De arts had toen hij Paula verliet haar gezegd, dat de Mukaukas elk
oogenblik kon sterven, maar het was ook mogelijk, dat hij nog weken
lang met den dood zou worstelen. Dat uitzicht scheen haar te troosten,
want de gedachte dat de eenige ware vriend, dien zij in Memphis had
bezeten, voor zij Philippus nader had leeren kennen, voor altijd zou
heengaan, zonder hare rechtvaardiging te hebben gehoord, kwam haar
onverdragelijk voor. Het was allesbehalve waarschijnlijk dat men in
de omgeving van vrouw Neforis, met uitzondering van de kleindochter,
haar in liefde zou gedenken, en zij verlangde er ook niet naar; maar de
achting, die zij zich ook in het stadhouderlijk verblijf verworven had,
wilde zij niet verliezen. Indien het den vriend gelukte de dagen van
haar oom nog te verlengen, dan kon zij, wanneer de ware toedracht der
zaak openlijk te zijner kennis werd gebracht, zijne oude vriendelijke
gezindheid en zijn goedgunstig oordeel herwinnen.
Zij beschouwde haar tegenwoordig verblijf als eene plaats van overgang,
een wachtstation op den woestijntocht van haar eenzaam bestaan,
en wat zij geleerd had onder hare Memphietische verwanten, daarvan
wilde zij hier partij trekken. De hoop was thans meesteres in haar
hart over smart en teleurstelling. Alleen de nabijheid van Orion hing
als eene dreigende hagelwolk boven het bloeiende graanveld van haren
innerlijken vrede, en toch was er niets, behalve de noodzakelijkheid
van den bode hier af te wachten, dat haar vaster aan Memphis verbond,
dan de mogelijkheid van ten minste uit de verte den verderen loop
zijns levens te kunnen volgen. Wat zij voor hem gevoelde--zij zelve
noemde het diepen afkeer--maakte, al wilde zij dit zichzelve ook niet
toegeven, een wezenlijk deel uit van haar innerlijk leven.
Haar nieuwe gastheer had haar als eene lieve huisgenoote opgenomen en
het schenen wel geen arme lieden te zijn; hun huis was zeer ruim en
zij het ook wat ouderwets en zonder opschik, toch gemakkelijk en met
fijnen kunstzin ingericht. Zij was er door verrast dat de tuin zoo
keurig onderhouden werd; een gebochelden tuinman en eenige kinderen
had zij er druk in zien werken. Het bleken zonderlinge helpers te
zijn, want evenals hun scheefgegroeide meester, bezaten ze allen een
of ander lichamelijk gebrek.
Het stuk grond, dat reikte tot aan de langs den Nijloever aangelegde
straat voor voetgangers, wagens en sleepers van Nijlschepen, was smal
en grensde aan weerszijden aan grootere eigendommen, en niet ver van
de plaats waar het den stroom naderde, begon de schipbrug, die Memphis
met het eiland Roda verbond. Aan de rechterzijde van deze bezitting
lag het haar welbekende schoone huis, een paleis mocht men het wel
noemen, van de weduwe Susanna; aan de linkerzijde een wijd uitgestrekt
bosch, waarin slanke palmen, sykomoren met breede bladerenkronen
en dicht opeen gegroeide blauwgroene tamarisken hunne schaduwen
verspreidden. Tusschen deze vereeniging van prachtig opgeschoten
planten en oude boomen lag een langwerpig geel, met een torentje
gekroond gebouw verscholen, dat haar evenzeer niet onbekend was;
want men had er ten huize van den stadhouder dikwijls over gesproken,
en zij was hier reeds eenige malen geweest in het gezelschap van
Perpetua. Dit was het Cæcilia-klooster, dat de laatste nonnen van haar
orthodox geloof herbergde, die in Memphis nog geduld werden. Terwijl
alle andere zusters van hare geloofsbelijdenis sedert lang uit de
stad waren verdreven, mochten zij in hare oude woonstede blijven,
niet alleen omdat men haar waardeerde als goede ziekenverpleegsters,
een voorrecht waarop ook andere Melchietische orden konden roemen,
maar veelmeer, omdat de verarmde stad de rijke belasting niet wilde
missen, die zij jaarlijks betaalden. Die belasting vertegenwoordigde
de renten van een aanzienlijk kapitaal, hetwelk een der voorvaderen
van den Mukaukas aan het klooster had vermaakt, en wel met deze
voorzichtige door Theodosius II met zijn keizerlijk zegel bekrachtigde
bepaling, dat deze stichting, zoodra het klooster zou worden opgeheven,
tegelijk met de landerijen en wat daarop gebouwd was--die het coenobium
insgelijks aan de vrijgevigheid van den stichter te danken had--aan
den regeerenden christelijken keizer in eigendom zouden overgaan.
