VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

De arts had Paula haar nieuwe verblijf binnengeleid en haar spoedig

bekend gemaakt met hen, die haar voortaan beschermen en haar een

aangenaam leven bereiden zouden. Slechts weinige oogenblikken

was het hem vergund zich aan haar en hare huisgenooten te wijden,

want nauwelijks had hij haar in de met bloemen rijk versierde ruime

vertrekken gevoerd, die haar tot verblijf waren aangewezen, toen twee

boden tegelijk werden aangemeld, die verlangden hem te spreken. Zij

wist hoe bedenkelijk de toestand van haar oom was, en met het dreigend

verlies van dezen man voor oogen werd haar eerst recht duidelijk

wat zij in hem bezeten had. Hare eerste gezellin was dus de smart,

die door het behagelijke van de nieuwe, luchtige, schoone woning des

te scherper uitkwam.

Van de boden was de éen een jonge Arabier, die van de overzijde

des Nijls kwam en aan Philippus een brief van den koopman Haschim

overhandigde. De oude heer deelde hem daarin mede, dat hij tengevolge

van een zwaren val van zijn oudsten zoon zich gedwongen zag terstond

naar Dschidda aan de Roode zee op te breken. Hij bad Philippus verder

te zorgen voor zijn gewonden karavaan-aanvoerder, die hem na aan het

hart lag, en dezen, wanneer hij dat goedkeurde, uit het stadhouderlijk

paleis te laten vertrekken, om hem op eene stillere plaats geheel te

doen herstellen. De zaak van de edele dochter van Thomas zou hij niet

uit het oog verliezen. Een buidel met goudstukken overladen begeleidde

dit schrijven.

De tweede bode moest Philippus onverwijld op den wagen met den

harddraver naar den ernstig zieken Mukaukas terugbrengen. Onverwijld

gaf hij aan deze roepstem gehoor en het vlugge dier, dat door den

menner niet ontzien werd, bracht hem snel naar het paleis. Een

enkele blik op den lijder deed hem zien dat het begin van het einde

was gekomen, doch getrouw aan zijn beginsel om de hoop nooit op te

geven, eer het hart van den lijder ophield te kloppen, richtte hij,

zonder acht te geven op Orion, die aan het hoofdeinde van het bed op

zijne knieën lag, de bewustelooze wat op, wenkte de in het verplegen

van zieken zeer bedrevene diakones, legde nieuwe compressen op het

voorhoofd en in den nek van den door eene beroerte getroffen man,

en deed hem eene aderlating.

Met moeite sloeg de Mukaukas de zware oogleden op, keek angstig in

alle richtingen, en toen hij zijn zoon, die geknield bleef liggen,

zijne in tranen badende gade en den arts herkend had, stamelde hij

onduidelijk en dof, want zijne half verlamde tong weigerde hem den

dienst: "Twee pilletjes, Philippus!"

De arts voldeed zonder tegenspraak aan deze bede van den stervende,

die nu de oogen weder sloot, doch om ze weldra opnieuw te openen en

met dezelfde inspanning als zoo even en tegelijk met hetzelfde helder

bewustzijn te stamelen: "Het loopt ten einde! De zegen der kerk... De

bisschop, Orion!"

De jonge man verliet terstond het vertrek om den prelaat, die reeds

met twee diakenen, een exorcist en een misdienaar voor het dragen

van het noodige kerkgereedschap, in het viridarium wachtte, bij den

kranke te brengen. Deze liet zich kalm en gelaten het laatste avondmaal

toedienen, zag en hoorde naar den exorcist, die met handbewegingen en

vrome spreuken den duivel bande en de booze geesten uitdreef. Doch hij

was niet meer bij machte den wijn en het volgens Jacobietisch gebruik

daarmede vermengde brood door te slikken. Orion deed het in zijne

plaats, en daarbij prevelde de stervende met een glimlach: "U bid ik

allen zegen toe, mijn jongen! De Heer, zoo schijnt het, weigert mij

zijn kostbaar bloed, en toch--toch--laat ik het nog eens beproeven."

Ditmaal gelukte het hem wat wijn en eenige broodkruimels door te

krijgen. De bisschop Plotinos, een zachtmoedig grijsaard met een

schoon, eerwaardig uiterlijk, troostte hem nu en vroeg hem of hij

boetvaardig stierf in het vaste geloof in de genade van zijn Heer en

Heiland, of hij berouw had over zijne zonden en zijn vijanden vergaf.

