"Zij mogen het daar ginds ook vernemen," antwoordde hij met een
gedwongen lachje. "Of uw moedertje niet reeds lang in onze harten
gekeken heeft?"
"Natuurlijk," antwoordde zij zacht. "Zoo vroolijk als sedert uwe
terugkomst heb ik haar zelden gezien."
"En gij, kleine tooveres?"
"Ik? Natuurlijk ben ik ook vroolijk geweest; zij waren het allen. En
uwe ouders..."
"Neen, neen, Katharina! Ik wil weten wat gijzelve bij mijne terugkomst
gevoeld hebt."
"Ach kom, hoe kan men zoo iets beschrijven?"
"Zou dat niet kunnen?" vroeg hij, haar arm vaster in den
zijnen drukkende. Hij moest haar winnen, en zijne dichterlijke
verbeeldingskracht hielp hem, om wat hij nooit gevoeld had met
gloeiende verven te schilderen. Hij liet haar zoete liefde-woordjes
hooren en zij geloofde hem gaarne. Op zijn wenk ging zij vertrouwelijk
zitten op een houten bank in de oude laan, die naar de noordzijde van
het huis leidde. Aan verschillende heesters bloeiden daar heerlijke
bloemen, die de lucht vervulden met een zoeten, bedwelmenden
geur. De maneschijn drong door de dichte kronen der sykomoren en
deed flikkerende strepen en kringen van licht spelen over het loof,
op de stammen der boomen en den donkeren grond. Het loofdak boven
hunne hoofden had de hitte van den dag teruggehouden, zoodat de
lucht nog altijd zwoel en drukkend was. Het was op deze plaats dat
hij haar voor het eerst zijn eenig bruidje noemde en haar hartje in
ketenen sloeg. In elk zijner gloeiende woorden trilde de onstuimige,
bange gejaagdheid, die zijne ziel martelde, zoodat zij klonken als
waren ze innig en oprecht gemeend.
De bloemengeur bedwelmde daarbij haar jong en onervaren gemoed en
gewillig bood zij hem hare lippen tot een kus. Innig gelukkig gevoelde
zij hier de eerste zaligheid eener jeugdige liefde die wederliefde
vindt, levenslang zou zij met hem verbonden willen zijn. Doch reeds
na eenige oogenblikken sprong hij op, verlangende aan de teedere
minnekoozerij een einde te maken, die ook hem begon te betooveren en
zeide luid en driftig: "O dat verwenschte rechtsgeding! Maar dat is
het lot van den man! Zijn plicht roept en hij moet midden uit alle
vreugde van het paradijs naar de aarde terugkeeren. Geef mij uw arm,
gij mijne eenige, mijn alles!"
Katharina gehoorzaamde en liet zich als in een roes van blijdschap over
het onverwacht geluk, dat haar wedervoer, door hem meetroonen. Zij
hoorde echter vreemd op, toen hij haar zeide: "Na deze hemelsche
zaligheid moeten wij aan de nuchterste van alle zaken denken. Hoe
afkeerig ben ik van datgene waarom het nu te doen is; hoe geweldig
stuit het mij tegen de borst. Gaarne zou ik voor Paula een vriend,
een trouw beschermer zijn, in plaats van haar tegenstander!"
Bij deze woorden gevoelde hij hoe de linkerarm van het meisje op den
zijnen zich onrustig bewoog, en dit was hem een prikkel om verder te
gaan op den weg der misdaad. Katharina zelve wees hem de richting
aan, die hij volgen moest om zijn doel te bereiken, en terwijl hij
voortging om haar ijverzucht te doen ontvlammen terwijl hij Paulas
schoon en edel voorkomen prees, verontschuldigde hij zich voor zijn
geweten met deze drogreden, dat hij als bruidegom gerechtigd was
zijne bruid te dwingen zijn geluk en zijne eer te redden. Toch had
hij bij elk vleiend woord het gevoel als vernederde hij zichzelven,
als beging hij daarmede tegen Paula een nieuw onrecht. Het viel hem
maar al te gemakkelijk haar lof te verkondigen.
