De inzegening van het lijk van den Mukaukas Georg had den daarop
volgenden dag plaats gehad. Sedert de geestelijkheid de voormalige
heidensche balseming verboden had en in den tijd der Antonijnen ook
de lijkenverbranding had opgehouden, moesten de gestorvenen spoedig
na het overlijden ter aarde besteld worden; alleen de aanzienlijken
werden een weinig gebalsemd en in kerken of kapellen bijgezet,
waaraan zij schenkingen hadden gedaan. Overeenkomstig zijn uitersten
wil moest het lijk van den Mukaukas Georg naar Alexandrië gebracht
en aldaar in de kerk van den heiligen Johannes naast dat van zijn
vader worden bijgezet, doch de duif die den brief had overgebracht,
waarin den patriarch werd kennis gegeven van den dood des stadhouders,
was teruggekomen met het bevel, dat er bezwaren bestonden om aan
deze begeerte van den overledene te voldoen, en dat men zijn lijk
voorloopig in het familiegraf te Memphis moest bijzetten.
Sedert menschenheugenis was daar zulk eene lijkstatie niet
gezien. Zelfs de muzelmansche gouverneur van het land, de groote
veldheer Amr, was met zijne voornaamste legeraanvoerders en
burgerlijke beambten van genen oever van den Nijl overgekomen, om
den hooggeschatten en rechtvaardigen stadhouder de laatste eer te
bewijzen. Hunne gespierde bruine gestalten en schoone karakteristieke
aangezichten, hunne gouden met edelsteenen bezette helmen en
pantserhemden, afkomstig uit den krijgsbuit na den vernielenden strijd
tegen het Perzische rijk en Syrië, hunne prachtige, kostbaar opgetuigde
paarden en het gebiedende en trotsche van hunne houding hadden op de
menigte een diepen indruk teweeggebracht. Statig en langzaam waren
zij verschenen, om zich daarna te verwijderen als een onweerswolk
door den stormwind voortgezweept. Van het kerkhof waren zij langs de
Nijlstraat en vervolgens over de schipbrug teruggedraafd, zoodat de
grond onder hen dreunde. Uit de witte stofwolken, die hen omgaven,
kwamen oogverblindende, flikkerende bliksems te voorschijn, zoo vaak
de zonnestralen hun gouden wapenrusting troffen. Ja, aan deze ruiters,
van welken ieder wel een vorst geleek, kon het niet zwaar zijn gevallen
de machtigste rijken der wereld te vernietigen.
Mannen zoowel als vrouwen, allen hadden deze ruiterij met zeker
ontzag bewonderd en wel het meest de heldengestalte en het schoone,
bruine, mannelijke gelaat van den veldheer Amr en den zoon van den
afgestorvene, die op bevel van den Arabier van af het stadhouderlijk
paleis aan zijne zijde reed, in een donker rouwgewaad op een
gitzwarten, vurigen hengst. De schoone jongeling en de kloeke,
krachtvolle man vormden een paar, waarvan de vrouwen ongaarne de
oogen afwendden, want beiden deden in edele houding niet voor elkaar
onder, beiden vertoonden dezelfde krachtige lichaamsbouw, beiden
waren even geschikt om hunne vurige paarden in bedwang te houden,
beiden schenen tot heerschen geboren. Op menig Memphiet maakte dat
op een langen, prachtigen hals rustende hoofd van den beroemden
overwinnaar in zoo vele veldslagen, zijn fijnbesneden gelaat met den
adelaarsneus en de zwarte, fonkelende oogen een dieper indruk dan
de meer gelijkmatige gelaatstrekken en dat schoone licht krullende
haar van den stadhouderszoon, den laatsten spruit van het oudste en
edelste geslacht in geheel Egypte.
Vast en gebiedend keek de Arabier recht voor zich uit en ook de blik
van den jonkman dwaalde niet ter zijde af, alleen zag hij enkele
malen om, ten einde de deelnemende menigte te overzien. Toen hij
ook Paula ontdekte onder de vrouwen, die het lijk volgden, overtoog
een glans van vreugde zijn bleek gelaat, en zijne wangen bloosden
even. Het vooruit staren deed hem het voorhoofd rimpelen en gaf aan
zijne trekken eene onheilspellende uitdrukking, zoodat menig Memphiet
zacht tot zijn buurman zeide: "Uit dezen vroolijken, levenslustigen
jongen heer zal zeker een streng gebieder groeien."
