NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Toen Paula na de begrafenis met Rufinus en de zijnen--de voedster

was er niet toe te brengen met hare meesteres aan dezelfde tafel

te eten--den maaltijd gebruikt had, ging zij met den ouden man en

Pul in den tuin wandelen. De zon daalde reeds ter westerkim, doch

hare laatste lichtstralen deden de kleuren der bloemen en den glans

der metaalachtige bladeren der zuidelijke planten, voor zoover de

zonnehitte en de droogte ze niet had doen verdorren, bijzonder goed

uitkomen. Een bonte bultos en een ezel brachten het scheprad in

beweging, waardoor het frissche water uit den Nijl werd uitgestort

in een grooten waterbak, waaruit het weder werd overgebracht in

kleine kanalen, die de verschillende perken bevochtigden. Dit werk

vereischte thans zeer veel moeite, want de stroom was tot zulk een laag

peil gedaald, dat het zelfs in den tijd van den laagsten waterstand

bezorgdheid moest wekken. De verschillende ruigharige vogels, die met

staafjes aan hunne pooten of droevig hangende koppen in kooien zaten,

die aan hooge masten vrij in de lucht zweefden, om veilig te zijn voor

de klauwen van katten en andere roofdieren, maakten zich gereed om te

gaan slapen, en Rufinus sprak tot elk diertje een vriendelijk woordje,

of floot het met de lippen een opwekkend wijsje toe. Aromatische geuren

en echt landelijke stilte omzweefden den tuin, alles, zelfs de rug van

den waterscheppenden neger en het wit en geel gevlekte vel van het rund

glinsterden met een lichten goudglans, en door het schaduwrijke boschje

van het Caecilia-klooster ruischte het reine gezang van het nonnenkoor.

Pul luisterde er aandachtig naar, terwijl zij het hoofd naar dien kant

richtte en de armen over de borst kruiste; haar vader wees Paula op

haar en zeide zacht: "Daarheen trekt haar hart. Zij mag altijd haar

God voor oogen hebben, dat toch ligt in den aard der vrouw, doch

hier onder ons moet de leuze zijn: uit liefde voor den Allerhoogste

alles te zijn voor den naaste op aarde! Zou de rechtvaardige Vader

in den hemel wel verlangen, dat te zijner eer de broeder den broeder,

en in ons geval, het kind zijne ouders vergat?"

"Zeker niet," antwoordde Paula. "Wat mij betreft, ik werd alleen

door de hoop op het wedervinden van mijn vader teruggehouden om den

sluier aan te nemen, en evenals uwe Pulcheria heb ook ik vaak met

verlangen gedacht aan den vrede des kloosters. Zie eens hoe vroom en

in heilige verrukking uwe dochter daar staat! Welk een lieflijk en

roerend gezicht! In mijn hart zag het er zoo donker en woest uit, doch

hier onder u komt er helderheid, en zoo ergens dan vind ik hier weder

wat ik daarginds verloor. Gelukkig kind! Is het niet, zooals zij daar

staat in het avondlicht, als straalde die vrome zin die haar vervult

van haar uit? Vreesde ik niet haar te storen en achtte ik mijzelve

daartoe waardig, hoe gaarne vereenigde ik dan mijn gebed met het hare."

"Ongetwijfeld bekleedt gij daarin toch eene plaats," zeide de oude man,

lachend. "Op dit oogenblik draagt hare heilige Caecilia zeer zeker

uwe gelaatstrekken. Laten wij het haar vragen en gij zult het zien."

"Neen, laat haar!" bad zij blozende en trok Rufinus met zich voort

naar eene andere zijde van den tuin.

Weldra waren zij gekomen bij de plaats, waar eene hooge heg van

doornstruiken het grondgebied van Rufinus scheidde van dat der weduwe

Susanna. Hier spitste de oude heer zijne ooren en zeide knorrig:

"Zoo waar ik deze rommelzoo kwijt wilde zijn, daar snijden ze weer in

mijne heg. Reeds gisteren avond heb ik een der slaven van hiernaast

betrapt, terwijl hij bezig was in mijn struikgewas, maar ik kon dien

zwarten rekel door de doornen niet pakken. Het zal een kijkgat moeten

worden voor nieuwsgierigen en spionnen, want de patriarch weet zich

ook van vrouwvolk te bedienen. Maar ik zal ze! Loop, bid ik u, voort,

alsof gij niets gehoord en gezien hadt, inmiddels haal ik de zweep."

