DERTIENDE HOOFDSTUK.

Wat de arts door Paula vernomen had van de gebeurtenissen in

den afgeloopen dag, van Orions houding en het einde van het

rechtsgeding, wekte in de hoogste mate zijne verontwaardiging, en

zonder tegenspraak billijkte hij het besluit van het meisje om dit

schandelijk rooversnest, dit huis van boosheid en bedrog, van bloode

rechters en valsche getuigen te verlaten.

Het kwam nog niet tot een rustig gesprek tusschen hun beiden, want in

het ziekenvertrek had Philippus weldra de handen vol. De Masdakiet

Rustem, die tot dusverre bewusteloos had gelegen, was ingevolge een

nieuw medicament uit zijne verdooving ontwaakt en verlangde onstuimig

naar zijn meester Haschim. Toen deze niet verscheen en men hem zeide,

dat hij eerst morgen verwacht kon worden, richtte de reus zich in

zijne kussens op, hield de gespierde armen strak achterwaarts op de

kanten van het bed, keek met verbijsterden blik links en rechts en

schudde den grooten kop, waarvan men de haarlokken had weggesneden,

als een getergde leeuw. Daarbij riep hij den arts met zijne ver

klinkende borststem smadelijke woorden in zijne moedertaal toe, die

niemand der aanwezigen verstond, en terwijl Philippus het verband

opnieuw vruchteloos op de diepe wonde trachtte te bevestigen, liet

Rustem plotseling de handen van het bed los, sloeg zijne armen om het

lichaam van den arts en trachtte in zijne razernij, met het schuim

op de lippen, hem neder te trekken. Brullende als een roofdier trok

hij zijn tegenpartij heen en weer, maar ook thans verloor Philippus

geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geest, doch beval de non

twee stevige slaven te halen.

Terwijl deze wegsnelde was Paula getuige van eene vreeselijke

worsteling, want de arts had de polsen van den reus met zijne handen

omkneld, en met eene kracht, die men wel den grooten, grof gebouwden,

maar bezwaarlijk den eenigermate gebogen man van studie zou hebben

toegeschreven, hield hij de handen van den Pers van zijne heupen

verwijderd, wrong daarna zijne vingers tusschen die van Rustem,

dwong hem in zijn kussen terug te zinken, zette de knie op zijne

bronzen legerstede en bracht hem zóo onder zijne macht, dat de gewonde

zich niet weder vermocht op te richten. Toch spande Rustem nog alle

krachten in om zich van zijn tegenstander te bevrijden, maar deze

was nu sterker dan hij, want het bloedverlies en de koorts hadden

den aanvoerder der karavaan verzwakt.

Paula zag deze worsteling van de verstandige sterkte tegen de

dierlijke kracht van een razenden reus bevend en met luid kloppend

hart aan. Zij kon den vriend niet helpen, maar aan het hoofdeinde

van het bed staande, volgde zij elk zijner bewegingen, en zag

hoe hij den kolossalen man, voor wien haar oom uit kinderachtige

vrees gesidderd had, gekluisterd hield. Zij moest zijne mannelijke

schoonheid bewonderen, want zijne oogen straalden thans met vurigen

glans, en het korte onderdeel van zijn aangezicht scheen langer te

worden bij de geweldige inspanning waartoe hij zich dwong, en bracht

dat gedeelte in harmonie met het groote voorhoofd en het overige van

zijn gelaat. Innerlijk beefde zij voor hem, en zij meende in hem, wien

zij vroeger alleen geacht had om zijn groot verstand, iets groots,

iets van een held te zien.

