VEERTIENDE HOOFDSTUK.

In den voormiddag van den volgenden dag zat de kleine Maria op een

laag rieten stoeltje onder dezelfde sykomoren, die gisteren het jonge

en korte liefdesgeluk van het kwikstaartje hadden overschaduwd. Naast

haar had de opvoedster Eudoxia plaats genomen, onder wier opzicht zij

uit een Griekschen catechismus de tien geboden moest afschrijven. De

leerares was door de toenemende hitte en den bloemengeur rondom

zich ingedommeld en hare leerlinge liet de schrijfstift rusten. Met

bekreten oogen staarde zij op de schelpen, die over het pad gestrooid

lagen, en gebruikte hare lange liniaal eerst om er in te woelen,

vervolgens om de woorden "Paula" en "Paula Maria's geliefde" met

groote beginletters erin te griffelen. Een kapelletje alleen, dat de

bewegingen van het stokje volgde, bracht nu en dan een vriendelijken

trek op haar gezichtje, waarvan de droeve geest der bekommernis

gelukkig de vroolijkheid nog niet geheel had kunnen verjagen. Toch

deed het hartje haar pijn. Even stil als in hare omgeving was het

in den geheelen tuin en ook in huis; want vóor zonsopgang was de

toestand van grootvader veel ernstiger geworden, en elk gedruisch

moest uit zijne nabijheid worden geweerd.

Maria dacht juist aan den armen kranke, hoe zwaar hij lijden moest

en hoezeer het ook hem pijn zou doen van Paula te scheiden, toen zij

in de laan Katharina zag aankomen. De zestienjarige deed heden haar

bijnaam van kwikstaartje weinig eer aan, want hare kleine voetjes

sleepten door het schelpzand; haar kopje hing van vermoeidheid

voorover, en als een der duizende kleine insecten, die zich in de

zonnige morgenlucht wiegden, haar te nabij kwam, sloeg zij knorrig

naar het beestje met haar waaier.

Toen zij bij Maria was gekomen riep zij haar het gewone "Verblijd

u!" toe, doch de kleine beantwoordde dezen groet met een onwillig

hoofdknikje, keerde haar vervolgens den rug toe en ging voort met in

de schelpen te schrijven.

Katharina lette echter nog niet op deze koele ontvangst, maar ging

voort op deelnemenden toon: "Het moet met uw armen grootvader niet

best gesteld zijn."

Maria haalde de schouders op.

"Men zegt zelfs dat hij zeer bedenkelijk ziek is; ik heb Philippus

zelf gesproken."

"Zoo?" zeide Maria, zonder de oudere vriendin aan te zien, terwijl

zij hare bezigheid voortzette.

"Orion is bij hem," ging Katharina voort. "En Paula, wil zij het

stadhouderlijk paleis werkelijk verlaten?"

Het meisje knikte zwijgend met het hoofd, terwijl er opnieuw tranen

in hare oogen welden. Het kwikstaartje merkte nu op, dat de kleine

er treurig uitzag en haar met opzet niet te woord stond. Op een

ander tijdstip zou zij zich dit weinig hebben aangetrokken, maar

heden hinderde haar dat zwijgen, ja het werd haar te benauwend, en

daarom plaatste zij zich tegenover Maria, die de liniaal rusteloos

heen en weer bewoog, en zeide luid en gekrenkt: "Het schijnt wel dat

ik sedert gisteren in ongenade ben gevallen. Nu dat moet gij weten,

maar zulk eene onfatsoenlijke bejegening, dat zeg ik u, laat ik mij

niet welgevallen."

De opvoedster, die wakker was geworden door de schelle stem van

Katharina, had de laatste woorden verstaan, en terwijl zij eene

waardige houding aannam, vroeg zij op strengen toon: "Hoe heeft men

zich jegens lieve gasten te gedragen, Maria?"

"Die zie ik hier niet," antwoordde het kind, spijtig de lip

optrekkende.

"Maar ik wel," zeide de opvoedster. "Gij gedraagt u als het dochtertje

van een barbaar, niet als een Helleensch opgevoed meisje. Katharina

is geen kind meer, al verwaardigt zij zich menigmaal om met u te

spelen. Kom, ga dadelijk tot haar en vraag haar vergiffenis voor dit

onbetaamlijk woord."

