De arts had Paula haar nieuwe verblijf binnengeleid en haar spoedig
bekend gemaakt met hen, die haar voortaan beschermen en haar een
aangenaam leven bereiden zouden. Slechts weinige oogenblikken
was het hem vergund zich aan haar en hare huisgenooten te wijden,
want nauwelijks had hij haar in de met bloemen rijk versierde ruime
vertrekken gevoerd, die haar tot verblijf waren aangewezen, toen twee
boden tegelijk werden aangemeld, die verlangden hem te spreken. Zij
wist hoe bedenkelijk de toestand van haar oom was, en met het dreigend
verlies van dezen man voor oogen werd haar eerst recht duidelijk
wat zij in hem bezeten had. Hare eerste gezellin was dus de smart,
die door het behagelijke van de nieuwe, luchtige, schoone woning des
te scherper uitkwam.
Van de boden was de éen een jonge Arabier, die van de overzijde
des Nijls kwam en aan Philippus een brief van den koopman Haschim
overhandigde. De oude heer deelde hem daarin mede, dat hij tengevolge
van een zwaren val van zijn oudsten zoon zich gedwongen zag terstond
naar Dschidda aan de Roode zee op te breken. Hij bad Philippus verder
te zorgen voor zijn gewonden karavaan-aanvoerder, die hem na aan het
hart lag, en dezen, wanneer hij dat goedkeurde, uit het stadhouderlijk
paleis te laten vertrekken, om hem op eene stillere plaats geheel te
doen herstellen. De zaak van de edele dochter van Thomas zou hij niet
uit het oog verliezen. Een buidel met goudstukken overladen begeleidde
dit schrijven.
De tweede bode moest Philippus onverwijld op den wagen met den
harddraver naar den ernstig zieken Mukaukas terugbrengen. Onverwijld
gaf hij aan deze roepstem gehoor en het vlugge dier, dat door den
menner niet ontzien werd, bracht hem snel naar het paleis. Een
enkele blik op den lijder deed hem zien dat het begin van het einde
was gekomen, doch getrouw aan zijn beginsel om de hoop nooit op te
geven, eer het hart van den lijder ophield te kloppen, richtte hij,
zonder acht te geven op Orion, die aan het hoofdeinde van het bed op
zijne knieën lag, de bewustelooze wat op, wenkte de in het verplegen
van zieken zeer bedrevene diakones, legde nieuwe compressen op het
voorhoofd en in den nek van den door eene beroerte getroffen man,
en deed hem eene aderlating.
Met moeite sloeg de Mukaukas de zware oogleden op, keek angstig in
alle richtingen, en toen hij zijn zoon, die geknield bleef liggen,
zijne in tranen badende gade en den arts herkend had, stamelde hij
onduidelijk en dof, want zijne half verlamde tong weigerde hem den
dienst: "Twee pilletjes, Philippus!"
De arts voldeed zonder tegenspraak aan deze bede van den stervende,
die nu de oogen weder sloot, doch om ze weldra opnieuw te openen en
met dezelfde inspanning als zoo even en tegelijk met hetzelfde helder
bewustzijn te stamelen: "Het loopt ten einde! De zegen der kerk... De
bisschop, Orion!"
De jonge man verliet terstond het vertrek om den prelaat, die reeds
met twee diakenen, een exorcist en een misdienaar voor het dragen
van het noodige kerkgereedschap, in het viridarium wachtte, bij den
kranke te brengen. Deze liet zich kalm en gelaten het laatste avondmaal
toedienen, zag en hoorde naar den exorcist, die met handbewegingen en
vrome spreuken den duivel bande en de booze geesten uitdreef. Doch hij
was niet meer bij machte den wijn en het volgens Jacobietisch gebruik
daarmede vermengde brood door te slikken. Orion deed het in zijne
plaats, en daarbij prevelde de stervende met een glimlach: "U bid ik
allen zegen toe, mijn jongen! De Heer, zoo schijnt het, weigert mij
zijn kostbaar bloed, en toch--toch--laat ik het nog eens beproeven."
Ditmaal gelukte het hem wat wijn en eenige broodkruimels door te
krijgen. De bisschop Plotinos, een zachtmoedig grijsaard met een
schoon, eerwaardig uiterlijk, troostte hem nu en vroeg hem of hij
boetvaardig stierf in het vaste geloof in de genade van zijn Heer en
Heiland, of hij berouw had over zijne zonden en zijn vijanden vergaf.