Eenige oogenblikken had de strijd geduurd, toen Philippus gevoelde

dat de armen van den Pers verslapten, en nu riep hij Paula toe

hem een doek, een koord of wat ook te brengen, om den razende te

binden. Haastig en zich volkomen bewust van hetgeen haar te doen

stond, ging zij naar het aangrenzend vertrek, greep haar hoofddoek,

trok den zijden gordel van haar gewaad, ijlde met beiden naar de

kampplaats terug, en hielp den arts met mannenmoed de handen van

den waanzinnige binden. Elk woord, iedere terechtwijzing van den

vriend verstond zij, en toen de slaven, die de non geroepen had, de

ziekenkamer binnentraden, vonden zij Rustem met vastgebonden handen

terug en hadden niet anders te doen dan te verhinderen, dat hij uit bed

sprong of zich op zijde wierp. Philippus naar adem hijgende schreef

nu de slaven voor hoe zich verder te gedragen, en toen hij daarna

naar de artsenijkast ging en Paula opmerkte hoe zijne blauwroode,

gezwollen vingers daarbij trilden, nam zij de fleschjes eruit waarop

hij wees, mengde het geneesmiddel naar zijn voorschrift en ontzag

zich niet het met hulp der slaven den woesten man tusschen de met

geweld geopende tanden te gieten. De weldadige druppels brachten

den kranke in weinige oogenblikken tot rust, en weldra kon de arts

met eigene hand onder bijstand van de ervarene non de wond van den

karavaan-aanvoerder reinigen en verbinden.

Intusschen was ook de waanzinnige door het gebrul van den Pers

wakker geworden en vroeg angstig of de hond, de booze hond er weder

was. Doch zij liet zich dadelijk door Paula neerzetten en beantwoordde

de vragen, die deze tot haar richtte, zoo verstandig en bedaard, dat

hare verpleegster den arts erbij riep, en deze Paula's hoop deelde,

dat er in den zielstoestand van de waanzinnige een gewichtige ommekeer

zou kunnen plaats hebben.

Paula deed opmerken hoe Mandane weemoedige doch vriendelijke woorden

uitte, waarop de arts zeide: "Op het ziekbed leert men de menschen

kennen. Dit wilde meisje, dat den zoon des huizes misschien met een

moorddadig plan op het lijf viel, toont thans haar waren, zachten

aard. Wat den jongen man hiernaast aangaat, dat is een stevige,

maar ook een brave kerel, daarop geef ik mijne tien vingers ten pand."

"Wat geeft u dat vertrouwen?"

"Zelfs in de koorts heeft hij niet eene enkele maal gekrabd of

gebeten, maar zich geweerd als een ordentelijk jongmensch... Mijn

dank nu voor uwe hulp; indien gij hem dat koord niet om den handen

hadt geslagen, zou het spel misschien anders afgeloopen zijn."

"Zeker niet," antwoordde Paula op stelligen toon. "Want gij zijt sterk,

Philippus! Men zou bang voor u kunnen worden."

"Gij?" lachte de arts. "Ge behoeft nu niet bang meer te zijn; toevallig

hebt gij gezien dat uw beschermer niet zwak is! Puuh! Een weinig rust

zou nu goed doen!"

Zij reikte hem daarop haar eigen doek toe, en terwijl hij daarvan

dankbaar gebruik maakte om zich het voorhoofd af te drogen, en met

moeite de begeerte onderdrukte om dien aan zijne lippen te brengen

zeide hij welgemoed: "Met zulk eene helpster moet alles gelukken. Sterk

zijn is geen verdienste, ieder kan het blijven die met gezond bloed

en stevige spieren ter wereld komt, de ledematen, gelijk ik als knaap

en jongeling heb gedaan, flink oefent en zijn vaderlijk erfdeel niet

doorbrengt met slecht te leven. Nochtans voel ik die worsteling nog

in mijne armen; maar in de zaal is nog heerlijke wijn, twee of drie

bekers zouden mij wel goed doen."

Vervolgens begaven zij zich naar de aangrenzende zaal, waar de meeste

lampen reeds uitgedoofd waren. Paula schonk het druivensap voor hem

in en bood hem den beker aan, dien bij met volle teugen ledigde. Het

was hem echter niet vergund ook den tweeden beker op haar welzijn

uit te drinken, want nauwelijks had hij dien aan de lippen gebracht,

toen er gerucht ontstond in de kamer van den Masdakiet en vrouw

Neforis verscheen.