De overleden Mukaukas, had, niettegenstaande zijne stellige afkeer van
al wat Melchietisch was, zich wel gewacht om de nuttige nonnen iets
in den weg te leggen en hare groote bezittingen aan zijne verarmde
vaderstad te onttrekken, ten einde ze den rijken muzelman in handen
te spelen. De oorkonde, waarop de zusters haar recht grondden, was
deugdelijk, en de rechtsgeleerde en verstandige stadhouder had haar
niet enkel onaangetast gelaten, al was hij in de laatste jaren ook
meer beangst geworden voor zijn eigen persoon, maar was zelfs zonder
vrees voor wien dan ook, bepaald en onbewimpeld tegen het machtig
opperhoofd der Jacobietische kerk voor hare rechtsgeldigheid in de bres
gesprongen. Natuurlijk billijkte de Senaat van de vroegere hoofdstad
Memphis zijne beslissing en duldde niet alleen de zusters die tot
een ander geloof behoorden, maar verleende haar ook menigmaal bijstand.
De Jacobietische geestelijkheid van de stad zag deze instelling door
de vingers en richtte alleen omstreeks paschen haar oog naar het
klooster, want op den voorafgaanden Zaterdag moesten de nonnen,
overeenkomstig eene voor het monophusietisch schisma gemaakte
bepaling, geborduurde priestergewaden, wijn van de voortreffelijkste
wijnbergen bij Kochome in de nabijheid van de trappen-pyramide, en
eene aanzienlijke hoeveelheid bloemen en gebak aan de Christus-kerk
opbrengen. Zoo bleef het oude vrouwenklooster bestaan, en ofschoon
geheel Egypte thans alleen Jacobietisch of Mohammedaansch was,
en menige oude zuster in het laatste jaar het tijdelijke met het
eeuwige verwisseld had, vroeg toch niemand er naar hoe het kwam,
dat het aantal nonnen altijd op dezelfde hoogte bleef, totdat de
Jacobietische aartsbisschop Benjamin in plaats van den Melchiet Cyrus
den patriarchalen zetel innam. Dezen kerkvorst waren de kettersche
vrouwen in Memphis, de havikken in de duiventil, zooals hij ze noemde,
een gruwel, en hij meende de oude schenkingsoorkonde zoo te kunnen
uitleggen, dat, aangezien er geen zuiver christelijk keizer meer was,
terwijl het woord "christelijk" uitdrukkelijk in de oorkonde stond,
het klooster bij zijne opheffing aan het eenig christelijk opperhoofd,
dat het land thans bezat, dat wilde zeggen aan hem en zijne kerk
moest vervallen. De kwade gezindheid van den patriarch tegen den
Mukaukas was door den tegenstand, die hij in dit opzicht bij dezen
had gevonden, tot openbare vijandschap geworden.
Uit dit klooster vernam Paula thans een welluidend klaaggezang. Was
de waardige abdis der nonnen gestorven? Neen, dit treurlied moest
betrekking hebben op een ander sterfgeval, want door de vensters van
hare hoekkamer, die op den Nijl uitzagen, vernam zij van de straat,
de schipbrug en uit eenige booten op den stroom de vreemde, schrille
klaagtonen van Egyptische vrouwen. Geen Jacobietisch bewoner van
Memphis zou het gewaagd hebben om bij den dood eener Melchietische op
zulk eene wijze aan zijne droefheid lucht te geven, en toen het aantal
klagenden bleek toe te nemen, huiverde zij bij de gedachte, dat haar
oom en vriend de vriendelijke, vermoeide oogen had gesloten. Diep
bewogen en met betraande oogen bemerkte zij, hoe oprecht de dood van
dezen rechtschapen man door al zijne medeburgers werd betreurd. Ja,
hem alleen en geen ander Egyptenaar kon deze groote en levendige
droefheid gelden. Weeklagende vrouwen op straat bestreken zich de
borst en het voorhoofd met het Nijlslib van den oever; mannen bleven
bij groepen staan en sloegen zich met hartstochtelijke gebaren voor het
hoofd en op de borst. Op de schipbrug hield de een den ander staande,
en ook van daar drongen weemoedige klaagtonen haar in de ooren.
