ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

De inzegening van het lijk van den Mukaukas Georg had den daarop

volgenden dag plaats gehad. Sedert de geestelijkheid de voormalige

heidensche balseming verboden had en in den tijd der Antonijnen ook

de lijkenverbranding had opgehouden, moesten de gestorvenen spoedig

na het overlijden ter aarde besteld worden; alleen de aanzienlijken

werden een weinig gebalsemd en in kerken of kapellen bijgezet,

waaraan zij schenkingen hadden gedaan. Overeenkomstig zijn uitersten

wil moest het lijk van den Mukaukas Georg naar Alexandrië gebracht

en aldaar in de kerk van den heiligen Johannes naast dat van zijn

vader worden bijgezet, doch de duif die den brief had overgebracht,

waarin den patriarch werd kennis gegeven van den dood des stadhouders,

was teruggekomen met het bevel, dat er bezwaren bestonden om aan

deze begeerte van den overledene te voldoen, en dat men zijn lijk

voorloopig in het familiegraf te Memphis moest bijzetten.

Sedert menschenheugenis was daar zulk eene lijkstatie niet

gezien. Zelfs de muzelmansche gouverneur van het land, de groote

veldheer Amr, was met zijne voornaamste legeraanvoerders en

burgerlijke beambten van genen oever van den Nijl overgekomen, om

den hooggeschatten en rechtvaardigen stadhouder de laatste eer te

bewijzen. Hunne gespierde bruine gestalten en schoone karakteristieke

aangezichten, hunne gouden met edelsteenen bezette helmen en

pantserhemden, afkomstig uit den krijgsbuit na den vernielenden strijd

tegen het Perzische rijk en Syrië, hunne prachtige, kostbaar opgetuigde

paarden en het gebiedende en trotsche van hunne houding hadden op de

menigte een diepen indruk teweeggebracht. Statig en langzaam waren

zij verschenen, om zich daarna te verwijderen als een onweerswolk

door den stormwind voortgezweept. Van het kerkhof waren zij langs de

Nijlstraat en vervolgens over de schipbrug teruggedraafd, zoodat de

grond onder hen dreunde. Uit de witte stofwolken, die hen omgaven,

kwamen oogverblindende, flikkerende bliksems te voorschijn, zoo vaak

de zonnestralen hun gouden wapenrusting troffen. Ja, aan deze ruiters,

van welken ieder wel een vorst geleek, kon het niet zwaar zijn gevallen

de machtigste rijken der wereld te vernietigen.

Mannen zoowel als vrouwen, allen hadden deze ruiterij met zeker

ontzag bewonderd en wel het meest de heldengestalte en het schoone,

bruine, mannelijke gelaat van den veldheer Amr en den zoon van den

afgestorvene, die op bevel van den Arabier van af het stadhouderlijk

paleis aan zijne zijde reed, in een donker rouwgewaad op een

gitzwarten, vurigen hengst. De schoone jongeling en de kloeke,

krachtvolle man vormden een paar, waarvan de vrouwen ongaarne de

oogen afwendden, want beiden deden in edele houding niet voor elkaar

onder, beiden vertoonden dezelfde krachtige lichaamsbouw, beiden

waren even geschikt om hunne vurige paarden in bedwang te houden,

beiden schenen tot heerschen geboren. Op menig Memphiet maakte dat

op een langen, prachtigen hals rustende hoofd van den beroemden

overwinnaar in zoo vele veldslagen, zijn fijnbesneden gelaat met den

adelaarsneus en de zwarte, fonkelende oogen een dieper indruk dan

de meer gelijkmatige gelaatstrekken en dat schoone licht krullende

haar van den stadhouderszoon, den laatsten spruit van het oudste en

edelste geslacht in geheel Egypte.

Vast en gebiedend keek de Arabier recht voor zich uit en ook de blik

van den jonkman dwaalde niet ter zijde af, alleen zag hij enkele

malen om, ten einde de deelnemende menigte te overzien. Toen hij

ook Paula ontdekte onder de vrouwen, die het lijk volgden, overtoog

een glans van vreugde zijn bleek gelaat, en zijne wangen bloosden

even. Het vooruit staren deed hem het voorhoofd rimpelen en gaf aan

zijne trekken eene onheilspellende uitdrukking, zoodat menig Memphiet

zacht tot zijn buurman zeide: "Uit dezen vroolijken, levenslustigen

jongen heer zal zeker een streng gebieder groeien."