De kranke deed zijn best om even met het hoofd te knikken en te
stamelen: "Ook de Melchieten, die mijne kinderen vermoord hebben,
ook het hoofd onzer kerk, den patriarch, die liefst door mij liet
volbrengen, wat hijzelf te gevaarlijk achtte. Dat... dat... Maar
Plotinos--gij eerwaardig en wijs dienaar des Heeren--antwoord mij naar
uwe beste overtuiging: Mag ik ook op mijn sterfbed nog gelooven, dat
het geen misdaad is geweest, toen ik vrede sloot met de Arabieren,
die de Grieken verdreven; mag ik de Melchieten ook in deze ure nog
houden voor belijders van een ander geloof?"
De grijze prelaat, wiens rug nog niet door ouderdom was gekromd,
richtte zich op in al zijne lengte, en zijne zachte trekken namen
eene hoog ernstige uitdrukking aan toen hij zeide: "Gij kent de
woorden, die op de Synode van Ephesus gesproken zijn en die in de
borst van elken recht geaarden Jacobiet als in marmer en metaal
gegrift moeten staan. Mogen zij, die Christus verdeelen,--en dat
doen de Melchieten--met het zwaard door midden gedeeld, mogen zij in
stukken gehouwen, mogen zij levend verbrand worden! Zulk een vloek
heeft nog geen hoofd der kerk over de muzelmannen, de aanbidders van
den eenigen God uitgesproken!"
De lijder haalde nu diep adem, doch spoedig daarop zeide hij
fluisterend: "Toch hebben de patriarch Benjamin en Johannes van Nikou
mijne ziel beangst gemaakt. Ook gij, Plotinos, draagt den kromstaf en
ik wil u wel bekennen: uwe ambtsbroeders, de herders der Jacobietische
kudde, hebben mij ontelbare dagen en nachten in vrees en wroeging doen
doorleven, zoodat ik er bijna toe kwam hen te vloeken. Maar voor het
nacht werd verlichtte de Heer mijne ziel en ik vergaf hen; en daarom
bid ik hen door u om hunne vergeving en hun zegen..--De kerk heeft
in deze laatste jaren niet dan met weerzin de deur voor mij geopend,
maar welke knecht kan boos zijn op zijn meester, van wien hij alle
genade verwacht! Zoo hoor mij dan. Als een getrouw en geloovig dienaar
der kerk sluit ik de oogen, en om dit te bewijzen wil ik haar naar
vermogen begiftigen, wil ik haar versieren met rijke, kostbare gaven,
wil ik... Doch ik... ik kan niet verder. Spreek gij in mijne plaats,
Orion. Gij weet het... de edelgesteenten... het tapijt..."
De zoon deed den bisschop nu opening van de rijke schenking van
onschatbare juweelen, die zijn vader aan de kerk had toegedacht. De
stervende wenschte voor de grafkapel van zijne voorvaderen in de
Doodenstad ingezegend en daarna in de Johanneskerk te Alexandrië
naast zijn vader begraven te worden. Voor de gebeden, die voor hem
gedaan zouden worden, had hij in zijn testament eene afzonderlijke
som bepaald. De geestelijken vernamen dit alles met welgevallen,
verleenden hem geheele absolutie, zonder eenig voorbehoud, zegenden
hem toen met bijzondere warmte en verlieten daarna het vertrek.
Philippus haalde vrijer adem, toen de geestelijken vertrokken waren,
vernieuwde meermalen de compressen, terwijl de stervende langen tijd
zwijgend en met gesloten oogen bleef liggen. Daarna wreef hij ze, en
alsof de levensgeest weder ontwaakte, hief hij het hoofd met behulp van
den arts een weinig omhoog, sloeg de oogleden weder op en zeide: "Haal
den ring van mijn vinger, Orion, en draag dien met eere. Waar is de
kleine Maria? Waar is Paula? Ook van hen verlang ik afscheid te nemen."
De jonkman en zijne moeder zagen elkander verlegen aan, doch de laatste
bezon zich spoedig en zeide: "Wij hebben Maria reeds laten halen;
maar Paula,--gij weet dat zij zich bij ons niet tehuis gevoelde--en
sedert het gebeurde van gisteren..."