"Ik?" vroeg het kind, en in die vraag lag zeer duidelijk opgesloten,

dat zij aan dit bevel niet dacht te voldoen. Daarna sprong zij op en

zeide met fonkelende oogen: "Wij zijn geene Griekinnen, gij noch ik,

en als gij het nog eens hooren wilt: Zij is, neen zij is niet meer

mijne lieve gast, mijne vriendin; neen, wij hebben niets, volstrekt

niets meer met elkaar te maken!"

"Zijt ge gek geworden?" riep Eudoxia, en haar lang gezicht kreeg eene

dreigende uitdrukking, terwijl zij ondanks de toenemende warmte van

den dag uit haar diepen zetel oprees en zich gereed maakte naar hare

leerling toe te gaan, ten einde haar met geweld te dwingen vergeving

te vragen. Doch Maria was vlugger dan de bejaarde Griekin en vloog

gezwind als eene gazel de laan af naar den stroom.

Eudoxia beproefde haar te volgen, doch de hitte verlamde weldra

hare schreden; toen zij uitgeput en hijgend bleef staan, zag zij hoe

Katharina, die nu opeens weder het oude kwikstaartje was geworden,

haar voorbij vloog en het kind met eene snelheid volgde, dat zij

ervan huiverde.

Maria merkte spoedig op dat zij alleen door Katharina gevolgd werd,

matigde haar loop en wachtte in de schaduw de verstooten vriendin af.

Weldra stond Katharina met vuurroode wangen tegenover haar,

greep hare beide handjes en zeide boos: "Wat hebt gij daarginds

gezegd? Gij... Gij... Wist ik niet wat eigenzinnig wijsneusje ge zijt,

dan zou ik in staat zijn..."

"Dan zoudt gij in staat zijn mij valsch te beschuldigen! Maar nu zult

ge me loslaten, of ik bijt u!" En toen Katharina op deze bedreiging

hare handjes losliet, ging zij nog heftiger voort: "O, o, ik ken u

sedert gisteren! En als ge het nog eens hooren wilt: ik bedank voor

zulk eene vriendin! Gij moest u schamen en diep in den grond zinken

voor de zonde die gij begaan hebt. Ik ben pas tien jaren maar eer

ik zoo iets deed, liet ik mij liever in dat heete hok opsluiten met

de arme Perpetua, liet ik liever mij dood maken, gelijk gij van plan

zijt--foei, 't is schande!--het den armen eerlijken ruiter Hiram te

laten doen!"

Katharina's blozende wangen verbleekten bij deze woorden en daar zij

niets hiertegen inbrengen kon, wierp zij het hoofdje in den nek en

antwoordde zoo trotsch en bedaard als zij maar kon: "Wat weet zulk een

kind van dingen, waarover zelfs groote menschen zich het hoofd breken?"

"Groote menschen!" lachte Maria, die nauwelijks drie vingerbreedten

kleiner was dan hare tegenpartij. "Groei eerst flink uit de kluiten en

noem u dan groot! Over twee jaren komt gij juist tot aan mijne oogen."

Nu steeg het driftige Egyptische meisje het bloed naar het hoofd,

en zij gaf het kind met de vlakke hand een klap in het gezicht. Maria

bleef als verstijfd voor haar staan, en nadat zij enkele oogenblikken

zonder eenig geluid te geven de oogen naar den grond had geslagen,

keerde zij Katharina den rug toe, en ging zwijgende naar de

schaduwrijke laan terug.

Katharina volgde haar met betraande oogen. Zij gevoelde dat Maria

het recht had af te keuren wat zij gisteren gedaan had, want zijzelve

had er niet van kunnen slapen en was meer en meer tot de overtuiging

gekomen, dat zij slecht, ja onvergeeflijk gehandeld had. Thans had zij

zich weder aan iets onverantwoordelijks schuldig gemaakt. Zij gevoelde

dat zij het kind verdriet had gedaan en dat deed haar oprecht leed. Als

eene dienstmaagd volgde zij Maria zwijgende op een afstand. Gaarne had

zij haar bij haar kleedje teruggehouden, haar goede woordjes gegeven,

haar zelfs om vergeving gebeden, en toen zij de plaats naderde,

waar de opvoedster zich weder als het ongelukkige slachtoffer van

de Egyptische hitte in den gemakkelijken stoel had neergevlijd,

riep zij Maria bij haar naam.