De oude man liep nu op een drafje weg en Paula wilde hem volgen;

doch nauwelijks was hij verdwenen of zij werd door eene opening in

de heg aangeroepen met eene hooge, vrouwelijke stem, en zoodra zij

omkeek, vertoonde zich in de gisteren door eene manshand met geweld

uit elkaar gerukte struiken een aardig meisjeskopje, als een portret

door een groene krans omlijst. Ondanks de schemering herkende Paula

dat gezichtje, en toen Katharina het krullekopje verder naar voren

drong en haar smeekend toeriep: "Mag ik bij u komen en wilt gij mij

hooren?" werd haar dit vriendelijk toegestaan.

Daarop wrong zich het kwikstaartje, zonder acht te geven op de

hulpvaardige hand die Paula haar toestak, zoo behendig door de

opening, dat men wel zien kon, het nog niet lang geleden moest zijn,

zij bij het spelen met Maria geleerd had, zulke hindernissen te boven

te komen. In een oogwenk stond zij weer op hare voetjes en breidde

de armen uit om de jonkvrouw te omhelzen; doch zij liet ze dadelijk

weer besluiteloos zinken en deed een paar schreden achterwaarts.

Paula zag hare verlegenheid; zij ging het meisje tegemoet, kuste haar

op het voorhoofd en zeide op vroolijken toon: "Inbreekster! Waarom

komt gij niet door de geopende deur? Daar komt mijn gastheer reeds

met de Nijlpaardenzweep aan! Halt, wakkere Rufinus, halt; de bres die

men in uwe bloeiende heg heeft gemaakt, bedreigt niet u maar mij met

een aanval. Hier ziet gij de vijandelijke macht en het zou mij zeer

verwonderen als gij uwe gebuur daarin niet zoudt herkennen?"

"Herkennen?" vroeg de oude heer, wiens toorn spoedig bezworen

was. "Kennen wij elkaar, jonkvrouwtje, ja of neen? Het is eene

openhartige vraag."

"Wel zeker!" zeide Katharina. "Van den muggentoren heb ik u honderdmaal

gezien."

"Daarbij zult gij minder plezier gehad hebben dan ik, oude man,

wanneer ik het geluk had u te ontmoeten. Een jaar zoowat geleden

zijn wij het meest met elkander in aanraking gekomen. Ik had toen

het genot u in mijn grooten perzikenboom te vinden, die zich heden

nog verstout tot over uw tuin te groeien."

"Ik was toen nog een kind," hernam Katharina lachende, die zich zeer

goed herinnerde hoe de oude heer met zijn mooi wit hoofd, waarnaar

zij altijd met welgevallen keek, haar in zijn boom betrapt en haar

met eene vriendelijke buiging toegeroepen had, dat zij het zich goed

moest laten smaken.

"Een kind," herhaalde Rufinus. "Maar thans zijn wij jonkvrouw geworden

en wagen we ons niet meer zoo hoog maar kruipen bescheiden door

's buurmans heg."

"Eigenlijk zijt gij elkaar dus vreemd?" vroeg Paula met

verbazing. "Hebt gij ook Pulcheria nooit ontmoet, Katharina?"

"Of ik Pul ontmoet heb?" vroeg de andere. "O, ik zou haar zoo gaarne

hebben toegesproken. Want men moet van haar houden, reeds op het

gezicht. Ontelbare malen was ik op het punt, maar mijne moeder..."

"Nu, wat heeft uwe moeder tegen de buren?" vroeg Rufinus. "Wij zijn

rustige lieden, zou ik meenen, die niemand iets in den weg leggen.

"Neen, neen, God beware! Maar, ziet ge, moeder heeft nu eenmaal hare

eigene inzichten; gij zijt toch vreemdelingen, en daar men ulieden

zoo zelden in de kerk ziet..."