Doch terwijl hij dit deed met toenemende warmte, tikte zij hem op
den arm en zeide half schertsend, half op ernstig verdrietigen toon:
"O deze godin! Ben ik, of is zij uwe geliefde? Pas op dat ge mij niet
jaloersch maakt, hoort ge!"
"Klein gekkinnetje!" antwoordde hij vroolijk, en om haar gerust te
stellen liet hij erop volgen: "Zij is als de koele maan, en gij zijt
de lichtende, verwarmende zon. Ja, Paula! wij willen haar overlaten
aan een der Olympische goden of aan een aartsengel, maar ik zing den
lof van mijn klein levenslustig meisje, dat met mij het leven genieten
zal en al zijne vreugde."
"Ja, dat willen wij!" juichte zij, meenende den horizont harer toekomst
in het glansrijkste zonlicht te aanschouwen.
"Goede hemel," dus brak hij als verrast dit onderhoud af. "Het licht
schijnt al in die rampzalige rechtzaal. O de liefde, de liefde! Door
hare betoovering hebben wij het doel van onzen gang vergeten. Zeg nu
eens, schatje, weet gij nog precies hoe het halssieraad er uitzag,
waarmede gij en Maria heden middag gespeeld hebt?"
"Het was zeer kunstig bewerkt, alleen hing in het midden een leelijk
verbogen stuk bladgoud."
"Gij zijt ook eene kenster van kunstwerken! Hebt gij dan den keurig
gesneden steen over het hoofd gezien, die in deze onaanzienlijke kas
besloten was?"
"Neen, waarlijk niet!"
"Ja toch, klein wijsneusje!"
"Neen, mijn lieve!" en toen zij dit uitsprak, sloeg zij de oogen
vroolijk op, als ware haar een waagstuk gelukt. "Wat gesneden
steenen zijn weet ik zeer goed. Vader heeft eene groote verzameling
ervan nagelaten, en moeder zegt dat zij volgens het testament mijn
toekomstigen man zullen toebehooren."
"Dan zal ik u, mijn heerlijk juweel, in eene lijst van louter onyxen
kunnen zetten."
"Neen, neen," antwoordde zij vroolijk, "geef mij later maar een kastje,
want ik ben zulk een vluchtig ding. Doch het mag niet anders zijn,
neen niet anders dan uw hart!"
"Deze goudsmidsarbeid is al verricht! Maar nu in ernst, kindjelief,
wat aan Paulas halsketting hing was een onyx, en gij, kleine keurster
van juweelen, hebt den steen slechts van achteren bezien; dáar heeft
hij een rug zooals gij beschrijft, een eenvoudig hulsel van bladgoud!"
"Maar Orion!"
"Hebt ge mij lief, hartediefje, weerspreek mij dan niet verder. Later
zal ik u altijd naar uw oordeel vragen, maar in dit geval kan mij
uwe dwaling in groote moeielijkheden brengen en mij dwingen aan Paula
toe te geven en haar tot mijne bondgenoote te maken.--Hier zijn wij
er, maar blijven wij nog een oogenblik staan! En nu nog over dien
steen. Ziet gij: wij kunnen beiden dwalen, ik zoowel als gij, maar
ik geloof zeker gelijk te hebben, en wanneer gij in dit geval iets
anders verklaart dan ik heb gedaan, dan sta ik als een leugenaar voor
de rechters. Wij zijn nu toch bruid en bruidegom, dus één, geheel één,
en wat een onzer treft of verheft, dat vereert of verlaagt tegelijk de
andere. Zegt gij, die mij liefhebt en van wie de lieden al mompelen,
dat gij eerlang als meesteres in dit paleis gebieden zult, iets anders
dan ik, zoo zullen zij het zeker gelooven. Zie, gij zijt zoo door en
door goed, maar nog te jong en te rein om alle eischen te begrijpen
eener almachtige liefde, die alles gelooft en verdraagt. Als gij in
dit geval niet gaarne aan mijn verlangen gehoor geeft, dan hebt gij
mij zeker niet lief, zooals gij mij zoudt moeten liefhebben. En is
het dan zoo iets moeilijks wat ik van u vraag? Ik wensch van u niet
anders, dan dat gij voor de rechters zult verklaren, dat gij heden
middag Paulas halsketting gezien hebt, en dat daaraan een gesneden
steen hing, een onyx met Amor en Psyche. Verder niets!"
