ZEVENDE HOOFDSTUK.

Paula ging de kamer binnen van hare voedster, die, nadat zij

vruchteloos een oogenblik naar de waanzinnige had omgezien, Mandane

niet zonder eenige gewetenswroeging aan haar lot overliet.

In het vertrek van Perpetua hing eene keurig gepolijste koperen

lamp aan de zoldering, en deze kleine ruimte beantwoordde volkomen

aan hare bewoonster, want beiden waren helder en netjes, eenvoudig

en degelijk. Het bed van de voedster was omgeven door sneeuwwitte,

doorzichtige gordijnen tegen de muggen; boven het hoofdeinde der

legerstede was een kunstig gesneden crucifix geplaatst, en de zetels

waren allen met goede stoffen van allerlei kleur, afval uit de weverij,

overtrokken. Fijn gevlochten stroomatten bedekten den grond, en op de

vensterbanken evenals in een hoek van het vertrek, waar een van klei

geboetseerd beeld van den goeden herder op het beddetafeltje neerzag,

stonden bloemstruiken, die het eenvoudige vertrek met een aangenamen

geur vervulden.

Nauw was de deur gesloten, of Perpetua zeide: "Maar mijn kind wat

hebt ge mij doen schrikken! Op zulk een laat uur!"

"Ik moest komen," verzekerde Paula; "ik kon niet langer wachten."

"Wat zie ik, tranen?" zeide de voedster met een zucht, terwijl hare

verstandige, kleine oogen ook vochtig begonnen te worden. "Arme ziel,

wat is er nu weer gebeurd?"

Daarbij naderde zij de jonkvrouw, om haar te streelen; maar deze

vloog aan hare borst, sloeg hartstochtelijk beide armen om haar hals,

en barstte in een luid en smartelijk weenen uit.

De kleine matrone liet haar eene poos begaan, daarna maakte zij zich

los uit hare omhelzing, droogde hare eigene tranen en die van hare

groote lieveling, die op hare gladde grijzende haren waren gevallen,

greep Paula met eene vaste hand bij de kin, keerde haar gelaat naar

zich toe en zeide vol deelneming maar op vasten toon: "Zoo, nu is het

genoeg! Ween wat mij betreft maar uit, want dat verlicht het hart,

maar vergeet niet dat het zoo laat is. Is het weder het oude lied:

heimwee, verdriet en dergelijken, of is er wat anders gebeurd?"

"Helaas," antwoordde het meisje, en zij vervolgde hevig opgewonden,

terwijl zij haar doek in de handen verfrommelde: "Mijn geduld is ten

einde; ik kan het daar in huis niet meer uithouden; het gaat niet

langer zoo! Ik ben niet van steen, en als men 's avonds vreest voor

den nacht en 's morgens weer voor den dag, waaraan geen doorkomen

zal zijn, zóó ellendig, zóo onverdragelijk...."

"Men dient toch redelijk te zijn, mijn hartje, en tot zichzelve

te zeggen, dat het verstandig is om van twee kwaden het minste te

kiezen. Wat ik u reeds zoo dikwijls in bedenking gaf, dat krijgt ge

nu opnieuw te hooren: Als wij dit veilig toevluchtsoord prijs geven

en ons werkelijk daarbuiten in den vreemde wagen, zullen we dan wat

beters vinden?"

"Misschien slechts eene hut met eene bron onder een paar palmen! Ik

zou er mede tevreden zijn, als ik u maar behouden mocht en vrij was,

geheel vrij van die anderen!"

"Wat is dat? Hoe heb ik 't nu met u?" prevelde de oude, terwijl zij

bedenkelijk het hoofd schudde. "Eergisteren waart ge geheel op uw

gemak; dus moet er zeker weer iets...."