De zorgzame gemalin van den Mukaukas was niet geweken van het rustbed

van haar gemaal, en zelfs het gebrul van den Pers had haar niet bewogen

haar post te verlaten; toen zij echter van de slaven had vernomen,

wat daar boven te doen was geweest, en dat Paula nog altijd met den

arts bij de kranken vertoefde was zij, zoodra haar gemaal haar missen

kon, naar de verdieping der gasten gegaan om Philippus te spreken,

de Damasceensche onder het oog te brengen wat betamelijk was,

en om onderzoek te doen naar het vreemd gedruisch, dat het anders

op dit uur zoo doodstille huis scheen te vervullen. Het kwam uit

de ziekenkamers, en werd mede veroorzaakt door den terugkeerenden

Orion en den rentmeester Nilus, wien deze bij zich ontboden had,

niettegenstaande de nacht reeds den morgen naderde. De gemalin van den

stadhouder meende, in verband met dezen akeligen dag, die bovendien

als een onheilaanbrengenden in den kalender stond aangeteekend, dat

gevaren dreigden van alle zijden; daarom was zij vergezeld van den

wachthebbenden dienaar haars gemaals, en met een klein reliquiënkastje

in de hand, waaraan zij de kracht toeschreef om booze geesten te

bezweren, de trap opgegaan.

Haastig en zacht trad zij de krankenvertrekken binnen en onderwierp

daar allereerst, bezorgd en niet op haar gemak, gelijk ieder die

gedurende den nacht in zijne rust gestoord wordt, de non aan een

streng verhoor. Daarna kwam zij in de zaal, waar Philippus juist

zijne vriendin een tweeden beker toedronk, terwijl Paula met

halfverwarde haren en ongegord gewaad tegenover hem stond. Dat

alles was zedenkwetsend, dat wilde zij in haar huis niet dulden,

zij beval dus de nicht van haar gemaal kort en goed zich ter ruste

te begeven. Na alles wat men haar heden, neen gisteren reeds had

kwijtgescholden, zeide zij, zou het haar beter voegen in hare kamer

in stilte over zichzelve na te denken, ten einde de leugengeesten

die haar beheerschten te bannen en haren Heiland om vergiffenis te

bidden, dan hier voor ziekenverpleegster te spelen en het drinkgelag

met een jongen man voort te zetten, dat zij, zooals de non zoo even

had medegedeeld, reeds in de middag had aangevangen.

Paula hoorde haar zwijgend aan, doch haar gelaat verschoot meermalen

van kleur: toen echter Neforis met den vinger op de deur wees, zeide

zij met al den trots, waarover zij beschikken kon, wanneer zij zag

dat men haar onwaardig verdacht: "Uwe bedoeling is gemakkelijk te

doorzien. Ik zou u geen antwoord waardig achten, indien gij niet

de gade waart van den man, dien ik, voor gij hem tegen mij hadt

ingenomen, gaarne mijn gastheer en beschermer noemde, die bovendien

mijn bloedverwant is. Evenals altijd zoo verdenkt gij mij ook nu

van kwaad. Indien gij mij de deur wijst van deze heilige plaats,

van dit ziekenvertrek, dan verjaagt gij mij tegelijk uit uw huis,

dat gij en uw zoon--het moet mij eens van het hart--mij thans tot

een hel gemaakt hebben."

"Ik, ik, en waarmede... Neen, dat, dat is..." riep de matrone naar

adem hijgende, de beide handen kruiselings slaande over haar onstuimig

bewogen borst, terwijl haar vaal gezicht met een gloeiend rood werd

overtogen en hare oogen van toorn fonkelden. "Dat is.... duizendmaal,

ja duizendmaal te veel, hoort gij? En ik, ik verwaardig u nog met een

antwoord! Wij hebben u van de straat opgeraapt en u als eene dochter

behandeld, onzinnige uitgaven voor u betaald, en nu..."

Deze woorden waren meer tot den arts gericht dan tot het meisje. Paula

nam echter de uitdaging aan en antwoordde op een toon van diepe

minachting: "En thans verklaar ik u bepaald als jonkvrouw die mondig

ben en over mijzelve vrij kan beschikken, dat ik morgen vroeg met

alles wat mijn eigendom is dit huis verlaat, al moest ik ook gaan

bedelen, dit huis waarin men mij smadelijk beleedigd, mij en mijn

trouwen dienaar valsch veroordeeld heeft, terwijl men op het punt

staat hem gruwelijk te vermoorden."

"En waar men u...." duwde Neforis met krijschende stem het meisje toe,

dat hare kalmte bewaarde, "waar men u veel te zachtmoedig voor het

lot van den roover, dien gij ons huis hebt binnengesmokkeld, bewaard

heeft! Om een inbreker te redden hebt gij--het is ongehoord!--hebt

gij het gewaagd den zoon van uw weldoener als een onrechtvaardig

rechter..."