De kranke deed zijn best om even met het hoofd te knikken en te

stamelen: "Ook de Melchieten, die mijne kinderen vermoord hebben,

ook het hoofd onzer kerk, den patriarch, die liefst door mij liet

volbrengen, wat hijzelf te gevaarlijk achtte. Dat... dat... Maar

Plotinos--gij eerwaardig en wijs dienaar des Heeren--antwoord mij naar

uwe beste overtuiging: Mag ik ook op mijn sterfbed nog gelooven, dat

het geen misdaad is geweest, toen ik vrede sloot met de Arabieren,

die de Grieken verdreven; mag ik de Melchieten ook in deze ure nog

houden voor belijders van een ander geloof?"

De grijze prelaat, wiens rug nog niet door ouderdom was gekromd,

richtte zich op in al zijne lengte, en zijne zachte trekken namen

eene hoog ernstige uitdrukking aan toen hij zeide: "Gij kent de

woorden, die op de Synode van Ephesus gesproken zijn en die in de

borst van elken recht geaarden Jacobiet als in marmer en metaal

gegrift moeten staan. Mogen zij, die Christus verdeelen,--en dat

doen de Melchieten--met het zwaard door midden gedeeld, mogen zij in

stukken gehouwen, mogen zij levend verbrand worden! Zulk een vloek

heeft nog geen hoofd der kerk over de muzelmannen, de aanbidders van

den eenigen God uitgesproken!"

De lijder haalde nu diep adem, doch spoedig daarop zeide hij

fluisterend: "Toch hebben de patriarch Benjamin en Johannes van Nikou

mijne ziel beangst gemaakt. Ook gij, Plotinos, draagt den kromstaf en

ik wil u wel bekennen: uwe ambtsbroeders, de herders der Jacobietische

kudde, hebben mij ontelbare dagen en nachten in vrees en wroeging doen

doorleven, zoodat ik er bijna toe kwam hen te vloeken. Maar voor het

nacht werd verlichtte de Heer mijne ziel en ik vergaf hen; en daarom

bid ik hen door u om hunne vergeving en hun zegen..--De kerk heeft

in deze laatste jaren niet dan met weerzin de deur voor mij geopend,

maar welke knecht kan boos zijn op zijn meester, van wien hij alle

genade verwacht! Zoo hoor mij dan. Als een getrouw en geloovig dienaar

der kerk sluit ik de oogen, en om dit te bewijzen wil ik haar naar

vermogen begiftigen, wil ik haar versieren met rijke, kostbare gaven,

wil ik... Doch ik... ik kan niet verder. Spreek gij in mijne plaats,

Orion. Gij weet het... de edelgesteenten... het tapijt..."

De zoon deed den bisschop nu opening van de rijke schenking van

onschatbare juweelen, die zijn vader aan de kerk had toegedacht. De

stervende wenschte voor de grafkapel van zijne voorvaderen in de

Doodenstad ingezegend en daarna in de Johanneskerk te Alexandrië

naast zijn vader begraven te worden. Voor de gebeden, die voor hem

gedaan zouden worden, had hij in zijn testament eene afzonderlijke

som bepaald. De geestelijken vernamen dit alles met welgevallen,

verleenden hem geheele absolutie, zonder eenig voorbehoud, zegenden

hem toen met bijzondere warmte en verlieten daarna het vertrek.

Philippus haalde vrijer adem, toen de geestelijken vertrokken waren,

vernieuwde meermalen de compressen, terwijl de stervende langen tijd

zwijgend en met gesloten oogen bleef liggen. Daarna wreef hij ze, en

alsof de levensgeest weder ontwaakte, hief hij het hoofd met behulp van

den arts een weinig omhoog, sloeg de oogleden weder op en zeide: "Haal

den ring van mijn vinger, Orion, en draag dien met eere. Waar is de

kleine Maria? Waar is Paula? Ook van hen verlang ik afscheid te nemen."

De jonkman en zijne moeder zagen elkander verlegen aan, doch de laatste

bezon zich spoedig en zeide: "Wij hebben Maria reeds laten halen;

maar Paula,--gij weet dat zij zich bij ons niet tehuis gevoelde--en

sedert het gebeurde van gisteren..."