"Ja, dat is zoo, daar is ook wat gebeurd," viel het overprikkelde

meisje haar in de rede. "De zoon van oom--gij waart er bij, niet waar,

toen hij hier zijn intocht deed, en ik dacht, ja, ook ik heb geloofd,

dat hij zulk een ontvangst verdiende... Ik, Betta, ik.... Ach, heb

medelijden met mij, ik.... gij weet niet welk een onweerstaanbaren

invloed die man op een hart kan uitoefenen.... En ik--ik stelde

vertrouwen in zijne blikken, zijne woorden, zijn gezang en--ja,

alles moet mij maar van het hart--ook in zijne kus op deze hand! Ik,

ik... Maar dat alles was valsch, was gelogen, was een schandelijk

spel met een zwak eenvoudig hart; misschien nog iets ergers, iets

afschuwelijkers! Kortom, terwijl hij al zijne krachten inspande om

mij in zijne strikken te vangen--zelfs de slaven in de boot hebben

het opgemerkt--was hij op hetzelfde tijdstip--ik weet het van vrouw

Neforis, die het zeker vertelde om er mij mede te krenken--bezig

dat popje--gij kent haar wel--die kleine Katharina te vrijen. Zij is

zijne bruid, en intusschen waagt die onbeschaamde het zijn spel met

mij voort te zetten, heeft hij de brutaliteit..."

Paula begon opnieuw luide te snikken; de oude vrouw wist ditmaal niet

hoe zij haar tot bedaren zou brengen en mompelde in zichzelve: "Ach,

't is erg.... Moest ook dit er nog bijkomen?.... Lieve hemel!...." Maar

weldra kwam zij tot bezinning en zeide op vastberaden toon: "ja,

dat is een nieuw onverwacht ongeluk; maar wij hebben zwaarder en

nog gansch andere rampen te dragen gehad. Dus het hoofd omhoog,

en wat daar binnen nog pleiten mocht voor den verleider, dat moet

uitgerukt en vertreden worden. Uw trots zal u wel helpen, en als gij

eens weet wat die Orion voor een heer is, dan dankt gij God misschien,

dat het tusschen u niet verder kwam!"--Zij deelde haar nu alles mede,

wat zij wist van de waanzinnige Mandane en hoe Orion de oorzaak was

van haar ongeluk, en toen Paula duidelijk liet blijken hoezeer haar

dit schrik aanjoeg, voegde zij er bij: "Ja, mijn kind, hij is een

hartenbreker, een gewetenloos geluksverwoester, en het ware misschien

mijn plicht geweest u voor hem te waarschuwen; doch daar hij overigens

toch niet slecht is--hij heeft den broeder van de teekenares Hathor,

die ge wel kent, met eigen levensgevaar uit het water gehaald--en

ik bovendien bij zijne terugkomst meende, dat ge met hem althans op

een vriendelijken voet zoudt verkeeren, heb ik het gelaten.... En

dan... ik oude gekkin hield uw trotsch hart voor gepantserd, doch het

is toch ook maar een zwak meisjeshart als dat van anderen, en nu het

op een-en-twintigjarigen leeftijd voor het eerst de liefde van een

man beantwoordt...."

Hier viel Paula haar in de rede, zeggende: "Ik bemin den bedrieger

niet meer, neen, ik haat hem, ik haat hem meer dan ik zeggen kan! En

ook de anderen! Van allen, allen heb ik een afkeer!"

"Helaas, dat het zoo zijn moet!" zeide de voedster met een zucht. "Gij

hebt zeker een hard lot. Over hem, Orion, zullen we maar zwijgen, maar

zou het met de anderen niet beter kunnen worden, vraag ik mijzelve

dikwijls af? Als gij het hun zoo moeilijk niet gemaakt hadt, mijn

kind, dan zouden zij u nu moeten liefhebben, dat kan niet anders;

maar sedert ge hier in huis zijt gekomen, gevoeldet ge u ongelukkig en

hebt gij gewenscht, dat men u aan uzelve overliet, en zij, zij hebben

aan uw verlangen voldaan en nu vindt ge het moeielijk te dragen, dat

de toestand geworden is zooals gij die wildet. Ja, mijn kind, zoo is

het, gij moet mij niet tegenspreken. Wij moeten heden eens oprecht

met elkander spreken: wie kan liefde vinden, als hijzelf geen liefde

betoont en mismoedig anderen voorbijziet? Ja, als ieder de menschen

waarmede hij omgaat zelf maken kon! Het leven eischt gebiedend, dat

wij hen nemen zooals zij zijn, maar van deze waarheid, mijn hartje,

neen, daar zijt gij niet van doordrongen!"