"Nu?" vroeg de kranke.
"Heeft zij ons huis overhaast verlaten, en--dit moogt gij erbij
weten--is in vrede van mij gescheiden. Doch zij is nog in Memphis
en heeft zeer liefderijk over u gesproken, en u willen zien en nog
vele groeten aan u opgedragen. En wanneer gij erop gesteld zijt haar
te zien..."
De kranke beproefde met het hoofd te knikken, doch tevergeefs, hij
stond er ook niet op haar te laten roepen, doch een diepe weemoed
verspreidde zich langzaam over zijne trekken, en zacht ruischte het van
zijne lippen: "De dochter van Thomas! Edeler en schooner dan allen!"
"Edeler en schooner dan allen!" herhaalde Orion luid met eene zware
stem, die trilde van oprechte aandoening, waarop hij den arts en
de diakones verzocht hem eenige oogenblikken alleen te laten met
zijne ouders.
Zoodra de vreemden zich verwijderd hadden, zeide de jonkman zacht
en met geestdrift aan het oor van den kranke. "Gij hebt het rechte
woord gesproken, vader, zij is beter en edeler, zij is schooner en
denkt verhevener dan iedere andere jonkvrouw. Ik heb haar lief en
wil niets onbeproefd laten om haar hart te winnen.--God, God! Goede
hemel! Dat verheugt u, dat vindt gij goed, vader? Liefste beste vader,
ik kan het u aanzien!"
"Ja, ja, ja," stamelde de kranke; hij richtte zijne geelachtige
oogen, waarin zich groote bloedaderen vertoonden, naar boven, en
prevelde verder met groote inspanning: "Zegen, mijn zegen, over u
en Paula...! Dat moet gij haar herhalen. Had zij den ouden man iets
vroeger haar vertrouwen geschonken, dan zou de vrijgelatene in ons
huis geen dief zijn geworden.--Eene brave ziel; wat heeft zij voor den
armen man gestreden! Ik wil alles later nog eens uitvoeriger hooren,
als mijne krachten het toelaten. Waarom is zij nu niet hier?"
"Zij had u zoo gaarne vaarwel gezegd," antwoordde Neforis, "maar
gij sliept...."
"Had dat gaan dan zoo'n haast?" vroeg haar gemaal met een bitteren
lach. "Is misschien ook vrees voor den smaragd hier in het spel? Maar
hoe kon ik boos op haar zijn? Hiram heeft zeker zonder haar voorkennis
gehandeld, niet waar? Nu, ik wist het! Ach dat schoon, lieftallig
gezicht! Dat nog eens weer te mogen zien! De troost mijner oogen, mijn
tegenpartij aan het schaakbord! Trouw hart! Hoe hing het aan den vader,
voor wien het alles wilde opofferen! Maar gij, gij, mijne oude... Doch
thans geen verwijt! Gij, moeder, gij mijne Neforis... dank, duizendmaal
dank voor zooveel liefde en goedheid. Welke geheimzinnige tooverbanden
knoopt toch zulk eene christelijke echt! Merk het op, Orion! En gij,
moeder--het beangstigt mij--doe gij het meisje niet weder smart
aan. Zeg--het maakt mijn einde licht--zeg, dat gij den bond zegent:
Paula, Orion, wij beiden, beiden... Ik durfde het vroeger niet... Wat
kunnen wij beiden beters wenschen?"
De matrone vouwde de handen samen en zeide snikkende: "Alles, alles
wat gij maar wenscht. Maar vader, maar Orion, ons geloof en--lieve
Heiland!--die arme kleine Katharina!"
"Katharina?" herhaalde de stervende, en een medelijdende
glimlach zweefde over zijne slappe lippen. "Onze jongen en dat
kwik... kwik... Gij weet, wat ik bedoel."
Daarop verhelderden zich zijne oogen, en zacht, maar zoo opgewekt,
als was de dood nog verre, zeide hij: "Georg, de zoon van den Mukaukas
heet ik, ik ben de groote Mukaukas; en ons geslacht: krachtige mannen
zijn het, trotsch van aard, allen, allen; mijn vader, mijn oom, onze
gestorven zonen en hier onze Orion--enkel palmen en eiken! En nu zulk
eene dwerg, zulk een niets dan een rijsje aan den ouden, grooten,
heerlijken stam! Wat daaruit geboren wordt, o--o--beklagenswaardige
schepseltjes! Maar Paula--die ceder van den Libanon--Paula, zij
verjongt dat oude, groote geslacht."