"Daarom," hernam Rufinus lachend, "houdt zij ons natuurlijk voor

goddelooze menschen. Zeg haar nu dat zij dwaalt, en als de dochter van

Thomas uwe vriendin is en gij wilt haar bezoeken--maar fatsoenlijk door

de deur en niet door de heg, want die wordt morgen dichtgevlochten--dan

zult gij bevinden, dat wij veel te doen, veel te verplegen hebben:

enkel arme creaturen met menschenhuid of met vel en veeren, zooals

het uitkomt. Men dient toch ook den Heere God, wanneer men zijne

schepselen, die Hij allen lief heeft, op zijne wijze het leven

gemakkelijk maakt. Zeg dat aan uwe moeder, jonkvrouw kwikstaart,

en kom dan maar dikwijls terug."

"Dank u vriendelijk! Maar oude heer, mag ik u eens vragen; hoe zijt

gij die leelijke bijnaam te weten gekomen? Ik heb er een hekel aan."

"Van denzelfden," antwoordde Rufinus, "die u in het oor geblazen heeft

dat mijne Pulcheria 'Pul' heet." Hierop maakte hij eene buiging en

liet de meisjes alleen.

"Een beste oude heer," zeide Katharina. "O, ik weet precies hoe

hij zijne dagen doorbrengt. En zijne aardige vrouw en die Pul, ik

ken ze allen! Hoe dikwijls heb ik ze van daarginds beluisterd; ik

zal u de plaats eens wijzen. Wij kunnen den geheelen tuin overzien,

alleen niet wat nabij het klooster, aan gene zijde van het huis of

daar achter die boomen gebeurt. Mijne moeder, ach, gij kent haar,

als zij eens niet hebben wil.... Maar die Pul, weet ge, zou eene

goede vriendin voor mij zijn."

"Zeer zeker," antwoordde Paula. "Een meisje van uw leeftijd moet

grooter speelnooten kiezen dan de kleine Maria."

"O, van haar moogt gij niets zeggen!" zeide het kwikstaartje met

warmte. "Wel is zij pas tien jaren oud, maar menig grooter meisje is

lang niet zoo verstandig en rechtvaardig als zij; dat heb ik in deze

laatste moeielijke dagen ondervonden."

"Maar, arm kind," zuchtte Paula, met de hand over Katharina's lokken

strijkende.

Opeens en als vanzelf gaf Katharina in een smartelijk snikken aan haar

gemoed lucht. Zij trachtte dit met alle geweld te onderdrukken, terwijl

Paula haar hartelijk toesprak, maar het wilde haar niet gelukken. Het

had haar zoo hevig aangegrepen, dat zij geen woord kon uitbrengen,

totdat Paula haar bij eene rustbank bracht onder eene breedgetakte

sykomore, haar met zacht geweld dwong zich naast haar neer te zetten,

haar aan de borst drukte als een ziek kind en haar moed en vertrouwen

insprak.

Talrijke vogels gingen in het dichte loofwerk boven hen ter ruste;

uilen en vleermuizen begonnen hun nachtelijken rooftocht; het firmament

tooide zich met gouden en zilveren sterren; uit het westelijk gedeelte

der stad hoorde men het geblaf der jakhalzen, die in vervallen huizen

een onderkomen hadden gevonden, en nu op buit uitgingen; de vochtige

dauw begon in de lauwe avondlucht, zich neer te zetten op de bladeren,

het gras en de bloemen; de bloesems der boomen geurden sterker dan

overdag, en Paula gevoelde dat het tijd werd om eene beschutting te

zoeken voor de dampen, die uit den ondiepen stroom opstegen. Doch

zij wachtte geduldig tot de kleine alles in hare ziel had overgestort

wat haar neerdrukte, waarover zij berouw gevoelde, wat ze meende niet

meer goed te kunnen maken, en vervolgens wat haar was weervaren, wat

dreigde haar hart te zullen breken, en wat zij nu toch onderdrukken en

zich geheel uit het hoofd zetten wilde. Zij vertelde Paula, hoe Orion

haar gevrijd had, hoe zij hem liefhad, hoe de jaloezie jegens haar

heur arme hart had gemarteld, en hoe zij zich had laten verleiden om

voor de rechters zulk een valsche getuigenis af te leggen. Vervolgens

deelde zij Paula nog mede hoe Maria haar het eerst den afgrond had

getoond, die voor hare voeten gaapte.