"Ik ben nu eenmaal zooals ik ben!"

"Zeker, en van alle goeden zijt gij de beste; maar wie kan dat in

huis vermoeden? Elk mensch vertoont een zeker karakter. En gij? Is

het te verwonderen, dat zij in u altijd de ongelukkige zien? Ik zeg

het duizendmaal: het is God geklaagd dat gij zoo ongelukkig zijt. Maar

wien doet het genoegen altijd een somber gelaat te zien?"

"Ik heb aan niemand daarginds nog ooit met een enkel woord geklaagd

wat ik lijd!" zeide Paula, terwijl zij zich trotsch oprichtte.

"Juist, daar hebt gij het," antwoordde de voedster. "Zij namen u

op, en meenden dus zekere rechten te hebben op uw persoon en ook op

hetgeen u bekommerde. Misschien verlangden zij u te troosten, want

daarin ligt--geloof mij mijn kind--daarin ligt iets streelends. Wie

iemand medelijden betoont, die voelt er altijd bij, dat hijzelf het

beter heeft dan een ander. Ik ken het leven! Hebt gij nooit tot uzelve

gezegd, dat gij uwe bloedverwanten daarginds eene vreugde ontrooft,

ja hen misschien beleedigt, door uw hart voor hen te sluiten? Gij

gaat geheel op in uwe smart, die gij hun van verre toont, maar waar

het u pijn doet, dat verbergt gij zorgvuldig. Ieder goed mensch wil

gaarne heelen waar hij eene wonde ziet bloeden, maar uw geheele wezen

roept hun toe: 'Blijft waar gij zijt en laat mij met rust.'--Voor uw

oom tenminste waart ge goed."

"En dat ben ik nog, en honderdmaal gevoelde ik een drang om hem alles

toe te vertrouwen, maar--"

"Maar?"

"Zie hem slechts aan, Betta, hoe marmerkoud, stijf en ongevoelig hij

daar ligt, meer dood dan levend. In den beginne zweefden mij vaak

vertrouwelijke woorden op de lippen...."

"En thans?"

"Thans ligt al dat smartelijke zoo verre achter mij! Ik geloof dat

ik het recht verloren heb hem te klagen wat mij neerdrukt."

"Hm," liet Perpetua hooren, die hierop zoo dadelijk geen antwoord

wist. "Kom eens goed tot bezinning, meisjelief. Orion heeft reeds

dadelijk opgemerkt hoever men bij ons gaan kan. Gij kunt uw hoofdje

gerust omhoog houden en kalm rondom u zien. Verdraag wat niet te

veranderen is, en wanneer eene stem in mijn binnenste mij niet

bedriegt, dan zal hij, dien wij zoeken..."

"Ook daarom ben ik tot u gekomen. Is er nog geen bode teruggekeerd?"

"Ja! de kleine Nabateër," antwoordde de voedster met eenige aarzeling,

"en hij heeft ook... Maar om Godswil, mijn kind, vlei u toch niet

met ijdele hoop! Even na zonsondergang is Hiram bij mij geweest--"

"Betta!" riep de jonkvrouw met verheffing van stem, terwijl zij

de voedster bij haar arm greep. "Wat is hij te weten gekomen, welk

bericht brengt hij?"

"Niets, niets! Wil toch niet met het hoofd door den muur loopen! Wat

hij vernam is zoo goed als niets. Ik kon Hiram maar een enkel oogenblik

spreken. Morgen vroeg wil hij den man zelven bij mij brengen. Het

eenige wat hij mij zeide...."

"Bij Christus' wonden, wat was het?"

"Hij zeide dat de bode van een ouden kluizenaar had hooren spreken,

die eens een groot krijgsheld geweest was."

"Mijn vader, mijn vader!" riep de jonkvrouw luide. "Hiram zit met de

anderen bij het vuur. Dadelijk, ja dadelijk moet ge hem hier brengen;

ik beveel het u, Perpetua, hoort gij!--O liefste, eenige Betta,

kom mede; wij moeten hem spreken!"

"Geduld toch, mijn hartje, heb wat geduld!" zeide de oude vrouw

medelijdend. "Ach, lieve arme ziel, ach, het zal weer op niets

uitloopen, en als wij den verkeerden weg andermaal blijven volgen,

geeft het niets dan teleurstelling."