"Maar het geloof, het geloof!" zeide Neforis met een zucht. "En gij,
Orion, weet gij dan, hoe zij over u denkt?"
"Ja, en neen; zwijg daarover in deze ure," smeekte de diep bewogen
jongeling. "O, vader, als ik weet dat uw zegen...."
"Het geloof, het geloof," haastte de Mukaukas zich te zeggen met
gebrokene stem.
"Ik bewaar het mijne!" zeide Orion, terwijl hij de hand zijns vaders
aan zijne lippen bracht. "Denk u en stel u het voor, hoe Paula en
ik dit huis bewonen, en hoe een nieuw geslacht daarin opwast, den
grooten Mukaukas en zijne vaderen waardig!"
"Ik zie het, ik zie het," stamelde de kranke, waarop hij als levenloos
in zijn kussen achterover zonk.
Onverwijld werd de arts geroepen en tegelijk met dezen kwam de
kleine Maria weenende de kamer binnen. De vernieuwde pogingen van den
arts om het leven te wekken bleven niet zonder gevolg; de stervende
opende nogmaals de oogen en zeide meer verstaanbaar en krachtiger
dan te voren: "Het riekt hier naar muskus--dat is de geur, die den
doodsengel voorafgaat."
Daarna bleef hij lang zwijgend en roerloos liggen. Zijne oogen
waren gesloten, maar zijn gerimpeld voorhoofd bewees, dat hij met
inspanning nadacht. Eindelijk haalde hij weder dieper adem en sprak
nauw verstaanbaar: "Zoo was het, zoo is het: De Griek heeft de mijnen
willekeurig als honden, als slaven behandeld; ook de muzelman is een
vreemdeling, maar hij handelt rechtvaardig. Aan wat gebeurd is, kan
ik niets veranderen, maar het is goed, goed zooals het geloopen is!"
Hij herhaalde dat "goed" nog eenige malen, waarop eene huivering hem
overviel en hij klaagde: "Mijne voeten zijn zoo koud, maar laat het
blijven, ik houd van de koelte."
De arts en de diakones maakten zich terstond gereed om hout te
verhitten, ten einde zijne voeten te verwarmen. De kranke zag hen
dankbaar na en vervolgde: "Bij de kerk, in Gods huis, heb ik vaak
de heerlijkste verkoeling gevonden, en thans maakt zij mij door
hare vergeving het sterven gemakkelijk. Gij, mijn zoon, blijf haar
trouw. Een lid van ons huis mag geen afvallige worden. Het nieuwe
geloof--met eene onbegrijpelijke macht onderwerpt het rijk aan
rijk--eer- en winzucht drijft het duizenden in de armen. Maar wij,
wij blijven Jezus Christus trouw en wij zijn geen verraders! Had
ik, ik de Mukaukas, willen doen wat de Kalief van mij verlangde,
dan zou ik als een vorst, met purper bekleed in zijn naam dit land
regeeren. Hoevelen zijn er tot de muzelmannen overgeloopen! De
verzoeking zal ook tot u komen, en hun geloof bezit veel wat de
groote menigte aantrekt. Zij stellen zich een paradijs voor met
onuitsprekelijk bekoorlijke genietingen, maar, nietwaar mijn zoon,
wij zien elkander in onzen hemel weder?"
"Ja, ja, ja, vader!" riep de jonkman. "Ik blijf christen, ik sta vast
en trouw..."
"Genoeg, het is goed!" viel de kranke hem in de rede. Hij wilde er
met opzet niet aan herinnerd worden, dat zijn zoon eene Melchietin
tot vrouw begeerde en vervolgde haastig: "Paula... Maar niets meer
daarover... Het geloof... Blijf het uwe trouw... Anders... Overigens,
mijn kind, zoek uw eigen weg; gij zijt... wandelt op den rechten, en
omdat, juist omdat ik dit weet sterf ik zoo gerust. Voor uw tijdelijk
welzijn heb ik rijkelijk gezorgd. Een goed echtgenoot en liefhebbend
vader--nietwaar mijn Heiland! nietwaar Neforis?--ben ik geweest. En
wat mijn beste, zekerste troost is--vele, vele jaren lang heb ik recht
gesproken in dit land en niet eene enkele maal--gij mijn schild en
trooster, gij zijt mijn getuige!--was ik--o, dat doet goed!--was ik
willens en wetens een onrechtvaardig rechter. De arme en de rijke, de
machtige en de hulpelooze weduwe, ze waren voor mij allen gelijk. Wie
zou gewaagd hebben..."
