TWAALFDE HOOFDSTUK.

Met gebalde vuisten en kwaadaardigen blik daalde Orion de trap af. Het

was hem of zijn hart zou bersten. Wat had hij gedaan, en wat was er

van hem geworden! Zoo durfde eene vrouw hem bejegenen, eene vrouw,

die hij zijne liefde had gewijd, de schoonste en edelste der vrouwen,

de hoogmoedigste, wraakzuchtigste en hatelijkste tegelijk! Hij had eens

ergens gelezen: "Wie eene laagheid heeft begaan, waarvan ook een ander

weet, die draagt het doodsoordeel van zijne zielsrust in de plooien van

zijn gewaad." Hij gevoelde het gewicht van dit oordeel, en de andere

die mede alles wist was Paula, was zij van wie hij bovenal gewenscht

had dat zij tot hem mocht opzien! Gisteren hield hij het nog voor de

grootste zaligheid op aarde haar te omarmen, haar de zijne te mogen

noemen; thans kende hij maar één wensch, haar te vernederen, haar te

straffen. Helaas, dat hem de handen gebonden waren, dat hij als een

veroordeelde van hare genade afhing! Hij kon niet onder woorden brengen

hoe onverdragelijk hem deze gedachte was. Maar zij zou hem leeren

kennen! Als een blanke zwaan was hij tot nu toe het leven doorgegaan;

als deze noodlottige ure, als deze vrouw hem tot een gier maakte,

was het niet zijne, was het hare schuld! Weldra zou blijken wie de

sterkste was van hen beiden. Hij moest haar straffen op eene wijze

zooals men eene vrouw slechts tuchtigen kan, al moest hij ook langs

den weg der misdaad en der ellende zijn doel bereiken. Hij vreesde

niet dat de arts hare genegenheid had gewonnen, want hij voelde met

onbetwistbare zekerheid dat, hoe zij hem hare vijandschap ook deed

gevoelen, haar hart hem en hem alleen behoorde. "De gouden munt

der liefde," zeide hij tot zichzelven, "heeft twee zijden: teeder

verlangen en bitteren haat; thans toont zij mij deze laatste zijde,

maar hoe verschillend ook het beeld en het schrift van de munt mogen

zijn, wanneer men haar laat klinken geeft zij toch maar éen toon,

en die toon ligt ook in hare beleedigende taal."

Aan de familietafel verontschuldigde hij Paula en at zelf zeer weinig,

want de rechters waren sedert lang vergaderd en wachtten op hem.

Reeds aan de voorvaderen van den Mukaukas, machtige gouwvorsten,

was het recht verleend over leven en dood, en zij hadden zich daarvan

zeker al bediend onder de Psamtikiden, aan wier heerschappij de Pers

Cambyses zulk een gruwzaam einde had gemaakt. Als eerwaardige symbolen

van dit recht prijkten thans nog uraeusslangen, adders wier beten

den snelsten dood ten gevolge hebben, en de drakendooder St. George

boven de paleizen van den Mukaukas te Memphis en te Lucopolis in

Boven-Egypte. Op beide plaatsen stond het aan het hoofd der familie

vrij, nadat Justinianus en het laatst keizer Heraclius die oude

bevoegdheid opnieuw bevestigd hadden, om aan de onderhoorigen des

huizes en de inwoners van het district, waarover hij gesteld was,

eigenmachtig de doodstraf te doen voltrekken. De ridder St. George

was tusschen de oude slangen geplaatst, om het heidensch symbool

door een christelijk te vervangen. Vroeger had de ridder het hoofd

van een sperwer, dat wil zeggen van den god Horus gedragen, die om

zijn vader te wreken den boozen Seth Typhon had verslagen, doch reeds

een paar honderd jaren geleden was de heidensche krokodillendooder

in den christelijken overwinnaar van den draak veranderd geworden.

De Arabieren hadden na de verovering des lands de oude instellingen en

rechten en zoo ook die van den Mukaukas gehandhaafd. Het gerechtshof,

dat in zaken betreffende het huispersoneel werd saamgeroepen, bestond

uit de hoogere privaatbeambten van het stadhouderlijk huis. Het ambt

van opperrechter bekleedde de Mukaukas zelf en zijn volwassen zoon

was zijn natuurlijke plaatsvervanger. Gedurende Orions afwezigheid

had het hoofd van de rentmeesters, Nilus, een verstandig en bezadigd

Egyptenaar, de plaats van zijn lijdenden meester vaak vervuld, maar

heden was aan Orion opgedragen het voorzittersgestoelte in te nemen

en het onderzoek te leiden.

De zoon van den stadhouder haastte zich uit de eetzaal naar het

slaapvertrek zijns vaders te gaan, en vroeg hem om zijn ring als

teeken der volmacht, die hij op hem had overgedragen. De Mukaukas liet

zich dezen gewillig van den vinger halen, en drukte den jongeling

op het hart, dat zonder toegevendheid en gestreng moest worden

gevonnisd. Hij was anders tot zachtheid geneigd, doch op een inbraak

in zijn huis stond de dood, en in dit geval was het om der wille van

den Arabischen koopman geraden geen vergiffenis te schenken. Orion,

indachtig aan zijne overeenkomst met Paula, verzocht nu zijn vader hem

de handen geheel vrij te laten. De oude muzelman was een rechtvaardig

heer, die onder zekere omstandigheden ook een zacht vonnis zou

billijken. Bovendien was de misdadiger eigenlijk geen huisgenoot,

maar hij stond in dienst bij eene bloedverwante. De Mukaukas prees

het verstandig inzicht van zijn zoon. Als hij zich maar wat beter

gevoelde, zou hij gaarne de zitting willen bijwonen, ten einde hem

voor de eerste maal een ernstigen plicht te zien vervullen, die zijne

geboorte en zijn stand waardig was. Orion kuste zijn vader met warmte

en weemoedige ontroering de hand, want ieder woord van waardeering

uit den mond van dezen geliefden man deed hem innerlijk goed, doch hij

beschouwde het als eene ramp, dat hij zijn rechtersloopbaan, waarvan

hij den ernst en de heiligheid gevoelde, aldus--aldus beginnen moest.