Op den namiddag na den dood van den Mukaukas was zij met hare

moeder naar het stadhouderlijk paleis gegaan, om met de vrienden

te treuren. Zij had eerst naar Maria gevraagd, maar was niet bij

haar toegelaten, omdat zij nog met de koorts te bed lag. Daarop had

zij in het koele vertrek willen gaan, waar zij de stem harer moeder

hoorde. Naar den toon te oordeelen was deze niet droevig gestemd,

maar hevig opgewonden en toornig, zoodat zij het minder passend had

geoordeeld de kamer binnen te gaan, waarom zij zich naar de opene

zuilengaanderij aan de Nijlzijde had begeven. Voor geen prijs verlangde

zij een ontmoeting met Orion, waarvoor zij zeer bevreesd was. Zoodra

zij echter naar buiten kwam, waar het nog helder was, had zij hem

daar gevonden. Maar hoe? Hij zat daar geheel in zichzelven verdiept,

in een zwart rouwgewaad, en met het hoofd voorovergebogen in zijne

handen. Hij had hare komst in de gaanderij niet opgemerkt, maar zij

had diep medelijden met hem gevoeld; want hoewel het nog heet was,

beefde hij over al zijn leden, en scheen er telkens eene huivering

door zijn gansche lichaam te gaan. Toen had zij hem bij den naam

geroepen om hem te troosten, waarop hij van schrik was ineengekrompen

en opgesprongen. Hij had zijn verwilderde haren uit het aangezicht

gestreken en zag er zoo bleek, zoo vol vertwijfeling uit, dat zij weder

bang voor hem geworden was en voor niets ter wereld de vertroostende

woorden zou hebben willen uitspreken, die zij reeds bedacht had. Zoo

hadden zij een tijdlang geen woord tot elkander gesproken, eindelijk

had hij als met geweld al zijne krachten verzameld, was hij langzaam en

met een plechtige waardigheid, zooals niemand zeker te voren bij hem

had opgemerkt naar haar toegekomen, had zijne hand op haar schouder

gelegd, haar een poos aangestaard met zijne rood bekreten oogen en

daarna met een diepen zucht de woorden geuit: "Rampzalig kind!"

Dat klonk haar nog in de ooren, hij was van het hoofd tot de voeten

geheel anders geweest dan vroeger, alsof hij haar vreemd was. Ook zijn

stem klonk zonderling, veel dieper dan anders, toen hij op vasten,

kalmen toon had gezegd: "Kind, kind, wellicht heb ik velen in mijn

leven onbedacht leed gedaan, doch gij, gij hebt zeker het ergste

van mij ondervonden, want ik heb u, onschuldige, trouwe ziel, tot

mijn medeschuldige gemaakt. De groote zonde die wij begaan hebben,

komt alleen voor mijne rekening, en om harentwil ben ik gekastijd,

is mij een straf opgelegd, voor honderden, voor duizenden te zwaar

om te dragen!"

"Daarop," zoo ging Katharina voort, "bedekte hij zijn gelaat weder met

beide handen, wierp hij zich op de rustbank, steunde en zuchtte. Weldra

sprong hij andermaal op en riep zoo hartstochtelijk en luid, als moest

ik het van angst en medelijden besterven: 'Vergeef mij, als gij kunt,

vergeef mij gansch en al! Dat moet gij doen! Ik kan niet zonder die

vergiffenis!'--Ik wilde toen naar hem toesnellen, hem omarmen en alles

vergeven, want ik had zoo zielsmedelijden met zijne bittere smart; doch

hij wees mij zonder hardheid of ruwheid maar ernstig terug en zeide,

dat het uit was met liefde en verloving tusschen ons. Ik was jong, en

het zou mij wel gelukken hem te vergeten, hij wilde een trouw vriend

blijven voor mij en mijne moeder; en hoe zwaarder het zijn mocht wat

wij van hem verlangden, met des te meer vreugde zou hij ons dienen.

"Ik wilde hem antwoorden, maar haastig hield hij mij tegen om op

ernstigen, stelligen toon te vervolgen; 'Hoe zeer gij ook verdient

bemind te worden, ik kan u niet liefhebben zooals gij het waardig

zijt; want--het is mijn plicht u dit te zeggen--want ik heb eene

andere groote liefde in 't hart, mijne eerste en mijne laatste, en

al heb ik ook eens in mijn leven mij als een onwaardige gedragen,

ik wil dit niet andermaal doen. Liever wil ik uw toorn op mij laden

en u en mijzelven in deze ure pijn doen, dan dit onrecht nog langer

voort te zetten en u en die andere te bedriegen!'