Het kind weigerde haar aan te hooren, waarop zij haar de hand op

de schouder legde en op deemoedigen, ja, smeekenden toon zeide:

"Vergeef me dat ik mijzelve zoover heb vergeten; maar wat kan ik er

tegen doen dat ik klein ben. Gij weet het, wanneer iemand daarmee

den spot drijft..."

"Dan wordt gij boos en slaat," antwoordde het meisje en liep weder

door. "Gisteren had ik misschien nog om zoo'n oorveeg gelachen, want

het is de eerste niet geweest, of misschien had ik er een teruggegeven;

maar heden--het was mij zoo even," en hier voer haar onwillekeurig

eene rilling door de leden, "zoo even was het mij alsof de leelijke

hand van eene zwarte slavin mij over het gezicht was gegaan. Gij zijt

ook niet meer die gij geweest zijt; gij zet uwe voeten heel anders

neer en ziet er--dat verzeker ik u--in het geheel niet zoo netjes en

vroolijk meer uit als vroeger. Ik weet ook waarom: Gij hebt gisteren

avond eene groote zonde begaan."

"Maar lieve schatje," zeide de andere op smeekenden toon, "gij moet

niet zoo hard zijn. Wellicht heb ik voor de rechters niet alles gezegd

wat ik wist, doch Orion, die mij zoo liefheeft, en wiens vrouwtje ik

toch worden zal..."

"Hij heeft u tot die zonde verleid," hernam de kleine. "Ja, ook hij is

goed en vroolijk en vriendelijk geweest tot gisteren, maar sedert... O

die ongelukkige dag!"

Hier viel de opvoedster Eudoxia haar in de rede, om haar met een vloed

van verwijten te overladen en haar eindelijk te bevelen weder aan haar

werk te gaan. Het kind deed zonder tegenspraak wat haar gezegd werd,

doch het had nauwelijks het wastafeltje voor zich gelegd of Katharina

was weer aan hare zijde en fluisterde haar in het oor, dat Orion

zeker gezegd had wat hij voor waarheid hield, en dat zij werkelijk

in twijfel had verkeerd of een gesneden steen met een gouden rug,

dan wel een ledig stuk bladgoud aan Paulas keten had gehangen.

Opeens keerde Maria zich naar haar toe, zag haar flink in de oogen

en zeide, om niet door Eudoxia verstaan te worden in hare Egyptische

moedertaal, waarvan de Griekin het beneden zich had geacht ook maar

een enkel woord te leeren: "Een armzalig aan den rand omgebogen

stuk bladgoud heeft aan de keten gehangen, dat ten overvloede nog

aan uw kleed bleef haken. Ik zie het nog voor mij! En als gij voor

de rechters hebt gezegd, dat het een onyx is geweest, dan hebt gij

gelogen. Daar zie maar, dat zijn de wetten die de goede God zelf op

den heiligen berg Sinaï heeft gegeven, hier staat het geschreven:

'Gij zult geen valsche getuigenis geven tegen uw naaste', en wie dat

gebod overtreedt, heeft de presbyter mij geleerd, die maakt zich aan

eene doodzonde schuldig, waarvoor geen vergeving is op aarde noch in

den hemel, dan alleen door zware boete en door de bijzondere genade

van onzen Verlosser. Zoo staat er geschreven, en hebt gij werkelijk

voor de rechters kunnen verklaren wat valsch is en onwaar, en wat

anderen in het verderf moet storten?"

De jeugdige aangeklaagde, in verwarring gebracht, keek bedremmeld

naar den grond en zeide aarzelende: "Orion heeft het zoo stellig en

zeker beweerd en dan--ik weet zelve niet hoe het zoo gekomen is--maar

ik werd zoo boos op haar, zoo... Ik zou haar hebben kunnen vermoorden!"

"Wie?" vroeg Maria verbaasd.

