wachtte beneden op Orion en wel met de opdracht hem niet bij

haar maar bij Rufinus te brengen, die volgaarne op zich had genomen

als haar gevolmachtigde het geld, dat zij verwachtte, in ontvangst

te nemen. Want de arts had Paula niet verzwegen, dat hij zijn vriend

in het algemeen bekend had gemaakt met de omstandigheden, die haar

hadden doen besluiten het paleis van den stadhouder te verlaten, en

hem Orion doen kennen als een man, dien zij niet zonder grond ontweek.

Tegen de tweede ure na den middag klom Paula's onrust zoo zeer, dat

zij nu en dan het ziekenvertrek, dat op den tuin uitzag, verliet om

uit de vensters van de voorzaal een blik te werpen in de Nijlstraat;

want hij kon evengoed van daar als van de andere zijde komen. Over

de bewaring van hare bezitting dacht zij niet, maar de vraag kwam

bij haar op, of zij niet te kort deed aan haar plicht, wanneer zij

zich onttrok aan de aandoeningen, die met het persoonlijk ontvangen

van den zoon haars ooms gepaard moesten gaan. Niemand was in staat

haar in dit geval te raden, ook Perpetua niet, want zelfs eene

moeder zou in deze aangelegenheid haar moeielijk hebben kunnen

begrijpen. Zij herkende zichzelve ternauwernood, want tot dusverre

had zij ook in de moeielijkste omstandigheden zonder lang overleg

en alleen geleid door een innerlijke stem, die haar nooit bedroog,

terstond geweten wat zij doen en laten moest, wat in een gegeven geval

recht of onrecht was. Doch heden was zij in haar eigen oog gelijk een

schommelend riet, een door den wind her- en derwaarts gedreven blad,

en zoo vaak zij de tanden op elkaar klemde en de handen samenkneep

om rustig na te denken, om kalm het "voor" en "tegen" te overwegen,

dwaalden hare gedachten toch weder af. De herinnering aan haar droom,

het beeld van Orion, zooals zij hem aan het graf zijns vaders had

gezien, Katharina's verhaal van "die andere", en de vreeselijke

straf die hij zou geleden hebben en zeker ook werkelijk geleden had,

dat alles doorkruiste hare gedachten als vogelzwermen op den Nijl,

wier vlucht haar vaak was als een fladderend gordijn tusschen haar

oog en wat het zocht aan genen oever van den stroom.

In de derde namiddagure--zij was weder tot de kranken

teruggekeerd--meende zij hoefslagen in den tuin te hooren en ijlde

opnieuw naar het venster. Haar hart klopte niet heviger toen de

hond van Hermonthis in dien rampzaligen nacht op haar en Hiram

was toegevlogen, dan op dit oogenblik, daar zij het naderen van een

ruiter vernam, wiens gedaante niet zichtbaar was door het struikgewas

van den tuin. Dat moest Orion zijn; maar waarom sprong hij niet

uit het zadel? Neen, hij was het niet, want zijne hooge gestalte

zou zeker boven het niet al te hooge loof hebben uitgestoken. De

vrienden van haar gastheer kende zij nog niet, misschien was het

een van hen. Thans keerde het paard en sloeg het den weg in, die

tot den hoofdingang leidde. Daar ging haar gastheer den aangekomene

tegemoet en nu herkende zij niet Orion maar zijn kleinen schrijver,

die zich uit het zadel liet glijden van een haar goed bekend muildier,

de teugels aan een knaap toewierp, den oude heer iets overhandigde,

zich op eene rustbank neervlijde en daar geeuwend zijne beenen lang

uitstrekte. Terstond hierop zag zij Rufinus naar huis teruggaan.

Had Orion deze bode opgedragen haar over te brengen wat haar

toekwam? Zij vond in deze manier van handelen iets beleedigends en het

bloed vloog haar naar het hoofd. Doch hier was wel geen sprake van

het overhandigen van haar vermogen, want haar gastheer droeg niets

zwaars maar iets kleins in de hand, het geleek wel, ja waarlijk het

was een rol. Daar kwam hij reeds de smalle trap op, en dadelijk vloog

zij hem in het portaal tegemoet en bloosde daarbij over zichzelve,

als deed ze onrecht.