"Dat doet er niet toe, gij gaat met mij mede!"

"Naar het dienstpersoneel bij het vuur, en op dit uur? Dat zou wat

wezen! Maar... Evenwel... Wacht hier even meisje. Ja, zoo zal het wel

gaan. Ik zal Jozef wakker maken, Hirams jongen. Hij slaapt ginds bij

de paarden, en deze zal dan zijn vader roepen. Ach, dat ongeduld, dat

onstuimig en hartstochtelijk zieltje! Doe ik niet wat gij verlangt,

dan doet ge heden nacht geen oog dicht, en dwaalt morgen als een

droomende rond... Bedaar, bedaar maar, ik ga al."

De oude vrouw had den hoofddoek reeds omgeslagen en ijlde naar

buiten. Paula zonk voor het kruisbeeld boven het bed op hare

knieën en bad innig, tot de voedster terugkwam. Weldra lieten zich

mannelijke voetstappen op de trap hooren en Hiram trad binnen. Hij

was een stevige vijftiger met twee goedige blauwe oogen in het grove

alledaagsche gezicht. Wie zijn breede borst zag, begreep dadelijk,

dat als hij ging spreken men eene krachtige basstem zou hooren; doch

Hiram stotterde van kindsbeen af en in zijn dagelijkschen omgang met

paarden had hij zich het gebruik van allerlei natuurgeluiden aangewend,

die hij met eene schrille stem uitstiet. Hij sprak ook niet gaarne.

Toen hij tegenover de dochter van zijn weldoener en heer stond, boog

hij zich voor haar neder, zag haar met de trouwe oogen als die van

een jachthond, onderworpen en tevens teeder aan, en kuste eerst haar

gewaad, daarna de hand, waarmede zij hem wilde oprichten.

Aan de met moeite uitgebrachte verzekering, hoe blijde hij was haar

weder te ontmoeten, maakte Paula goedhartig maar toch spoedig een

einde, en toen hij eindelijk begon te vertellen, sprak hij veel te

langzaam voor haar ongeduld. De Nabateër, die de hoopvolle tijding

had gebracht, zoo deelde hij mede, was niet ongenegen het gevonden

spoor verder te vervolgen; hij kon echter slechts tot morgen middag

wachten en had hooge eischen gesteld.

"Alles kan hij krijgen, alles wat hij verlangt," haastte Paula zich

te zeggen.

Hiram smeekte haar nochtans, meer met zijne blikken en onverstaanbare

uitroepen dan met duidelijke woorden, toch niet al te veel te

verwachten. De Nabateër Dousare, dus vulde hij de mededeeling van

de voedster aan, had van een kluizenaar te Raïthou aan de Roode zee

vernomen, dat een groot krijgsheld van Grieksche afkomst, sedert twee

jaren bij de vrome broeders op den heiligen berg Sinaï in alle stilte

een boetvaardig leven leidde. Zijn wereldlijke naam had de bode niet te

weten kunnen komen, maar onder de kluizenaars werd hij Paulus genoemd.

"Paulus?" herhaalde het meisje, terwijl haar boezem zwoegde. "Een naam

die hem aan moeder herinnert en aan mij, ja, ook aan mij! Bovendien,

hij, de held van Damascus, heeft in de wereld Thomas geheeten, en

nu hij zeker gelooft dat ook ik om het leven ben gekomen, wijdt hij

zich geheel aan den dienst van God en Christus; even als Saulus, die

andere man van Damascus, noemt hij zich, nu hij de weg ter zaligheid

gevonden heeft, Paulus. O Betta, o Hiram, gij zult het zien, hij is

het, hij moet het zijn! Twijfelt gij nog?"

De Syriër schudde bedenkelijk het hoofd en stootte een langgerekt

"Huust" uit. Perpetua sloeg de handen in elkaar en zeide op meewarigen

toon: "Heb ik het niet gedacht? Het vuur dat herders in den nacht

ontsteken om zich de handen te warmen houdt zij voor de opgaande zon,

wapengekletter voor den donder des Allerhoogsten! Hoeveel duizenden

heeten er Paulus! Bij alle heiligen, kindlief, blijf bedaard en poog

niet uit ijle nevelen u een feestkleed te weven! Bereid u voor op het

ergste, dan zijt gij tegen teleurstelling gewapend en behoudt gij het

recht om te hopen! Zeg haar toch, Hiram, zeg haar wat de bode verder

heeft bericht; want er is niets zekers, alles zweeft nog als stof in

de lucht."