"Dat weet gij wel, Paula!"

"Haar?" vroeg Maria, en wederom welden er tranen in hare groote

oogen. "Hoe is het mogelijk! Hebt gij haar niet even lief gehad als

ik? Hebt gij niet menigmaal als eene klis aan haar gehangen?"

"Ja, dat heb ik. Doch voor de rechters was zij zoo afgrijselijk

trotsch, en dan... Maar dat alles kunt gij, geloof mij, Maria!.. kunt

gij wezenlijk en waarlijk nog niet verstaan..."

"Niet?" vroeg het kind, de armen over elkander kruisende. "Voor hoe

onnoozel ziet ge mij dan wel aan? Gij zijt op Orion verzot,--en hij

is ook een man zooals er weinigen zijn--verliefd tot over de ooren,

en daar Paula er naast u als eene koningin uitziet en veel grooter

en schooner is dan gij, en Orion--ja, ik heb het wel opgemerkt--tot

gisteren duizendmaal meer werk maakte van haar dan van u, zijt gij

ijverzuchtig en nijdig op haar geworden. O, ik weet alles! Ik weet ook

dat alle vrouwen verliefd op hem worden, dat zij Mandane om zijnentwil

de ooren hebben afgesneden, en dat zijn schatje in Konstantinopel hem

dat witte hondje gegeven heeft. De slavinnen vertellen mij alles wat

zij weten en wat ik maar hooren wil. Gij hebt wel reden om op Paula

jaloersch te zijn, want als zij het erop aan wilde leggen, lieve God,

hoe spoedig zou Orion u zelfs niet meer aanzien! Zij is het schoonste,

verstandigste, beste meisje op de geheele aarde, en waarom zou zij

niet trotsch zijn? Het valsche getuigenis dat gij gegeven hebt, zal

den armen Hiram het leven kosten. De goede Heiland moge het u eens

vergeven! Dat is uwe zaak en dat gaat mij niet aan, maar dat Paula om

uwentwil het huis verlaat, dat ik haar nooit, nooit weder zal zien,

ik geloof niet dat ik u dit ooit vergeven kan, doch ik wil er God

om bidden."

Hierop barstte zij uit in snikken en tranen; de opvoedster stond

reeds op, om aan dat gebabbel, waarvan zij geen woord verstond en

dat haar daarom hinderde en verontrustte, een eind te maken, toen

het kwikstaartje zich voor het kind op de knieën wierp, het met

beide armen omvatte en evenzeer onder een vloed van tranen uitriep:

"Maria, lieve Marietje, [10] vergeef mij. O als gij wist wat ik al heb

uitgestaan voor ik hier kwam. Vergeef mij, Maria, wees weder goed op

mij, Marietje! Zeker, zeker, gij zijt veel beter dan ik. Goede Heiland,

waartoe ben ik gisteren avond gekomen, en dat door hem, door hem dien

ieder mensch liefhebben moet, door Orion alleen! Geloof mij, ik weet

nog niet eens waarom hij mij tot deze zonde verleid heeft. Maar ik

moet beproeven niet meer goed op hem te zijn, hem geheel te vergeten,

hoewel, hoewel... Denk eens, dat hij mij zijn bruidje heeft genoemd;

maar nu hij mij zoo bedrogen heeft, mag ik het nu nog wagen zijne vrouw

te worden? Het heeft mij den geheelen nacht geen rust gelaten. Ik

heb hem lief, gij weet niet hoe innig, maar ik kan toch zijne vrouw

niet worden; ik ga liever in een klooster, of werp mij in den Nijl,

en dat alles wil ik nog heden aan mijne moeder zeggen."

De Griekin had het meisje verbaasd aangekeken en het was inderdaad

een vreemd gezicht deze jonkvrouw voor dit kind geknield te zien. Zij

luisterde naar den tintelenden stroom van voor haar onverstaanbare

woorden en overwoog hoe zij hare kweekelinge, desnoods met hulp van

hare grootmoeder, ertoe brengen zou, om fatsoenlijke Grieksche vormen

aan te nemen. Daar kwam Paula de laan in. De slaven, die haar met

enkele kisten en pakken op een groote berrie gevolgd waren, liepen

door naar den Nijl, waar de boot gereed lag, die haar naar het nieuwe

verblijf zou overbrengen.