"Toen kon ik mij niet langer inhouden en diep ontroerd vroeg ik:

Paula? Doch hij bleef mij het antwoord schuldig, boog naar mij over,

raakte mijn voorhoofd aan met zijne lippen, zooals zijn vader mij

menigmaal gekust had, en liep toen snel den tuin in.

"Daarop kwam mijne moeder, rood als een papaver en hijgende naar

mij toe, greep zwijgend mijn hand, trok mij achter haar in den wagen

en zeide daar, buiten zichzelve van boosheid--de toorn belette haar

zelfs te weenen--welk een smaad, welk eene ongehoorde behandeling,

hoe zal ik den moed hebben om u, onschuldig offerlam, te vertellen....?

"En zoo zou zij zijn voortgegaan; ik liet haar echter niet uitspreken,

maar zeide terstond dat ik alles wist, waarbij het mij gelukte

volmaakt kalm te blijven. Te huis gekomen doorleefden wij pijnlijke

uren, en toen gisteren na de opening van het testament Nilus tot ons

kwam en mij het fraaie gouden doosje met de turkooizen en paarlen

overhandigde, dat mij altijd zoo had aangetrokken en daarbij vertelde

dat de goede Mukaukas Georg het in zijn uitersten wil met eigen hand

bestemd had voor mij, zijne vroolijke kleine Katharina, stond moeder

erop, hoezeer ik ook bedelde en smeekte, dat ik het niet aannemen

maar vrouw Neforis terugzenden zou. Ik kom natuurlijk niet meer in

het stadhouderlijk paleis; ja, mijne moeder spreekt ervan Memphis

te willen verlaten, om zich te Konstantinopel te vestigen of in eene

andere stad waar christenen heerschappij voeren. Ons goed en keurig

ingericht huis moet dan zeker weggeschonken worden, maar onze heerlijk

aangelegde uitgestrekte tuin zou men aan boeren kunnen verkoopen,

zegt moeder. Met het schoone paleis van Memnon is het anderhalf jaar

geleden ook zoo gegaan. Van den hof hebben zij een korenveld gemaakt,

en de prachtige benedenzalen met dat mozaïek en het beeldwerk zijn

thans smerige koe- en schaapstallen geworden, en in de vertrekken

van Hathor en Dorothea worden nu zwijnen gemest. Lieve God, die beide

meisjes zijn mijne beste vriendinnen geweest. Met Maria mag ik niet

meer verkeeren; moeder geeft geen mensch een vriendelijk woord, ook

mij ternauwernood, en mijne oude voedster is zoo doof als een kwartel.

"Ben ik niet een arm, verlaten schepsel? En als gij, gij mij nu ook

terugwijst, wie is er dan in Memphis met wie ik vertrouwelijk spreken

kan? Maar, niet waar, zoo hard zult gij niet zijn? Lang zal het ook

niet duren want mijne moeder meent het ernstig met het heengaan. Gij

zijt ook ouder en zooveel ernstiger en verstandiger dan ik..."

"Ik wil heel goed voor u zijn, mijn kind; maar tracht u bij Pulcheria

aan te sluiten!"

"Zeer gaarne! Doch mijn moeder! Ik zou wel met mijzelve tevreden zijn,

wanneer niet... Gij hebt gehoord hoe Orion toen in de laan tot mij

gesproken heeft. Hij moet mij toch wel hebben mogen lijden! Wat

gaf hij mij toen aardige, teedere namen! Ach God, zoo kan toch

geen mensch jegens een ander zijn, als hij niet van hem weten

wil. Hij is zelf zoo rijk, mijn vermogen alleen kan hem toch niet

aangelokt hebben. En ziet hij er zoo uit, alsof hij zich een meisje

door zijne moeder klakkeloos zou laten opdringen? Hij is goed voor

mij geweest, altijd geloof ik, maar later heeft hij gedacht aan de

hooge plaats, die hij toch moest innemen, en mij daarvoor te klein,

te kinderachtig geoordeeld. Ach, wat heeft die ongelukkige kleinheid

mij al tranen gekost! Het kwikstaartje ben ik, en dat zal ik blijven;