De vrijgelatene deelde nu mede, dat de Nabateër een man was op wien

men staat kon maken, veel geschikter om op zulke onderzoekingstochten

uit te gaan dan hijzelf, want deze verstond behalve zijne eigene

taal ook Egyptisch, Grieksch en Arameesch; desniettemin was het ook

hem niet mogelijk geweest te Tor, waar monniken uit het klooster op

den Sinaï zich hadden neergezet, iets naders omtrent den kluizenaar

Paulus te vernemen. Later had hij echter op den zeetocht naar Kolzoum

van monniken vernomen, dat er nog een tweede Sinaï was. Het klooster

dáar--en nu zette Perpetua het verhaal voort, dat den stotteraar het

zweet op het voorhoofd deed parelen--dat klooster in de oase aan den

voet van den spitsen, hemelhoogen berg was wegens de ketterij der

monniken gesloten geworden, doch in de kloven van dat berggevaarte

huisden nog altijd vele kluizenaars in een klein coenobium [5],

in lauren [6] en in enkele rotsholen, en Paulus kon wellicht tot

dezen behooren. Men was wel op den goeden weg en zij en Hiram

waren reeds besloten in deze richting verder te onderzoeken, maar

de voormalige krijgsman was toch waarschijnlijk een vreemde, en zij

beiden huiverden bij de gedachte haar bloot te stellen aan zulk eene

smartelijke ontgoocheling.

Doch hier nam Paula het woord en zeide met blijde opgewektheid:

"En waarom zal mij ook niet eens wat anders ten deel vallen dan

teleurstelling?.. Wat geeft u den moed om mij de hoop te ontnemen,

waarmede dit arme hart zich voedt? Maar ik laat mij die hoop niet

ontrooven. Uw Paulus aan den voet van den Sinaï is de verlorene, ik

heb er een voorgevoel van. Als de laatste paarlen niet reeds verkocht

waren, dan moest de Nabateër... Maar wacht, zoo.... Wanneer kunt gij

vertrekken, Hiram?"

"Voor over veer--veertien dagen in ge--geen geval," antwoordde

deze. "Ik--ik ben nu eenmaal in dienst van den sta--ad--stadhouder en

o--overmorgen zal in Ni--i--kou--juist--de groote pa--paardenma--markt

zijn. Voor den jongen hee--heer zijn daar nieuwe he--engsten te koop,

en onze veu--lens brrr...."

"Ik zal er morgen bij oom op aandringen, dat hij u vrij laat," zeide

Paula. "Ja, ik werp mij aan zijne voeten..."

"Hij zal hem niet loslaten," viel de voedster haar in de rede. "De

huismeester Sebek heeft hem vóor de audiëntie uit mijn naam alles

gezegd en getracht om Hiram vrij te krijgen."

"En wat was het bescheid?"

"Vrouw Neforis noemde de tijding een nieuw dwaallicht en de

meester stemde met haar in. Uw oom verbood Sebek daarna iets aan u

te verklappen en liet mij weten, dat hij na de paardenmarkt Hiram

misschien naar den Sinaï zou zenden. Heb dus geduld, mijn hartje! Wat

beteekenen veertien dagen, op zijn langst drie weken, en dan....

"Maar zoolang kan ik het niet uithouden!" riep Paula. "De Nabateër,

zegt gij, is hier, en bereid om te gaan?"

"Ja, meesteres!"

"Zoo nemen wij hem in dienst," zeide Paula vastbesloten.

De voedster, die de zaak blijkbaar reeds ernstig met haar landsman

overlegd had, schudde treurig het hoofd en zeide: "Hij is ons te

duur!" Vervolgens verklaarde zij, dat de man die zoo veel talen

kende, reeds uitgenoodigd was eene karavaan naar Ktesiphon te

geleiden. Dat gaf hem brood voor een geheel jaar. Hij was niet

ongenegen de onderhandelingen met den koopman Hanno af te breken en

geheel Petreïsch Arabië voor haar te doorzoeken, maar op voorwaarde

dat hij tweeduizend drachmen ontving.