Zachtmoediger gestemd, in gedachten verzonken en overwegende hoe

Hiram te redden en Paula's naam liefst geheel buiten de zaak te

houden zou zijn, begaf hij zich naar de gerechtszaal, en vond vóor

den ingang de voedster Perpetua in een levendig gesprek met den

rentmeester Nilus. De oude vrouw was radeloos. Door haar arbeid aan de

weefgetouwen had zij tot zooeven niets van al het gebeurde vernomen,

en zij bezwoer thans de onschuld van den ongelukkigen Hiram. De steen,

dien hij verkocht had, was het eigendom geweest van hare meesteres,

en daarvoor ontbrak het goddank niet aan bewijzen, want de kas van den

smaragd lag goed bewaard in de kist van hare meesteres. Gelukkig was

het nog mogelijk geweest haar even te spreken, maar dat men haar, de

dochter van Thomas, als ieder burger- of slavenkind voor het gerecht

wilde dagen, dat was ongehoord, dat was schandelijk!

Opeens stoorde Orion barsch dit onderhoud; hij gelastte den ouden

deurwachter haar onverwijld te brengen naar het magazijn naast het

tablinum, waar de voor het gebruik des huizes bestemde geweven stoffen

bewaard werden, en haar daar tot nader order goed te bewaken. De toon

waarop hij dit bevel gaf was zoo meesterachtig, dat zelfs de voedster

niet tegensprak; ook de rentmeester gehoorzaamde zwijgend zijn gebod,

om zich weder bij de rechters te voegen. Nilus kwam verbaasd en angstig

in de rechtzaal terug. Zóo had hij den zoon zijns meesters nog nooit

gezien. Bij de mededeeling van de voedster waren hem de aderen op

zijn jeugdig nog ongerimpeld voorhoofd sterk gezwollen, hadden zijne

neusvleugels zich snel en krampachtig bewogen, was de welluidende klank

uit zijne stem verdwenen en hadden zijne oogen dreigend gefonkeld.

Nu was Orion alleen en hij knarste op de tanden van boosheid. Ondanks

de gegeven belofte had Paula hem verraden, en hoe verachtelijk was

de vrouwenlist, waarmede zij dit gedaan had. Voortreffelijk! Voor

de rechters kon zij nu zwijgen, gerust zwijgen tot aan het einde der

zitting; de voedster, haar spreekbuis, had aan Nilus, den ernstigsten

en scherpzinnigsten man in het geheele college, de bewijzen

toevertrouwd, die voor haar en tegen hem getuigden. Ongehoord,

schandelijk! Een smadelijk, bij uitstek nijdig verraad! Maar

nog had zij haar doel niet bereikt, nog had hij de handen vrij,

om deze boozen aanval met een tegenstoot af te weren. Welke deze

zijn moest, dat was hem reeds bij de mededeeling van de voedster

duidelijk geworden, maar zijn geweten, zijne aangeboren neiging, de

langdurige gewoonte om zich te houden binnen de perken van wat recht,

goed en betamelijk is, dat alles verzette zich daartegen. Niet alleen

had hijzelf nooit eene laaghartige gemeene daad begaan, maar het had

zijne ergernis opgewekt, zoo vaak hij het had gezien van anderen; en

het eenige wat hij ondernemen kon om Paula's verraad onschadelijk te

maken, het was--hij kon het niet loochenen--het was wel ongehoord en

stout, maar niet minder verachtelijk en schandelijk. Doch hij wilde

en mocht in dezen strijd niet onderliggen. De tijd drong, hij kon

onmogelijk lang wikken en wegen, en plotseling ontwaakte in hem een

kwaadaardige, woeste strijdlust, en gevoelde hij zich als in de dagen

van de wedrennen in den circus, wanneer hij zijn vierspan aanzette

om de anderen vooruit te komen. Vooruit dan, vooruit, al moest het

voertuig in splinters slaan, al moesten de paarden er bij neervallen

en de raderen van zijn wagen de strijdgenooten in het zand van de

arena verbrijzelen!

Met een paar haastige schreden bereikte hij het kamertje van den

deurwachter, een wakker man, die sedert veertig jaren dit ambt

bekleedde. Vroeger was hij smid geweest en thans gebruikte men hem

om kleine herstellingen te doen aan het gewone huisraad. Orion

was als kind een aardige knaap, die ieders hart wist te stelen,

en dus ook de lieveling van dezen man geweest. Vaak had hij zich in

diens kamertje opgehouden en hem de kunstgrepen van zijn handwerk

afgezien. Met een bijzonderen aanleg voor werktuigkunde begaafd,

had hij zich een leerzaam scholier van den oude betoond en het

zoover gebracht, dat hij zijne ouders op hunne geboortedagen, die in

Egypte bijzonder feestelijk gevierd en door het geven en ontvangen

van geschenken opgeluisterd werden, met sierlijke kastjes en banden

voor gebedenboeken kon verrassen, die hij met eigen hand gesneden en

van sloten voorzien had. Hij kon alle instrumenten hanteeren en koos

thans fluks de zoodanigen uit, die hij meende noodig te hebben. Op

de vensterbank van het kamertje stond een bloemruiker, dien hij

gisteren avond voor Paula bestelde, maar op dezen schrikkelijken dag

vergeten had te halen. Met dezen in de hand en de instrumenten in de

borstplooien van zijn gewaad snelde hij naar de trap.

"Voorwaarts, altijd voorwaarts!" riep hij zichzelven toe, toen

hij Paula's kamer binnendrong, de deur grendelde, en zich op de

knieën neerliet bij hare kist, na de bloemen uit de handen te hebben

gelegd. Als hij ontdekt werd, dan heette het dat hij naar hare kamer

was gegaan om dezen ruiker te brengen.

"Voorwaarts, steeds voorwaarts!" dacht hij altijd, terwijl hij

de scharnieren losschroefde, waarmede het deksel aan de kist was

verbonden. Zijne handen beefden, zijne ademhaling versnelde, maar

het werk vorderde toch. Op deze manier moest het hem gelukken,

want het kunstslot van de kist liet zich niet openen zonder het te

vernielen. Daar lichtte hij het deksel en--als ondersteunden hem

vriendelijke machten--bij den eersten greep in de kist hield hij de

halsketen met de ledige kas in de hand. Het hulsel van bladgoud hing

aan het kunstig gewerkt halssieraad; dit los te haken en bij zich te

steken was het werk van een oogenblik.

Maar nu ging het niet meer, al riep hij zich het "voorwaarts" nog zoo

luide toe. Dat was een diefstal, daarmede ontroofde hij iets aan haar,

die hij, als zij maar gewild had, bereidwillig met alles zou hebben

overladen, waarmede het lot hem zoo overrijk gezegend had. "Neen,

dat, dat..."