"Nu?" vroeg de kranke.

"Heeft zij ons huis overhaast verlaten, en--dit moogt gij erbij

weten--is in vrede van mij gescheiden. Doch zij is nog in Memphis

en heeft zeer liefderijk over u gesproken, en u willen zien en nog

vele groeten aan u opgedragen. En wanneer gij erop gesteld zijt haar

te zien..."

De kranke beproefde met het hoofd te knikken, doch tevergeefs, hij

stond er ook niet op haar te laten roepen, doch een diepe weemoed

verspreidde zich langzaam over zijne trekken, en zacht ruischte het van

zijne lippen: "De dochter van Thomas! Edeler en schooner dan allen!"

"Edeler en schooner dan allen!" herhaalde Orion luid met eene zware

stem, die trilde van oprechte aandoening, waarop hij den arts en

de diakones verzocht hem eenige oogenblikken alleen te laten met

zijne ouders.

Zoodra de vreemden zich verwijderd hadden, zeide de jonkman zacht

en met geestdrift aan het oor van den kranke. "Gij hebt het rechte

woord gesproken, vader, zij is beter en edeler, zij is schooner en

denkt verhevener dan iedere andere jonkvrouw. Ik heb haar lief en

wil niets onbeproefd laten om haar hart te winnen.--God, God! Goede

hemel! Dat verheugt u, dat vindt gij goed, vader? Liefste beste vader,

ik kan het u aanzien!"

"Ja, ja, ja," stamelde de kranke; hij richtte zijne geelachtige

oogen, waarin zich groote bloedaderen vertoonden, naar boven, en

prevelde verder met groote inspanning: "Zegen, mijn zegen, over u

en Paula...! Dat moet gij haar herhalen. Had zij den ouden man iets

vroeger haar vertrouwen geschonken, dan zou de vrijgelatene in ons

huis geen dief zijn geworden.--Eene brave ziel; wat heeft zij voor den

armen man gestreden! Ik wil alles later nog eens uitvoeriger hooren,

als mijne krachten het toelaten. Waarom is zij nu niet hier?"

"Zij had u zoo gaarne vaarwel gezegd," antwoordde Neforis, "maar

gij sliept...."

"Had dat gaan dan zoo'n haast?" vroeg haar gemaal met een bitteren

lach. "Is misschien ook vrees voor den smaragd hier in het spel? Maar

hoe kon ik boos op haar zijn? Hiram heeft zeker zonder haar voorkennis

gehandeld, niet waar? Nu, ik wist het! Ach dat schoon, lieftallig

gezicht! Dat nog eens weer te mogen zien! De troost mijner oogen, mijn

tegenpartij aan het schaakbord! Trouw hart! Hoe hing het aan den vader,

voor wien het alles wilde opofferen! Maar gij, gij, mijne oude... Doch

thans geen verwijt! Gij, moeder, gij mijne Neforis... dank, duizendmaal

dank voor zooveel liefde en goedheid. Welke geheimzinnige tooverbanden

knoopt toch zulk eene christelijke echt! Merk het op, Orion! En gij,

moeder--het beangstigt mij--doe gij het meisje niet weder smart

aan. Zeg--het maakt mijn einde licht--zeg, dat gij den bond zegent:

Paula, Orion, wij beiden, beiden... Ik durfde het vroeger niet... Wat

kunnen wij beiden beters wenschen?"

De matrone vouwde de handen samen en zeide snikkende: "Alles, alles

wat gij maar wenscht. Maar vader, maar Orion, ons geloof en--lieve

Heiland!--die arme kleine Katharina!"

"Katharina?" herhaalde de stervende, en een medelijdende

glimlach zweefde over zijne slappe lippen. "Onze jongen en dat

kwik... kwik... Gij weet, wat ik bedoel."

Daarop verhelderden zich zijne oogen, en zacht, maar zoo opgewekt,

als was de dood nog verre, zeide hij: "Georg, de zoon van den Mukaukas

heet ik, ik ben de groote Mukaukas; en ons geslacht: krachtige mannen

zijn het, trotsch van aard, allen, allen; mijn vader, mijn oom, onze

gestorven zonen en hier onze Orion--enkel palmen en eiken! En nu zulk

eene dwerg, zulk een niets dan een rijsje aan den ouden, grooten,

heerlijken stam! Wat daaruit geboren wordt, o--o--beklagenswaardige

schepseltjes! Maar Paula--die ceder van den Libanon--Paula, zij

verjongt dat oude, groote geslacht."