De oude heer merkte het op en zeide, terwijl hij haar den briefrol

overhandigde: "Gij behoeft niet bang te zijn, gij heldendochter! De

jonge heer is niet zelf gekomen; hij schijnt het verkieslijker te

vinden schriftelijk met u te onderhandelen, en zoo is het zeker voor

beide partijen het best."

Paula knikte toestemmend, nam de rol in ontvangst, en keerde hem

den rug toe, terwijl zij het koord uit het waszegel trok, want zij

gevoelde dat zij bleek werd en dat hare vingers beefden.

"De bode wacht op antwoord," zeide Rufinus, voor zij begon te

lezen. "Beneden sta ik elk oogenblik tot uw dienst gereed." Daarop

verliet hij haar.

Paula ging in de ziekenkamer terug, en begon, leunende tegen de

gordijnen voor de vensteropening, in de hoogste spanning te lezen:

"Orion, de zoon van den in God ontslapen Mukaukas Georg, brengt zijn

groet aan zijne nicht, de dochter van den edelen Thomas van Damascus.

"Menige brief aan u, die voor dezen geschreven werd, heb ik

vernietigd." Paula haalde ongeloovig de schouders op en las dan verder:

"Moge het mij in dit schrijven beter gelukken u te zeggen wat mij

voor uw heil en het mijne onvermijdelijk schijnt. Ik wil verzoeken

en raden te gelijk."

"Hij mij raden?" lispelde het meisje, terwijl zij de lip optrok en

verder las: "Moge het aandenken aan den man, die u als een dochter

liefhad, en op zijn sterfbed niets vuriger gewenscht zou hebben

dan u--ofschoon hij afkeerig was van uw geloof--als dochter, als

gemalin van zijn zoon te kunnen zegenen; moge de herinnering aan

dezen rechtvaardige uw verbolgen en verontwaardigd gemoed tot bedaren

brengen, opdat deze woorden van den armste der armen,--want dat ben ik

thans Paula!--door u niet ongelezen blijven. Sta mij dit laatste toe,

wat ik van u verzoek, ja om der wille mijns vaders vorder."

"Vorder?" herhaalde de jonkvrouw, en hare wangen gloeiden, er sprak

onwil uit den opslag harer oogen, en hare beide handen grepen reeds de

einden van het blad, als wilde zij het verscheuren. Doch de volgende

woorden; "Vrees niet," hielden haar terug van deze overijlde daad. Zij

streek het papyrus blad recht en las met toenemende opgewondenheid

verder:

"Vrees niet, dat ik u naderen zal als een minnaar, als de man voor wien

er maar éene op aarde zijn kan om lief te hebben en geene andere. En

dat die eenige juist zij moest zijn, die ik zoo onuitsprekelijk

zwaar beleedigd heb, tegen wie ik verwoeder, onbarmhartiger en met

ergerlijker wapenen gestreden heb dan tegen een vijand onder mijn

eigen geslacht!"

"Geene andere," prevelde de jonkvrouw in zichzelve, streek weder met

de hand over haar voorhoofd, en rondom hare lippen speelde een trek

van bevredigden trots toen zij verder las: "Ik zal u liefhebben,

zoolang een ademtocht deze arme ongelukkige borst beweegt."

Wederom geraakte het papyrusblad in gevaar, doch het bleef ook ditmaal

ongeschonden en Paula's trekken namen eene stille, vriendelijke

uitdrukking aan, terwijl zij Orions duidelijk schrift verder las:

"Doch ik ben mij bewust door eigene schuld alle aanspraak verbeurd te

hebben op uwe achting, ja op uwe goede gezindheid jegens mij, en als de

eeuwige liefde geen wonder wrocht in uw hart, het hoogste aardsch geluk

voor altijd verspeeld te hebben. Gij zijt aan mij gewroken, want alleen

om uwentwil--hoort gij het?--om uwentwil heeft mijn innig geliefde,

stervende vader in maar al te zeer gerechtvaardigden toorn over den

ellendige, die den rechterstoel zijns vaders had geschandvlekt, den

zegen, dien hij reeds in al zijne volheid over mijn berouwvol hoofd

had uitgesproken, in vloek veranderd."