Wat hem hinderde was zijn begeleider zoo min als der menigte
ontgaan. Hij alleen wist dat de patriarch het overbrengen van het
stoffelijk overschot zijns vader naar Alexandrië verboden had; doch
iedereen merkte op, dat bij deze buitengewone begrafenis het grootste
gedeelte van de geestelijkheid van Memphis werd gemist. Alleen de
bisschop Plotinos liep met den geleerden en moedigen presbyter Johannes
en eenige koorknapen, die het crucifix droegen, psalm zingende vóor de
door zes vurige paarden getrokken slede, waarop de kostbare sarcophaag
naar oud gebruik naar het kerkhof werd gevoerd. Daar aangekomen stegen
allen van hunne paarden, en knapen op bloote voeten in dienst van de
Arabieren waren aanstonds bij de hand om de paarden te houden. De
bisschop sprak aan het graf een warm woord van waardeering, waarna
het magere en weinig plechtige gezang der koorknapen een armelijk
figuur maakte. Doch nauwelijks was dit geëindigd of de menigte viel
met duizenden stemmen in, en hief een klaagzang aan, die zoo luid en
indrukwekkend over het kerkhof klonk, als nog nimmer op deze plaats
was gehoord. De overige ceremoniën werden, daar de hiertoe noodige
geestelijken niet verschenen waren, spoedig en onvolledig volbracht.
De veldheer Amr, wiens valkenoog niets ontging, merkte dadelijk op
wat hier ontbrak, en riep Orion zoo luid en openlijk toe, dat het
rondom gehoord kon worden: "De doode moet hier boeten voor hetgeen
de levende als verstandig man ten beste voor zijn land hand aan hand
met ons muzelmannen gedaan heeft."
"Op bevel van den patriarch," antwoordde Orion met bevende stem,
terwijl de aderen op zijn voorhoofd van toorn hoog opzwollen. "Maar
bij de ziel van mijn vader," en bij deze woorden balde hij de vuist,
"als er een rechtvaardig God is, zal het Benjamin niet gelukken voor
den braafsten aller braven de hemelpoort te sluiten."
"Wij dragen den sleutel tot den ingang van onzen hemel in onzen eigen
gordel," antwoordde de veldheer, terwijl hij met zelfvoldoening
lachend op zijne hooggewelfde borst sloeg en de jonkman met
welgevallen aanzag. "Kom Zaterdag bij mij, jonge vriend, ik wil met
u spreken! Tegen zonsondergang wacht ik u aan de overzijde in mijn
huis. Als ik tegen donker nog niet terug ben, wil dan op mij wachten."
Daarbij greep Amr de manen van zijn hengst, waarbij Orion zich gereed
maakte om hem te helpen, doch de vijftigjarige veldheer voorkwam hem,
zwaaide zich behendig als een jongeling in het zadel en gaf daarmede
aan de zijnen het teeken om op te breken.
Paula, die met vrouw Neforis het allernaast bij het open familiegraf
had gestaan, was geen woord ontgaan van het kort gesprek tusschen
beide mannen. Zooals hij daar gestaan had, doodsbleek, in kostbare,
maar eenvoudige, lang afhangende rouwkleederen gehuld, door een
heiligen mannelijken toorn aangegrepen, was het onmogelijk geweest
niet te erkennen, dat de laatste dagen een verbazenden invloed hadden
gehad op den afgedwaalden jonkman. Nadat Paula de bleeke, verslagene
stadhoudersweduwe, die met droge oogen alles had aangezien, naar
haren wagen had gebracht, en daarna met Perpetua alleen naar huis was
gegaan, had haar het beeld van den schoonen, verontwaardigden jonkman,
die den gespierden arm met die stevig gebalde vuist in de hoogte hief,
steeds voor oogen gestaan. Het was haar niet ontgaan dat hij haar, die
tegenover hem stond aan de geopende groeve, had opgemerkt, en het was
haar gelukt zijn blik te ontwijken; maar haar zwak hart klopte daarbij
zoo hevig, dat zij het nog voelde in hare borst, en het was haar niet
gelukt geheel en onverdeeld aan de geliefde afgestorvene te denken.
