Paula ging de kamer binnen van hare voedster, die, nadat zij
vruchteloos een oogenblik naar de waanzinnige had omgezien, Mandane
niet zonder eenige gewetenswroeging aan haar lot overliet.
In het vertrek van Perpetua hing eene keurig gepolijste koperen
lamp aan de zoldering, en deze kleine ruimte beantwoordde volkomen
aan hare bewoonster, want beiden waren helder en netjes, eenvoudig
en degelijk. Het bed van de voedster was omgeven door sneeuwwitte,
doorzichtige gordijnen tegen de muggen; boven het hoofdeinde der
legerstede was een kunstig gesneden crucifix geplaatst, en de zetels
waren allen met goede stoffen van allerlei kleur, afval uit de weverij,
overtrokken. Fijn gevlochten stroomatten bedekten den grond, en op de
vensterbanken evenals in een hoek van het vertrek, waar een van klei
geboetseerd beeld van den goeden herder op het beddetafeltje neerzag,
stonden bloemstruiken, die het eenvoudige vertrek met een aangenamen
geur vervulden.
Nauw was de deur gesloten, of Perpetua zeide: "Maar mijn kind wat
hebt ge mij doen schrikken! Op zulk een laat uur!"
"Ik moest komen," verzekerde Paula; "ik kon niet langer wachten."
"Wat zie ik, tranen?" zeide de voedster met een zucht, terwijl hare
verstandige, kleine oogen ook vochtig begonnen te worden. "Arme ziel,
wat is er nu weer gebeurd?"
Daarbij naderde zij de jonkvrouw, om haar te streelen; maar deze
vloog aan hare borst, sloeg hartstochtelijk beide armen om haar hals,
en barstte in een luid en smartelijk weenen uit.
De kleine matrone liet haar eene poos begaan, daarna maakte zij zich
los uit hare omhelzing, droogde hare eigene tranen en die van hare
groote lieveling, die op hare gladde grijzende haren waren gevallen,
greep Paula met eene vaste hand bij de kin, keerde haar gelaat naar
zich toe en zeide vol deelneming maar op vasten toon: "Zoo, nu is het
genoeg! Ween wat mij betreft maar uit, want dat verlicht het hart,
maar vergeet niet dat het zoo laat is. Is het weder het oude lied:
heimwee, verdriet en dergelijken, of is er wat anders gebeurd?"
"Helaas," antwoordde het meisje, en zij vervolgde hevig opgewonden,
terwijl zij haar doek in de handen verfrommelde: "Mijn geduld is ten
einde; ik kan het daar in huis niet meer uithouden; het gaat niet
langer zoo! Ik ben niet van steen, en als men 's avonds vreest voor
den nacht en 's morgens weer voor den dag, waaraan geen doorkomen
zal zijn, zóó ellendig, zóo onverdragelijk...."
"Men dient toch redelijk te zijn, mijn hartje, en tot zichzelve
te zeggen, dat het verstandig is om van twee kwaden het minste te
kiezen. Wat ik u reeds zoo dikwijls in bedenking gaf, dat krijgt ge
nu opnieuw te hooren: Als wij dit veilig toevluchtsoord prijs geven
en ons werkelijk daarbuiten in den vreemde wagen, zullen we dan wat
beters vinden?"
"Misschien slechts eene hut met eene bron onder een paar palmen! Ik
zou er mede tevreden zijn, als ik u maar behouden mocht en vrij was,
geheel vrij van die anderen!"
"Wat is dat? Hoe heb ik 't nu met u?" prevelde de oude, terwijl zij
bedenkelijk het hoofd schudde. "Eergisteren waart ge geheel op uw
gemak; dus moet er zeker weer iets...."