Wat hem hinderde was zijn begeleider zoo min als der menigte

ontgaan. Hij alleen wist dat de patriarch het overbrengen van het

stoffelijk overschot zijns vader naar Alexandrië verboden had; doch

iedereen merkte op, dat bij deze buitengewone begrafenis het grootste

gedeelte van de geestelijkheid van Memphis werd gemist. Alleen de

bisschop Plotinos liep met den geleerden en moedigen presbyter Johannes

en eenige koorknapen, die het crucifix droegen, psalm zingende vóor de

door zes vurige paarden getrokken slede, waarop de kostbare sarcophaag

naar oud gebruik naar het kerkhof werd gevoerd. Daar aangekomen stegen

allen van hunne paarden, en knapen op bloote voeten in dienst van de

Arabieren waren aanstonds bij de hand om de paarden te houden. De

bisschop sprak aan het graf een warm woord van waardeering, waarna

het magere en weinig plechtige gezang der koorknapen een armelijk

figuur maakte. Doch nauwelijks was dit geëindigd of de menigte viel

met duizenden stemmen in, en hief een klaagzang aan, die zoo luid en

indrukwekkend over het kerkhof klonk, als nog nimmer op deze plaats

was gehoord. De overige ceremoniën werden, daar de hiertoe noodige

geestelijken niet verschenen waren, spoedig en onvolledig volbracht.

De veldheer Amr, wiens valkenoog niets ontging, merkte dadelijk op

wat hier ontbrak, en riep Orion zoo luid en openlijk toe, dat het

rondom gehoord kon worden: "De doode moet hier boeten voor hetgeen

de levende als verstandig man ten beste voor zijn land hand aan hand

met ons muzelmannen gedaan heeft."

"Op bevel van den patriarch," antwoordde Orion met bevende stem,

terwijl de aderen op zijn voorhoofd van toorn hoog opzwollen. "Maar

bij de ziel van mijn vader," en bij deze woorden balde hij de vuist,

"als er een rechtvaardig God is, zal het Benjamin niet gelukken voor

den braafsten aller braven de hemelpoort te sluiten."

"Wij dragen den sleutel tot den ingang van onzen hemel in onzen eigen

gordel," antwoordde de veldheer, terwijl hij met zelfvoldoening

lachend op zijne hooggewelfde borst sloeg en de jonkman met

welgevallen aanzag. "Kom Zaterdag bij mij, jonge vriend, ik wil met

u spreken! Tegen zonsondergang wacht ik u aan de overzijde in mijn

huis. Als ik tegen donker nog niet terug ben, wil dan op mij wachten."

Daarbij greep Amr de manen van zijn hengst, waarbij Orion zich gereed

maakte om hem te helpen, doch de vijftigjarige veldheer voorkwam hem,

zwaaide zich behendig als een jongeling in het zadel en gaf daarmede

aan de zijnen het teeken om op te breken.

Paula, die met vrouw Neforis het allernaast bij het open familiegraf

had gestaan, was geen woord ontgaan van het kort gesprek tusschen

beide mannen. Zooals hij daar gestaan had, doodsbleek, in kostbare,

maar eenvoudige, lang afhangende rouwkleederen gehuld, door een

heiligen mannelijken toorn aangegrepen, was het onmogelijk geweest

niet te erkennen, dat de laatste dagen een verbazenden invloed hadden

gehad op den afgedwaalden jonkman. Nadat Paula de bleeke, verslagene

stadhoudersweduwe, die met droge oogen alles had aangezien, naar

haren wagen had gebracht, en daarna met Perpetua alleen naar huis was

gegaan, had haar het beeld van den schoonen, verontwaardigden jonkman,

die den gespierden arm met die stevig gebalde vuist in de hoogte hief,

steeds voor oogen gestaan. Het was haar niet ontgaan dat hij haar, die

tegenover hem stond aan de geopende groeve, had opgemerkt, en het was

haar gelukt zijn blik te ontwijken; maar haar zwak hart klopte daarbij

zoo hevig, dat zij het nog voelde in hare borst, en het was haar niet

gelukt geheel en onverdeeld aan de geliefde afgestorvene te denken.