uwe oude gastheer heeft mij ook al zoo genoemd, en wanneer een heer

als Orion zich een statiger vrouw wenscht, dan kan ik hem dit niet

euvel duiden. Die andere, die hij meent meer te kunnen liefhebben

dan mij is zeker groot, schoon, van vorstelijke gestalte als gij, en

dikwijls heb ik het mijzelve gezegd, dat zijne toekomstige gemalin

er moest uitzien als gij. Tusschen hem en mij is nu alles voorbij

en ik wil het gelaten dragen, maar ik moet daarbij kunnen denken dat

hij mij toch hij zijn terugkeer aanvallig en innemend heeft gevonden

en in zijn binnenste toch iets voor mij gevoeld heeft. Zoo is het,

ja zoo is het ook geweest! Doch toen heeft hij die andere gezien en

met haar kon ik mij niet meten. Zij was geheel en al de vrouw die

hij behoefde, en die andere, Paula, zijt gij, ja gij, zeer zeker,

eene inwendige stem zegt het mij. Ziet gij, ge moogt mij gelooven,

dat doet mij wel leed, maar het kan mij ook verblijden. Ieder ander

meisje, waaraan hij de hand reikt, zou ik kunnen haten, maar wanneer

gij die andere zijt, en gij zijne vrouw wordt..."

"Dwaasheid," zeide Paula opeens op vasten toon. "Bedenk eens wel,

heeft Orion, toen hij u tot meineed verleidde, getoond mijn vriend

te zijn, of wel mijn bitterste, onverzoenlijkste vijand?"

"Ja, toen voor de rechters ongetwijfeld!" antwoordde de kleine,

nadenkend het hoofdje latende zinken. Doch weldra richtte zij het

weer op, keek Paula vast en met fonkelende oogen in het aangezicht

en sprak ronduit zonder aarzelen: "En gij? Ondanks alles wat gij zegt

is hij zoo schoon, zoo verstandig, zoo mannelijk, dat het bijna niet

anders kan of: gij hebt hem lief!"

Daarop liet Paula den arm los, waarmede zij Katharina hield omvat

en antwoordde openhartig: "Tot heden, bij de begrafenis, heb ik

hem gehaat en verafschuwd, maar bij het graf zijns vaders is hij

mij toegeschenen een ander mensch te zijn geworden, en het viel mij

gemakkelijk hem hierbinnen in stilte te vergeven."

"Derhalve hebt gij hem niet lief?" vroeg Katharina, terwijl zij met

hare kleine vingers stevig den gevulden arm van de jonkvrouw greep.

Paula voelde hoe ijzig koud hare hand was en verschrikte.

De maan was sedert lang opgegaan, de sterren begonnen hooger en hooger

te stijgen en met een kort "kom!" stond zij op en zeide: "Het zal

wel geen uur van middernacht meer zijn; uwe moeder zal bezorgd over

u worden."

"Een uur voor middernacht!" herhaalde de kleine verschrikt. "Goede

God, wal zal moeder knorren. Zij zit zeker nog evenals elken avond

met bisschop Plotinos aan het schaakspel. Vaarwel dan voor heden! Door

de heg ben ik het spoedigst te huis!"

"Neen," zeide Paula bepaald, haar terughoudende; "gij zijt geen kind

meer, gij zijt eene jonkvrouw, en moet dat voelen en toonen. In plaats

van door de doornen te sluipen, gaat gij door de deur naar huis. Ik

geleid u met Rufinus en verklaar daar aan uwe moeder..."

"Neen, neen!" riep Katharina haastig en angstig. "Zij is even boos

op u als op de anderen en heeft mij nog juist gisteren verboden..."

"Mij op te zoeken?" vroeg Paula. "Zij gelooft..."

"Om uwentwil heeft Orion... Ja, het liefst gaf zij u de schuld van

alles. Maar nu ik met u gesproken heb... Ziet gij het licht daar? Dat

komt uit haar woonvertrek." En voor Paula het beletten kon liep zij

naar de heg en schoof behendig als eene wezel door de opening in

de doornstruiken.