"Ja, dat is zoo, daar is ook wat gebeurd," viel het overprikkelde
meisje haar in de rede. "De zoon van oom--gij waart er bij, niet waar,
toen hij hier zijn intocht deed, en ik dacht, ja, ook ik heb geloofd,
dat hij zulk een ontvangst verdiende... Ik, Betta, ik.... Ach, heb
medelijden met mij, ik.... gij weet niet welk een onweerstaanbaren
invloed die man op een hart kan uitoefenen.... En ik--ik stelde
vertrouwen in zijne blikken, zijne woorden, zijn gezang en--ja,
alles moet mij maar van het hart--ook in zijne kus op deze hand! Ik,
ik... Maar dat alles was valsch, was gelogen, was een schandelijk
spel met een zwak eenvoudig hart; misschien nog iets ergers, iets
afschuwelijkers! Kortom, terwijl hij al zijne krachten inspande om
mij in zijne strikken te vangen--zelfs de slaven in de boot hebben
het opgemerkt--was hij op hetzelfde tijdstip--ik weet het van vrouw
Neforis, die het zeker vertelde om er mij mede te krenken--bezig
dat popje--gij kent haar wel--die kleine Katharina te vrijen. Zij is
zijne bruid, en intusschen waagt die onbeschaamde het zijn spel met
mij voort te zetten, heeft hij de brutaliteit..."
Paula begon opnieuw luide te snikken; de oude vrouw wist ditmaal niet
hoe zij haar tot bedaren zou brengen en mompelde in zichzelve: "Ach,
't is erg.... Moest ook dit er nog bijkomen?.... Lieve hemel!...." Maar
weldra kwam zij tot bezinning en zeide op vastberaden toon: "ja,
dat is een nieuw onverwacht ongeluk; maar wij hebben zwaarder en
nog gansch andere rampen te dragen gehad. Dus het hoofd omhoog,
en wat daar binnen nog pleiten mocht voor den verleider, dat moet
uitgerukt en vertreden worden. Uw trots zal u wel helpen, en als gij
eens weet wat die Orion voor een heer is, dan dankt gij God misschien,
dat het tusschen u niet verder kwam!"--Zij deelde haar nu alles mede,
wat zij wist van de waanzinnige Mandane en hoe Orion de oorzaak was
van haar ongeluk, en toen Paula duidelijk liet blijken hoezeer haar
dit schrik aanjoeg, voegde zij er bij: "Ja, mijn kind, hij is een
hartenbreker, een gewetenloos geluksverwoester, en het ware misschien
mijn plicht geweest u voor hem te waarschuwen; doch daar hij overigens
toch niet slecht is--hij heeft den broeder van de teekenares Hathor,
die ge wel kent, met eigen levensgevaar uit het water gehaald--en
ik bovendien bij zijne terugkomst meende, dat ge met hem althans op
een vriendelijken voet zoudt verkeeren, heb ik het gelaten.... En
dan... ik oude gekkin hield uw trotsch hart voor gepantserd, doch het
is toch ook maar een zwak meisjeshart als dat van anderen, en nu het
op een-en-twintigjarigen leeftijd voor het eerst de liefde van een
man beantwoordt...."
Hier viel Paula haar in de rede, zeggende: "Ik bemin den bedrieger
niet meer, neen, ik haat hem, ik haat hem meer dan ik zeggen kan! En
ook de anderen! Van allen, allen heb ik een afkeer!"
"Helaas, dat het zoo zijn moet!" zeide de voedster met een zucht. "Gij
hebt zeker een hard lot. Over hem, Orion, zullen we maar zwijgen, maar
zou het met de anderen niet beter kunnen worden, vraag ik mijzelve
dikwijls af? Als gij het hun zoo moeilijk niet gemaakt hadt, mijn
kind, dan zouden zij u nu moeten liefhebben, dat kan niet anders;
maar sedert ge hier in huis zijt gekomen, gevoeldet ge u ongelukkig en
hebt gij gewenscht, dat men u aan uzelve overliet, en zij, zij hebben
aan uw verlangen voldaan en nu vindt ge het moeielijk te dragen, dat
de toestand geworden is zooals gij die wildet. Ja, mijn kind, zoo is
het, gij moet mij niet tegenspreken. Wij moeten heden eens oprecht
met elkander spreken: wie kan liefde vinden, als hijzelf geen liefde
betoont en mismoedig anderen voorbijziet? Ja, als ieder de menschen
waarmede hij omgaat zelf maken kon! Het leven eischt gebiedend, dat
wij hen nemen zooals zij zijn, maar van deze waarheid, mijn hartje,
neen, daar zijt gij niet van doordrongen!"
"Ik ben nu eenmaal zooals ik ben!"