Daar schoot hem plotseling eene zonderlinge gedachte door het hoofd,

eene gedachte die hem, te midden van den vreeselijken ernst van deze

ure een glimlach om de lippen plooide. Zonder verwijl voerde hij

haar uit; hij greep diep in zijn onderkleed en haalde een edelsteen

te voorschijn, die aan eene gouden keten op zijne borst hing. Dit

kleinood, het meesterwerk van een groot Grieksch steensnijder uit

den heidenschen tijd, was hem vereerd door zijn besten vriend in

Konstantinopel, als tegengeschenk voor een vierspan, dat dezen

bijzonder beviel, en de steen bezat inderdaad hooger waarde dan een

half dozijn edele paarden. Als in een roes, half waanzinnig, volgde

Orion dien ontstuimigen drang van zijn gemoed, en het verheugde hem

dat hij een kostbaar stuk bij de hand had om in de plaats van het

armzalig bladgoud te hangen. Met een paar handgrepen was alles in orde,

maar het weder aanschroeven van de scharnieren vorderde meer tijd,

want zijne vingers beefden sterk, en hoe nader het oogenblik kwam,

waarop hij Paula zijne overmacht wilde laten voelen, des te sneller

klopte zijn hart, des te moeielijker viel het hem zijn geest tot

kalme overweging te dwingen.

Nadat hij de deur ontgrendeld had, moest hij weder als een dief de

lange gang van de verdieping der gasten bespieden. Dit verhoogde

zijne opgewondenheid tot verbittering tegen de wereld en het

noodlot, en het meest tegen haar, die hem tot zulk eene smadelijke

zelfvernedering dwong. De renner hield de teugels en den prikkel in de

hand. Voorwaarts nu, voorwaarts! Evenals toen hij nog een jongen was,

vloog hij de trappen af, telkens een drietal treden overspringende,

en toen hij in de voorzaal de Grieksche opvoedster Eudoxia aantrof,

die hare wilde kweekelinge Maria juist in huis trok, wierp Orion haar

den bloemruiker toe, dien hij weder had meegebracht, en ijlde, zonder

acht te geven op de smachtende blikken waarmede de bedaagde jonkvrouw

hare dankzegging begeleidde, naar het kluisje van den deurwachter

terug, waar hij zich haastig ontdeed van alle gereedschappen.

Weinige oogenblikken later betrad hij de rechtzaal. De rentmeester

Nilus wees op den hooger geplaatsten opperrechterszetel van zijn vader,

maar eene sterke huivering weerhield hem dit eerwaardig gestoelte te

bezetten. Met gloeiend hoofd en somberen blik, zoodat alle aanwezigen

hem verbaasd en schuw aanzagen, opende hij met driftig uitgestoote

woorden deze zitting. Nauw wist hijzelf wat hij sprak, en hij hoorde

zijne eigene toespraak niet duidelijker dan het geruisch der zee uit

de verte. Toch gelukte het hem klaar uiteen te zetten wat er gebeurd

was, hij toonde den rechters den geroofden steen, dien men den dief

afhandig had gemaakt, berichtte op welke wijze men dezen weder in

bezit had gekregen, verklaarde den vrijgelatene van de dochter van

Thomas schuldig aan inbraak, en beval hem tot zijne verantwoording

aan te voeren wat hij vermocht.

Doch de aangeklaagde wist er slechts met moeite stotterende uit te

brengen, dat hij onschuldig was. Het was zijne zaak niet zichzelven

te verdedigen, maar misschien zou zijne meesteres iets tot zijne

rechtvaardiging in het midden willen brengen.

Daarop streek Orion zijne verwarde haren uit het aangezicht, wierp

het verhitte hoofd trotsch in den nek en zeide, zich tot de rechters

keerende: "Zij is eene aanzienlijke jonkvrouw, eene verwante van ons

huis, het is betamelijk haar buiten deze treurige zaak te houden. Hare

voedster heeft Nilus bovendien medegedeeld, wat misschien in staat is

om dezen ongelukkige te redden. Wij willen niets daarvan onopgemerkt

laten, maar gij, die minder goed met de verhoudingen tusschen de

verschillende personen bekend zijt, moet dit wel in het oog houden,

om niet op een dwaalspoor te geraken. Zij is aan den beschuldigde

gehecht, en hem en Perpetua schat zij hoog als het eenige wat haar

uit het ouderlijk huis is overgebleven. Verder moet het mij en u niet

verwonderen, wanneer eene edele vrouw als zij het waagt de schuld van

een ander op zich te nemen, en zichzelve in een twijfelachtig licht

te plaatsen, om een dienaar te redden, die altijd trouw en eerlijk

is geweest. De voedster is bij de hand, zullen wij haar roepen, of

heeft zij u Nilus alles toevertrouwd, wat hare meesteres ten gunste

van den vrijgelatene aanvoerde?"

"Perpetua heeft mij, en ten deele ook u eene geloofwaardige mededeeling

gedaan," antwoordde de rentmeester, "maar ik vermag haar toch niet

zoo juist weer te geven als zijzelve, en ik dacht daarom dat het goed

zou zijn de vrouw te laten voorkomen."

"Men brenge haar voor," beval Orion, terwijl hij over de hoofden der

rechters somber en ongenaakbaar in de ruimte staarde.

Na een langdurig en pijnlijk zwijgen in de zaal verscheen de oude

vrouw. Overtuigd van het goed recht harer zaak, trad zij onbeschroomd

binnen, zag eerst den ongelukkigen Hiram niet zeer vriendelijk aan,

omdat hij zoo lang gezwegen had, en vertelde daarop dat Paula, om

zich het noodige geld ter opsporing van haren vader te verschaffen,

door den vrijgelatene een kostbaren smaragd uit hare halsketen had

laten nemen, en hoe door het verkoopen van dit kleinood haar landsman

helaas in verdenking was gekomen.