Eindelijk verscheen Philippus om te bevestigen wat zij wel vreesde. De
dood van den stadhouder had hem niet minder getroffen dan haar, en
hij moest Paula thans alles mededeelen wat hij wist van de laatste
ure van den afgestorvene.
"Bij al dezen jammer," dus besloot de arts, "heb ik toch iets goeds
opgemerkt. Wie zou er gaarne dwalen? En toch verheugt ons niets zoozeer
dan het inzicht van zich in een mensch en zijne gezindheid tot zijn
nadeel bedrogen te hebben. Deze Orion, die zich zelven zoo vergeten
en zich zoo jegens u bezondigd heeft, is toch geen verloren mensch."
"Niet?" vroeg Paula haastig. "Zoo heeft hij dan ook u misleid?"
"Misleid?" vroeg de arts. "Dat zou niet licht gebeuren. Ik heb
helaas aan vele, zeer vele sterfbedden gestaan; want in den regel
roept men mij eerst, wanneer de dood den kranke reeds met den vinger
wenkt. Duizende bedroefden heb ik op zulke plaatsen des lijdens
aangetroffen, en ik verzeker u, dat zijn de beste scholen, de beste
akademiën voor iedereen, die het binnenste van zijne medemenschen
wenscht te leeren kennen. Hier en op de markt, waar 't om het mijn
en dijn te doen is, ziet men onder ons mannen, die vaak wat edel en
groot in ons is even zorgvuldig voor de wereld verbergen als anderen
het gemeene en onbeduidende, ziet men, zeg ik, den mensch in zijn
open gemoed. Na vele stervenden te hebben gezien en anderen die rouw
over hen dragen, zou ik, al ben ik geen Menander of Lucianus, eene
breede rij van menschenbeelden kunnen teekenen, die zoo waarachtig
zijn als hadden zij hun binnenste buiten gekeerd."
"Dat stervenden zich voordoen gelijk zij zijn," hernam Paula,
"dat neem ik gaarne aan. Zij hebben zich niet meer voor anderen te
ontzien; maar de rouwdragenden? Reeds het fatsoen vordert van hen,
dat zij zich verslagen toonen en tranen storten."
"Ja, aan de sterfbedden heerscht droefheid," vervolgde de arts, "maar
het doodenvertrek is als eene kerk. De dood wijdt het en wie hem in
het aangezicht ziet, die laat vaak het masker vallen, waarmede hij
anders zijne medemenschen bedriegt. Dan ziet men aangezichten die ons
doen huiveren, maar ook andere, die wij niet kunnen beschouwen zonder
dat ze ons opnieuw met achting vervullen voor dat ellendig geslacht,
waartoe we ons anders moeten rekenen."
"En voor zulk eene troostrijke figuur houdt gij Orion, den roover,
den vervalscher der getuigen, den onrechtvaardigen rechter?" vroeg
Paula, die van verbazing zich niet kon inhouden.
"Wel zie nu eens!" zeide de arts lachend. "Net als alle andere
vrouwen! Een goochelkunstje, en in een oogwenk is purper wat zoo even
nog rozenrood was! Neen, tot zulk kleurverwisselingen heeft de zoon
van den Mukaukas het nog niet gebracht, maar--en dit stel ik reeds
hoog--hij heeft nog een hart dat voelt en voor indrukken vatbaar
is. Het is voor mij boven allen twijfel verheven, dat hij met warme,
ja hartstochtelijke liefde aan zijn vader gehecht was, ofschoon ik
anders grond genoeg heb om het ergste van hem te denken. Zoolang ik
tegenwoordig kon zijn bij dit sterven, was ik er getuige van, dat
vader en zoon in vriendschap, ja teeder van elkander afscheid namen,
en toen het arme hart van den braven, ouden man stilstond, vond ik
Orion in een toestand weder, zooals wij die verwachten kunnen van
geliefden, die verloren wat hun het dierbaarst op aarde was."
"Comediespel!" riep Paula, haar vriend in de rede vallende.