"Maar het geloof, het geloof!" zeide Neforis met een zucht. "En gij,

Orion, weet gij dan, hoe zij over u denkt?"

"Ja, en neen; zwijg daarover in deze ure," smeekte de diep bewogen

jongeling. "O, vader, als ik weet dat uw zegen...."

"Het geloof, het geloof," haastte de Mukaukas zich te zeggen met

gebrokene stem.

"Ik bewaar het mijne!" zeide Orion, terwijl hij de hand zijns vaders

aan zijne lippen bracht. "Denk u en stel u het voor, hoe Paula en

ik dit huis bewonen, en hoe een nieuw geslacht daarin opwast, den

grooten Mukaukas en zijne vaderen waardig!"

"Ik zie het, ik zie het," stamelde de kranke, waarop hij als levenloos

in zijn kussen achterover zonk.

Onverwijld werd de arts geroepen en tegelijk met dezen kwam de

kleine Maria weenende de kamer binnen. De vernieuwde pogingen van den

arts om het leven te wekken bleven niet zonder gevolg; de stervende

opende nogmaals de oogen en zeide meer verstaanbaar en krachtiger

dan te voren: "Het riekt hier naar muskus--dat is de geur, die den

doodsengel voorafgaat."

Daarna bleef hij lang zwijgend en roerloos liggen. Zijne oogen

waren gesloten, maar zijn gerimpeld voorhoofd bewees, dat hij met

inspanning nadacht. Eindelijk haalde hij weder dieper adem en sprak

nauw verstaanbaar: "Zoo was het, zoo is het: De Griek heeft de mijnen

willekeurig als honden, als slaven behandeld; ook de muzelman is een

vreemdeling, maar hij handelt rechtvaardig. Aan wat gebeurd is, kan

ik niets veranderen, maar het is goed, goed zooals het geloopen is!"

Hij herhaalde dat "goed" nog eenige malen, waarop eene huivering hem

overviel en hij klaagde: "Mijne voeten zijn zoo koud, maar laat het

blijven, ik houd van de koelte."

De arts en de diakones maakten zich terstond gereed om hout te

verhitten, ten einde zijne voeten te verwarmen. De kranke zag hen

dankbaar na en vervolgde: "Bij de kerk, in Gods huis, heb ik vaak

de heerlijkste verkoeling gevonden, en thans maakt zij mij door

hare vergeving het sterven gemakkelijk. Gij, mijn zoon, blijf haar

trouw. Een lid van ons huis mag geen afvallige worden. Het nieuwe

geloof--met eene onbegrijpelijke macht onderwerpt het rijk aan

rijk--eer- en winzucht drijft het duizenden in de armen. Maar wij,

wij blijven Jezus Christus trouw en wij zijn geen verraders! Had

ik, ik de Mukaukas, willen doen wat de Kalief van mij verlangde,

dan zou ik als een vorst, met purper bekleed in zijn naam dit land

regeeren. Hoevelen zijn er tot de muzelmannen overgeloopen! De

verzoeking zal ook tot u komen, en hun geloof bezit veel wat de

groote menigte aantrekt. Zij stellen zich een paradijs voor met

onuitsprekelijk bekoorlijke genietingen, maar, nietwaar mijn zoon,

wij zien elkander in onzen hemel weder?"

"Ja, ja, ja, vader!" riep de jonkman. "Ik blijf christen, ik sta vast

en trouw..."

"Genoeg, het is goed!" viel de kranke hem in de rede. Hij wilde er

met opzet niet aan herinnerd worden, dat zijn zoon eene Melchietin

tot vrouw begeerde en vervolgde haastig: "Paula... Maar niets meer

daarover... Het geloof... Blijf het uwe trouw... Anders... Overigens,

mijn kind, zoek uw eigen weg; gij zijt... wandelt op den rechten, en

omdat, juist omdat ik dit weet sterf ik zoo gerust. Voor uw tijdelijk

welzijn heb ik rijkelijk gezorgd. Een goed echtgenoot en liefhebbend

vader--nietwaar mijn Heiland! nietwaar Neforis?--ben ik geweest. En

wat mijn beste, zekerste troost is--vele, vele jaren lang heb ik recht

gesproken in dit land en niet eene enkele maal--gij mijn schild en

trooster, gij zijt mijn getuige!--was ik--o, dat doet goed!--was ik

willens en wetens een onrechtvaardig rechter. De arme en de rijke, de

machtige en de hulpelooze weduwe, ze waren voor mij allen gelijk. Wie

zou gewaagd hebben..."