Deze verklaring van de voedster scheen het meerendeel der rechters

gunstig voor den aangeklaagde te stemmen, doch Orion liet hun geen

tijd om onder elkander van gedachten te wisselen, want nauwelijks had

Perpetua haar verhaal geëindigd, of Orion greep den smaragd, die voor

hem op tafel lag, en zeide driftig en verstoord: "Dus zou een steen,

die zijn verkooper zelf, een der grootste kenners van juweelen,

verklaard heeft eenig in zijne soort te zijn en dezelfde die in

het tapijt heeft gezeten, opeens als door een wonder der natuur een

dubbelganger gevonden hebben? Booze geesten drijven ook heden ten dage

nog hun spel met de menschen, doch het is bezwaarlijk te gelooven

dat zij dit doen in dit christelijk huis. Gij weet wat het woord

'bakersprookjes' in onze taal beteekent, en wat de voedster daar in het

midden heeft gebracht moet blijkbaar daartoe gerekend worden. Dat mag

men den jood Apelles doen gelooven, zooals de Romein Horatius zeide,

maar zijn geloofsgenoot Gamaliël"--waarbij hij zich tot den juwelier

wendde, die op de bank der getuigen zat,--"zeker niet, en nog minder

mij, die dit weefsel doorzie. De dochter van den edelen Thomas heeft

zich vernederd om met behulp van deze kunstenares in het weven dit

sprookje op het getouw te zetten en voor ons te ontrollen, ten einde

ons rechters op een dwaalspoor te brengen en haren trouwen dienaar te

redden van gevangenisstraf, dwangarbeid of den dood. Zoo zit de zaak

in elkaar. Dwaal ik, vrouw, of blijft gij volharden bij uwe bewering?"

De voedster, die gemeend had in Orion een verdediger te vinden voor

hare meesteres, had zijne woorden gevolgd met klimmende verbazing. Uit

zijne oogen fonkelden haar nu eens spot, dan groote verbolgenheid

tegen, doch terwijl bij dezen onverwachten uitval de tranen haar in

de oogen waren geschoten, bewaarde zij toch hare tegenwoordigheid van

geest en verzekerde, dat zij evenals altijd zoo ook thans de waarheid

had gezegd. De kas waarin de smaragd harer meesteres had gezeten,

zou dit ten overvloede kunnen bewijzen.

Hierop haalde Orion de schouders op, beval de voedster hare meesteres

te roepen, wier persoonlijke tegenwoordigheid thans onvermijdelijk

was geworden, en zeide tot den rentmeester: "Geleid haar, Nilus! Een

dienaar brenge de kist hierheen, opdat deze door de eigenares zelve

voor onze oogen geopend worde, vóor een ander de hand aan den inhoud

kan slaan. Ik zou niet geschikt zijn voor deze boodschap, want

niemand in dit Jakobietische huis, ik vrees zelfs niemand onder u,

heeft genade gevonden in de oogen van deze schoone Melchietin. Mij is

zij helaas bijzonder kwalijk gezind, en zoo moet ik aan anderen elken

maatregel overlaten, die tot misverstand zou kunnen leiden. Breng

haar hierheen, Nilus, natuurlijk met al de onderscheiding, die aan

eene jonkvrouw van hooge geboorte toekomt."

Zoodra de afgezondenen zich verwijderd hadden, doorliep Orion de

rechtzaal met haastige, rustelooze schreden. Maar eens bleef hij voor

de rechters staan, zeggende: "Ook zelfs wanneer de kas van den smaragd

gevonden wordt, hoe verklaren wij dan de aanwezigheid van twee, ik

zeg twee steenen, elk eenig in zijne soort? Het is om zijn geduld te

verliezen! Een teergevoelig meisje waagt het eene ernstige rechtbank

op een dwaalspoor te brengen, ten gunste, ten gunste van...." Hij

ging niet verder, maar stampte driftig met den voet op den grond en

zette daarna stilzwijgend zijne wandeling voort.

"Hij is nog een nieuweling," dachten de rechters, die zijne groote

gejaagdheid opmerkten, "anders zou hij zich de dwaze poging om een

aangeklaagde schoon te wasschen niet zoo aantrekken, en zich door

zoo iets niet uit zijn humeur laten brengen."

Het verschijnen van Paula maakte eindelijk aan dat op- en neerloopen

van Orion een einde. Hij ontving haar met eene afgemetene buiging

en verzocht haar plaats te nemen. Vervolgens noodigde hij Nilus

uit haar mede te deelen wat uit het onderzoek en de behandeling van

de zaak tot hiertoe was gebleken, en te vragen wat haar naar zijne

meening en die der overige rechters had kunnen bewegen den gestolen

smaragd voor den hare te verklaren. Hij zou het zooveel mogelijk

aan anderen overlaten haar te verhooren, want zij wist maar al te

goed in welke verhouding zij tot elkander stonden. Voor dat hij

de rechtzaal binnenkwam, had zij hare verklaring van den diefstal

door Perpetua aan den rentmeester Nilus laten mededeelen; hij--en

hier verhief hij zijne stem--zou het passender gevonden hebben,

en meer overeenkomstig de verwantschap die er tusschen hen bestond,

wanneer zij hemzelven, Orion, had toevertrouwd, wat zij dacht ten

gunste van den vrijgelatene te doen; dan zou het hem mogelijk zijn

geweest haar te waarschuwen. Dit wegcijferen van zijn persoon bij

hare handelingen moest hij beschouwen als een nieuw bewijs van haar

afkeer, en de gevolgen ervan zou zij aan zichzelve te wijten hebben;

want nu moest het rechtsgeding onverbiddelijk zijn loop hebben.

De toornige gloed zijner oogen verried haar wat zij van hem te wachten,

en dat hij den kamp met haar aangenomen had. Zij hield zich overtuigd,

volgens zijne opvatting de kort te voren gegeven belofte verbroken

te hebben; doch zij had Perpetua geenszins opgedragen zich in deze

aangelegenheid te mengen, zij had de voedster integendeel verzocht haar

in het uiterste geval zelve de bewijzen te laten aanvoeren. Orion moest

in den waan verkeeren, dat hem harerzijds een onrecht was aangedaan;

maar zou hij daarom zichzelven zooverre kunnen vergeten, dat hij

zijne bedreiging uitvoerde en een onschuldige, om alle verdenking van

zich af te wenden, te gronde richtte, waarbij hij haar als valsche

getuige zou brandmerken? Ja, ook voor dit uiterste schrikte hij

niet terug! Zijn vlammend oog, zijne heftige gebaren, het geweldig

hijgen van zijne borst, dit alles sprak het duidelijk genoeg uit. De

strijd moest dus worden aanvaard. Liever ware zij op dit oogenblik

gestorven, dan dat zij het zou hebben willen wagen hem door een woord

van verontschuldiging zachter te stemmen. Zij voelde hoe zijn gemoed

kookte, en zou zich aan zijne voeten hebben willen nederwerpen, om hem

te smeeken toch tot bedaren te komen, ten einde zich te hoeden voor

eene nieuwe misdaad; doch zij bewaarde hare trotsche waardigheid,

en de blik waarmede zij den zijnen beantwoordde was niet minder

toornig en uitdagend dan die van hem. Als twee jonge adelaars, die

strijdlustig de veeren opsteken, de vleugels verder uitspreiden en de

halzen rekken, stonden zij daar tegenover elkander, zij zeker van hare

overwinning, in het bewustzijn van de rechtvaardigheid harer zaak,

doch meer beangst voor hem dan voor zichzelven, hij bijna blind voor

het eigen gevaar, maar als een gladiator, die in de arena tegenover

zijn doodvijand staat, meer bedacht om dezen te vellen, dan om eigen

lijf en leven te beschermen.