"Voor zulk een spel, lieve vriendin, ontbrak het aan
toeschouwers. Zulke aandoeningen dringt een Orion zich niet op voor
zijne moeder en de kleine Maria."
"Maar hij is een dichter, en nog wel een hoogbegaafde. Hij zingt bij
de lier heerlijke liederen, die hijzelf heeft gemaakt. Zijn geoefende,
levendige geest verplaatst hem gemakkelijk in die stemming. Maar zijne
ziel is verdorven, als eene spons met water zoo is hij verzadigd met
goddeloosheid. Hij is een vat met schoone gaven, maar al wat er goeds
en groots in hem was heeft hij verloren, alles!"
Het verontwaardigde meisje had deze woorden haastig uitgesproken. De
toorn had hare wangen doen kleuren en zij meende den arts tot hare
zienswijze te hebben overgehaald. Doch deze schudde ernstig het hoofd
en zeide: "Uwe rechtmatige boosheid voert u te ver. Hoe vaak hebt gij
mij over mijn scherp oordeel en mijn twijfel berispt? Doch nu verzoek
ik u mij te veroorloven u te doen deelen in eene ervaring, waartegen
gij waarschijnlijk eergisteren nog niets zoudt hebben ingebracht. Ik
heb booswichten van allerlei slag ontmoet. Denk maar eens hoeveel
moorden door vergiftiging ik had te onderzoeken!"
"Homeros noemde reeds Egypte het gifland," zeide Paula, "en het
is onbegrijpelijk dat het christendom hierin nog niets veranderd
heeft. Meer boosheid, bedrog, haat en wangunst dan hier, heeft zelfs de
wijze Kosmas, die de geheele wereld doorreisde, nergens aangetroffen."
"Gij ziet nu in welk eene goede school mijne ervaringen over het booze
in den mensch gerijpt zijn," zeide de arts lachend, "en zij leeren
mij dat er geen misdadiger, zondaar of booswicht is, hoe verhard en
verdorven, hoe gruwelijk en gewetenloos hij ook zijn mag, in wien nog
niet eene of andere goede eigenschap is overgebleven. Herinnert gij
u nog die afschuwelijke gifmengster Nechebt, die hare beide broeders
en haar eigen vader om het leven bracht? Het is nog pas drie weken
geleden gebeurd. En datzelfde beest in menschelijke gedaante heeft
voor haar ontaarden zoon, die in het keizerlijke leger diende, honger
en dorst geleden, zoodat zij bijna was omgekomen; zij is eindelijk
eene gifmengster geworden, niet om haar eigen jammerlijken toestand te
verbeteren, maar om den schandelijken jongen middelen te verschaffen
voor nieuwe zwelgerijen. Ontelbare voorbeelden van dien aard zou ik
kunnen aanvoeren, doch ik wil u alleen nog iets vertellen van een der
bloeddorstigste en wreedaardigste roovers, die ontelbare malen aan de
veiligheidsbeambten wist te ontkomen, tot hij hun eindelijk in handen
viel. En waardoor? Omdat hij gehoord had dat zijn oud moedertje zwaar
ziek was, en het verlangen hem te machtig was geworden om het rimpelige
wijfje nog eens weer te zien, haar nog eens te kussen, gelijk toen
hij een kind was.--Nu, zoo heeft Orion, voor hoe verdorven wij hem
anders ook houden mogen, in elk geval eene eigenschap, die wij moeten
erkennen: eene teedere liefde voor zijn vader en zijne moeder. Uwe
spons verzadigt zich niet geheel met hetgeen gij goddeloosheid noemt:
daar blijven altijd nog poriën open, die weerstand bieden. En als
bij hem, gelijk bij anderen, het hart hiertoe behoort, dan zeg ik vol
hoop met den Romein Horatius: 'Nil desperandum!' het zou onrecht zijn,
indien wij hem geheel wilden opgeven."