"Zeker, en van alle goeden zijt gij de beste; maar wie kan dat in
huis vermoeden? Elk mensch vertoont een zeker karakter. En gij? Is
het te verwonderen, dat zij in u altijd de ongelukkige zien? Ik zeg
het duizendmaal: het is God geklaagd dat gij zoo ongelukkig zijt. Maar
wien doet het genoegen altijd een somber gelaat te zien?"
"Ik heb aan niemand daarginds nog ooit met een enkel woord geklaagd
wat ik lijd!" zeide Paula, terwijl zij zich trotsch oprichtte.
"Juist, daar hebt gij het," antwoordde de voedster. "Zij namen u
op, en meenden dus zekere rechten te hebben op uw persoon en ook op
hetgeen u bekommerde. Misschien verlangden zij u te troosten, want
daarin ligt--geloof mij mijn kind--daarin ligt iets streelends. Wie
iemand medelijden betoont, die voelt er altijd bij, dat hijzelf het
beter heeft dan een ander. Ik ken het leven! Hebt gij nooit tot uzelve
gezegd, dat gij uwe bloedverwanten daarginds eene vreugde ontrooft,
ja hen misschien beleedigt, door uw hart voor hen te sluiten? Gij
gaat geheel op in uwe smart, die gij hun van verre toont, maar waar
het u pijn doet, dat verbergt gij zorgvuldig. Ieder goed mensch wil
gaarne heelen waar hij eene wonde ziet bloeden, maar uw geheele wezen
roept hun toe: 'Blijft waar gij zijt en laat mij met rust.'--Voor uw
oom tenminste waart ge goed."
"En dat ben ik nog, en honderdmaal gevoelde ik een drang om hem alles
toe te vertrouwen, maar--"
"Maar?"
"Zie hem slechts aan, Betta, hoe marmerkoud, stijf en ongevoelig hij
daar ligt, meer dood dan levend. In den beginne zweefden mij vaak
vertrouwelijke woorden op de lippen...."
"En thans?"
"Thans ligt al dat smartelijke zoo verre achter mij! Ik geloof dat
ik het recht verloren heb hem te klagen wat mij neerdrukt."
"Hm," liet Perpetua hooren, die hierop zoo dadelijk geen antwoord
wist. "Kom eens goed tot bezinning, meisjelief. Orion heeft reeds
dadelijk opgemerkt hoever men bij ons gaan kan. Gij kunt uw hoofdje
gerust omhoog houden en kalm rondom u zien. Verdraag wat niet te
veranderen is, en wanneer eene stem in mijn binnenste mij niet
bedriegt, dan zal hij, dien wij zoeken..."
"Ook daarom ben ik tot u gekomen. Is er nog geen bode teruggekeerd?"
"Ja! de kleine Nabateër," antwoordde de voedster met eenige aarzeling,
"en hij heeft ook... Maar om Godswil, mijn kind, vlei u toch niet
met ijdele hoop! Even na zonsondergang is Hiram bij mij geweest--"
"Betta!" riep de jonkvrouw met verheffing van stem, terwijl zij
de voedster bij haar arm greep. "Wat is hij te weten gekomen, welk
bericht brengt hij?"
"Niets, niets! Wil toch niet met het hoofd door den muur loopen! Wat
hij vernam is zoo goed als niets. Ik kon Hiram maar een enkel oogenblik
spreken. Morgen vroeg wil hij den man zelven bij mij brengen. Het
eenige wat hij mij zeide...."
"Bij Christus' wonden, wat was het?"
"Hij zeide dat de bode van een ouden kluizenaar had hooren spreken,
die eens een groot krijgsheld geweest was."
"Mijn vader, mijn vader!" riep de jonkvrouw luide. "Hiram zit met de
anderen bij het vuur. Dadelijk, ja dadelijk moet ge hem hier brengen;
ik beveel het u, Perpetua, hoort gij!--O liefste, eenige Betta,
kom mede; wij moeten hem spreken!"
"Geduld toch, mijn hartje, heb wat geduld!" zeide de oude vrouw
medelijdend. "Ach, lieve arme ziel, ach, het zal weer op niets
uitloopen, en als wij den verkeerden weg andermaal blijven volgen,
geeft het niets dan teleurstelling."