Terwijl de rentmeester haar mededeelde wat zij ten deele reeds

wist, en daarop de verdenking herhaalde, dat zij zich had laten

verleiden tot het geven van een valsch getuigenis om haar dienaar,

die misschien uit liefde voor zijn verdwenen meester de inbraak had

gewaagd, het leven te redden, zag zij meer naar Orion dan naar den

redenaar. Deze laatste wees ten slotte op de kist, die tegelijk met

Paula uit hare kamer in de zaal was gebracht, en gaf haar te kennen,

dat de gezamenlijke rechters bereid waren alles aan te hooren en te

onderzoeken, wat zij tot hare verdediging in het midden zou brengen.

Orions gejaagdheid bereikte thans haar toppunt. Hij voelde dat hij

doodsbleek werd en kon niet meer geregeld denken. De rechters, de

aangeklaagde, zijne vijandin, alles wat binnen de wanden van de groote

rechtzaal besloten was, lag daar voor hem als in grauwe kronkelende

nevels gehuld. Al wat hij zag scheen hem als met helder smaragdgroen

gekleurd. Het haar, de aangezichten, de gestalten der aanwezigen,

alles schemerde en glinsterde in dien groenachtigen glans. Toen Paula

echter trotsch en met vasten tred naar de kist toeliep, een kleinen

sleutel uit haar gewaad haalde, dezen aan een beambte overhandigde en

daarna als eenig antwoord op de mededeeling van Nilus, ja, als ware

dit reeds te veel van haar gevergd, met koele hoogheid zeide: "Open de

kist!," toen zag hij weder dat glanzig bruine haar, den vurigen gloed

harer blauwe oogen, de afwisselende bleekheid en blos harer wangen,

het heldere gewaad, dat hare heerlijke gestalte in fraaie plooien

omsloot, en haar zegepralenden glimlach. Hoe schoon, hoe begeerlijk

was deze vrouw! Weldra zou zij onderliggen in den strijd met hem,

maar deze overwinning zou hem te staan komen op het verlies van haar,

en met haar van alles wat er reins en goeds zijner voorvaderen waardig

in hem was. Eene stem in zijn binnenste riep het hem toe, maar hij

bracht haar tot zwijgen met de voorwaartskreet van den agitator. Ja,

vooruit tot het doel bereikt was, altijd voort over puin en steenen,

door bloed en stof, tot zij den trotschen nek buigt, tot zij overwonnen

en gebroken om genade smeekt.

Daar sprong het deksel van de kist open. Paula bukte zich, ze haalde

de halsketen te voorschijn en vertoonde die aan de rechters, zij

hield de beide einden ver uit elkander, en... Wat was dat voor een

akelige, hartverscheurende kreet van vertwijfeling! Zelfs Orion zou

gewenscht hebben zoo iets nooit meer te hooren.--Daar wierp zij het

halssieraad voor de rechters op tafel en met den uitroep: "Schandelijk,

laaghartig!" trad zij terug en greep zich aan de trouwe Betta vast;

want hare knieën begonnen te knikken en zij gevoelde dat zij op het

punt stond in elkaar te zijgen. Orion vloog naar haar toe om haar te

ondersteunen, maar zij stootte hem terug, en daarbij trof hem een blik

zoo vol smart, toorn en verachting, dat hij roerloos voor haar bleef

staan en de hand op zijn hart drukte.--En deze laaghartige daad,

die twee menschenkinderen zoo diep zou grieven, had hij met een

glimlach begonnen! Deze vertooning, die een doodsoordeel bevatte,

tot welk een ontzettend einde kon zij leiden?

Paula was intusschen zonder verder eenig geluid te geven op een

zetel neergezonken, en ook hij zag zwijgend voor zich tot in de rij

der aanwezige rechters een luid gelach opging en de oude Psamtik, de

bevelhebber van de hoofdwacht, die sedert geruimen tijd in de rechtbank

zitting had, uitriep: "Bij mijn ziel een kostelijke steen! Dat is de

heidensche liefdegod Eros, dien zijn gevleugeld schatje Psyche in het

aangezicht ziet. Hebt gij dien mooien roman van Apulejus niet gelezen,

'de gouden ezel' geheeten? Dit stukje komt daarin voor. Heilige Lukas,

wat is dat fijn gesneden! De edele jonkvrouw heeft zeker den verkeerden

halsketen gegrepen. He, Gamaliël, waar moet aan dat ding"--en hij wees

hierbij op den gesneden steen--"dat groene duivenei gezeten hebben?"

"Nergens," antwoordde de jood. "De edele jonkvrouw...."

Doch Orion legde dien getuige barsch het zwijgen op, waarna de

rentmeester Nilus den steen in handen nam en dien opmerkzaam van alle

zijden bekeek. Daarop ging de ernstige, rechtvaardige man, op wiens

bijstand Paula zeker gerekend had, naar haar toe, haalde medelijdend

de schouders op, en vroeg of er zich in de kist ook nog eene andere

halsketen kon bevinden, met zulk eene gouden kas als waarvan zij

gesproken had.

Eene rilling voer haar door de leden, want het scheen wel dat hier

een wonder was geschied. Maar neen, bij dezen slag die haar werd

toegebracht waren geen hoogere machten in het spel. Orion meende dat

zij hare belofte om hem te verschoonen en te zwijgen gebroken had, en

dit was nu zijne wraak. Hoe en langs welken weg hij haar volvoerd had,

dat was haar een raadsel. Welk een slag! Ja, ze had getroffen! Zou zij

zich dien laten welgevallen as een geduldig kind? Neen, duizendmaal

neen! Opeens herkreeg zij hare veerkracht, de haat staalde haar zwakken

wil, en gelijk hij zich in den geest verplaatst had te midden van

de wedrennen in de arena, zoo verbeeldde zij zich aan het schaakbord

gezeten te zijn; en het was haar als streed zij met hem om te winnen,

niet als met zijn vader om bloemen, kleine geschenken of de eer van

het spel alleen, maar om een geheel anderen inzet, om dood of leven.