Orion had tot dusverre noch haar vreedzaam verblijf opgezocht, noch

ook een bode gezonden om haar te brengen wat haar toekwam; en zij vond

dit natuurlijk, want niemand behoefde haar te zeggen wat er in deze

dagen van hem gevorderd werd. Doch was zij vóor de begrafenis vast

besloten geweest zijn bezoek af te wijzen, en had zij aan de voedster

reeds volmacht gegeven haar goed uit zijne hand in ontvangst te nemen,

zoo scheen haar zulk eene houding na de teraardebestelling van haar

oom niet voegzaam meer; ja, bij de gedachte aan den ontslapene achtte

zij het haar plicht Orion niet te weren, wanneer hij haar om vergeving

kwam vragen. Ook nog iets anders was zij haar oom schuldig. Zij wilde

het zijn, die zijn zoon in de geest van Philippus er op wees, dat het

leven als een plicht, als een dienst moest worden opgevat. Opende hij

zijn hart voor deze vermaning, dan... neen, ook dan moest alles uit

zijn tusschen hen, uit als het vuur van een uitgebrande houtmijt,

als de zeepbel die in de wind berst, als de toon die weggestorven

is--uit, geheel uit. En de vermaning die zij hem, tot wien zij eens

had opgezien, wilde geven? Wie gaf haar het recht hem dezen toe te

dienen? Zag hij er niet uit als een man, die zijn leven uit eigen

kracht weet te leiden en te besturen?--Haar hart dorstte naar hem,

alles wat in haar was verlangde hem weder te zien, zijn stem weder

te hooren, en deze begeerte, dit heimwee noemde zij plicht en bracht

zij in verband met den dank, dien zij den afgestorvene verschuldigd

was. Geheel door deze overwegingen en twijfelingen beheerscht, hoorde

zij nauwelijks wat de spraakzame Perpetua zeide, die naast haar liep.

De oude vrouw had volstrekt geen vrede met zulk eene begrafenis;

want hoe geheel anders was het hier toegegaan dan gewoonlijk

te Memphis geschiedde bij eene teraardebestelling! Er waren geen

priesters bij geweest; terwijl anders de nabestaanden, gelijk overal

gebruikelijk was, het stoffelijk overschot te voet volgden, had men

hier een lijkstoet te paard, ruiters in rouwgewaad, en daaronder

de zoon van den overledene! Een krekelgegons van kwajongens aan de

groeve van zulk een doode, en dan dat onbetamelijk geschreeuw uit

duizend kelen van de volksmenigte, waarvan haar trommelvlies bijna

gesprongen was! Doch dit kon men de Memphieten nog vergeven, want

het was geschied ter eere van den afgestorvene! Deze gedachte trof

zelfs haar fijngevoelig hart en deed tranen in haar oogen wellen,

maar het wekte ook haar wrevel op; want zij had geringer lieden met

meer plechtigheid en met waardiger ceremoniën zien begraven, dan de

groote, goede Mukaukas Georg, die zulk eene belangrijke schenking

aan de kerk had gedaan. Ja, die Jakobieten! Zoo ondankbaar konden

zij alleen handelen, zulk een wandaad kon alleen hun kettersch hoofd

begaan! In het Caecilia-klooster wist ieder, van de abdis tot de

jongste novice, dat de patriarch den bisschop door een brief per

postduif verboden had zijne geestelijkheid aan de plechtigheid te

doen deelnemen. De brave Plotinos was zeer verstoord over dit bevel,

doch daar hij niet bij machte was zich hiertegen te verzetten, had hij

den lijkstoet althans persoonlijk vergezeld en den presbyter Johannes

niet verboden hem te volgen. De jonge heer Orion had er overigens

niet uitgezien, als ware hij voornemens zulk eene beleediging van zijn

vader ongestraft te laten. Doch wiens arm was zoo lang, dat die reikte

aan den stoel van den patriarch? Tenzij... Doch dat was onmogelijk;

bij de gedachte alleen voer haar een rilling door de leden. Maar

toch... Hoe genadig had die groote veldheer van gene zijde met hem

gesproken! Hemelsche vader, als hij maar niet als zoovele gewetenlooze

Egyptenaars het heilige geloof afzwoer en de zondige leer van den

Arabischen leugenprofeet aannam! Het was voor slechte mannen wel

verlokkend een half dozijn vrouwen in huis te mogen nemen, zonder

zich te bezondigen. Een heer als Orion kon ze wel onderhouden, want

de abdis had gezegd, dat de groote Mukaukas door de geheele wereld

wel voor een zeer rijk man was gehouden, maar dat het opperhoofd

van de stad zelfs ongerust was over den ongehoord grooten omvang van

zijne nalatenschap. Ja, ja, Gods wegen waren ondoorgrondelijk! Waarom

begroef hij den een onder een gouden regen, terwijl hij aan duizenden

armen te weinig gaf om hun honger te stillen?