Paula wist op deze verzekering geen antwoord te geven, ja de gedachte
kwam bij haar op dat Orion, als hij niet gelogen had, alleen ter wille
van zijne moeder, het kwikstaartje had gevrijd, met haar beeld in
zijn hart. Juist begon de arts, die het gesprek liever op een ander
onderwerp wilde brengen, weder te spreken over de laatste levensuren
van Mukaukas, toen eene der mismaakte dienstmeisjes eene vrouw kwam
aanmelden, die de dochter van Thomas verlangde te spreken. Weinige
oogenblikken later lag het meisje aan de borst van hare oude, trouwe
vriendin, de voedster, en deze juichte zoo vroolijk en lachte en
weende zoo hartelijk uit louter blijdschap, als ware haar geen kwaad
overkomen, terwijl Paula, de jongere, wie het gebeurde zielsleed had
gedaan, de gedachte daaraan niet van zich kon zetten.
Perpetua begreep haar en duidde haar die kalmte niet euvel, ofschoon
zij zelve als dronken was van vreugde. Zij was, zoo vertelde zij,
in hare heete gevangenis goed verzorgd, en een half uur geleden had
de jonge heer, Orion zelf, de deur voor haar geopend. Hij was zeer
genadig geweest, terwijl hij er bleek en ontdaan uitzag. De overmoedige
jonge man was geheel verouderd, zijne bekreten oogen hadden haar,
Perpetua, tot tranen geroerd. Wat Orion Paula en haarzelve gisteren
had aangedaan, dat mocht God hem vergeven. Zeker was hij door booze
geesten bezeten, want hij was zichzelf niet; maar hij bezat een
vriendelijk goed hart, en ofschoon hij zich ook voor de rechters
hard en onrechtvaardig jegens den armen Hiram had betoond, zoo had
hij toch heden vroeg alles weder goed gemaakt. Hij had dezen niet
alleen uit zijne gevangenis doen ontslaan, maar hem, zooals zij van den
rentmeester Nilus had vernomen, met zijn jongen, twee paarden en rijke
geschenken naar Damascus gezonden. Wie zelf verlangt dat zijn naaste
hem vergeven zal, die mocht ook dezen jonkman gaarne vergeven. De
groote Augustinus was in zijne jeugd zeker geen toonbeeld van deugd
geweest en toch een licht der kerk geworden, en zoo zou de zoon van
den Mukaukas ook wel in de voetstappen zijns vaders treden. Hij was
zeker een goed en schoon jonkman, die ieder stof tot vreugde kon
geven. Heden had hij zich zoo ernstig en plechtig gedragen als een
bisschop, en misschien wandelde hij reeds op beter wegen. Wat Paula
er van zeggen mocht: hijzelf had haar naar den wagen zijner moeder
gebracht, en den menner bevolen haar hierheen te rijden. Haar boeltje
zou morgen aan haar afgegeven en onder hare eigene oogen ingepakt en
weggezonden worden. De rentmeester Nilus was met haar medegekomen,
om eene boodschap aan Paula over te brengen. Hij was eerst naar het
Caecilia-klooster gegaan.
Paula verzocht haar hem vandaar te gaan halen, en zoodra Perpetua
het vertrek verlaten had, zeide zij tot den arts: "Gij hebt reeds
iemand gevonden, die het met u eens is. Wat zijn de menschen toch
veranderlijk. Gisteren avond vond mijne kloeke Betta geen afgrond
der hel diep genoeg voor onzen vijand; en nu! Ja, het is vleiend
door zulk een heerschap in eigen persoon naar den wagen gebracht te
worden; en hoe ras heeft mijn oudje al haar leed vergeten, hoe rustig
en tevreden is zij, nu haar genadig verlof werd gegeven om de nette
zaakjes, waaraan zij zoo gehecht is, eigenhandig in te pakken. Gij
hebt mij eens gezegd dat de Jacobieten van den heidenschen god Osiris
een heiligen Orion hebben gemaakt, en zoo ziet mijne Betta reeds in
den zoon van den Mukaukas een toekomstigen Augustinus. Ik zie reeds
hoe zij hem tot haar schutspatroon maakt, en mij, als wij eerst weer
in Syrië zijn, smeekt om met haar eene bedevaart naar hem te doen."