Paula zag de kleine met gemengde aandoeningen na, en ging toen

spoedig naar huis en ter ruste. Het verhaal van Katharina weerde

geruimen tijd den slaap van hare sponde, en het vermoeden, ja de

zekerheid bijna dat zij het was, die eene "groote liefde" in het

hart van Orion had gewekt, liet haar geruimen tijd geen rust. En

als zij het werkelijk was? Ja, dan lag het in hare hand wraak te

nemen op den misdadiger en hem alle smarten te laten doorworstelen,

die hij hare arme ziel had doen lijden. Doch wie van beiden zou zulk

eene straf dieper wonden slaan, hem of haar? Opende de mededeeling

van de kleine ook niet voor haarzelve en haar smachtend gemoed eene

wereld van zaligheid? Maar neen, neen! Zich door dezelfde hand,

die haar zoo erbarmelijk had geslagen, ten hemel te laten heffen,

zou zelfvernedering zijn, ontrouw jegens haarzelve.

Te midden van deze afwisselende gevoelens en gedachten overmande

haar de slaap, en in den vroegen morgenstond had zij een droom,

waaraan zij den ganschen dag met bange huivering bleef denken. Orion

was haar tegemoet gereden, bleek als de dood, in donker rouwgewaad,

stapvoets op zijn donker zwarten hengst, had haar die geen kracht

had om te ontvluchten, zonder haar aan te zien of iets te vragen, als

een kind in de hoogte getild, en vóor zich op den rug van het paard

gezet. Zij had al hare krachten ingespannen om zich los te maken en

weder op den grond te komen, maar hij had haar met beide armen als

tusschen ijzeren klemmen vastgehouden en haar verzet gebroken. Al

moest het haar het leven kosten, zij wilde zich aan deze omarming

ontworstelen, maar hoe heftiger zij zich weerde, des te vaster en

dichter trok de stomme, onbarmhartige ruiter haar tot zich. Voor

hen stuwde de stroom zijne rimpelende wateren voort; Orion scheen

dien niet op te merken en stuurde, zonder zijne lippen te bewegen,

den hengst gelaten naar den oever. Radeloos van angst en ontzetting

smeekte zij hem om den gang van het ros eene andere richting te geven,

maar hij luisterde niet naar haar en dreef het dier kalm midden in den

vloed. Toen klom haar angst tot het uiterste en terwijl het paard haar

dieper en dieper in het water drong, sloeg zij de armen vrijwillig om

den hals van den ruiter. Daarop week de doodskleur van zijn aangezicht,

zijne wangen kleurden, zijne lippen zochten en vonden de hare; en zij

gevoelde te midden van den gruwzaamsten doodsangst een bedwelmend

genot, zooals zij nog nooit had ondervonden. Zij had zoo eeuwig in

het verderf willen rijden, en het ging inderdaad al dieper en dieper

in het water; zij gevoelde hoe het zijne en hare borst bereikte, maar

zij stoorde er zich niet aan. Zij hadden nog geen woord gewisseld,

maar opeens werd zij gedwongen het stilzwijgen te verbreken, en als

moest het zoo zijn vroeg zij hem: "Ben ik die andere?" Daar braken van

alle zijden de golven tegen hen los, het paard werd in een maalstroom

getrokken, die met het dier, haar en Orion in de rondte draaide; een

gierende windvlaag floot door de lucht, en terstond daarop riepen

de schuimende golven, de bruisende maalstroom, de huilende orkaan,

alles, alles rondom hen als uit éen mond een luid, alles overstemmend

en verdoovend: "gij!" Alleen Orion bleef stom, en toen een draaikolk

het ros greep en naar beneden trok, sleurde een golf haar van zijne

borst, en zij zonk, zonk al dieper en stak hem smachtend de armen toe.

Op dit oogenblik ontwaakte zij, terwijl het angstzweet haar op het

voorhoofd parelde, en hare voedster, die haar uit dezen angstigen

droom gewekt had zeide hoofdschuddend tot haar: "Kind, kind, wat was

dat? Gij hebt voortdurend, eerst in grooten angst en daarna teeder--ja

geloof mij, teeder--den naam van Orion uitgesproken."

De nijlbruid · 第 31 / 66 题