Deze ontboezemingen namen een einde, toen de vrouwen te huis waren,

en hier eerst kwam Paula's gemoed tot rust. Het moest uit zijn met

den hartstocht, hetzij deze haat of liefde heette, die haar nog altijd

wilde beheerschen; dan eerst zou zij de vrijheid en het stille geluk in

het schoone verblijf, dat zij aan de zorg van den arts te danken had,

recht genieten kunnen, wanneer alle betrekking tot Orion had opgehouden

en de laatste band verscheurd was, die haar aan het stadhouderlijk

paleis verbond. Kon zij meer begeeren dan het tegenwoordige haar

aanbood? Zij was werkelijk eene vreedzame haven binnengeloopen, waar

het haar aan niets ontbrak wat zij voor zich begeeren kon, na hetgeen

Philippus haar zoo ernstig op het hart had gedrukt. Hier waren goede

menschen, die haar begrepen, hier vond zij allerlei bezigheden,

die voor hare krachten berekend waren en beantwoordden aan hare

neigingen, en bovendien ruimschoots gelegenheid om liefde te betoonen

en wederliefde te ontvangen. Voorts lag in de nabijheid het klooster,

dat zij door eene schaduwrijke laan in weinige schreden bereiken kon,

en waar zij onder hare eigene geloofsgenooten evenals in hare kindsheid

dagelijks de godsdienstoefening kon bijwonen. Sedert lang verlangde zij

naar zulke spijze voor haar gemoed, en hoe overvloedig wist de abdis,

eene voorname patricische weduwe uit Konstantinopel, die hare ouders

gekend had, haar die te geven! Hoe gaarne vertelde die levendige oude

vrouw van de goedheid en vorstelijke schoonheid der jonggestorvene,

waaraan zij het leven te danken had! Zij kon haar bedrukt gemoed

ontlasten voor deze gevoelvolle matrone, die haar behandelde als eene

dierbare dochter, op hoogen leeftijd haar geschonken.

En hare huisgenooten! Wat waren dat innig goede, merkwaardige en in

hun soort veelbeteekenende menschen! Zij had er nooit van gedroomd,

dat er hier op aarde nog zulke zonderlinge en tegelijk beminnelijke

schepsels gevonden werden. Daar was vooreerst de oude Rufinus, het

hoofd des huizes, een krachtige grijsaard met de frischheid der jeugd,

die er met zijne lange sneeuwwitte, zijden hoofd- en baardharen

uitzag half als de apostel Johannes in zijn ouderdom, en half als

een in den krijgsdienst vergrijsd legeraanvoeder. Hoe beminnelijk

was hij, hoe kinderlijk goed van hart, ondanks den barschen toon,

die hij soms kon aannemen! Wanneer hij in zijn verkeer met mannen tot

den strijd werd geprikkeld, toonde hij zich vroolijk en ondeugend,

als zijne inzichten in tegenspraak waren met de hunne. Tevredener

ziel, openhartiger gemoed had zij nog niet leeren kennen, en zij

gevoelde wel hoe het juist dezen man verontrusten en kwellen moest,

ten minste in éen opzicht dagelijks iets anders te moeten schijnen

dan hij was. Ook hij behoorde tot hare kerk, liet zijne vrouw en

dochter deelnemen aan de godsdienstoefening in het Caecilia-klooster,

en moest toch den schijn aannemen van een Koptisch Christen te zijn,

en het daarom voor lief nemen op zekere feestdagen met de zijnen de

kerk der Jacobieten te bezoeken, wier leelijke eeredienst hem zeer

tegen de borst stuitte.

