ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Ter zelfder tijd als zij was Orion naar zijne vertrekken

teruggekeerd. Naast aan de zijnen grensde de slaapkamer van de

kleine Maria, die hij niet had wedergezien, sedert hij de plaats

verliet, waar zijn vader gestorven was. Hij wist dat zij daar lag

met de koorts, maar hij kon het niet over zich verkrijgen naar

haar te vragen. Kwam de gedachte aan haar bij hem op, dan balde hij

onwillekeurig de vuisten. Hij was getroffen tot in het diepst zijner

ziel, buiten zichzelven en als tot twijfeling gebracht. Geene andere

gedachten beheerschten hem dan deze dat hij de ongelukkigste was van

alle menschen, dat de vloek zijns vaders hem had getroffen, dat het

gebeurde met niets was goed te maken, dat eene ruwe, onafweerbare

macht den trouwsten van zijn vrienden hem tot vijand had gemaakt

en zóo van zijne zijde had weggescheurd, dat er geen mogelijkheid

bestond hem nog te verzoenen, hem tot woorden van vergiffenis, tot

een vriendelijken blik te bewegen. In zulk een stemming liep hij

met versnelde schreden het groote vertrek op en neder, wierp zich

nu eens van den divan op den grond en drukte dan weder zijn gloeiend

aangezicht in het zachte kussen. Soms gelukte het hem te bidden, doch

telkens hield hij weder op, want er was immers geen macht in hemel

of op aarde, die dit gebroken oog weder kon openen, dit verstijfde

hart weder kon doen kloppen, deze verlamde tong kon doen spreken, om

hem, den verstootene dat te verleenen, waarnaar zijn ziel smachtte,

zonder hetwelk hij meende te moeten bezwijken namelijk: vergiffenis

van zijn vader, vergiffenis, vergiffenis!

Soms sloeg hij zich als een waanzinnige met de vuist tegen de borst en

het voorhoofd, en slaakte daarbij kreten van angst, verwenschingen en

bittere klachten. Omstreeks middernacht--er waren eerst twaalf uren

verloopen sedert die vreeselijke gebeurtenis had plaats gegrepen, en

toch kwam het hem voor als waren het even zoovele dagen geweest--wierp

hij zich in het donkere rouwgewaad, dat hij van woede en vertwijfeling

zich half van het lijf had gescheurd, op den divan neder en brak

in zulk een luid snikken los, dat hijzelf er in de stilte van den

nacht van schrikte, en aangegrepen door medelijden met en afkeer van

zijn eigen grievend leed zich met het gelaat naar den wand keerde,

om zijne oogen te onttrekken aan het volle reine maanlicht, dat hem

enkel dingen toonde die hij niet zien wilde en die hem kwelden.

Eindelijk werd die zielemarteling hem ondragelijk. Zijn gemoed werd

gepijnigd en als vaneen gereten, en de gedachte kwam bij hem op om

zijn scherpste zwaard te grijpen, zich als een razende Ajax of een Cato

daarin te storten en zoo aan deze duldelooze overweldigende pijniging

een einde te maken. Opeens rees hij overeind, want de deur--het was

geen zinsbedrog, geene begoocheling--de deur van zijn vertrek werd

zacht geopend en eene witte, spookachtige gedaante bewoog zich met

zachte onhoorbare schreden naar hem toe. Eene kille huivering voer

door de leden van den anders zoo moedigen man, doch weldra herkende

hij in die nachtelijke bezoekster de kleine Maria.

Zonder eenig geluid te geven naderde zij in het heldere maanlicht,

maar barsch riep hij haar toe: "Wat moet dat? Wat wilt gij?"

Het kind verschrikte, bleef angstig staan, strekte de handen

smeekend naar hem uit en stamelde daarbij schuchter: "Ik hoorde u

steeds klagen. Arme, arme Orion! En ik ben het, die u dit alles heb

aangedaan. Ik kon niet langer in bed blijven, ik--ja ik moest...."

Hier werd zij zoo bedroefd, dat zij niet verder kon gaan; doch Orion

riep haar toe: "Nu, het is goed! Ga naar uwe kamer terug en slapen,

ik wil trachten wat zachter te klagen."