"Dat is hij!" riep Paula toornig. "En nog meer! Dat kind dat gij zelve

voor hem tot vrouw bestemd hebt, heeft hij verleid, schandelijk verleid

om een valsch getuigenis af te leggen. Nog meer, nog veel meer zou

ik kunnen zeggen, als mij in uw persoon de moeder niet heilig was,

en als uw echtgenoot aan mij niet verdiend had dat ik hem spaarde."

"Hem sparen, sparen!" herhaalde Neforis op honenden toon. "Gij

zoudt ons sparen! De aangeklaagde ontvangt genade en verschoont,

verschoont zijn rechter! Maar gij zult gedwongen worden, ja gedwongen

te spreken. En wat gij, misdadige, van dat valsch getuigenis gezegd

hebt..."

"Dat zal uwe eigene kleindochter," sprak de arts, haar in de rede

vallende, "wanneer gij u niet weet in te toomen, edele vrouw, voor

de geheele wereld bevestigen moeten."

Neforis begon opeens krampachtig te lachen en ging voort, buiten

zichzelve van woede: "Zoo staan dus de zaken! Het heiligen

ziekenvertrek wordt tot een tempel van Bachus en Venus gemaakt;

en alsof dit vergrijp op zichzelf niet reeds ergerlijk genoeg was,

sluit gij een verbond, om een geacht huis en zijne hoofden met smaad

en schande te overladen!" Daarop zette zij de linkerhand met het

reliquiënkastje op de heup en zeide driftig: "Zoo zult gij dan uw zin

hebben. Ga, waarheen gij wilt! Wanneer ik u, ondankbaar en boosaardig

schepsel, na morgen middag nog in het stadhouderlijk paleis vind,

dan laat ik u door de manschappen van de wacht op straat zetten. Want

ik--ik wil mijn arm gefolterd hart eindelijk eens luchten--ik haat

u, ik heb een afkeer van u, uwe tegenwoordigheid alleen ergert me en

brengt ongeluk over mij en ons allen;--bovendien ik heb de smaragden

die wij bezitten te lief..."

Met dit allergrievendst woord, dat zij tegen de inspraak van

haar beter gevoel had uitgestooten, scheen zij hare ziel van een

centenaarsgewicht bevrijd te hebben, want zij haalde diep adem en

op veel zachter en bedaarder toon wendde zij zich tot den arts met

te zeggen: "Maar wat u betreft, Philippus, mijn man heeft u noodig;

gij weet wat wij u aanbieden en kent de mildheid van Georg. Misschien

komt gij tot betere gedachten en zult gij leeren inzien..."

"Ik?" viel de heelmeester met een waardigen glimlach haar in de

rede. "Kent gij mij waarlijk zoo slecht, vrouw Neforis? Aan uw man,

dat geef ik toe, ben ik gehecht, en als hij mij noodig heeft zal hij

mij wel laten halen. Ongeroepen overschrijd ik echter dezen drempel

niet meer, waar men het recht met voeten treedt, de weerlooze onschuld

beschimpt en tot vertwijfeling brengt.--Ja, zie mij maar verbaasd

aan! Uw zoon heeft den rechterstoel van zijn vader ontwijd en het

bloed van den onschuldigen Hiram komt over zijn hoofd. Ga maar voort

uwe smaragden te koesteren; Paula zal ze niet aanroeren; zij draagt het

hart te hoog om u den naam te noemen van hem, voor wien gij wel zoudt

doen ze in den diepsten kelder weg te sluiten. Wat ik daareven uit

uw mond heb gehoord, verscheurt elken band, dien de tijd tusschen ons

knoopte. Ik verlang van mijne vrienden niet, of laat ik liever zeggen

van hen, die mijne naaste bekenden zijn, dat zij rijk zijn, dat zij

zich toeschietelijk of voorkomend betoonen, dat zij gaven van geest

of lichaam bezitten; maar wij moeten op één gemeenschappelijken bodem

staan, namelijk dien eener waardige gezindheid. Zulk eene gezindheid

is u niet aangeboren, of ge hebt haar verloren, en ik wil, ik moet van

dit oogenblik een vreemde voor u zijn. Ik wensch u niet weder te zien,

tenzij bij uw echtgenoot, als hij mijne hulp verlangt."