"Dat doet er niet toe, gij gaat met mij mede!"
"Naar het dienstpersoneel bij het vuur, en op dit uur? Dat zou wat
wezen! Maar... Evenwel... Wacht hier even meisje. Ja, zoo zal het wel
gaan. Ik zal Jozef wakker maken, Hirams jongen. Hij slaapt ginds bij
de paarden, en deze zal dan zijn vader roepen. Ach, dat ongeduld, dat
onstuimig en hartstochtelijk zieltje! Doe ik niet wat gij verlangt,
dan doet ge heden nacht geen oog dicht, en dwaalt morgen als een
droomende rond... Bedaar, bedaar maar, ik ga al."
De oude vrouw had den hoofddoek reeds omgeslagen en ijlde naar
buiten. Paula zonk voor het kruisbeeld boven het bed op hare
knieën en bad innig, tot de voedster terugkwam. Weldra lieten zich
mannelijke voetstappen op de trap hooren en Hiram trad binnen. Hij
was een stevige vijftiger met twee goedige blauwe oogen in het grove
alledaagsche gezicht. Wie zijn breede borst zag, begreep dadelijk,
dat als hij ging spreken men eene krachtige basstem zou hooren; doch
Hiram stotterde van kindsbeen af en in zijn dagelijkschen omgang met
paarden had hij zich het gebruik van allerlei natuurgeluiden aangewend,
die hij met eene schrille stem uitstiet. Hij sprak ook niet gaarne.
Toen hij tegenover de dochter van zijn weldoener en heer stond, boog
hij zich voor haar neder, zag haar met de trouwe oogen als die van
een jachthond, onderworpen en tevens teeder aan, en kuste eerst haar
gewaad, daarna de hand, waarmede zij hem wilde oprichten.
Aan de met moeite uitgebrachte verzekering, hoe blijde hij was haar
weder te ontmoeten, maakte Paula goedhartig maar toch spoedig een
einde, en toen hij eindelijk begon te vertellen, sprak hij veel te
langzaam voor haar ongeduld. De Nabateër, die de hoopvolle tijding
had gebracht, zoo deelde hij mede, was niet ongenegen het gevonden
spoor verder te vervolgen; hij kon echter slechts tot morgen middag
wachten en had hooge eischen gesteld.
"Alles kan hij krijgen, alles wat hij verlangt," haastte Paula zich
te zeggen.
Hiram smeekte haar nochtans, meer met zijne blikken en onverstaanbare
uitroepen dan met duidelijke woorden, toch niet al te veel te
verwachten. De Nabateër Dousare, dus vulde hij de mededeeling van
de voedster aan, had van een kluizenaar te Raïthou aan de Roode zee
vernomen, dat een groot krijgsheld van Grieksche afkomst, sedert twee
jaren bij de vrome broeders op den heiligen berg Sinaï in alle stilte
een boetvaardig leven leidde. Zijn wereldlijke naam had de bode niet te
weten kunnen komen, maar onder de kluizenaars werd hij Paulus genoemd.
"Paulus?" herhaalde het meisje, terwijl haar boezem zwoegde. "Een naam
die hem aan moeder herinnert en aan mij, ja, ook aan mij! Bovendien,
hij, de held van Damascus, heeft in de wereld Thomas geheeten, en
nu hij zeker gelooft dat ook ik om het leven ben gekomen, wijdt hij
zich geheel aan den dienst van God en Christus; even als Saulus, die
andere man van Damascus, noemt hij zich, nu hij de weg ter zaligheid
gevonden heeft, Paulus. O Betta, o Hiram, gij zult het zien, hij is
het, hij moet het zijn! Twijfelt gij nog?"
De Syriër schudde bedenkelijk het hoofd en stootte een langgerekt
"Huust" uit. Perpetua sloeg de handen in elkaar en zeide op meewarigen
toon: "Heb ik het niet gedacht? Het vuur dat herders in den nacht
ontsteken om zich de handen te warmen houdt zij voor de opgaande zon,
wapengekletter voor den donder des Allerhoogsten! Hoeveel duizenden
heeten er Paulus! Bij alle heiligen, kindlief, blijf bedaard en poog
niet uit ijle nevelen u een feestkleed te weven! Bereid u voor op het
ergste, dan zijt gij tegen teleurstelling gewapend en behoudt gij het
recht om te hopen! Zeg haar toch, Hiram, zeg haar wat de bode verder
heeft bericht; want er is niets zekers, alles zweeft nog als stof in
de lucht."