Zwijgend en onopgemerkt liet zij de oogen een tijdlang rusten op

dat roerend tafereel der beide meisjes, van welke de eene de andere

omkneld hield, en ving de laatste woorden op van dat lieftallig jonge

schepseltje, hetwelk haar zooveel leed had berokkend. Zij vermoedde

alleen wat hier voorgevallen was doch het stuitte haar tegen de borst

langer te luisteren en daarom riep zij Maria. Toen deze opvloog en

met onverdeelde, onstuimige teederheid haar om den hals vloog, bedekte

zij haar kopje en haar aangezicht met kusjes. Daarna maakte zij zich

los uit de omarming van het kind en zeide zacht met betraande oogen:

"Vaarwel mijne lieveling! Over weinige oogenblikken behoor ik niet

meer tot de uwen, en een ander, een vreemd huis zal mij opnemen. Blijf

mij liefhebben en vergeet mij niet; weet dat gij op aarde geen trouwer

vriendin hebt dan mij."

De tranen rolden Maria opnieuw langs de wangen en het kind bezwoer

haar niet te gaan, haar niet te verlaten. Doch Paula sloeg deze bede

af, geroerd en verbaasd, dat zij aan deze plaats, waar zij zoo weinig

liefde had gezaaid, toch zooveel warme liefde had geoogst. Vervolgens

reikte zij de opvoedster de hand tot afscheid en toen zij zich

tot Katharina wendde, om ook haar, de moordenares van haar geluk,

vaarwel te zeggen, hoe zwaar het haar ook viel, zonk het kwikstaartje,

badende in tranen van berouw, aan hare voeten, bedekte hare knieën

en handen met kussen en bekende dat zij schuldig was aan de grootste

misdaad. Maar Paula liet haar niet uitspreken, kuste haar op het

voorhoofd en zeide, dat zij begreep hoe zij tot deze zonde gekomen was,

en evenals Maria zou trachten haar te vergeven.

Bij de met vele roeiers bemande boot van den stadhouder, waarheen

de meisjes haar vergezelden, vond zij Orion. Hij had dezen morgen

tweemaal tevergeefs getracht gehoor bij haar te vinden en zag er bleek

en ontdaan uit. Met een heerlijken bloemruiker in de hand groette hij

Maria en zijn bruidje vluchtig, en merkte niet eens op dat Katharina

zwijgend en aarzelend wedergroette. Daarop naderde hij Paula, deelde

haar in stilte mede dat Hiram gered was, en bezwoer haar, zoo zij

voor zichzelve op vergeving harer zonden hoopte, hem slechts enkele

oogenblikken gehoor te geven. Toen zij echter met een stilzwijgend

schouderophalen dit verzoek weigerde en naar de boot ging, strekte

hij zijne hand uit om haar te helpen; doch met opzet wendde zij haar

blik terzijde en reikte den arts hare rechterhand.

Orion sprong haar in de boot na en fluisterde haar met bevende stem in

het oor: "Een ellendige, een ongelukkige smeekt u om genade. Gisteren

was ik waanzinnig. Ik heb u lief, ja ik heb u lief, meisje, hoe--dat

zult ondervinden!"

"Genoeg!" riep zij luide, hem belettende verder te gaan, rechtop

staande in de waggelende boot.

Philippus steunde haar terwijl zij zich nederzette, doch Orion legde

den ruiker in haar schoot en zeide, zoodat allen het hooren konden:

"Uw vertrek zal mijn vader zeer smartelijk aandoen. Hij is zoo ziek,

dat wij u niet mochten toestaan van hem afscheid te nemen. Hebt gij

hem nog iets te zeggen...."

"Dan kies ik mij een anderen bode," zeide zij met straffen blik.

"En als hij vraagt naar de oorzaak van uw plotseling vertrek?"

"Dan zullen uwe moeder en Philippus hem het antwoord geven."

"Maar hij was uw voogd, en ik weet, uw vermogen..."

"Is bij hem veilig bewaard."

"En bevestigt zich wat de arts vreest?"