Bij deze woorden verbleekte Paula. Dat was het dus waarover hij tot

Katharina had gesproken, wat hem naar het uiterlijk, misschien ook

innerlijk zoo wonderbaar veranderd had. En dit, ja dit droeg de stempel

der waarheid, dit kon niet gelogen zijn, en om harentwil had de vloek

van den vader het hoofd van den eigen zoon getroffen! Hoe was dit zoo

gebeurd? Had de arts het niet opgemerkt of het voor haar verzwegen

om het geheim van een ander te eerbiedigen? Arme, arme jonkman! Ja,

zij moest hem spreken! Zij kon geene rustige ure hebben voor zij

wist hoe haar oom, die teeder liefhebbende vader.... Maar verder,

spoedig verder:

"Alleen zooals ik ben, als een gebroken man, te jong om mijzelven

geheel op te geven en daarom vast besloten alles aan te wenden wat mij

aan wilskracht, aan geest en achting voor mij zelven nog van mijne

voorvaderen overgebleven is, ten einde mij haar waardig te maken,

verschijn ik voor u en smeek u mij een kort gehoor te schenken! Geen

woord, geen blik zal u verraden, wat in mij woelt en dreigt mij ten

gronde te richten.

"Wat nu volgt moogt gij niet ongelezen laten, want het handelt

over zaken, die voor u van hoog belang zijn. Allereerst zal u

worden ter hand gesteld wat de overledene van uw erfdeel gered

en door zijne vaderlijke voorzorg vermeerderd heeft. Het zal in

deze moeielijke tijden niet gemakkelijk zijn dit kapitaal zeker

en goed te beleggen. Bedenk, dat evenals de Arabieren gevolgd

zijn op de Byzantijnen, zoo kunnen de eersten weder plaats maken

voor de laatsten. Ook de ten onder gebrachte Perzen, de Avaren

of andere volken, wier namen zelfs tot nu toe in de geschiedenis

niet bekend waren, kunnen de opvolgers zijn van onze tegenwoordige

beheerschers, die een tiental jaren geleden voor een handvol woelige

kameelrijders, karavaan-aanvoerders en armzalige woestijnbewoners

werden aangezien. De plaatsing van uw vermogen zou zoo moeilijk

niet zijn, wanneer wij het, zooals vroeger hier de gewoonte was,

aan Alexandrijnsche groothandelaars toevertrouwden. Maar in die stad

valt het eene groote huis na het andere en men heeft daar volstrekt

geen zekerheid meer. Uwe bezittingen weg te bergen of in den grond

te begraven, gelijk de meeste Egyptenaars doen in deze moeielijke

tijden, is voor u niet geraden om dezelfde reden, die ons belet het

als rentegevend op bouwland te doen inschrijven in het kadaster;

want gij moet er ten allen tijde over kunnen beschikken, daar het

gebeuren kan dat gij verlangt met de uwen zoo spoedig mogelijk

Egypte te verlaten. Dit alles zijn zaken waarin eene vrouw niet is

ingewijd. Ik stel u derhalve voor deze aangelegenheid aan ons mannen

over te laten, den arts Philippus, uw gastheer Rufinus, die geroemd

wordt als een eerlijk oud man en onzen ervaren en stipten rentmeester

Nilus, dien gij kent als een onomkoopbaar rechter.

"Ik stel u voor de behandeling van deze zaak morgen ten huize van

Rufinus te doen plaats hebben. Gij kunt er naar verkiezing al of niet

bij tegenwoordig zijn. Wanneer wij mannen het eens zijn, dan verzoek,

dan smeek ik u mij zonder getuigen gehoor te willen schenken. Ons

onderhoud zal in weinige oogenblikken zijn afgeloopen, en daarbij zal

maar over eene zaak gesproken worden, een ruil, waarbij aan u iets

wat gij verloren hebt en waaraan gij gehecht zijt wordt teruggegeven,

om daarvoor zoo ik hoop uwe volle achting of althans een verzoenend

woord terug te ontvangen. Dat heb ik noodig, Paula, geloof mij, ik heb

het noodig als lucht om te leven, als het mij gelukken zal het werk

door te zetten, dat ik aan mijzelven heb begonnen. Geef den bode,

als gij over u hebt kunnen verkrijgen dezen brief geheel te lezen,

een eenvoudig 'ja' als antwoord mede, om mij te verlossen uit eene

kwellende onzekerheid. Volgt dit niet, wat God verhoede voor ons

beiden, dan brengt Nilus u heden nog wat u toekomt. Hebt gij van

deze regels kennis genomen, dan verschijn ik morgen twee uren voor

den middag, om met den rentmeester aan de samenkomst deel te nemen,

waarvan ik gesproken heb. God beware u en geve uwe trotsche, edele

ziel zachtmoedig te zijn!"