Het vermogen van Rufinus was voldoende om hem en de zijnen in staat

te stellen fatsoenlijk te leven; toch werkte hij op zijne manier van

's morgens vroeg tot 's avonds laat. Daar echter zijne bezigheden

niet alleen niets inbrachten maar eischen deden aan zijne kas, begreep

ieder dat hij een bemiddeld man moest zijn; en deze omstandigheid zou

hem vervolging, verjaging en waarschijnlijk verbeurdverklaring zijner

goederen op den hals gehaald hebben, als een der verspieders van den

patriarch in hem een Melchiet herkend had. Hij moest dus voorzichtig

zijn, en als de oude man maar een kooper voor zijn huis en tuin had

kunnen vinden in eene stad, waar men tienmaal meer leegstaande dan

bewoonde huizen zag, dan zou hij reeds lang zijn opgebroken, om voor

zich en de zijnen een nieuw verblijf te zoeken. De arts Philippus had

den vriend, wiens bekwaamheid en rijpe ervaring hij zeer waardeerde,

uitgenoodigd naar Memphis te komen; hij toonde ook trouw zijn omgang

op prijs te stellen, en beide mannen steunden elkander bij den arbeid.

De meeste oude lieden, die wat driftig zijn van aard maar wat

minder snel van begrip, bedienen zich van stopwoorden, bij wijze van

remschoen of rustpunt voor hunne gedachten. Zoo bediende Rufinus zich

bij voorkeur van twee volzinnen, waarvan de eene luidde: "Zoo waar de

mensch de maatstaf is aller dingen!" en de andere--met betrekking tot

zijn huis--: "zoo waar ik van die rommelzoo verlost wilde zijn!" Maar

'die rommelzoo' bestond uit een goed gebouwd, zeer ruim woonhuis met

een tuin, die alleen reeds wegens zijne ligging vlak aan den stroom in

vroeger tijd zeer duur verkocht was. Hijzelf had trouwens, kort voor

den inval der Arabieren in Egypte, huis en tuin voor een spotprijs

overgenomen en nog wel--zoo spoedig veranderden de tijden--van een

Jacobietisch christen, dien de toenmalige Melchietische patriarch

Cyrus tot eene overhaaste vlucht had gedwongen, omdat het hem gelukt

was de orthodoxe slaven in zijn dienst tot zijn geloof te bekeeren.

De gade van Rufinus, een teer, zwak vrouwtje met een smal eenigzins

ingevallen gelaat, dat vroeger zeer aantrekkelijk en aanvallig geweest

moest zijn, had wel voor zijne dochter kunnen doorgaan, en zij was

ook werkelijk twintig jaren jonger dan hij. Men kon het haar aanzien,

dat zij zeer veel beproevingen in het leven had gehad, maar dat zij

ze geduldig gedragen en er haar voordeel mede gedaan had. De grootste

zorgen en angsten had haar rustelooze echtvriend haar bereid, hoewel

zij al hare krachten inspande om hem het leven aangenaam te maken. Zij

wist elke hinderpaal, iedere ongeriefelijkheid voor hem uit den weg te

ruimen, en met een buitengewoon instinct te gissen wat hem nuttig en

aangenaam kon zijn of vreugde kon verschaffen. De arts beweerde dat

de voorovergebogene houding van haar hoofd en de zoekende blik van

hare levendige, zwarte oogen een gevolg ervan waren, dat zij altijd

uitkeek naar den stroohalm, die Rufinus in gevaar kon brengen er zijn

vereelten wandelaarsvoet aan te stooten.