Deze laatste woorden werden met zulk eene waardigheid, zoo

onherroepelijk uitgesproken, dat Neforis verschrikte en geheel

hare tegenwoordigheid van geest verloor. Als eene der verachting

prijsgegeven onwaardige had de man haar behandeld, op wiens stand zij

uit de hoogte neerzag, dien zij echter altijd voor een der braafste,

openhartigste en reinste menschen had gehouden, een man van eer,

dien haar gemaal niet missen kon, wijl hij zijne pijnen wist te

verzachten en hem af te houden van het overmatig gebruik van zijn

verdoovingsmiddel. Wijd en zijd in den omtrek was hij de eenige arts

van groote bekwaamheid. Ook deze nuttige helper, die het leven van

de kleine Maria en van zoo vele dienaars behouden had, dreigde haar

ontroofd te worden door die gehate Damasceensche, en zij, die vast

overtuigd was een brave, degelijke echtgenoote en moeder te zijn,

zij stond daar nu, door dezen boozen geest van haar huis gemaakt tot

een verachtelijk wezen, voor hetwelk een braaf mensch uit den weg

moet gaan.

Dat was te veel, en door toorn, ergernis en oprechte bekommering

gekweld, zeide zij op klagenden toon en met betraande oogen: "Maar

wat beteekent dit alles nu? Gij die mij kent, die mij hebt gezien

in mijn dagelijksch leven en werken, gij keert mij in mijn eigen

huis den rug toe en wijst mij met den vinger na? Ben ik dan mijn

gansche leven niet eene trouwe gade geweest, die haar man jarenlang

verpleegd, zijn ziekbed niet verlaten en aan niets gedacht heeft dan

om zijn leed te verzachten? Als eene kluizenares heb ik mij bij hem

opgesloten uit louter plichtgevoel en trouwe liefde, terwijl andere

vrouwen, die het minder gemakkelijk kunnen doen, goeden sier maken en

feesten bezoeken. En waar werden de slaven rijkelijker onderhouden

en menigvuldiger vrij gelaten dan bij ons? Waar was de bedelaar

zoo zeker zijn aalmoes te krijgen dan in ons huis, iets wat ik, ik

alleen uit vroomheid aanhoud? En nu zou ik plotseling om der wille

van dit ondankbaar liefdeloos schepsel niet meer waard zijn dat mij

de zon beschijnt, en een braaf man als gij zegt mij in een ommezien

de vriendschap op, omdat, omdat,--hoe noemdet gij het--omdat mij het

verstand ontbreekt, of hoe hebt gij dat ding genoemd, dat men hebben

moet om u..."

"Het heet de gezindheid," hielp haar de arts, die medelijden

kreeg met de beangstigde vrouw, in wie hij inderdaad veel goeds had

opgemerkt. "Is dit woord u werkelijk geheel vreemd, vrouw Neforis? Zulk

eene gezindheid is zeker iets aangeborens, maar met een vasten wil

kan men eene van minder hoogen aanleg veredelen, terwijl zwakheid

van karakter waar het eigene gebreken geldt eene van nature goede

gezindheid kan bederven. En als mij mijn voorgevoel niet bedriegt,

dan zullen op den jongsten dag niet de daden worden geoordeeld, maar

de gezindheid. Hoe zou het mij vrij staan u te berispen? Het is mij

geoorloofd u te beklagen, want ik bespeur bij u eene zielekrankheid,

die niet ongelijk is aan den kanker hij het lichaam...."

"Ook dat nog!" zeide Neforis.

"Deze krankheid," vervolgde de arts, zonder zich van zijn stuk te

laten brengen, "de haat namelijk, daarvoor moest eene vrome christin

zich weten te behoeden! Als een dief in den nacht is hij in uw hart

gedrongen, heeft overal ingevreten, uw bloed bedorven, u verleid om

ten opzichte van deze door een zoo zwaar ongeluk getroffene wees te

handelen als iemand die een blinde steenen en balken in zijn weg werpt,

om hem te doen vallen. Hecht gij, gelijk het schijnt, inderdaad een

weinig aan mijne meening, bid dan Paula, vóór zij dit huis verlaat,

om vergeving voor den haat, waarmede gij haar jaren lang leed hebt

berokkend, waarbij gij zoo even nog die eene ongehoorde beleediging

heb gevoegd, waaraan gij zelve niet gelooven kunt."