Alles wilde zij er aan wagen om hem te overwinnen, en toch, neen--wat

er ook van komen mocht--niet alles. Liever wilde zij de nederlaag

lijden, dan hem overtuigen van diefstal, dan te verraden, wat zij in

het viridarium had bespied. Zij had beloofd dat te zullen verzwijgen

en den zoon te bewaren voor dezen smaad, dat zou het loon zijn dat

zij den vader betaalde voor zijne goedheid. Hoe heerlijk, hoe groot

had Orions beeld voor hare ziel gestaan! Met deze schandvlek wilde

zij hem noch voor zichzelve noch voor de wereld bezoedelen. Maar in

geen enkel ander opzicht mocht zij hem ontzien, en zij moest alles

doen om hem de zegepraal te betwisten en Hiram te redden. Elk wapen

was geoorloofd, alleen dit verraad wilde en mocht zij niet tegen hem

plegen. Hij moest gevoelen dat zij edeler gezind was dan hij, dat

zij in de moeielijkste omstandigheden des levens trouw bleef aan haar

woord. Haar besluit was genomen, en zij begon dieper adem te halen,

er kwam weer leven in haar oog, ofschoon het nog een wijle duurde,

eer zij het rechte woord vond om den strijd te beginnen.

Orion zag welk een bangen strijd zij voerde, hij gevoelde dat zij zich

tot weerstand wapende, en had haar willen aanmoedigen om den eersten

uitval te doen. Nog geen woord van verbazing of verontwaardiging,

nog geen enkel verwijt was over hare lippen gekomen. Wat voerde zij in

het schild, waarover peinsde zij? Hoe verrassender en gevaarlijker de

uitval bleek te zijn, des te beter; hoe moediger zij zich verweerde,

des te verder zou bij hem de pijnlijke gedachte op den achtergrond

treden, dat hij strijd voerde tegen eene vrouw. Ook helden hadden

roem gedragen op overwinningen over Amazonen behaald.

Eindelijk stond zij op en ging naar Hiram toe. Men had hem aan den

schandpaal gebonden en toen een smeekende blik uit zijne trouwe

oogen haar trof werd haar tong ontboeid, was zij zich opeens bewust,

dat zij zich niet enkel te verweren maar ook een ernstigen plicht

te vervullen had. Nadat zij met enkele haastige schreden de tafel

genaderd was, waarom de rechters in een halven cirkel gezeten waren,

legde zij de linkerhand ten steun op het tafelvlak, en zeide, terwijl

zij de rechter omhoog hief: "Gij zijt het offer van een afschuwelijk

bedrog, en iemand heeft aan mij een schurkachtigen streek begaan om

mij in het verderf te storten! Ziet die man daar aan den schandpaal er

uit als een roover? Geen heer heeft ooit trouwer, eerlijker dienaar

kunnen vrijlaten, en de dank dien Hiram daarvoor aan mijn vader

verschuldigd is, heeft hij op zijn dochter overgedragen, daar hij

uit liefde tot mij eigen huis, vrouw en kind verliet, om mij, de wees,

naar den vreemde te volgen. Verlangt gij echter de waarheid te hooren,

niets dan de waarheid en deze ten volle..."

"Spreek!" riep Orion haar toe. Maar zij ging voort, zich tot Nilus

en de overige rechters wendende, terwijl zij hem met voordacht over

het hoofd zag. "Uw hoofd, de zoon van den Mukaukas, weet dat ik in

plaats van beschuldigde eene aanklaagster zou kunnen worden, als ik

wilde. Maar ik versmaad dit middel uit liefde voor zijn vader en omdat

ik edeler denk dan hij. Hij zal mij wel begrijpen! Wat dezen smaragd

aangaat, de vrijgelatene Hiram heeft hem gisteren avond voor mijne

oogen met zijn mes uit het gouden hulsel gelicht; doch behalve wij,

hebben, gode zij dank, ook nog anderen de kas zien hangen aan de keten,

waartoe hij behoorde. Heden middag bevond zij zich nog op de plaats

waar het eene misdadige hand later gelukt is dezen gesneden steen te

bevestigen. Ik heb die, dat bezweer ik u bij Christus' wonden, zooeven

voor het eerst gezien. Het is een kostbaar stuk. Alleen een rijk man,

de rijkste onder u allen, schenkt zulk een schat weg, onverschillig

met welk doel, laten wij zeggen: om een vijand in het verderf te

storten. Gamaliël," en daarbij wendde zij zich tot den juwelier,

"hoe Gamaliël, schat gij den onyx?"

De Israëliet liet zich den steen nog eens overhandigen, draaide

dien in alle richtingen en zeide ten laatste meesmuilende: "Ja,

schoone jonkvrouw, wanneer mijne zwarte broeihen zulke eieren legde,

zou ik het kippetje enkel met koeken van Arsinoë en vette oesters van

Kanopus voederen. Dat ding is een landgoed waard, en al ben ik geen

rijk man, ik betaal daarvoor ieder oogenblik twee groote talenten,

al moest ik ze borgen."

Deze verklaringen misten hare krachtige uitwerking op de rechters

niet. Doch Orion haastte zich te zeggen: "De wonderen vermenigvuldigen

zich op dezen merkwaardigen dag. De edelmoedigheid, tot een ijdelen

klank geworden, schijnt onder ons weer te ontwaken. Een verkwistende

demon maakt uit een waardeloos stukje bladgoud een kostbaren onyx. Mag

men vragen, jonkvrouw, wie die kas aan uw keten heeft gezien?"

Zij geraakte in verzoeking om ook het laatste ontzag voor zijn persoon

te laten varen en antwoordde met bevende stem: "Waarschijnlijk uw

medehelpers, of gijzelf; want gij, gij alleen hebt reden..."

Doch hij liet haar niet verder spreken, maar sneed haar de woorden af,

door te zeggen: "Dat is te veel! O dat gij een man waart! Thans heb

ik gezien hoever uwe edelmoedigheid gaat! Ook de haat, de bitterste

vijandschap...."

"Zij zouden het recht hebben u geheel te vernietigen!" riep zij

diep verontwaardigd. "En wanneer ik u van deze afschuwelijke misdaad

betichtte...."

"Dan zoudt gij een misdaad begaan tegen mij, tegen uzelve en tegen

dit huis," hernam hij dreigend. "Neem u in acht meisje! Kan uwe

verblinding zoover gaan, dat gij mij, mijzelven als getuige oproept,

opdat ik het sprookje, dat gij ons opdischt.."