Hier hield hij op, en terwijl zijne oogen onbestemd door het vertrek
dwaalden, ontmoetten zij de kleine Maria, die tegenover Orion aan de
andere zijde van het hoofdeinde voor het sterfbed op de knieën was
gezonken. De man, die gereed stond van de aarde te scheiden en juist
de slotsom opmaakte van een langdurig werkzaam leven, hield opeens
zijne gedachten in, en zoodra het kind zag, dat hij zich tevergeefs
inspande om het stramme hoofd naar haar toe te keeren wierp zij zich
met hartstochtelijke, smartelijke opgewondenheid op den stervende,
kuste hem zonder vrees voor den starenden blik zijner oogen en de
verandering van kleur op zijn bemind gelaat, zijn mond en zijne wangen
en zeide: "Grootvader, lieve grootvadertje, verlaat ons toch niet,
o ik bid u, blijf bij ons!"
Om zijne droge lippen scheen een glimlach te spelen, en al de
teederheid, die hem over dit jonge lieflijke rozenknopje vervulde,
wilde hij in zijne woorden leggen; doch hij kon slechts klankloos
stamelen: "Maria, mijn lieveling! Om uwentwil zou ik nog gaarne lang
leven, zeer lang; maar die andere wereld... ik sta, sta op den drempel,
het afscheid... ik moet afscheid nemen."
"Neen, neen, ik wil bidden, o zoo innig bidden, tot gij beter wordt,"
riep het kind.
"Neen," was zijn antwoord. "De Heiland heeft mijne hand reeds
gegrepen. Vaarwel, nog eens vaarwel! Hebt gij uwe Paula... hebt
gij haar--ik zie haar niet--hebt gij haar niet medegebracht,
hartje? Zij... is zij knorrig van ons weggeloopen? Als zij maar
wist... Uwe Paula heeft ons toch onrecht gedaan."
Het meisje, vervuld van de schrikkelijke dingen, waartegen haar
oprecht gemoed in verzet kwam, die haar den vorigen avond, den
ganschen nacht en den geheelen morgen geen oogenblik rust hadden
gelaten, bracht haar kopje dicht bij het hoofd van den ouden, besten,
meest geliefden vriend. Jarenlang was hij haar tot een vader geweest,
en nu zou hij sterven, haar voor altijd verlaten! Maar zij kon hem
niet zien heengaan met een verkeerd oordeel over de vriendin, aan wie
zij gehecht was met al de liefde van een warm kinderhart, en daarom
riep zij hem met eene gedempte stem, maar toch met aandrang in het
oor: "Dit eene, grootvader, moet gij nog weten, vóor de Heiland u in
zijne hemelsche zaligheid opneemt. Paula heeft de waarheid gezegd, en
nooit, ook niet ter wille van haren Hiram gelogen. Een stukje bladgoud,
geen gesneden steen, hing er gisteren middag aan haar halssieraad. Wat
Orion ook zegt, ik heb het gezien en mij niet vergist, zoowaar ik u en
mijn armen vader daarboven hoop weer te zien. En Katharina, zij is zoo
straks ook tot inkeer gekomen en heeft mij beleden, dat zij een groote
zonde begaan en een valsch getuigenis voor de rechters afgelegd heeft,
om den zin te doen van haar lieven Orion. Ik weet niet, wat Hiram
haar heeft aangedaan, maar op het getuigenis van Katharina hebben de
rechters hem ter dood veroordeeld, en Paula--dit moet gij weten--heeft
met den diefstal van den smaragd niets, volstrekt niets uit te staan."