De vrijgelatene deelde nu mede, dat de Nabateër een man was op wien
men staat kon maken, veel geschikter om op zulke onderzoekingstochten
uit te gaan dan hijzelf, want deze verstond behalve zijne eigene
taal ook Egyptisch, Grieksch en Arameesch; desniettemin was het ook
hem niet mogelijk geweest te Tor, waar monniken uit het klooster op
den Sinaï zich hadden neergezet, iets naders omtrent den kluizenaar
Paulus te vernemen. Later had hij echter op den zeetocht naar Kolzoum
van monniken vernomen, dat er nog een tweede Sinaï was. Het klooster
dáar--en nu zette Perpetua het verhaal voort, dat den stotteraar het
zweet op het voorhoofd deed parelen--dat klooster in de oase aan den
voet van den spitsen, hemelhoogen berg was wegens de ketterij der
monniken gesloten geworden, doch in de kloven van dat berggevaarte
huisden nog altijd vele kluizenaars in een klein coenobium [5],
in lauren [6] en in enkele rotsholen, en Paulus kon wellicht tot
dezen behooren. Men was wel op den goeden weg en zij en Hiram
waren reeds besloten in deze richting verder te onderzoeken, maar
de voormalige krijgsman was toch waarschijnlijk een vreemde, en zij
beiden huiverden bij de gedachte haar bloot te stellen aan zulk eene
smartelijke ontgoocheling.
Doch hier nam Paula het woord en zeide met blijde opgewektheid:
"En waarom zal mij ook niet eens wat anders ten deel vallen dan
teleurstelling?.. Wat geeft u den moed om mij de hoop te ontnemen,
waarmede dit arme hart zich voedt? Maar ik laat mij die hoop niet
ontrooven. Uw Paulus aan den voet van den Sinaï is de verlorene, ik
heb er een voorgevoel van. Als de laatste paarlen niet reeds verkocht
waren, dan moest de Nabateër... Maar wacht, zoo.... Wanneer kunt gij
vertrekken, Hiram?"
"Voor over veer--veertien dagen in ge--geen geval," antwoordde
deze. "Ik--ik ben nu eenmaal in dienst van den sta--ad--stadhouder en
o--overmorgen zal in Ni--i--kou--juist--de groote pa--paardenma--markt
zijn. Voor den jongen hee--heer zijn daar nieuwe he--engsten te koop,
en onze veu--lens brrr...."
"Ik zal er morgen bij oom op aandringen, dat hij u vrij laat," zeide
Paula. "Ja, ik werp mij aan zijne voeten..."
"Hij zal hem niet loslaten," viel de voedster haar in de rede. "De
huismeester Sebek heeft hem vóor de audiëntie uit mijn naam alles
gezegd en getracht om Hiram vrij te krijgen."
"En wat was het bescheid?"
"Vrouw Neforis noemde de tijding een nieuw dwaallicht en de
meester stemde met haar in. Uw oom verbood Sebek daarna iets aan u
te verklappen en liet mij weten, dat hij na de paardenmarkt Hiram
misschien naar den Sinaï zou zenden. Heb dus geduld, mijn hartje! Wat
beteekenen veertien dagen, op zijn langst drie weken, en dan....
"Maar zoolang kan ik het niet uithouden!" riep Paula. "De Nabateër,
zegt gij, is hier, en bereid om te gaan?"
"Ja, meesteres!"
"Zoo nemen wij hem in dienst," zeide Paula vastbesloten.
De voedster, die de zaak blijkbaar reeds ernstig met haar landsman
overlegd had, schudde treurig het hoofd en zeide: "Hij is ons te
duur!" Vervolgens verklaarde zij, dat de man die zoo veel talen
kende, reeds uitgenoodigd was eene karavaan naar Ktesiphon te
geleiden. Dat gaf hem brood voor een geheel jaar. Hij was niet
ongenegen de onderhandelingen met den koopman Hanno af te breken en
geheel Petreïsch Arabië voor haar te doorzoeken, maar op voorwaarde
dat hij tweeduizend drachmen ontving.