"O neen, neen; dan zou ik nog iets edels van u moeten kunnen

verwachten," sprak zij, hem luid in de rede vallende. "Ik heb geheel

andere getuigen: Maria, de kleindochter van den Mukaukas Georg."

Haar oog zocht bij die woorden het zijne, maar hij zeide: "Dat kind,

welks hartje u toebehoort, en dat u volgt als een schoothondje!"

"En buiten haar nog Katharina, de dochter van de weduwe Susanna,"

haastte zij zich er bij te voegen, met blozende wangen en zeker van

hare overwinning. "Zij is althans geen kind meer maar eene jonkvrouw,

dat weet gij! Doch," en nu keerde zij zich weder tot de rechters,

"van u vorder ik, dat gij uw ambt waardig zult vervullen, door mij

recht te laten wedervaren en de beide getuigen te doen voorkomen om

haar te hooren."

Terstond antwoordde Orion, terwijl hij alle moeite deed om bedaard

te blijven: "De grootouders mogen beslissen of men het weekhartige

kind aan de verzoeking mag blootstellen door eene verklaring

voor de rechters, zij moge dan luiden hoe zij wil, hare afgodisch

beminde vriendin te redden. Haar leeftijd ontneemt overigens aan hare

getuigenis alle waarde, en het stuit mij ook tegen de borst een kind

van dit huis in deze pijnlijke zaak te mengen. Daarentegen is het de

plicht van het gerechtshof de jonkvrouw Katharina voor te laten komen;

en ikzelf bied mij aan haar te gaan roepen."

Paulas' poging om hem weder in de rede te vallen wees hij ten

stelligste af, men zou haar later in tegenwoordigheid der getuige

geduldig aanhooren. De onyx was misschien afkomstig uit het huis haars

vaders. Opnieuw werd Paula door rechtvaardige toorn overmeesterd en

buiten zichzelve riep zij: "Neen, duizendmaal neen! Een ellendige

booswicht, een uwer helpers, ik herhaal het, is mijne kamer

binnengedrongen en heeft, terwijl ik bij de kranke vertoefde, het

slot van mijne kist verbroken of met een valschen sleutel geopend."

"Dat kan onderzocht worden," zeide Orion, en hij was blijkbaar zeker

van zijne zaak, toen hij beval de kist op tafel te zetten en een der

rechters verzocht als zaakkundige zijn oordeel uit te spreken.

Paula kende den man zeer goed. Hij behoorde tot de aanzienlijkste

beambten des huizes en was de eerste werktuigkundige van den Mukaukas,

wiens taak het was maten en gewichten, wateruurwerken en andere

instrumenten te onderzoeken en te herstellen. Deze kundige man ging

dadelijk over tot het onderzoek van het slot, dat hij in de beste

orde bevond en van eene bijzondere samenstelling bleek te zijn, ook

de kunstig vervaardigde sleutel had door geen looper vervangen kunnen

worden, terwijl Paula moest toegeven de kist heden middag gesloten

en den sleutel sedert dien tijd om haar hals gedragen te hebben.

Orion hoorde deze verklaring schouderophalend aan en beval toen, vóór

hij Katharina ging roepen, Paula en de voedster, van elkaar gescheiden,

in aangrenzende vertrekken te brengen. Om in deze zaak tot klaarheid

te komen, was een eerste vereischte verdere afspraken tusschen haar

onmogelijk te maken. Zoodra de deur achter de vrouwen gesloten was,

ijlde hij naar den tuin, waar hij Katharina hoopte te vinden.

De rechters zagen hem na, terwijl ieder het zijne dacht. Zij stonden

hier voor raadselen, die moeielijk waren op te lossen. Niemand achtte

zich gerechtigd om te twijfelen aan de goede gezindheid van den zoon

huns rechtvaardigen meesters, dien zij eerden als een hoogbegaafd en

grootmoedig jonkman. Zijn strijd met Paula had hen pijnlijk aangedaan

en ieder vroeg zich af hoe het gekomen was, dat het dezen lieveling

der vrouwen niet scheen gelukt te zijn andere gevoelens, dan die van

haat te wekken bij eene der schoonste van haar geslacht. De groote

vijandschap tegen Orion, die zij niet verheelde, benadeelde hare

zaak in de oogen der rechters, die maar al te goed wisten op welk

een gespannen voet zij stond met vrouw Neforis. Het was meer dan

vermetel van haar den zoon van den Mukaukas te beschuldigen de kist

te hebben opengebroken; haat alleen had haar deze aanklacht op de

lippen kunnen leggen. Toch lag er iets in haar wezen dat pleitte

voor de deugdelijkheid van hare verklaringen, en als Katharina

werkelijk kon betuigen de kas van den smaragd aan het halssieraad

gezien te hebben, dan bleef er niets anders over dan het rechtsgeding

van eene andere zijde aan te vangen en onderzoek te doen naar een

anderen huisdief. Maar wie zou zulk een kostbaar stuk als dezen

gesneden steen voor iets zonder waarde hebben weggesmeten? Neen, dat

was ondenkbaar en de werktuigkundige Ammonius had gelijk toen hij

beweerde, dat eene door haat bezielde vrouw tot alles in staat is,

ook tot wat ongelooflijk schijnt.

Intusschen was het volmaakt donker geworden en de gloeiend heete dag

door een heerlijken, lauwen avond vervangen. De Mukaukas had zijn

vertrek nog altijd niet verlaten, terwijl zijne gemalin benevens de

weduwe Susanna en hare dochter, de kleine Maria en hare opvoedster in

de opene gaanderij aan de zijde van den tuin en den Nijl een luchtje

schepten en praatten. De vrouwen hadden hare hoofden omhuld met kanten

sluiers, deels tegen de muggen, die van de rivierzijde, door het licht

aangetrokken, bij zwermen kwamen toevliegen, deels tegen de dampen,

die uit de Nijlvlakte opstegen. Zij wilden zich juist verkwikken met

de zooeven gebrachte koele vruchtensappen, toen Orion verscheen.

"Hoe is het afgeloopen?" riep zijne moeder hem bezorgd toe; want uit

zijne verwarde haren en zijne hoogroode kleur maakte zij op, dat in

de zitting niet alles glad van stapel was geloopen.

"Ongehoorde dingen zijn er gebeurd," was zijn antwoord. "Paula vecht

als eene leeuwin voor den vrijgelatene haars vaders...."

"Om ons te krenken en in verlegenheid te brengen," hernam Neforis.