Orion had tot dusverre noch haar vreedzaam verblijf opgezocht, noch
ook een bode gezonden om haar te brengen wat haar toekwam; en zij vond
dit natuurlijk, want niemand behoefde haar te zeggen wat er in deze
dagen van hem gevorderd werd. Doch was zij vóor de begrafenis vast
besloten geweest zijn bezoek af te wijzen, en had zij aan de voedster
reeds volmacht gegeven haar goed uit zijne hand in ontvangst te nemen,
zoo scheen haar zulk eene houding na de teraardebestelling van haar
oom niet voegzaam meer; ja, bij de gedachte aan den ontslapene achtte
zij het haar plicht Orion niet te weren, wanneer hij haar om vergeving
kwam vragen. Ook nog iets anders was zij haar oom schuldig. Zij wilde
het zijn, die zijn zoon in de geest van Philippus er op wees, dat het
leven als een plicht, als een dienst moest worden opgevat. Opende hij
zijn hart voor deze vermaning, dan... neen, ook dan moest alles uit
zijn tusschen hen, uit als het vuur van een uitgebrande houtmijt,
als de zeepbel die in de wind berst, als de toon die weggestorven
is--uit, geheel uit. En de vermaning die zij hem, tot wien zij eens
had opgezien, wilde geven? Wie gaf haar het recht hem dezen toe te
dienen? Zag hij er niet uit als een man, die zijn leven uit eigen
kracht weet te leiden en te besturen?--Haar hart dorstte naar hem,
alles wat in haar was verlangde hem weder te zien, zijn stem weder
te hooren, en deze begeerte, dit heimwee noemde zij plicht en bracht
zij in verband met den dank, dien zij den afgestorvene verschuldigd
was. Geheel door deze overwegingen en twijfelingen beheerscht, hoorde
zij nauwelijks wat de spraakzame Perpetua zeide, die naast haar liep.
De oude vrouw had volstrekt geen vrede met zulk eene begrafenis;
want hoe geheel anders was het hier toegegaan dan gewoonlijk
te Memphis geschiedde bij eene teraardebestelling! Er waren geen
priesters bij geweest; terwijl anders de nabestaanden, gelijk overal
gebruikelijk was, het stoffelijk overschot te voet volgden, had men
hier een lijkstoet te paard, ruiters in rouwgewaad, en daaronder
de zoon van den overledene! Een krekelgegons van kwajongens aan de
groeve van zulk een doode, en dan dat onbetamelijk geschreeuw uit
duizend kelen van de volksmenigte, waarvan haar trommelvlies bijna
gesprongen was! Doch dit kon men de Memphieten nog vergeven, want
het was geschied ter eere van den afgestorvene! Deze gedachte trof
zelfs haar fijngevoelig hart en deed tranen in haar oogen wellen,
maar het wekte ook haar wrevel op; want zij had geringer lieden met
meer plechtigheid en met waardiger ceremoniën zien begraven, dan de
groote, goede Mukaukas Georg, die zulk eene belangrijke schenking
aan de kerk had gedaan. Ja, die Jakobieten! Zoo ondankbaar konden
zij alleen handelen, zulk een wandaad kon alleen hun kettersch hoofd
begaan! In het Caecilia-klooster wist ieder, van de abdis tot de
jongste novice, dat de patriarch den bisschop door een brief per
postduif verboden had zijne geestelijkheid aan de plechtigheid te
doen deelnemen. De brave Plotinos was zeer verstoord over dit bevel,
doch daar hij niet bij machte was zich hiertegen te verzetten, had hij
den lijkstoet althans persoonlijk vergezeld en den presbyter Johannes
niet verboden hem te volgen. De jonge heer Orion had er overigens
niet uitgezien, als ware hij voornemens zulk eene beleediging van zijn
vader ongestraft te laten. Doch wiens arm was zoo lang, dat die reikte
aan den stoel van den patriarch? Tenzij... Doch dat was onmogelijk;
bij de gedachte alleen voer haar een rilling door de leden. Maar
toch... Hoe genadig had die groote veldheer van gene zijde met hem
gesproken! Hemelsche vader, als hij maar niet als zoovele gewetenlooze
Egyptenaars het heilige geloof afzwoer en de zondige leer van den
Arabischen leugenprofeet aannam! Het was voor slechte mannen wel
verlokkend een half dozijn vrouwen in huis te mogen nemen, zonder
zich te bezondigen. Een heer als Orion kon ze wel onderhouden, want
de abdis had gezegd, dat de groote Mukaukas door de geheele wereld
wel voor een zeer rijk man was gehouden, maar dat het opperhoofd
van de stad zelfs ongerust was over den ongehoord grooten omvang van
zijne nalatenschap. Ja, ja, Gods wegen waren ondoorgrondelijk! Waarom
begroef hij den een onder een gouden regen, terwijl hij aan duizenden
armen te weinig gaf om hun honger te stillen?