Paula haalde diep adem, liet de hand, waarin zij dit veelbeteekend

schrijven hield, zinken, en bleef langen tijd in ernstig nadenken

verdiept bij de vensterbank staan. Eindelijk riep zij Pulcheria,

verzocht haar om een poos op hare kranken te willen letten, en

toen deze haar daarop met hare heldere oogen dwepend aanzag en vol

deelneming vroeg, waarom zij zoo bleek was, kuste zij haar op mond

en oogen en zeide vriendelijk: "Goed, gelukkig kind!" Daarna begaf

zij zich naar hare vertrekken aan de andere zijde van de trap, en

herlas den brief andermaal.

Ja dat was hij, dat was weder de oude Orion, zooals zij hem gekend

had van het oogenblik zijner terugkomst tot dien onvergetelijken

watertocht op den Nijl. Maar hij was een dichter en de natuur zelve

had het hem zoo gemakkelijk gemaakt, om onvoorbereide gemoederen te

verleiden in hem te gelooven. Doch neen! Deze volzinnen waren oprecht

gemeend. Philippus kende de menschen en Orion had een hart, ja een warm

hart! Met een vloek, door een geliefden vader met een brekend oog hem

in het aangezicht geslingerd, kon zelfs de meest verharde booswicht

niet spelen. En toen zij dat gedeelte van den brief herlas, waarin

hij uitsprak, dat hetgeen hij als onrechtvaardig rechter tegen haar

misdaan had, den zegen van den stervende in een vloek had verkeerd,

overviel haar eene kille huivering en moest zij bekennen, dat de

verhouding tusschen hen was omgekeerd, dat hem namelijk door haar een

zwaarder en ondragelijker lijden was aangedaan dan haar door hem. Zijn

bleek gelaat, zooals zij het op het kerkhof gezien had, kwam haar weer

levendig voor den geest, en als hij op dit oogenblik voor haar gestaan

had, dan zou zij naar hem zijn toegevlogen, hem vol deelneming de hand

toegestoken en hem verzekerd hebben, dat het nameloos wee, hetwelk

door haar over hem gekomen was, het diepste medelijden bij haar wekte.

Heden morgen had de Masdakiet op haar vraag, of hij den hemel reeds

gebeden had hem spoedig te doen genezen, geantwoord: "De Perzen bidden

nooit om een enkel goed, maar altijd om het goede, want buiten de

hemelsche goden weet niemand wat den stervelingen dienstig is." Wat

was dat wijs. Zou hier niet het schrikkelijkste wat een zoon treffen

kan, de vloek zijns vaders, hem tot zegen kunnen zijn? Zeker was

het deze vloek die hem tot inkeer gebracht had, en hem den weg had

doen inslaan, dien hij thans bewandelde. Zij zag hem op dien goeden

weg, zij wilde aan zijne bekeering gelooven en deed het ook. In

zijn brief verklaarde hij dat hij haar lief had, vroeg hij zelfs

om hare hand. Gisteren zou dit haar toorn hebben doen ontvlammen,

heden vergaf zij hem gaarne, want den ongelukkige, den man die door

haar toedoen zulk een grievend leed had ondervonden, kon zij ook het

ergste vergeven. Haar hart klopte thans blijde in de hoop hem weder

te zien, ja het kwam haar voor als ware die gevierde, terugkeerende

jonkman, tot wien zij zich zoo onweerstaanbaar getrokken gevoelde,

door zijne zonde, zijne boete en zijn lijden gewassen en eerst nu

tot vollen mannelijken ernst gerijpt. En welk eene heerlijke taak,

dezen zoeker naar den rechten weg bij te staan, om dat te worden wat

hij zich voorgenomen had te zullen zijn.