"Tweeduizend drachmen?" herhaalde Paula, terwijl zij blozende en

terneergeslagen voor zich keek. Maar spoedig was zij zichzelve weer

meester, zij hief het hoofd op en zeide verstoord: "Hoe, durven

zij mij onthouden, wat mij toekomt? Weigert mijn oom mij, wat ik

vorderen mag en moet, dan gebeure wat ik niet vermijden kan en mij

om zijnentwil leed genoeg doen zal; dan geef ik mijne zaak in handen

van de rechters."

"Van de rechters?" herhaalde de voedster lachende. "Om te klagen

hebt gij een kurros [7] noodig, en uw oom is de uwe. Voorts eer zij

een oordeel vellen, kan de bode reeds uit het verafgelegen Ktesiphon

terug zijn."

De voedster smeekte haar nu nog eens om zich tot na den afloop der

paardenmarkt stil te houden; maar zij staarde als verslagen naar den

grond. Opeens verschrikte Perpetua en ook Hiram deed eene schrede

achterwaarts, want onverwacht riep zij luide en jubelend uit: "Vader

in den hemel, ik heb gevonden wat wij noodig hebben!"

"Hoe, mijn kind, wat?" vraagde de voedster met de hand op het hart.

Paula gaf haar geen uitsluitsel, maar wendde zich haastig tot den

Syriër zeggende: "Is de eerste binnenhof weer vrij? Zijn de lieden

uit elkander gegaan?"

Het antwoord luidde bevestigend. De vrije dienstknechten waren met

Hiram tegelijk opgebroken. De heeren gingen nog wel zoo spoedig niet

uiteen, maar hen kon men gemakkelijk voorbijkomen.

"Nu goed," sprak het meisje. "Gij, Hiram, gaat mij voor en wacht

op mij bij het dienstpoortje. Ik haal van mijne kamer iets wat

de vordering van den Nabateër wel tienvoudig kan dekken.--Zie mij

niet zoo angstig aan, Betta! Hij krijgt de groote smaragd uit het

halssieraad mijner moeder."

De voedster sloeg de handen ineen en riep op droevigen, waarschuwenden

toon: "Kind, kind, dit heerlijke stuk, dit erfgoed der familie,

deze steen, die afkomstig is van den heiligen keizer Theodosius,

wilt gij dezen verkoopen, neen wegsmijten, niet om uw vader te redden

maar--ja, mijn kind, zoo is het!--maar alleen omdat gij geen geduld

hebt om twee ellendige weken te wachten?"

"Dat is hard, dat is onbillijk geoordeeld, Betta!" hernam het meisje

op verwijtenden toon. "Het is om een maand te doen, en hoe alles hier

van den bode afhangt, weten wij allen. Hebt gij vergeten hoe Hiram de

geschiktheid juist van dezen man op den voorgrond stelde? En moet ik,

die zooveel jonger ben, u dan herinneren aan de onzekerheid van een's

menschen leven? Eén oogenblik beslist over leven en dood, en mijn

vader is een oud man, die reeds vóor de belegering met vele litteekens

bedekt was. Het kan hier gelden hem al of niet weer te zien."

"Ja, ja," antwoordde de oude vrouw op zachten toon, "misschien hebt

gij gelijk, en als ik...."

Maar Paula sloot haar den mond met een kus en beval daarop den Syriër

den steen van haar in ontvangst te nemen en morgenochtend zeer vroeg

aan den jood Gamaliël, een rijk en redelijk man, te verkoopen, maar

niet onder twaalfduizend drachmen. Als de goudsmid niet zooveel ineens

betalen kon, mocht Hiram zich voor het oogenblik met de tweeduizend

drachmen voor den bode tevreden stellen, om de rest later te ontvangen.

De Syriër ging haar voor, en toen zij na een lang afscheid van de

voedster het vriendelijke vertrek verliet, had Hiram reeds aan haar

eerste bevel voldaan, door haar aan het dienstpoortje te wachten.

De nijlbruid · 第 18 / 66 题