Hier hield hij op, en terwijl zijne oogen onbestemd door het vertrek

dwaalden, ontmoetten zij de kleine Maria, die tegenover Orion aan de

andere zijde van het hoofdeinde voor het sterfbed op de knieën was

gezonken. De man, die gereed stond van de aarde te scheiden en juist

de slotsom opmaakte van een langdurig werkzaam leven, hield opeens

zijne gedachten in, en zoodra het kind zag, dat hij zich tevergeefs

inspande om het stramme hoofd naar haar toe te keeren wierp zij zich

met hartstochtelijke, smartelijke opgewondenheid op den stervende,

kuste hem zonder vrees voor den starenden blik zijner oogen en de

verandering van kleur op zijn bemind gelaat, zijn mond en zijne wangen

en zeide: "Grootvader, lieve grootvadertje, verlaat ons toch niet,

o ik bid u, blijf bij ons!"

Om zijne droge lippen scheen een glimlach te spelen, en al de

teederheid, die hem over dit jonge lieflijke rozenknopje vervulde,

wilde hij in zijne woorden leggen; doch hij kon slechts klankloos

stamelen: "Maria, mijn lieveling! Om uwentwil zou ik nog gaarne lang

leven, zeer lang; maar die andere wereld... ik sta, sta op den drempel,

het afscheid... ik moet afscheid nemen."

"Neen, neen, ik wil bidden, o zoo innig bidden, tot gij beter wordt,"

riep het kind.

"Neen," was zijn antwoord. "De Heiland heeft mijne hand reeds

gegrepen. Vaarwel, nog eens vaarwel! Hebt gij uwe Paula... hebt

gij haar--ik zie haar niet--hebt gij haar niet medegebracht,

hartje? Zij... is zij knorrig van ons weggeloopen? Als zij maar

wist... Uwe Paula heeft ons toch onrecht gedaan."

Het meisje, vervuld van de schrikkelijke dingen, waartegen haar

oprecht gemoed in verzet kwam, die haar den vorigen avond, den

ganschen nacht en den geheelen morgen geen oogenblik rust hadden

gelaten, bracht haar kopje dicht bij het hoofd van den ouden, besten,

meest geliefden vriend. Jarenlang was hij haar tot een vader geweest,

en nu zou hij sterven, haar voor altijd verlaten! Maar zij kon hem

niet zien heengaan met een verkeerd oordeel over de vriendin, aan wie

zij gehecht was met al de liefde van een warm kinderhart, en daarom

riep zij hem met eene gedempte stem, maar toch met aandrang in het

oor: "Dit eene, grootvader, moet gij nog weten, vóor de Heiland u in

zijne hemelsche zaligheid opneemt. Paula heeft de waarheid gezegd, en

nooit, ook niet ter wille van haren Hiram gelogen. Een stukje bladgoud,

geen gesneden steen, hing er gisteren middag aan haar halssieraad. Wat

Orion ook zegt, ik heb het gezien en mij niet vergist, zoowaar ik u en

mijn armen vader daarboven hoop weer te zien. En Katharina, zij is zoo

straks ook tot inkeer gekomen en heeft mij beleden, dat zij een groote

zonde begaan en een valsch getuigenis voor de rechters afgelegd heeft,

om den zin te doen van haar lieven Orion. Ik weet niet, wat Hiram

haar heeft aangedaan, maar op het getuigenis van Katharina hebben de

rechters hem ter dood veroordeeld, en Paula--dit moet gij weten--heeft

met den diefstal van den smaragd niets, volstrekt niets uit te staan."