Orion was veroordeeld in zijne geknielde houding elk woord, dat die
kleine met zooveel vuur den vader influisterde, te hooren, en ieder
woord trof zijn hart als een dolksteek. Herhaaldelijk had hij de
handen over het bed willen slaan en haar voor de oogen zijns vaders
op den grond willen werpen, doch bij de smart en de verrassing,
die hem gansch en al verlamden vond hij zelfs de kracht niet haar
met een enkel woord in de rede te vallen. Het gesprokene was geuit;
als verpletterd klemde hij zich vast aan den rand van het bed, en
toen zijn vader zich tot hem wendde en rochelend met moeite vroeg:
"Zoo heeft het gerecht, ons eigen gerechtshof een valsch oordeel
geveld?" knikte hij verslagen met het hoofd.
Hierop stamelde de stervende nog onduidelijker en zonder samenhang
de vraag: "Steen.... uit het tapijt.... Gij... misschien.... Hebt
gij... hebt gij, gij zelf den smaragd.... Ik kan niet...."
Orion hielp zijn vader, die tevergeefs worstelde om het onzalige woord
uit te spreken en antwoordde deemoedig en zacht, want hij had liever
met den heengaande willen sterven dan hem in deze ure voor te liegen:
"Ik, vader, heb den steen weggenomen, maar zoo waarachtig als ik u
en mijne moeder liefheb, de eerste lichtvaardige daad mijns levens,
die zulke ontzettende gevolgen na zich moest slepen, zal...."
"Ook de laatste zijn," had hij er willen bijvoegen, maar reeds toen
hem dat "ik heb den steen weggenomen" over de lippen was gekomen,
begon de stervende over zijn gansche lichaam te beven, er kwam eene
akelige verandering in den blik zijner oogen en nog voor de zoon
zijne gelofte had afgelegd, richtte de ongelukkige vader zich met eene
buitengewone krachtsinspanning op, en riep den bleeken, luid snikkenden
en naar adem hijgenden jonkman toe, zoo haastig als zijne zware, bijna
verlamde tong het toeliet, met een gorgelende van toorn bevende stem:
"Gij! Gij! De smaad van het oude, smettelooze gerechtshof! Gij! Weg van
hier! De laatste kleinzoon van Menas een roover, een onrechtvaardig
rechter, een vervalscher van een getuigenis! Kon ik u nog met deze
handen.... Gij... Gij.... Weg van mij, knaap!"
Na deze onstuimige uitbarsting zonk Georg, de zachtmoedige en
rechtvaardige Mukaukas, achterover in zijn kussen; zijne bloederige
oogen staarden ongesloten in de ruimte; de geopende mond scheen telkens
en telkens weder al zachter en zachter dat "knaap" te herhalen; de
gezwollen handen trokken zich krampachtig samen in het dunne dek,
dat over hem gespreid lag; een vreemd, schel geluid kwam over zijne
bleeke lippen; de laatste krachten begaven hem en het ontzielde
lichaam van den waardigen stadhouder zonk aan Orions zijde ineen,
als een gevelde palmboom.
Als razend, met verwilderde haren en vuurroode oogen richtte Orion
zich op, schudde het lijk als wilde hij het dwingen te herleven, om
zijne gelofte te vernieuwen, de tranen van zijn berouw te zien, hem
te vergeven en de verschrikkelijke woorden terug te nemen, waarmede
hij scheidende hem, den veelgeliefden, verwenden zoon, had verstooten.
Onder deze wilde uitingen van zijne vertwijfeling keerde de arts terug,
wierp een blik op het verwrongen gelaat van den afgestorvene, legde
zijne hand op de plaats van het hart en zeide, terwijl hij de kleine
Maria van de legerstede wegtroonde, ernstig en weemoedig: "Deze brave
en rechtvaardige man heeft opgehouden onder de levenden te wandelen."
Orion slaakte een bangen kreet en stootte Maria van zich af,
die hem genaderd was, omdat zij, hoe jong ook, gevoelde, dat zij
onbedacht het schrikkelijkst oordeel over haar oom had gebracht,
en dat het nu haar plicht was hem liefde te bewijzen. Daarop liep
het kind naar hare grootmoeder, maar ook deze duwde haar opzij, en
viel bij den vertwijfelden zoon op de knieën om met hem te weenen
en den ontroostbaren, van wien zij nog weinige oogenblikken geleden
de beste troost voor zichzelve had verwacht, met warme woorden op te
beuren. Doch de moederlijke toespraak scheen geen weerklank te vinden
in zijn gebroken gemoed.