"Moet ik dat getuigen voor al die rechters?" vroeg Katharina met een
bedenkelijk gezicht.
"Dat moet gij doen, vriendelijke engel!" hernam Orion teeder. "Zoudt
gij het aardig vinden, als eene bruid hare geliefde de eerste bede
knorrig weigerde, omdat zij er eenig bezwaar tegen heeft of meent
alleen gelijk te hebben? Neen, neen, als er maar een vonkje liefde
voor mij in uw hartje gloort, als gij mij niet dwingen wilt Paula te
verzoeken, dat zij genade met mij zal hebben..."
"Maar waarom is het dan toch te doen? Wie kan er zooveel waarde aan
hechten of een gesneden steen of een eenvoudig stuk bladgoud..."
"Dat zal u later alles omstandig verklaard worden," voegde hij haar
haastig toe.
"Toe, doe het nu dadelijk..."
"Dat gaat niet; wij hebben het geduld der rechters reeds veel te lang
op de proef gesteld. Er is geen oogenblik te verliezen!"
"Nu goed dan, maar ik zal van verlegenheid en schaamte bezwijken,
wanneer ik voor de rechters een getuigenis afleg..."
"Dat waar is," zoo drong hij verder aan, "en waarmede gij mij toonen
kunt, hoezeer ge mij liefhebt."
"Wat is dat verschrikkelijk!" zeide zij angstig. "Bind mij ten minste
den sluier vast om het aangezicht. Al die gebaarde mannen..."
"Als de struisvogel," zeide Orion met een glimlach, terwijl hij aan
haar verlangen voldeed. "Indien gij er werkelijk anders over denkt
dan uw... hoe hebt gij daareven ook gezegd? Herhaal het nog eens!"
"Uw liefste!" zeide zij blozende en innig, terwijl zij Orion hielp
haar den sluier dubbel voor het gezicht te binden, en zij weerde
hem niet af, toen hij haar in het oor fluisterde: "Laat eens zien
of een kus ook door zulk eene vermomming nog goed smaakt!--Kom nu,
in weinige oogenblikken is alles gedaan."
Na deze woorden leidde hij haar snel het voorportaal van de rechtzaal
binnen en verzocht haar een oogenblik te wachten. Aan de rechters
deelde hij haastig mede, dat vrouw Susanna hem haar dochtertje slechts
had toevertrouwd onder voorwaarde, dat hij haar onverwijld bij hare
moeder zou terugbrengen, nadat zij hare verklaring als getuige had
afgelegd. Vervolgens liet hij Paula roepen en noodigde haar uit zich
neer te zetten.
Katharina was met loome schreden en een beklemd hart het voorportaal
van de rechtzaal binnengegaan. Zij had zich menigmaal door kleine
omwegen uit de verlegenheid weten te redden om eene berisping te
ontgaan, maar zij had nog nooit ernstig gelogen, en nu begon alles
in haar zich te verzetten tegen het voornemen om iets te verklaren
wat stellig onwaar was. Maar kon het dan slecht zijn wat Orion, de
edelste van alle mannen, de afgod van de gansche stad, zoo dringend
van haar begeerde? Maakte de liefde, volgens zijne opvatting, het
haar niet tot plicht om alles te doen, wat hem voor nadeel en schade
kon bewaren? Wel-is-waar kwam dit haar niet geheel billijk voor,
maar misschien begreep zij het nog niet genoeg, omdat zij zoo jong en
onervaren was. Het beangstigde haar ook dat haar geliefde, wanneer zij
tegen zijn wil handelde, gedwongen zou zijn met Paula een verbond aan
te gaan. Aan zelfbewustzijn ontbrak het haar niet, en zij zeide tot
zichzelve, dat zij voor geen meisje in Memphis behoefde onder te doen,
alleen die schoone, trotsche, groote Damasceensche stond, dit gevoelde
zij, verre boven haar, en zij kon niet vergeten hoe eergisteren,
toen Paula met haren bruidegom in den tuin op en neder wandelde,
de overste van Memphis had uitgeroepen: "Welk een buitengewoon
mooi paar!" Vaak had zij gedacht, dat er geen schooner, minzamer,
lieftalliger schepsel op aarde leefde dan de dochter van Thomas, en