Deze ontboezemingen namen een einde, toen de vrouwen te huis waren,
en hier eerst kwam Paula's gemoed tot rust. Het moest uit zijn met
den hartstocht, hetzij deze haat of liefde heette, die haar nog altijd
wilde beheerschen; dan eerst zou zij de vrijheid en het stille geluk in
het schoone verblijf, dat zij aan de zorg van den arts te danken had,
recht genieten kunnen, wanneer alle betrekking tot Orion had opgehouden
en de laatste band verscheurd was, die haar aan het stadhouderlijk
paleis verbond. Kon zij meer begeeren dan het tegenwoordige haar
aanbood? Zij was werkelijk eene vreedzame haven binnengeloopen, waar
het haar aan niets ontbrak wat zij voor zich begeeren kon, na hetgeen
Philippus haar zoo ernstig op het hart had gedrukt. Hier waren goede
menschen, die haar begrepen, hier vond zij allerlei bezigheden,
die voor hare krachten berekend waren en beantwoordden aan hare
neigingen, en bovendien ruimschoots gelegenheid om liefde te betoonen
en wederliefde te ontvangen. Voorts lag in de nabijheid het klooster,
dat zij door eene schaduwrijke laan in weinige schreden bereiken kon,
en waar zij onder hare eigene geloofsgenooten evenals in hare kindsheid
dagelijks de godsdienstoefening kon bijwonen. Sedert lang verlangde zij
naar zulke spijze voor haar gemoed, en hoe overvloedig wist de abdis,
eene voorname patricische weduwe uit Konstantinopel, die hare ouders
gekend had, haar die te geven! Hoe gaarne vertelde die levendige oude
vrouw van de goedheid en vorstelijke schoonheid der jonggestorvene,
waaraan zij het leven te danken had! Zij kon haar bedrukt gemoed
ontlasten voor deze gevoelvolle matrone, die haar behandelde als eene
dierbare dochter, op hoogen leeftijd haar geschonken.
En hare huisgenooten! Wat waren dat innig goede, merkwaardige en in
hun soort veelbeteekenende menschen! Zij had er nooit van gedroomd,
dat er hier op aarde nog zulke zonderlinge en tegelijk beminnelijke
schepsels gevonden werden. Daar was vooreerst de oude Rufinus, het
hoofd des huizes, een krachtige grijsaard met de frischheid der jeugd,
die er met zijne lange sneeuwwitte, zijden hoofd- en baardharen
uitzag half als de apostel Johannes in zijn ouderdom, en half als
een in den krijgsdienst vergrijsd legeraanvoeder. Hoe beminnelijk
was hij, hoe kinderlijk goed van hart, ondanks den barschen toon,
die hij soms kon aannemen! Wanneer hij in zijn verkeer met mannen tot
den strijd werd geprikkeld, toonde hij zich vroolijk en ondeugend,
als zijne inzichten in tegenspraak waren met de hunne. Tevredener
ziel, openhartiger gemoed had zij nog niet leeren kennen, en zij
gevoelde wel hoe het juist dezen man verontrusten en kwellen moest,
ten minste in éen opzicht dagelijks iets anders te moeten schijnen
dan hij was. Ook hij behoorde tot hare kerk, liet zijne vrouw en
dochter deelnemen aan de godsdienstoefening in het Caecilia-klooster,
en moest toch den schijn aannemen van een Koptisch Christen te zijn,
en het daarom voor lief nemen op zekere feestdagen met de zijnen de
kerk der Jacobieten te bezoeken, wier leelijke eeredienst hem zeer
tegen de borst stuitte.