"En misschien doet gij het haar ten gevalle," zeide de arts, die
sedert zijn hart in liefde voor haar ontbrand was, Paula heden
voor het eerst niet zoo gestemd vond, als een man meent te mogen
verwachten van de vrouw die hij aanbidt. Tot hiertoe had hij niets
in haar opgemerkt, van haar gehoord of ondervonden, wat niet waardig
en edel was, maar hare laatste woorden waren op heftigen, bitteren,
sarcastischen toon geuit, en berisping en bespotting, die niet ten doel
hadden te verbeteren maar te krenken, waren naar zijne overtuiging
een edel vrouwelijk wezen onwaardig. Dat honend gelach, waarmede
zij hare woorden besloot, had hem maar al te duidelijk geopenbaard,
welk eene breede klove er gaapte tusschen hare en zijne inzichten. Hij
was, dat kon hij zich niet ontveinzen, soms groffer, en niet zoo fijn
ontwikkeld als Paula, en hij spotte meer dan goed was. Tot hiertoe had
juist deze zijne gewoonte haar mishaagd, en dat had hem aangemoedigd,
dat was geheel overeenkomstig het ideaal, hetwelk hij zich gevormd had
van de vrouw naar zijn hart. En nu verviel zij tot eene spotternij,
die haar niet schertsend over de lippen kwam, maar hartstochtelijk
opwelde uit haar innig verstoord gemoed, en deze opmerking deed den
menschenkenner leed en maakte hem tegelijk bezorgd.
Paula kon het hem aanzien, dat hij hare laatste woorden afkeurde, en
gevoelde dat die volzin: 'misschien doet gij het haar ten gevalle',
eene diepere beteekenis had. De mannen, dacht zij, worden boos, wanneer
zij hunne zienswijze zeer duidelijk hebben uitgesproken en wij vrouwen
het wagen er onverwijld eene andere tegenover te stellen. Daar zij
den vriend, aan wien zij zooveel goeds te danken had, voor geen prijs
wilde krenken, zeide zij vriendelijk: "Ik wil de bedoeling van uwe
zonderlinge profetie niet nasporen. Goddank is door uwe vriendelijke
en verstandige tusschenkomst thans elke band tusschen mij en den zoon
van mijn armen oom afgesneden. Spreken wij daarom over wat anders;
wij hebben ons reeds te veel met hem beziggehouden!"
"Zoo denk ook ik er over," zeide de arts. "Overigens verzoek ik u mijn
'misschien' te vergeten. Ik ben een man van het tegenwoordige en geen
profeet, maar dat zie ik toch aankomen, dat Orion alle pogingen in
het werk zal stellen, om--het koste wat het wil--"
"Welnu?"
"Om eene toenadering te bewerken, uwe vergeving te verwerven, uw hart
te treffen, u...."
"Dat hij het beproeve!" sprak Paula, terwijl zij de rechterhand
dreigend ophief.
"En wanneer hij, de in ieder opzicht zoo veel begaafde, weder geheel
tot zichzelven komt, en als een gelouterd man, die zich de achting
van alle weldenkenden weet te verwerven...."
"Dan toch zal ik nooit vergeven wat hij misdreven en mij aangedaan
heeft. Meent gij, dat ik uw gesprek met Neforis nu reeds vergeten
ben? Gij verlangt van uwe vrienden niets anders dan eene wakkere
gezindheid, die aan de uwe beantwoordt, en wat anders dan juist die
gezindheid heeft mij van Orion vervreemd? Ontelbaren hebben hunne
handelwijze veranderd, maar ook--antwoord mij oprecht--ook hetgeen
wij onder 'gezindheid' verstaan?"
"Ook deze," antwoordde haar de arts met diepen ernst, "ook deze
kan veranderen. Of wilt gij u aan de zijde van den koopman en zijne
muzelmansche geloofsgenooten scharen, die den mensch beschouwen als
een speelbal van het blinde noodlot? Wat ons, volgens de opvatting
onzer godgeleerden tot iets voorbestemd, dat is het kwade, hetwelk
wij mede ter wereld brengen; de inwendige wedergeboorte, zooals zij
het noemen, kan het onschadelijk maken en ten goede leiden. Maar aan
wien gelukt het midden in het gewoel van de wereld, in den zin waarin
de kerk het bedoelt, zichzelven te dooden, als levend te sterven
en als nieuw mensch weder op te staan? Het gewaad van een boeteling
past niet voor een Orion; doch er zijn voor hem andere mogelijkheden
om het pad terug te vinden, dat hij verlaten heeft. Het lot heeft
zijn verwenden lieveling tot heden zooveel vreugde geschonken, dat
hij te midden van zooveel genot en stof tot dankbaarheid geen tijd
vond om over het leven na te denken. Thans toont het hem zijn ernst
en verlangt van hem dat hij zich bezinnen zal, en als hij een vriend
vindt die hem toeroept, wat mijn vader mij reeds in een brief leerde,
dien hij zijn eenigen kleinen jongen naliet, en hij genegen is dien
te hooren, dan houd ik hem voor gered."