kon zij hunkeren naar een blik, een vriendelijk woord van haar. Maar
sedert dat zeggen van den stadsoverste was zekere verbittering tegen
Paula in hare ziel ontwaakt, die daarna van verschillende zijden
rijkelijk voedsel had gekregen. Paula bejegende haar altijd als een
kind, niet als een volwassen meisje, dat zij toch was. Waarom had zij
heden middag haren bruidegom, want zoo mocht zij Orion thans noemen,
willen opzoeken en haar van hem afhouden? En wat was de reden dat
Orion, terwijl hij de bekentenis aflegde dat hij haar liefhad,
telkens meer dan met warmte, met geestdrift van die jonkvrouw had
gesproken? Neen voor deze verleidster moest zij op hare hoede zijn,
en wanneer men sprak van een groot geluk dat haar weervaren was,
Paula zou het haar zeker niet gunnen, want Katharina voelde en
wist, dat deze haren geliefde met alles behalve onverschillige oogen
aanzag. Zij bezat op de wereld geene andere vijandin dan Paula en van
deze mededingster had hare liefde alles te vreezen. Opeens vroeg zij
zich af, of het bladgoud dat zij gezien had toch niet een gesneden
steen zou hebben kunnen zijn. Zij had immers de halsketen maar een
oogenblik opmerkzaam bekeken? En waarom zou zij scherper hebben gezien
dan de groote wonderschoone oogen van Orion?
Zeker, hij had gelijk, gelijk zooals altijd. De meeste gesneden steenen
hadden eene ovale gedaante, en ovaal was ook dat ding waaromtrent
zij getuigen moest. Het was van Orion niet te denken, dat hij iets
leugenachtigs van haar verlangen zou. In elk geval was het de plicht
zijner bruid om hem voor schande te behoeden en te verhinderen, dat
hij een verbond zou sluiten met die schoone sirene. Zij wist wat zij
te zeggen had en reeds wilde zij een gedeelte van den sluier losmaken,
om Paula recht goed in het aangezicht te zien, toen Orion terugkeerde
om haar naar de rechtzaal te voeren.
Tot zijne vreugde, ja tot zijne verbazing sprak Katharina hier
zonder aarzelen uit, dat er heden middag een gesneden steen in Paulas
halssieraad had gehangen, en toen men haar den onyx toonde en vroeg
of zij zich dezen herinnerde, antwoordde zij kalm: "Deze kan het
geweest zijn of ook niet; ik herinner mij alleen nog de ovale gouden
achterzijde. Voor het overige liet deze jonkvrouw haar kleinood maar
enkele oogenblikken in mijne handen."
Toen de rentmeester Nilus haar uitnoodigde, om de voorstelling
van Amor en Psyche nader te bekijken en haar geheugen te scherpen,
antwoordde zij ontwijkend: "Ik mag zulke heidensche voorstellingen
niet; wij Jacobietische meisjes dragen andere sieraden."
Daar rees Paula op, en trad met een blik vol streng verwijt haar
te gemoet, en nu verblijdde de kleine Katharina zich, dat zij op
het denkbeeld was gekomen om zich het hoofd te bedekken met een
dubbelen sluier. Maar de groote verlegenheid waarin zij gebracht
werd door den scherpen blik der Damasceensche, duurde slechts kort,
want toen deze haar waarschuwend toeriep: "Gij legt nadruk op uwe
getuigenis, maar gij hebt niet minder dan ik der waarheid de eere
te geven. Bedenk wat er van uwe uitspraak afhangt; dat bezweer ik u,
kind," viel de kleine hare tegenpartij in de rede en zeide verstoord,
met hartstochtelijke gejaagdheid: "Ik ben geen kind meer, ook niet
voor u, en vóor ik spreek bedenk ik mij, zooals mij dat geleerd werd!"
Daarop wierp zij het kopje trotsch in den nek en herhaalde nog eens
stellig: "Deze onyx heeft in het midden van de keten gehangen."
"Gij schandelijke leugenaartser!" riep de voedster, zichzelve niet
meer meester, haar in het aangezicht.