"Tweeduizend drachmen?" herhaalde Paula, terwijl zij blozende en
terneergeslagen voor zich keek. Maar spoedig was zij zichzelve weer
meester, zij hief het hoofd op en zeide verstoord: "Hoe, durven
zij mij onthouden, wat mij toekomt? Weigert mijn oom mij, wat ik
vorderen mag en moet, dan gebeure wat ik niet vermijden kan en mij
om zijnentwil leed genoeg doen zal; dan geef ik mijne zaak in handen
van de rechters."
"Van de rechters?" herhaalde de voedster lachende. "Om te klagen
hebt gij een kurros [7] noodig, en uw oom is de uwe. Voorts eer zij
een oordeel vellen, kan de bode reeds uit het verafgelegen Ktesiphon
terug zijn."
De voedster smeekte haar nu nog eens om zich tot na den afloop der
paardenmarkt stil te houden; maar zij staarde als verslagen naar den
grond. Opeens verschrikte Perpetua en ook Hiram deed eene schrede
achterwaarts, want onverwacht riep zij luide en jubelend uit: "Vader
in den hemel, ik heb gevonden wat wij noodig hebben!"
"Hoe, mijn kind, wat?" vraagde de voedster met de hand op het hart.
Paula gaf haar geen uitsluitsel, maar wendde zich haastig tot den
Syriër zeggende: "Is de eerste binnenhof weer vrij? Zijn de lieden
uit elkander gegaan?"
Het antwoord luidde bevestigend. De vrije dienstknechten waren met
Hiram tegelijk opgebroken. De heeren gingen nog wel zoo spoedig niet
uiteen, maar hen kon men gemakkelijk voorbijkomen.
"Nu goed," sprak het meisje. "Gij, Hiram, gaat mij voor en wacht
op mij bij het dienstpoortje. Ik haal van mijne kamer iets wat
de vordering van den Nabateër wel tienvoudig kan dekken.--Zie mij
niet zoo angstig aan, Betta! Hij krijgt de groote smaragd uit het
halssieraad mijner moeder."
De voedster sloeg de handen ineen en riep op droevigen, waarschuwenden
toon: "Kind, kind, dit heerlijke stuk, dit erfgoed der familie,
deze steen, die afkomstig is van den heiligen keizer Theodosius,
wilt gij dezen verkoopen, neen wegsmijten, niet om uw vader te redden
maar--ja, mijn kind, zoo is het!--maar alleen omdat gij geen geduld
hebt om twee ellendige weken te wachten?"
"Dat is hard, dat is onbillijk geoordeeld, Betta!" hernam het meisje
op verwijtenden toon. "Het is om een maand te doen, en hoe alles hier
van den bode afhangt, weten wij allen. Hebt gij vergeten hoe Hiram de
geschiktheid juist van dezen man op den voorgrond stelde? En moet ik,
die zooveel jonger ben, u dan herinneren aan de onzekerheid van een's
menschen leven? Eén oogenblik beslist over leven en dood, en mijn
vader is een oud man, die reeds vóor de belegering met vele litteekens
bedekt was. Het kan hier gelden hem al of niet weer te zien."
"Ja, ja," antwoordde de oude vrouw op zachten toon, "misschien hebt
gij gelijk, en als ik...."
Maar Paula sloot haar den mond met een kus en beval daarop den Syriër
den steen van haar in ontvangst te nemen en morgenochtend zeer vroeg
aan den jood Gamaliël, een rijk en redelijk man, te verkoopen, maar
niet onder twaalfduizend drachmen. Als de goudsmid niet zooveel ineens
betalen kon, mocht Hiram zich voor het oogenblik met de tweeduizend
drachmen voor den bode tevreden stellen, om de rest later te ontvangen.
De Syriër ging haar voor, en toen zij na een lang afscheid van de
voedster het vriendelijke vertrek verliet, had Hiram reeds aan haar
eerste bevel voldaan, door haar aan het dienstpoortje te wachten.