"En hoe luidt dat woord, die raad?" vroeg Paula in spanning.
"In het kort aldus: Het leven is geen maaltijd, die de voorzienigheid
ons voorzet om er van te genieten, maar een dienst dien zij ons te
vervullen geeft met onze beste krachten. Ieder onderzoeke zijn aard en
zijne gaven, en hoe beter het hem gelukt die aan te wenden tot heil
en zegen van de maatschappij, waarvan hij als lid ter wereld kwam,
des te meer zal hij zich innerlijk gelukkig gevoelen, des te zekerder
zal hij eene heerlijke zielsrust verwerven, des te minder vrees zal de
dood hem aanjagen. In het bewustzijn van ook zaden voor de toekomst
te hebben uitgestrooid, sluit hij als een trouw huismeester aan den
avond van elken dag en aan het einde van de laatste hem verleende
levensure de oogen. Ziet Orion dat in, is hij bereid zich niet te
onttrekken aan de verplichting die zijn bestaan hem oplegt, wijdt
hij daaraan met oprechten ernst al zijne krachten, dan kan er een
dag komen, waarop ik zelf met waardeering, ja met bewondering tot hem
zal opzien. De schipbreuk, waarvan de Arabier sprak, is gekomen. Zien
wij toe hoe hij zich uit de golven redt en na de stranding gedraagt."
"Zien wij toe," herhaalde Paula, "en laten wij wenschen dat hij een
raadsman zal vinden! Toen ik u daar hoorde spreken kwam de gedachte
bij mij op als rustte op mij de verplichting.... Maar neen, neen! Hij
zelf heeft door zijn roekeloos gedrag alle aanspraak op medelijden
verloren, die ik na zulk een schrikkelijken slag ook voor een vijand
zou mogen gevoelen. Hij, hij kan en zal niets voor mij zijn tot het
einde der dagen. U ben ik dankbaar, dat deze vreedzame haven zich voor
mij geopend heeft, help mij om al het vijandige te verbannen, dat zou
kunnen naderen om de rust in dit toevluchtsoord te verstoren. Waagt
Orion het, met welk doel dan ook, zich toegang te verschaffen tot dit
huis of het binnen te sluipen, dan verlaat ik mij op u, mijn vriend
en redder!"
Bij deze woorden bood zij Philippus de hand, en terwijl hij de hare
greep vloeide hem het bloed weder sneller door de aderen, en zeide hij
blijmoedig: "Mijne kracht en mijn hart behooren u. Beschik daarover,
en wanneer uwe ziel de vurige liefde van een trouw en eenvoudig man..."
"Niet verder, neen, neen, Philippus!" sprak Paula, hem met angstige
opgewondenheid in de rede vallende. "Laat ons als vrienden, als
broeder en zuster innig aan elkander verbonden blijven."
"Als broeder en zuster?" herhaalde hij dof en met een weemoedig
lachje. "O ja, ook de vriendschap is schoon. Doch--laat mij
uitspreken--ik had van liefde gedroomd, hier, hier binnen voelde
ik de branding van den golfslag der hartstochten, en ik voel haar
nog.... Maar man, man...." en hier drukte hij de vuist tegen zijn
voorhoofd--"hebt gij dwaas dan uw spiegelbeeld vergeten, weet gij niet
meer dat gij een leelijke, grove gezel zijt, dat voor u de prachtige
bloem, waarnaar gij streeft...."
Bij dien heftigen uitval van vertwijfeling ging Paula eenige schreden
terug, maar dadelijk liep zij haar vriend weer tegemoet, en terwijl
zij moedig zijne hand greep, zeide zij met warmte: "Niet zoo,
Philippus, mijne lieve, trouwe, eenige vriend. De prachtige bloem
die gij verlangt, noch ik, noch iemand kan u haar schenken. Ik bezit
haar niet meer, want toen zij zich eens hier binnen had ontplooid,
zijn er voeten gekomen die haar roekeloos vertraden. Smaad niet dat
spiegelbeeld, noem u zelven geen grove gezel. Zooals gij zijt, zoo
kan ook de beste, de schoonste trotsch zijn op uwe liefde. Ben ik
niet reeds trotsch en zal ik het niet blijven op uwe vriendschap?"