Het vermogen van Rufinus was voldoende om hem en de zijnen in staat
te stellen fatsoenlijk te leven; toch werkte hij op zijne manier van
's morgens vroeg tot 's avonds laat. Daar echter zijne bezigheden
niet alleen niets inbrachten maar eischen deden aan zijne kas, begreep
ieder dat hij een bemiddeld man moest zijn; en deze omstandigheid zou
hem vervolging, verjaging en waarschijnlijk verbeurdverklaring zijner
goederen op den hals gehaald hebben, als een der verspieders van den
patriarch in hem een Melchiet herkend had. Hij moest dus voorzichtig
zijn, en als de oude man maar een kooper voor zijn huis en tuin had
kunnen vinden in eene stad, waar men tienmaal meer leegstaande dan
bewoonde huizen zag, dan zou hij reeds lang zijn opgebroken, om voor
zich en de zijnen een nieuw verblijf te zoeken. De arts Philippus had
den vriend, wiens bekwaamheid en rijpe ervaring hij zeer waardeerde,
uitgenoodigd naar Memphis te komen; hij toonde ook trouw zijn omgang
op prijs te stellen, en beide mannen steunden elkander bij den arbeid.
De meeste oude lieden, die wat driftig zijn van aard maar wat
minder snel van begrip, bedienen zich van stopwoorden, bij wijze van
remschoen of rustpunt voor hunne gedachten. Zoo bediende Rufinus zich
bij voorkeur van twee volzinnen, waarvan de eene luidde: "Zoo waar de
mensch de maatstaf is aller dingen!" en de andere--met betrekking tot
zijn huis--: "zoo waar ik van die rommelzoo verlost wilde zijn!" Maar
'die rommelzoo' bestond uit een goed gebouwd, zeer ruim woonhuis met
een tuin, die alleen reeds wegens zijne ligging vlak aan den stroom in
vroeger tijd zeer duur verkocht was. Hijzelf had trouwens, kort voor
den inval der Arabieren in Egypte, huis en tuin voor een spotprijs
overgenomen en nog wel--zoo spoedig veranderden de tijden--van een
Jacobietisch christen, dien de toenmalige Melchietische patriarch
Cyrus tot eene overhaaste vlucht had gedwongen, omdat het hem gelukt
was de orthodoxe slaven in zijn dienst tot zijn geloof te bekeeren.
De gade van Rufinus, een teer, zwak vrouwtje met een smal eenigzins
ingevallen gelaat, dat vroeger zeer aantrekkelijk en aanvallig geweest
moest zijn, had wel voor zijne dochter kunnen doorgaan, en zij was
ook werkelijk twintig jaren jonger dan hij. Men kon het haar aanzien,
dat zij zeer veel beproevingen in het leven had gehad, maar dat zij
ze geduldig gedragen en er haar voordeel mede gedaan had. De grootste
zorgen en angsten had haar rustelooze echtvriend haar bereid, hoewel
zij al hare krachten inspande om hem het leven aangenaam te maken. Zij
wist elke hinderpaal, iedere ongeriefelijkheid voor hem uit den weg te
ruimen, en met een buitengewoon instinct te gissen wat hem nuttig en
aangenaam kon zijn of vreugde kon verschaffen. De arts beweerde dat
de voorovergebogene houding van haar hoofd en de zoekende blik van
hare levendige, zwarte oogen een gevolg ervan waren, dat zij altijd
uitkeek naar den stroohalm, die Rufinus in gevaar kon brengen er zijn
vereelten wandelaarsvoet aan te stooten.