"Neen, neen, moeder," ging Orion met gejaagdheid voort. "Maar zij heeft

een hoofd van ijzer, zij is eene vrouw die niets ontziet als het geldt

haar wil door te zetten, en daarbij gaat zij met eene slimheid te

werk, waardig den grootsten advocaat dien ik ooit op het tribunaal

van de hoofdstad eene netelige zaak heb hooren bepleiten. Daar

komt bij dat hare voorname houding en hare goddelijke schoonheid

de hoofden van onze arme hofbeambten op hol brengen. Het is zeker

braaf en edel zooveel ijver aan den dag te leggen voor een dienaar,

doch dat alles kan haar niet helpen, want de bewijzen die tegen haren

stotterenden vriend voor de hand liggen zijn volkomen overtuigend,

en wanneer hare laatste bewering ontzenuwd is, zal de zaak beslist

zijn. Zij geeft voor het kind en ook u, aanvallige Katharina, een

halssieraad getoond te hebben."

"Getoond?" riep het kwikstaartje. "Ze heeft ons dat afgenomen, niet

waar Maria?"

"Maar wij hadden den keten zonder haar verlof weggenomen," antwoordde

de kleine.

"En verlangt zij," vroeg vrouw Neforis verstoord, "dat onze meisjes

voor de rechtbank worden gebracht, om getuigenis af te leggen voor

hare hoogheid?"

"Dat verlangt zij," bevestigde Orion. "Maar Maria's uitspraak geldt

niet bij de rechters...."

"En ook al ware het anders," hernam zijne moeder; "het kind mag in

geen geval in deze nietswaardige zaak betrokken worden."

"Omdat ik voor Paula spreken zou!" riep Maria, terwijl zij driftig

van haar zetel opsprong.

"Gij zult uw mond houden!" riep de grootmoeder haar toe.

"En wat Katharina betreft," zeide de weduwe, "het komt niet bij mij

op, haar voor al die heeren ten toon te stellen."

"Heeren!" zeide het meisje. "Mannen zijn het, kleine beambten en

dergelijken meer. Ze kunnen lang op mij wachten!"

"Maar gij zult toch aan hun verlangen moeten voldoen, trotsch meisje,"

zeide Orion lachende, "want gij zijt goddank geen kind meer, en

het staat der rechtbank vrij ieder volwassene als getuige voor de

tafel te roepen. U zal niets geschieden, want gij staat onder mijne

bescherming. Kom ga gerust met mij mede! Men moet in het leven alles

leeren kennen. Hier helpt geen tegenstreven. Overigens behoeft gij

slechts te zeggen wat gij gezien hebt en geleid ik u, als gij het mij

vergunt, weder zorgvuldig aan dezen arm naar uwe moeder terug. Gij

moet mij reeds heden uw kleinood toevertrouwen, vrouw Susanna, en

de eerwaardige getuige zal u daarna zeggen, wat er verder met mij

gebeuren zal."

Katharina begreep de beteekenis van die laatste geheimzinnige woorden,

en het verheugde haar met den schoonen zoon van den stadhouder, den

eersten man voor wien haar klein hartje klopte, alleen te mogen zijn;

zij sprong dus vroolijk op, doch Maria klemde zich hartstochtelijk aan

haar arm vast en verlangde zoo onstuimig en hardnekkig om meegenomen

te worden, ten einde voor Paula te kunnen spreken, dat de opvoedster

en vrouw Neforis haar slechts met moeite dwingen konden gehoorzaam

te zijn en het paartje alleen te laten trekken.

Beide moeders zagen hen met voldoening na en de gemalin van den

stadhouder fluisterde de weduwe toe: "Heden voor het gerecht, en zeer

spoedig, zoo God wil, voor het altaar in de kerk."

Om in de gerechtzaal te komen kon men of door het huis gaan,

of buiten om loopen. Gaf men de voorkeur aan den laatsten weg,

dan moest men allereerst door den tuin, en Orion koos dezen. In

tegenwoordigheid van de vrouwen had hij zich geweld aangedaan, om

de onrust die hem vervulde meester te blijven, en nu voelde hij hoe

de strijd, dien hij had aangebonden en waaruit hij zich niet meer

terugtrekken kon noch wilde, hem al verder en verder dreef en hem

dwong het jonge schepseltje, dat nu--de teerling rolde al--zijne

vrouw moest worden, op den schandelijken weg mede te sleepen, dien

hij was opgegaan. Toen hij zijne moeder beloofd had niet morgen maar

overmorgen om Katharina's hand te zullen vragen, had hij gehoopt

in dat tijdperk van uitstel hem toegestaan haar te kunnen bewijzen,

dat de kleine toch niet de rechte vrouw voor hem was; en nu--welk een

spot van het noodlot!--zag hij zich gedwongen, in alle opzichten juist

het tegendeel te doen van datgene waartoe zijne neiging hem dreef. De

vrouw die hij liefhad, ja nog altijd liefhad, hij bestreed haar als

eene doodvijandin, en het meisje dat hem geheel onverschillig was,

haar moest hij zijne hand reiken. Het was om krankzinnig te worden,

maar het moest gebeuren, en met een herhaald "voorwaarts" besloot hij

tot het schandelijk waagstuk, om het onervaren meisje aan zijn arm,

zoo aan zich te verbinden, dat zij bereid was om zijnentwil onrecht

te plegen. Zijn hart klopte of het springen moest, doch het was niet

mogelijk langer te dralen of terug te treden; het gold, overwinnaar

te blijven; dus voorwaarts, altijd voorwaarts!

Zoodra zij buiten het licht der lantaarnen in de schaduw waren gekomen

greep hij, blijde dat de duisternis zijne trekken onzichtbaar maakte,

de tengere rechterhand van de naast hem wandelende kleine met beide

handen en drukte zijne lippen op hare teedere vingertoppen.

"Maar, Orion," zeide zij schuchter, doch liet hem begaan.

"Ik vorder wat mij rechtmatig toekomt, gij zonneschijn mijner

ziel!" zeide hij op vleienden toon, "wanneer uw hartje zoo hevig klopt

als het mijne, dan kunnen de moeders daarginds het hooren."

"Ja het klopt al," zeide zij gelukkig, terwijl zij het krullekopje

opzij hield.

"Maar het mijne doet het toch sterker," antwoordde hij met een zucht,

terwijl hij haar handje tegen zijne borst drukte. Hij kon het gerust

wagen want het krampachtig kloppen van zijn hart dreigde hem te

doen stikken.

De nijlbruid · 第 23 / 66 题