"Vriendschap, vriendschap!" herhaalde hij heftig, zijne hand uit de
hare rukkend. "Dit brandende, smachtende hart dorst naar gansch andere
gevoelens! O vrouw, vrouw! Ik ken de ellendeling, die de bloem der
bloemen in uw hart heeft vertreden, en ik dwaas ben zijn lofredenaar,
zijn verdediger en--het koste wat het wil--zal het blijven, zoolang
gij... Misschien schiet die prachtige bloem nieuwe wortels in den
bodem van den haat, en ik, ongelukkige, die haar begoot, kan toezien."
Paula vatte nog eens beide handen van den arts en zeide in diepe
smartelijke zielsangst: "Ik bid, ik bezweer u, ga zoo niet voort,
hoe kan ik zonder mijzelve in gevaar te brengen van de grenzen der
betamelijkheid te overschrijden, die het zedelijk gevoel eener
jonkvrouw gebiedt te eerbiedigen; en hoe kan ik hier onder uwe
bescherming in dagelijksche gemeenschap met u rustig leven, wanneer
gij de grenzen niet ontziet, die eene trouwe, oprechte vriendschap
afbakenen? Ik ben een verlaten meisje, en zou vertwijfelen en
mijzelven prijsgeven, wanneer het geloof mij niet beschutte, dat ik
mij op mijzelve verlaten kan. Vergenoeg u met hetgeen ik u thans kan
aanbieden, en God zal u er voor beloonen! Laten wij beiden de achting
waardig blijven, die wij, den hemel zij dank, met goed recht voor
elkander gevoelen."
De arts boog zich bewogen tot haar neder, drukte, zichzelven bijna
niet meester, de lippen op hare blanke en krachtige hand, terwijl
Perpetua juist met den rentmeester de kamer binnen kwam.
De eerlijke beambte, een eenvoudig man, van middelbare grootte en nog
niet oud, met een bleek, fijn, verstandig gelaat, waarin de zorgen,
de zware arbeid en de last der verantwoordelijkheid diepe sporen
hadden gegroefd, sloeg haastig een scherpen blik op beiden en legde
daarna eene belangrijke som in goudstukken voor Paula neder. Zijn
jonge meester zond dit geld overeenkomstig den wil van zijn overleden
vader, om in de eerste behoeften te voorzien; het overige of grootste
gedeelte van haar vermogen zou haar tegelijk met de afrekening
uitbetaald worden, na de begrafenis van den Mukaukas. Wat het bedrag
harer bezitting aanging, dit kon Nilus reeds nu ongeveer opgeven, en
het bleek dat dit zoo groot was, dat Paula hare ooren niet gelooven
kon. Zij zag zich nu gevrijwaard voor alle verdere zorgen, ja, zij
was zoo welgesteld, dat zij in staat geweest zou zijn om in overdaad
te leven.
De arts was getuige geweest van dit onderhoud, en het had zijn hart
angstig doen kloppen. De gedachte had hem zoo gelukkig gemaakt, dat
hij voor de arme wees Paula alles zou zijn en hij haar voor uitwendig
gebrek zou hebben kunnen bewaren. Hij was bereid geweest alles op
zich te nemen, om de Damasceensche een behoorlijk onderkomen te
verschaffen en haar te voorzien van alles wat zij noodig kon hebben,
en nu bleek het dat zijne beschermeling niet alleen voornamer, maar
ook rijker was dan hij. Het was hem als had Orions bode hem van eene
schoone levensvreugde beroofd; en nadat hij haar gebracht had bij haar
wakkeren ouden gastheer en de zijnen, verliet hij met gebogen hoofd
het huis van Rufinus. Toen de tijd kwam om zich ter ruste te begeven,
mocht Perpetua hare lieve meesteres weder helpen ontkleeden. Doch
Paula kon den slaap niet vatten, en toen zij den volgenden morgen zich
bij hare nieuwe vrienden voegde, moest zij erkennen dat zoo ergens
hier de plaats was, waar zij den verloren vrede terug kon vinden,
dat zij echter nog veel zou hebben te worstelen en een langen weg
moeten afleggen, voor zij dien bereiken kon.