"Dan eisch ik het op door mijn nieuwen kurios."

"Gij zult het ook zonder dezen ontvangen. Weet gij dan niet van

erbarmen, van vergeving?"

Tot antwoord wierp zij den ruiker, dien hij haar gegeven had, in

het water, waarop Orion aan land sprong, hij woelde, zonder op de

aanwezigen te letten, met de hand door het haar, en drukte die daarna

tegen zijn gloeiend voorhoofd.

De boot stak van wal, de roeiers haalden de riemen krachtig aan. Orion

staarde haar na en zijn boezem zwoegde onder diepe ademhalingen,

tot eene kleine hand de zijne greep en Maria's teedere kinderstem

hem toeriep: "Wees bedaard, oom! Ik weet wel wat u kwelt."

"Wat weet gij?" vroeg hij norsch.

"Gij hebt er berouw van dat gij en Katharina gisteren avond tegen

haar en den ongelukkigen Hiram..."

"Dwaasheid!" riep hij op heftigen toon. "Waar is Katharina?"

"Ik moest u zeggen, dat zij u heden niet zien kon. Zij heeft u zoo

lief, maar, weet gij, zij gevoelt zoo bitter berouw."

"Dat kan zij zich besparen," voer de jonkman uit. "Als er een schuld

te boeten is, zoo rust dit op mij, en dat martelt mij dood. Maar dat

alles... haal mij de satan, wat gaat dit een kind aan! Maak dat ge

weg komt! Eudoxia breng het meisje bij haar werk!"

Daarop nam hij het kopje van de kleine tusschen zijne handen, kuste

haar met onstuimige teederheid op het voorhoofd, en gaf haar daarop

aan de opvoedster over, die bereidwillig de kleine met zich voorttrok.

Zoodra Orion zag dat hij alleen was, leunde hij zich tegen een boom

en begon te stenen als een gewond wild. Zijn hart deed hem pijn of

het moest bersten. "Weg, weg!" riep hij. "Verspeeld, verloren, het

beste wat ik had op aarde!" Hij legde zijne handen tegen den boom

en drukte zijn voorhoofd erop tot het hem pijn deed. Hij wist geen

raad van smart en gramschap tegen zichzelven. Het was hem of hij in

dronkenschap zijn eigen huis in brand had gestoken. Hoe dat alles had

kunnen gebeuren, hij wist het zelf niet meer. Na zijn nachtelijken rit

had hij den rentmeester Nilus laten wekken en hem opgedragen Hiram

heimelijk los te laten. Maar eerst door het zien van zijn door een

beroerte getroffen vader, was hij geheel tot bezinning gekomen. De

ontzettende ernst van den dood had hem aan die legerstede vlak in het

aangezicht gezien, en het was hem geweest als kon hij den geliefden man

niet uit het leven zien scheiden, voor hij zich met Paula verzoend,

voor hij vergiffenis ontvangen had van haar, die zijn vader zoo lief

was, voor hij haar bij diens sponde had gebracht om zijn zegen af te

smeeken over haar en zichzelven.

Tweemalen was hij uit het ziekenvertrek naar hare kamer gesneld, om

haar te laten verzoeken hem gehoor te verleenen, maar vruchteloos;