Deze laatste woorden klonken wat minder hard, want hij bespeurde dat

het kind, hoewel zelf ziek, hem op bloote voeten en in haar nachthemd,

rillende van kou, aandoening en droefheid, had opgezocht. Maria

bleef echter staan, schudde het hoofd en antwoordde, altijd nog zacht

weenende: "Neen, neen, ik blijf hier en ga niet weg, nu ik weet dat

gij... Ach God, vergeven kunt gij mij wel niet, maar ik moet het toch

zeggen, ik moet..."

Daarop vloog zij, eene ingeving van het oogenblik volgende, recht

naar hem toe, sloeg hare armen om zijn hals, drukte haar hoofd tegen

het zijne en toen hij haar niet afweerde, kuste zij zijne wangen en

zijn voorhoofd.

Er had een vreemde verandering bij hem plaats; hij wist niet wat er

met hem gebeurde, maar het was hem als werd er iets in zijn binnenste

week gemaakt en opgelost, en het waren niet enkel de heete tranen

van het kind, het waren ook zijne eigene, die zijne oogen en zijn

aangezicht bevochtigden.

Zoo verliepen er eenige oogenblikken van diepe stilte; eindelijk maakte

hij de armen der kleine van zijn hals los en zeide: "Wat gloeien uwe

handen en wangen, arm kind! Gij hebt de koorts; de koele nachtlucht

stroomt binnen, en gij zult door dezen onzin nog verkouden worden."

Met moeite was hij zijne tranen meester geworden, en terwijl hij

deze woorden uitbracht, sloeg hij het zwarte overkleed, dat hij

afgeworpen had, zorgzaam over haar heen en zeide daarna vriendelijk:

"Wees nu bedaard, ook ik zal trachten mijzelven te beheerschen. Gij

hebt het zeker niet kwaad bedoeld en ik zal het u niet verwijten. Ga

nu heen! Ge kunt zonder gevaar voor de trekking door de voorzaal

gaan.--Nu, gaat ge?"

"Neen, neen," antwoordde zij ernstig. "Gij moet mij laten uitspreken,

anders kan ik niet slapen. Ziet ge, ik heb er in 't geheel niet

aan gedacht dat ik u leed zou doen, zulk een vreeselijk, zulk een

schrikkelijk leed; neen zeker niet! Ik ben boos op u geweest, omdat

gij--maar toen, ach, lieve Heiland! toen heb ik waarlijk in het geheel

niet aan u, maar enkel aan die arme Paula gedacht. Gij weet niet half

hoe goed zij is, en grootvader had haar zoo lief voor gij terugkwaamt,

en daar lag hij en zou haast sterven, en ik wist dat hij Paula voor

een dievegge, voor eene leugenaarster hield. Dat ik hem in zulk

een dwaling, zulk eene ongerechtigheid de oogen zou zien sluiten,

dat vond ik toen zoo afschuwelijk, zoo onverdragelijk, niet alleen

om grootvader maar ook om Paula, dat ik--ach Orion, de barmhartige

Heiland is mijn getuige--dat ik... En al had ik het moeten besterven

ik kon toen niet anders; ik zou bezweken zijn als ik gezwegen had!"

"Misschien is het ook goed geweest dat gij gesproken hebt," zeide

de jonkman, terwijl hij diep adem haalde. "Ziet gij, meisje; de arme

broeder van uw gestorven vader is een verloren mensch en aan hem is

niet veel gelegen; maar Paula, die duizendmaal beter is dan ik, aan

haar is ten minste recht gedaan, en daar ik haar liefheb, meer dan

gij u in uw klein hartje kunt voorstellen, wil ik gaarne weer goed op

je zijn en je nog liever hebben dan vroeger. Dat is nu geen groote,

geen edelmoedige daad, want ik heb liefde noodig, veel liefde, om het

leven dragelijk te vinden. Ik dwaas heb de beste liefde verspeeld,

en ik kan de uwe, arm, braaf kind, ik kan de uwe niet missen! Zoo,

daar hebt ge mijne hand, geef mij ook nog een kus, en ga dan naar

bed om te slapen."