Thans keerde Paula, die tot hiertoe de toespraak van den arts gevolgd

had, het gelaat naar vrouw Neforis, maakte de handen los, die zij

in den schoot gevouwen hield, om, hoewel zij vast besloten bleef de

woning van den stadhouder te verlaten, de rechterhand te geven aan

de gemalin van haar oom, wanneer deze de hare wilde toesteken.

De vrouw des stadhouders voerde intusschen in haar binnenste een zwaren

strijd. Zij erkende Paula vaak onvriendelijk behandeld te hebben;

dat er omtrent den diefstal van den smaragd nog altijd een pijnlijke

onzekerheid bestond, had zij vóor haar bezoek in het ziekenvertrek

met weerzin ervaren; zij wist haar gemaal een grooten dienst te kunnen

doen, wanneer zij de Damasceensche bewoog te blijven; den arts wilde

zij maar al te gaarne voor haar huis behouden. Maar hoe diep was zij,

was haar zoon zoo even nog door dit hoogmoedig schepsel beleedigd! Zou

zij zich voor haar, die zoo veel jonger was, vernederen en haar de

hand reiken; zou zij in...

Daar klonk het zilveren bekken, waarin haar gemaal een kogel wierp,

wanneer hij haar noodig had. Zij zag in hare verbeelding zijn bleek

en lijdend gelaat, zij hoorde hem vragen naar zijne speelgenoote aan

het schaakbord, zij bespeurde zijn weemoedigen, verwijtenden blik,

als het morgen zou heeten: zij, Neforis, had zijne nicht, de dochter

van den edelen Thomas, uit het huis gejaagd; en zij volgde de neiging,

die opeens bij haar opkwam, door met het reliquiënkastje in de linker-

en de uitgestrekte rechterhand naar Paula toe te gaan en op zachten

toon te zeggen: "Geef mij dan de hand, meisje! Menigmaal had ik

anders jegens u kunnen zijn, maar waarom hebt ook gij nooit, zelfs

in het minste niet naar mijne liefde gevraagd? God is mijn getuige,

dat ik aanvankelijk genegen was u als eene dochter te beschouwen,

maar gij--maar spreken wij daar niet over! Thans doet het mij leed,

dat ik u... wanneer ik u smart heb aangedaan."

Reeds bij de eerste woorden had Paula hare hand in die van de matrone

gelegd. De hare was koud als marmer, die van de stadhoudersvrouw was

heet en klam, en het was als voelden beide handen tegelijk denzelfden

afkeer van elkander als hunne harten, tengevolge waarvan zij slechts

een oogenblik in elkaar bleven. Toen Paula de hare terugtrok, bewaarde

zij beter hare kalmte dan de oudere vrouw, en zeide bedaard maar

met gloeiende wangen: "Zoo willen wij dan beproeven om zonder toorn

van elkander te scheiden, en ik dank u dat ge mij dit mogelijk hebt

gemaakt. Morgen vroeg zal het mij, hoop ik, vergund zijn van oom,

die mij lief is, en van de kleine Maria afscheid te nemen."

"Maar gij behoeft thans niet meer heen te gaan, ik bid u veeleer

dringend te blijven," zeide de stadhoudersvrouw met aandrang. "Georg

laat u niet gaan; gij weet toch hoe hij aan u gehecht is."

"Vaak was hij als een vader voor mij," hernam Paula, en nu werd ook

haar oog vochtig. "Daarom had ik het gaarne bij hem uitgehouden tot

het einde. Toch blijft het zoo, dat ik heenga."

"En wanneer uw oom zijne bede bij de mijne voegt?"

"Dan zal het toch tevergeefs zijn."

Vrouw Neforis greep nog eens de hand van de jonkvrouw, en deed in

oprechtheid al haar best om haar tot andere gedachten te brengen,

doch Paula bleef onvermurwbaar en volhardde in haar besluit, om reeds

morgen het stadhouderlijk paleis te verlaten.

"Doch waar vindt gij zoo dadelijk een geschikt verblijf," zeide

Neforis, "een tehuis, dat voegt aan uw stand?"

"Dat zal mijne zaak zijn," zeide de arts. "Geloof mij, edele vrouw,

voor alle partijen is het beter, dat Paula eene andere woning

betrekt. Alleen dit wensch ik, dat zij te bewegen zal zijn althans

voorloopig te Memphis te blijven."