Voor de verstandige wijze, waarop hij zich haar uiterlijk welzijn

aantrok, verdiende hij gewis haar dank. Wat zou hij wel bedoeld

hebben met den ruil, dien hij haar voorsloeg? Die "groote liefde"

waarover hij tot Katharina had gesproken, was overal tusschen de

regels van den brief te lezen, en iedere vrouw vergeeft elken man,

al ware hij een zondaar en een verachtelijk mensch tegelijk, de

vermetelheid haar lief te hebben. Mocht hij toch met geheel zijn hart

aan haar hangen! Het hare, ja, dat was niet te loochenen, gevoelde zich

geweldig tot hem getrokken. Maar wat haar drong wilde zij geen liefde

noemen, het mocht alleen eene heilige begeerte zijn, om hem het hoogste

levensdoel te wijzen en hem daartoe blijmoedig den weg te banen. Den

bleeken zwarten ruiter, die haar in den droom omarmd had, wilde zij

niet met zich naar de diepte trekken, neen, zij wilde hem vroolijk

dragen naar de hoogste hoogte, die een sterk en edel man bereiken kan.

Zoo dacht zij en bloosde daarbij. Spoedig was haar besluit genomen, zij

opende hare kist, haalde paryrusbladen, schrijfgereedschap en cachet

voor den dag, zette zich aan een kleine lezenaar, die Rufinus voor

haar bij het venster geplaatst had, ten einde aan hem te schrijven. In

haar ontwaakte een onweerstaanbaar, een brandend verlangen naar hem,

doch zij spande al hare krachten in om dit te beheerschen, en voelde

daarbij dat het haar onmogelijk zou zijn de rechte woorden te vinden

als zij hem schreef. Zoodra zij de bladen weer in de kist legde en

haar oog op het zegel viel, trof iets bijzonders hare aandacht; op den

ouden haar zoo welbekenden ring haars vaders viel haar de tusschen twee

gekruiste zwaarden zwevende ster op, misschien het Orionsgesternte,

dat omgeven was door het Grieksche randschrift: "Voor de deugd hebben

de onsterfelijke goden het zweet gezet", dat wilde zeggen: wie een

deugdzaam mensch wil worden, mag zweet noch moeite ontzien.

Met een tevreden lachje sloot zij het deksel van de kist, want in die

spreuk bij de ster lag zeker een goed voorteeken. Tevens nam zij zich

voor, Orion over dit devies, hetwelk een harer voorvaderen aan den

ouden Hesiodos ontleend had, te spreken. Vervolgens snelde zij de trap

af, ging Rufinus, zijne vrouw en den arts in den tuin voorbij, wekte

den reeds lang vast ingeslapen schrijver en droeg hem op zijn meester

het 'ja' over te brengen, waarop hij wachtte. Doch vóór de bode het

muildier besteeg, verzocht zij hem nog een oogenblik te toeven en ging

naar de mannen terug, want zij was op de gedachte gekomen, dat zij in

haar ijver vergeten had met hen over Orions voorslag te spreken. Beiden

kwam het voor de beraadslaging vastgestelde uur gelegen.

Terwijl Philippus den schrijver mededeelde, dat men zijn heer

morgen hier wachten zou, zag de oude man de jonkvrouw met onverholen

blijdschap in het aangezicht en zeide: "Wij hadden gevreesd, dat de

berichten uit het stadhouderlijk paleis uwe goede stemming zouden

bederven, maar goddank, gij ziet er uit als kwaamt gij zoo pas uit

een verfrisschend bad.--Wat denkt gij ervan Johanna? Een twintig jaren

geleden zou zulk eene huisgenoote u jaloersch hebben gemaakt: of is er

in uwe duivenziel geen plaats voor zulk eene afschuwelijke aandoening?"

"Loop heen!" antwoordde de matrone lachende. "Alsof ik al die mooie

meisjes gezien had, die gij vagebond in de wijde wereld, ver van ons

hebt nagekeken!"

"Neen oudje, doch zoo waar de mensch de maatstaf aller dingen is,

hoe ver eene plaats ik mij ook denk, eene godin als deze heb ik

nergens aangetroffen."

"En ik zeker niet in mijn slakkenhuis leventje," zeide vrouw Johanna

toestemmend, terwijl zij de heldere oogen met innig welgevallen op

Paula sloeg.

De nijlbruid · 第 32 / 66 题