Orion was veroordeeld in zijne geknielde houding elk woord, dat die

kleine met zooveel vuur den vader influisterde, te hooren, en ieder

woord trof zijn hart als een dolksteek. Herhaaldelijk had hij de

handen over het bed willen slaan en haar voor de oogen zijns vaders

op den grond willen werpen, doch bij de smart en de verrassing,

die hem gansch en al verlamden vond hij zelfs de kracht niet haar

met een enkel woord in de rede te vallen. Het gesprokene was geuit;

als verpletterd klemde hij zich vast aan den rand van het bed, en

toen zijn vader zich tot hem wendde en rochelend met moeite vroeg:

"Zoo heeft het gerecht, ons eigen gerechtshof een valsch oordeel

geveld?" knikte hij verslagen met het hoofd.

Hierop stamelde de stervende nog onduidelijker en zonder samenhang

de vraag: "Steen.... uit het tapijt.... Gij... misschien.... Hebt

gij... hebt gij, gij zelf den smaragd.... Ik kan niet...."

Orion hielp zijn vader, die tevergeefs worstelde om het onzalige woord

uit te spreken en antwoordde deemoedig en zacht, want hij had liever

met den heengaande willen sterven dan hem in deze ure voor te liegen:

"Ik, vader, heb den steen weggenomen, maar zoo waarachtig als ik u

en mijne moeder liefheb, de eerste lichtvaardige daad mijns levens,

die zulke ontzettende gevolgen na zich moest slepen, zal...."

"Ook de laatste zijn," had hij er willen bijvoegen, maar reeds toen

hem dat "ik heb den steen weggenomen" over de lippen was gekomen,

begon de stervende over zijn gansche lichaam te beven, er kwam eene

akelige verandering in den blik zijner oogen en nog voor de zoon

zijne gelofte had afgelegd, richtte de ongelukkige vader zich met eene

buitengewone krachtsinspanning op, en riep den bleeken, luid snikkenden

en naar adem hijgenden jonkman toe, zoo haastig als zijne zware, bijna

verlamde tong het toeliet, met een gorgelende van toorn bevende stem:

"Gij! Gij! De smaad van het oude, smettelooze gerechtshof! Gij! Weg van

hier! De laatste kleinzoon van Menas een roover, een onrechtvaardig

rechter, een vervalscher van een getuigenis! Kon ik u nog met deze

handen.... Gij... Gij.... Weg van mij, knaap!"

Na deze onstuimige uitbarsting zonk Georg, de zachtmoedige en

rechtvaardige Mukaukas, achterover in zijn kussen; zijne bloederige

oogen staarden ongesloten in de ruimte; de geopende mond scheen telkens

en telkens weder al zachter en zachter dat "knaap" te herhalen; de

gezwollen handen trokken zich krampachtig samen in het dunne dek,

dat over hem gespreid lag; een vreemd, schel geluid kwam over zijne

bleeke lippen; de laatste krachten begaven hem en het ontzielde

lichaam van den waardigen stadhouder zonk aan Orions zijde ineen,

als een gevelde palmboom.

Als razend, met verwilderde haren en vuurroode oogen richtte Orion

zich op, schudde het lijk als wilde hij het dwingen te herleven, om

zijne gelofte te vernieuwen, de tranen van zijn berouw te zien, hem

te vergeven en de verschrikkelijke woorden terug te nemen, waarmede

hij scheidende hem, den veelgeliefden, verwenden zoon, had verstooten.

Onder deze wilde uitingen van zijne vertwijfeling keerde de arts terug,

wierp een blik op het verwrongen gelaat van den afgestorvene, legde

zijne hand op de plaats van het hart en zeide, terwijl hij de kleine

Maria van de legerstede wegtroonde, ernstig en weemoedig: "Deze brave

en rechtvaardige man heeft opgehouden onder de levenden te wandelen."

Orion slaakte een bangen kreet en stootte Maria van zich af,

die hem genaderd was, omdat zij, hoe jong ook, gevoelde, dat zij

onbedacht het schrikkelijkst oordeel over haar oom had gebracht,

en dat het nu haar plicht was hem liefde te bewijzen. Daarop liep

het kind naar hare grootmoeder, maar ook deze duwde haar opzij, en

viel bij den vertwijfelden zoon op de knieën om met hem te weenen

en den ontroostbaren, van wien zij nog weinige oogenblikken geleden

de beste troost voor zichzelve had verwacht, met warme woorden op te

beuren. Doch de moederlijke toespraak scheen geen weerklank te vinden

in zijn gebroken gemoed.

De nijlbruid · 第 27 / 66 题