"Bij ons," zeide daarop Neforis, "alleen bij ons is haar natuurlijk

tehuis. Misschien verandert God uw hart om uws ooms wil, en dan

beginnen wij allen te zamen een nieuw, gelukkig leven."

Paula schudde als antwoord met het hoofd, maar Neforis zag het niet

meer; want ten derdemale hoorde zij de metalen roepstem en haar plicht

gebood die te volgen.

Zoodra zij de kamer verlaten had, haalde Paula diep adem en zeide: "O

God, o God! hoe zwaar is mij dit gevallen! Haar niet in het aangezicht

te verwijten met welke misdaden haar gewetenlooze zoon.... Neen, neen,

daartoe had niets mij kunnen bewegen; doch ik kan u niet zeggen hoe

het zien alleen van deze vrouw mij ontroert, en hoe mijn hart zich

verlicht gevoelt, sedert ik de brug heb afgebroken, die mij met dit

huis, met Memphis verbindt."

"Met Memphis?" vroeg de arts.

"Ja," antwoordde Paula opgewekt. "Ik wil weg, ver van hier, uit

de nabijheid van deze vrouw en haar zoon. Waarheen? Of naar Syrië

terug, of naar Griekenland, het is mij onverschillig welke weg mij

van hier voert."

"En ik, uw vriend?" vroeg Philippus weder.

"De herinnering aan u neem ik mede in mijn dankbaar hart."

De arts glimlachte als gebeurde er iets, wat hij wel verwacht had;

na een oogenblik te hebben nagedacht zeide hij: "En waar en hoe zal

de Nabateër u vinden, wanneer hij in den kluizenaar van den Sinaï

werkelijk uw vader erkent?"

Deze vraag verraste en verschrikte Paula, en Philippus spande al

zijne krachten in om haar te overtuigen van de noodzakelijkheid om

in de pyramidenstad te blijven. Allereerst moest de voedster bevrijd

worden en daarbij kon de arts haar zijne hulp beloven. Bij alles

wat hij verder in het midden bracht, nam hij met zooveel overleg de

omstandigheden in aanmerking, waarmede hier rekening moest gehouden

worden, alsmede de feiten die voor de hand lagen of zich konden

voordoen, dat zij zich verwonderen moest over de heldere inzichten en

den practischen zin van een man, met wien zij gewoonlijk over andere

dan wereldsche zaken gesproken had. Om der wille van haar vader en

van Perpetua, doch ook in de verwachting van verder zich te kunnen

verblijden in den omgang met dezen man, willigde zij in ten minste

vooreerst te Memphis te blijven en haar intrek te nemen in het huis

van een vriend en geloofsgenoot van den arts, dien zij reeds lang

uit zijne gesprekken kende, ten einde daar den verderen loop der

dingen af te wachten. De vurigste wensch van haar hart was Orion te

ontwijken en hem nooit, neen nooit, weder te zien. Elke plaats dacht

haar goed waar zij niet behoefde te vreezen hem te ontmoeten. Zij

haatte hem, doch zij wist dat haar hart niet tot rust kon komen,

zoolang een samentreffen mogelijk was. Zij wilde zich ook losmaken

van het onweerstaanbaar verlangen, dat telkens en telkens weder met

wonderbare kracht in haar opwelde, om zijne verdere lotgevallen te

volgen. Daarom en daarom alleen begeerde zij weg, zeer ver weg te

gaan, en daarom voldeed haar nauwelijks de verzekering van den arts,

dat haar nieuwe gastheer elk bezoeker van haar verwijderd zou weten

te houden, dien zijzelve niet wenschte te ontvangen. Het zou zijne

zaak zijn, dus besloot Philippus, haar voor indringers te beveiligen,

wanneer zij hem liet roepen.

Toen beiden van elkander scheidden steeg de zon achter de bergen in

het oosten op, en bij het afscheid zeide Paula: "Zoo zal dan morgen

voor mij een nieuw leven beginnen, waarvan ik mij kan voorstellen dat

het met uwe hulp vriendelijker zal zijn dan hetgeen achter mij ligt."

"Voor mij," antwoordde de arts bewogen, "is dat nieuwe leven reeds

gisteren aangevangen."

De nijlbruid · 第 25 / 66 题