Katharina verschrikte hevig en zag om, als had haar een adder gebeten
naar haar die het gewaagd had haar zoo gruwelijk en onbeschaamd te
beleedigen. Hulpeloos, terwijl zij op het punt was in tranen uit te
barsten, keek haar oog naar bijstand rond, en zij behoefde niet lang
op een wreker te wachten, want Orion gaf dadelijk bevel Perpetua
wegens hare valsche verklaring naar de gevangenis te brengen, de
Damasceensche te ontslaan, omdat zij niet had gezworen en alleen uit
goede bedoeling een ongelooflijk verhaal had verdicht, en de kist
weder naar hare kamer te dragen.
Daar trad de jonkvrouw nog eens voor de tafel, maakte den onyx van de
keten los, wierp dien den jood Gamaliël toe, die hem opving, en zeide:
"Dien schenk ik u, man! Misschien koopt de schurk, die hem aan mijn
keten heeft gehangen, u dien weer af. Mijne grootmoeder heeft dit
halssieraad van den heiligen keizer Theodosius ontvangen, en eer ik
het verder door het geschenk van een ellendeling laat bezoedelen,
werp ik zelve het in den Nijl. Op u arme, bedrogene rechters ben ik
niet toornig, doch ik beklaag u! Mijn Hiram"--en hier wees zij op
den vrijgelatene--"is een eerlijk man, dien ik met dankbare liefde
gedenken zal tot in den dood; maar deze onrechtvaardige zoon van een
rechtvaardigen vader, die daar...." Dit roepende wees zij op Orion;
doch de jongeling ontnam haar het woord door haar toe te duwen:
"Genoeg!"
Zij trachtte al hare krachten te verzamelen en zeide: "Ik zal doen
wat gij verlangt, want uw geweten zal u honderdmaal herhalen, wat
ik verzwijg. En nu nog een woord!" Daarop ging zij naar hem toe en
fluisterde hem in het oor: "Ik heb de overwinning op mijzelve behaald,
om het scherpste wapen tegen u ongebruikt te laten, overeenkomstig
mijn gegeven woord. Wanneer gij niet de ellendigste zijt van alle
ellendigen, gedenk dan het uwe en red Hiram!"
Een zwijgend hoofdknikken was zijn antwoord. Zij bleef op den drempel
nog even staan en zeide tot Katharina: "U, kind, want meer zijt gij
nog niet, u zal de zoon van den Mukaukas voor den dienst hem bewezen
met onbeschrijfelijke smarten beloonen."
Met deze woorden verliet zij de zaal, besteeg met wankelende schreden
de trap, en toen zij weder naast de legerstede van de arme waanzinnige
neerzat, schonk de goede God haar den lenigenden balsem van te kunnen
weenen. Haar vriend, de arts, vond haar weenende en stoorde haar niet,
tot zij zelve hem bij haar riep en hem toevertrouwde, wat haar op
dezen moeielijken dag overkomen was.
Orion en Katharina hadden hunne blijmoedige stemming verloren
en begaven zich ernstig naar de zuilengaanderij terug. Toen zij
onderweg bij hem op verklaring aandrong, waarom hij haar verleid had
dit getuigenis af te leggen, troostte hij haar met een uitstel tot
morgen. Zij vonden vrouw Susanna alleen, want zijne moeder was bij
haar gemaal geroepen, wiens lijden was verergerd, en had de kleine
Maria medegenomen. Nadat hij de weduwe begroet en haar met Katharina
naar den wagen geleid had, keerde hij naar de rechtzaal terug.
Daar gekomen zette hij den rechters de geheele toedracht der zaak
en alles wat tegen den vrijgelatene getuigde nog eens in een kort
bestek uiteen. Daarop werd het oordeel geveld. De trouwe Hiram werd
ter dood veroordeeld. Alleen de stem van den rentmeester Nilus had
er zich tegen verklaard. Orion beval de voltrekking van het vonnis
op te schorten en keerde niet weder in huis terug. Hij liet zijn
wildsten hengst zadelen en reed geheel alleen de woestijn in. Hij
had overwonnen, maar het was als ware hij bij die wedstrijd in het
slijk geraakt en moest hij daarin stikken.