Doch Maria wilde altijd nog maar niet gehoorzamen; zij dankte hem

met warmte en vroeg daarna met heldere oogen: "Dus is het waar? Gij

hebt Paula zoo lief?" Doch hier hield zij eensklaps op en zeide:

"En de kleine Katharina..."

"Spreek daar niet over, kind," zeide hij met een zucht, "en neem er een

les uit voor uzelve. Zie, in eene noodlottige ure heb ik lichtvaardig

iets gedaan wat niet goed is, en om dat te verbergen, moest ik er

wederom kwaad aan toevoegen, totdat de ongerechtigheden tot een berg

waren opgestapeld, op mij neervielen en mij verpletterden. Thans ben

ik de ongelukkigste der menschen, en ik zou wellicht de gelukkigste

kunnen zijn. Door mijne eigene lichtzinnigheid, mijne eigene

zwakheid en schuld heb ik mijn geheele leven bedorven, heb ik ook

Paula verloren, die mij liever is dan alle menschen op aarde te zamen

genomen. Ja, Maria, als zij de mijne was geworden, uw arme oom had een

benijdenswaardig jonkman, een degelijk mensch, een groot man kunnen

worden, die wat uitricht in de wereld; maar zoo? Weg is weg! Ga ter

rust mijn kind, eerst als gij ouder zijt zult gij dit alles verstaan!"

"O ik versta het nu reeds, ja nu en veel beter misschien dan gij

denkt," riep de tienjarige hem toe. "En wanneer gij Paula inderdaad

zoo liefhebt, waarom zou zij uwe liefde niet beantwoorden? Gij zijt

zoo schoon, gij kunt zooveel, ieder mag u gaarne lijden, en Paula

zal wel weer goed op u worden, wanneer gij maar.... Zult gij niet

boos op mij zijn als ik het u zeg?"

"Spreek maar gekkinnetje!"

"Zij kan u niets meer verwijten wanneer zij weet, hoe vreeselijk

gij lijdt om harentwil en dat gij zoo innig goed zijt en maar eene

enkele maal iets gedaan hebt--dat weet ge! Voor gij terugkwaamt heeft

grootvader wel honderdmaal gezegd, hoeveel vreugde gij hem zijn leven

lang bereid hebt, en nu, nu.. Gij zijt mijn oom en ik ben maar een dom

schepseltje, maar ik weet toch dat het met u gaat als den verloren zoon

uit den bijbel. Grootvader en gij zijt toornig van elkander gegaan."

"Hij heeft mij gevloekt," riep Orion op doffen toon.

"Neen, neen! Mij is geen van zijne woorden ontgaan. Alleen uw daad

heeft hij veroordeeld met schrikkelijke woorden en u van zijn sterfbed

weggejaagd."

"Welk onderscheid ligt daarin: vervloekt of verstooten?"

"O, een zeer groot onderscheid! Hij had reden om boos op u te zijn,

maar de verloren zoon in den bijbel werd daarna de meest geliefde

van zijn vader, zoodat hij een kalf voor hem liet slachten en hem

alles vergaf, en zoo zal dan grootvader u ook in den hemel vergeven,

wanneer gij weder zoo goed wordt als gij vroeger waart jegens hem en

ons allen. En Paula zal u evenzeer vergeven; ik ken haar--gij zult het

wel zien..... Katharina had u ook wel lief, maar zij.... Lieve God,

zij is haast nog even kinderachtig als ik, en wanneer gij maar altijd

vriendelijk tegen haar zijt, en zij wat moois van u ten geschenke

ontvangt, zal zij zich wel troosten. Voor haar valsche getuigenis

heeft zij toch zeker wel wat straf verdiend, doch uwe straf komt

zeker niet in vergelijking met de hare."

De woorden uit den mond van een onschuldig kind vielen in den van

smart doorploegden akker van 's jonkmans ziel als zaadkorrels, en

waren als morgendauw voor zijn gemoed. Toen Maria reeds lang weder

was ingeslapen dacht hij er nog altijd over na.

De nijlbruid · 第 29 / 66 题