en hoe ontzettend was nu dit afscheid geweest! Hard, onverbiddelijk,

gruwzaam had zij hem bejegend, en wanneer hij zich hare houding, haar

wezen voor den geest bracht, zooals die waren voor deze breuk, moest

hij erkennen dat er in hare handelwijze iets onnatuurlijks was. Deze

onmenschelijke hardheid, neen niet het hart had haar voorgeschreven

aan de schoone vrouw, wier genegenheid hij had bezeten en die nu

zijne bloemen in het water had geslingerd; veeleer was het volgens een

welberekend plan, dat zij hem dus haar toorn had doen gevoelen. Waarom

had zij, de door en door gekrenkte, niet aan de rechters verraden,

dat zij hem had betrapt, toen hij den smaragd roofde? Nog was niet

alles verloren en vrijer ademhalende ging hij naar huis terug, waar

de plicht en de zorg voor zijn vader hem riepen. Daar dreef zijn

ruiker op den stroom. "De haat heeft hem weggeworpen," dacht hij,

"doch voor hij verdwijnt in zee zullen er zich nog vele bloemen in

openen, die nog knoppen waren toen zij ze wegwierp. Een ander dan

mij kan zij niet liefhebben, dat voel, dat weet ik. Sedert wij voor

het eerst elkander in de oogen zagen, was het lot voor ons beider

harten beslist. Wat zij in mij haat is mijne waanzinnige misdaad,

wat haar allereerst van mij vervreemdde was haar billijke toorn,

omdat ik Katharina het hof maakte. Maar die misdaad is een droom

in mijn leven geweest, die niet zal terugkeeren; en wat Katharina

aangaat--eens heb ik ten opzichte van haar gezondigd, maar ik wil

daarmede niet voortgaan mijn heele leven lang. Ik heb straffeloos

zooveel met de liefde kunnen spelen, dat ik eindelijk haar macht te

gering schatte. Lachende gaf ik mijne liefde prijs voor den wensch

mijner moeder, en daaruit, daaruit alleen zijn al die schrikkelijke

dingen voortgekomen. Maar neen, neen, alles is nog niet verloren! Paula

zal mij hooren, en wanneer zij ziet wat er in mijn gemoed omgaat,

wanneer ik haar alles beleden heb, het goede zoowel als het kwade,

wanneer zij eens weet dat mijn hart op een dwaalspoor is geweest en

nu tot haar wederkeert, die mij geleerd heeft, dat de liefde geen

scherts is, maar diepe ernst, die den ganschen mensch beheerscht,

dan zal alles--alles een anderen keer nemen."

Bij deze gedachte verhelderde zich zijn gelaat, waarop eene edele

verrukking stond te lezen, en voortgaande dacht hij verder: "Mag ik

haar de mijne noemen, dan weet ik dat alles zich in mij zal ontwikkelen

wat ik groots van mijne voorvaderen heb geërfd. Toen moeder mij straks

aan vaders ziekbed riep, zeide zij: 'Kom Orion, het leven wordt ernstig

voor mij en u en ons huis, vader....' Ja, ernstig wordt het, wat ook de

uitkomst zij van deze dingen. Paula te winnen, haar te verzoenen, haar

tot mij weder te brengen, aan hare zijde groote daden te verrichten

mijner waardig, dat is een levensdoel zooals ik het noodig heb. Met

haar, ja zeker, éen met haar kan ik het bereiken, zonder haar of met

het gulden speelgoed Katharina zou de ouderdom mij niets brengen dan

oververzadiging, ontnuchtering en teleurstelling, of om het bij zijn

christelijken naam te noemen: bitter berouw. Gelijk Anteos nieuwe

kracht won, zoo vaak hij de moeder aarde aanraakte, ja, vader, zoo

voel ik mijn vermogen aangroeien, als ik maar aan haar denk. Paula

is het heil, de eer, de andere het verderf, de vernietiging mijner

toekomst. Arme lieve vader, gij zult, gij moet dezen slag overleven,

om alles vervuld te zien, wat gij van uw zoon zoo blijmoedig hebt

verwacht. Paula is u altijd lief geweest, misschien zult gij het

zijn die haar verzoent en tot mij brengt, en hoe dierbaar zal zij u

worden en, zoo God wil, ook mijne moeder, wanneer gij haar aan mijne

zijde ziet arbeiden als sieraad van dit huis, deze stad, dit land,

als eene koningin en als zegenverspreidende schutsengel van uw zoon!"

Opgewekt en gedragen door deze gedachten had hij het viridarium

bereikt. Daar wachtte de huismeester Sebek zijn jongen meester en

zeide zacht: "De heer slaapt nog, zooals de arts voorspeld heeft,

maar zijn gelaat... Ach, of Philippus toch weder terug ware!"

"Hebt gij den wagen met den harddraver naar het Caeciliaklooster

gezonden?" vroeg Orion haastig, en toen Sebek een toestemmend antwoord

gaf en in het huis verdween, zonk de jonge man, door smart overmand,

naast eene zuil waaraan een crucifix hing op de knieën en verhief

hart en handen tot een innig gebed.

De nijlbruid · 第 26 / 66 题