Hare dochter Pulcheria werd, kortheidshalve, gewoonlijk Pul genoemd,
wanneer de oude man niet den voorkeur gaf aan den titel van "het
arme kind". In de verhouding van Rufinus tot zijne dochter lag iets
medelijdends, want zelden zag hij haar aan zonder zich af te vragen,
wat er van dat lieve wezentje wel worden moest, wanneer hij, die
zooveel ouder was, de oogen sluiten en zijne Johanna hem zeker
spoedig volgen zou; en Pulcheria, die hare moeder zoo voor haar
vader zag zorgen, dat haar zelve niets voor hem te doen overbleef,
beschouwde zich als het meest overbodige schepsel op aarde, dat ten
allen tijde bereid was voor hare ouders, voor de abdis, voor haar
geloof, voor den arts en thans ook voor Paula, ofschoon zij haar eerst
sedert twee dagen kende, het leven op te offeren. Toch was zij een
aardig, flink opgewassen meisje, met groote, schoone, opene oogen,
waarin iets dweepends lag, terwijl hare prachtige, rossig blonde
haren bijna haars gelijken niet hadden in Egypte. Haar vader was
sedert lang bekend met haar wensch om in het Caecilia-klooster als
novice en toekomstige krankenverpleegster te worden opgenomen, en
hoewel hijzelf uit innerlijken drang zijn gansche leven aan zulk eene
roeping wijdde, had hij haar verzoek reeds meer dan eenmaal bepaald
afgewezen; want hij zou weldra verzameld worden tot zijne vaderen, en
dan had moeder, zoolang zij hem overleefde, iemand anders noodig, om
liefderijk te verplegen. Thans verlangde Pul echter minder dan vroeger
om den sluier aan te nemen, want zij had in Paula iemand gevonden,
in wier tegenwoordigheid zij zich recht klein moest gevoelen, tegen
wie hare ziel, die naar het hoogste streefde en verlangde, zonder
nijd, geheel bevredigd en in verrukking kon opzien. Bovendien waren
er sedert eergisteren in haar eigen huis twee kranken opgenomen, die
zeer verpleging behoefden, namelijk Rustem, de gewonde Masdakiet, en de
Perzische slavin. Vrouw Neforis, die sedert de ontzettende ure, waarin
haar gemaal den laatsten adem had uitgeblazen, als verpletterd was,
zich uit het dagelijksch leven geheel had teruggetrokken en aan niets
anders dacht dan aan den afgestorvene, had de verdere behandeling van
de beide zieken buiten haar huis volgaarne aan den arts overgelaten.
Op denzelfden avond, dat Paula hier haar intrek had genomen, had
de arts met zijne vrienden onderhandeld over de opname der nieuwe
gasten. Toen Philippus begon te spreken over de vergoeding, die voor
deze gastvrijheid betaald zou worden, had de oude Rufinus vol vuur
geantwoord: "Zij zijn mij allen welkom. Als zij wonden hebben, zullen
wij ze dwingen toe te groeien, is hun hoofd verdraaid, dan schroeven
wij het weer recht, ziet het er donker uit in hunne zielen, dan zullen
wij daarin een licht ontsteken. Als die schoone Damasceensche het bij
ons voor lief wil nemen, mag zij met haar oudje hier blijven, zoolang
het haar en ons behaagt. Wij hebben haar van harte welkom geheeten,
maar daarom hoort ge, moet ons het vaarwel zeggen evengoed vrijstaan
als haar. Men weet nooit wat men aan zulke voorname lui heeft, en zoo
waar ik van deze rommelzoo verlost wilde zijn, zou het mij op een
goeden dag wel eens in den zin kunnen komen, dit nest aan de uilen
en jakhalzen over te laten en mijn wandelstaf op te nemen. Gij kent
mij. Met die schadevergoeding zijn wij spoedig klaar. Daar achter
de kranken een volle buidel hangt en de gezonde tienmaal meer bezit
dan zij noodig heeft, mogen zij betalen. Bepaal gij het bedrag, maar
maak het schappelijk--dat meen ik ernstig--voor de vrouwen. Gij weet
waarvoor ik de mammon noodig heb, en het is ook goed als Johanna de
zilverstukken voor de huishouding niet zoo angstvallig behoeft om te
draaien. Waarschijnlijk zal de Damasceensche het aangenamer bij ons
vinden, als zij het hare bijdraagt voor eten en drinken. Het is ook
niet betamelijk dat de dochter van Thomas bij trekvogels als wij zijn
iederen avond naar bed gaat met een: 'ik ben u zeer verplicht'. Als
ieder het zijne inbrengt, dan staan wij op den voet van geven en
ontvangen, en wanneer de een den ander een bijzonder bewijs van
hartelijkheid geeft, dan behoeft dit niet onder 'dank je', ''t is
u gegund' en zoo meer begraven te worden; het behoudt zijn waarde,
en ieder geniet er van."
"Amen," had de arts geantwoord, en Paula was recht gelukkig geweest
over de schikkingen van haar vriend.
Reeds den volgenden dag had zij zich een lid van dit huis gevoeld, waar
zij toch uur aan uur dingen zag, die hare bevreemding moesten wekken.