Hare dochter Pulcheria werd, kortheidshalve, gewoonlijk Pul genoemd,

wanneer de oude man niet den voorkeur gaf aan den titel van "het

arme kind". In de verhouding van Rufinus tot zijne dochter lag iets

medelijdends, want zelden zag hij haar aan zonder zich af te vragen,

wat er van dat lieve wezentje wel worden moest, wanneer hij, die

zooveel ouder was, de oogen sluiten en zijne Johanna hem zeker

spoedig volgen zou; en Pulcheria, die hare moeder zoo voor haar

vader zag zorgen, dat haar zelve niets voor hem te doen overbleef,

beschouwde zich als het meest overbodige schepsel op aarde, dat ten

allen tijde bereid was voor hare ouders, voor de abdis, voor haar

geloof, voor den arts en thans ook voor Paula, ofschoon zij haar eerst

sedert twee dagen kende, het leven op te offeren. Toch was zij een

aardig, flink opgewassen meisje, met groote, schoone, opene oogen,

waarin iets dweepends lag, terwijl hare prachtige, rossig blonde

haren bijna haars gelijken niet hadden in Egypte. Haar vader was

sedert lang bekend met haar wensch om in het Caecilia-klooster als

novice en toekomstige krankenverpleegster te worden opgenomen, en

hoewel hijzelf uit innerlijken drang zijn gansche leven aan zulk eene

roeping wijdde, had hij haar verzoek reeds meer dan eenmaal bepaald

afgewezen; want hij zou weldra verzameld worden tot zijne vaderen, en

dan had moeder, zoolang zij hem overleefde, iemand anders noodig, om

liefderijk te verplegen. Thans verlangde Pul echter minder dan vroeger

om den sluier aan te nemen, want zij had in Paula iemand gevonden,

in wier tegenwoordigheid zij zich recht klein moest gevoelen, tegen

wie hare ziel, die naar het hoogste streefde en verlangde, zonder

nijd, geheel bevredigd en in verrukking kon opzien. Bovendien waren

er sedert eergisteren in haar eigen huis twee kranken opgenomen, die

zeer verpleging behoefden, namelijk Rustem, de gewonde Masdakiet, en de

Perzische slavin. Vrouw Neforis, die sedert de ontzettende ure, waarin

haar gemaal den laatsten adem had uitgeblazen, als verpletterd was,

zich uit het dagelijksch leven geheel had teruggetrokken en aan niets

anders dacht dan aan den afgestorvene, had de verdere behandeling van

de beide zieken buiten haar huis volgaarne aan den arts overgelaten.

Op denzelfden avond, dat Paula hier haar intrek had genomen, had

de arts met zijne vrienden onderhandeld over de opname der nieuwe

gasten. Toen Philippus begon te spreken over de vergoeding, die voor

deze gastvrijheid betaald zou worden, had de oude Rufinus vol vuur

geantwoord: "Zij zijn mij allen welkom. Als zij wonden hebben, zullen

wij ze dwingen toe te groeien, is hun hoofd verdraaid, dan schroeven

wij het weer recht, ziet het er donker uit in hunne zielen, dan zullen

wij daarin een licht ontsteken. Als die schoone Damasceensche het bij

ons voor lief wil nemen, mag zij met haar oudje hier blijven, zoolang

het haar en ons behaagt. Wij hebben haar van harte welkom geheeten,

maar daarom hoort ge, moet ons het vaarwel zeggen evengoed vrijstaan

als haar. Men weet nooit wat men aan zulke voorname lui heeft, en zoo

waar ik van deze rommelzoo verlost wilde zijn, zou het mij op een

goeden dag wel eens in den zin kunnen komen, dit nest aan de uilen

en jakhalzen over te laten en mijn wandelstaf op te nemen. Gij kent

mij. Met die schadevergoeding zijn wij spoedig klaar. Daar achter

de kranken een volle buidel hangt en de gezonde tienmaal meer bezit

dan zij noodig heeft, mogen zij betalen. Bepaal gij het bedrag, maar

maak het schappelijk--dat meen ik ernstig--voor de vrouwen. Gij weet

waarvoor ik de mammon noodig heb, en het is ook goed als Johanna de

zilverstukken voor de huishouding niet zoo angstvallig behoeft om te

draaien. Waarschijnlijk zal de Damasceensche het aangenamer bij ons

vinden, als zij het hare bijdraagt voor eten en drinken. Het is ook

niet betamelijk dat de dochter van Thomas bij trekvogels als wij zijn

iederen avond naar bed gaat met een: 'ik ben u zeer verplicht'. Als

ieder het zijne inbrengt, dan staan wij op den voet van geven en

ontvangen, en wanneer de een den ander een bijzonder bewijs van

hartelijkheid geeft, dan behoeft dit niet onder 'dank je', ''t is

u gegund' en zoo meer begraven te worden; het behoudt zijn waarde,

en ieder geniet er van."

"Amen," had de arts geantwoord, en Paula was recht gelukkig geweest

over de schikkingen van haar vriend.

Reeds den volgenden dag had zij zich een lid van dit huis gevoeld, waar

zij toch uur aan uur dingen zag, die hare bevreemding moesten wekken.

De nijlbruid · 第 30 / 66 题