Zooals Hiram wel vermoedde, zaten de hoogere beambten nog altijd met
hunne vrienden bijeen, en ook de gids en de voornaamste begeleiders van
den koopman Haschim. Rustem de Masdakiet, alsmede diens secretaris en
tolk, hadden zich bij dit gezelschap aangesloten. De hier verzamelden
waren, uitgenomen de joodsche goudsmid Gamaliël en de lieden uit
het gevolg van den Arabier, allen christenen, en niet zonder eenigen
tegenzin hadden dezen de muzelmannen--de jood was sedert jaren een
welkom medelid van hun avondgezelschap--in hun kring opgenomen. Toch
had men het gedaan, en zelfs met zekeren ijver, omdat de heer bevolen
had hen goed te ontvangen en men met grond verwachten kon dat zij, die
van zooverre waren gekomen, veel nieuws te vertellen hadden. Daarin
had men zich echter bedrogen, want de tolk was zeer gesloten en de
Masdakiet sprak het Egyptisch in het geheel niet en het Grieksch maar
zeer slecht. Nadat men bij herhaling vruchteloos gepoogd had hen aan
het spreken te krijgen, sloeg men verder geen acht meer op hen en
liet men den secretaris van Orion aan het woord.
Deze man had reeds gisteren veel nieuws van het keizerlijk hof
verteld, dat allen boeide; doch heden praatte hij uitvoeriger over de
schitterende levenswijze van zijn jongen meester in Konstantinopel,
wien hij derwaarts vergezelde. Hij beschreef de drie overwinningen,
die hij met zijne eigene paarden in de renbaan had behaald; schilderde
met levendige kleuren hoe deze zich bij een volksoploop, gevolgd door
slechts vijf vrienden, te midden van honderden verwoede opstandelingen,
een weg had gebaand uit het paleis naar de Sophia-kerk, en roemde
verder de veroveringen die Orion had gemaakt bij de schoone vrouwen
van de hoofdstad. "De koningin van allen," zeide hij met bijzondere
zelfvoldoening, "was Heliodora, geene fluitspeelster of een meisje
van dat slag, neen, eene rijke, voorname, deugdzame patricische
vrouw, de weduwe van Flavianus, een neef van den senator Justinus,
die aan de keizerlijke familie verwant is. Geheel Konstantinopel
sloeg begeerig het oog op deze partij; zelfs de groote Gratianus had
haar voor zich trachten te winnen, maar natuurlijk te vergeefs. In
geheel Egypte, zelfs in Alexandrië is er geen paleis gelijk het
hare. Dit stadhouderlijk verblijf--want de grootte doet er niet
toe--is daarbij vergeleken maar eene boerenwoning, eene armzalige
schuur. Bij eene volgende gelegenheid vertel ik u eens hoe het er
uitziet in dit weelderig kabinetje. Dag en nacht stonden er slaven
en vrijgelatenen voor de deur, die bloemen en vruchten, buitengewone
geschenken en roerende gedichten op welriekende, rooskleurige zijde
moesten overbrengen; doch hare gunst was niet te koopen, tot Orion
haar leerde kennen. Gij zult het niet willen gelooven, maar sedert
zij hem voor de eerste maal in de villa van Justinus ontmoet had,
was zij haar hart kwijt. Zij was er geweest, hoor, zij was weg, zij
was de zijne, zoo goed als die ring hier aan mijn vinger de mijne is!"
De ijdele man wees bij deze woorden zijne toehoorders op den gouden met
een waarlijk kostbaren steen versierden ring, dien hij aan de mildheid
van zijn jongen meester te danken had, en vervolgde in geestdrift:
"Van nu aan zweefden de namen Orion en Heliodora op aller lippen,
en hoe vaak heb ik de menschen niet in verrukking gezien over de
schoonheid van dit goddelijk paar! In den circus, in het theater,
bij spelevaarten op den Bosphorus, overal zag men ze samen, en in
die akelige, bloedige dagen der snelle troonsverwisselingen leefden
zij met elkander als in een paradijs. Vaak haalde hij haar in zijnen,
zij hem in haren wagen af."
"Houdt zulk een wijf ook paarden?" vroeg de opperstalmeester op een
toon van minachting.
"Wijf?" riep de secretaris. "Eene aanzienlijke dame! Alleen glanzende
bruine paarden houdt zij, groote van Armenisch ras en kleine, vlugge
dieren van het eiland Sardinië, die in een vierspan als opgejaagde
vossen met den wagen daarheen jagen. Altijd droegen hare paarden
rosetten en fladderende linten aan de gouden hoofdstellen, en ik
verzeker u, haar voerman wist ze te mennen.--De geheele wereld dacht,
onze meester en die schoone weduwe zullen een echtpaar worden, en dat
er niets van gekomen is, ging die arme Heliodora--zij ziet er uit als
eene heilige en is zacht als een katje--bitter aan het hart; want ik
was bij het afscheid tegenwoordig, en het was om diep medelijden te
krijgen, zooveel tranen als zij stortte. Maar zij kon niet boos zijn
op haar afgod, dat weeke, teedere poesje; zij gaf hem tot aandenken
dat zijdharig hondje, dat gij gezien hebt. Ik geef er u mijn woord op
dat het een liefdepand was, want aan dat kleine beest hing haar hart
als aan een eigen kind. Doch het afscheid is ook hem zwaar gevallen,
zoo zwaar--maar ik ben geheimsecretaris, en het zou mij niet passen uit
de school te klappen. Bij het laatst vaarwel drukte hij dat hondje
aan het hart, en beloofde daarbij, dat hij haar wederkeerig een
aandenken zou zenden, dat haar bewijzen zou op hoe hoogen prijs hij
hare liefde stelde. Dat dit geen aalmoes zijn zal, daarop kan ieder
die mijn meester kent wel een duren eed zweren.--Zeg eens, Gamaliël,
is hij misschien reeds bij u geweest?"
De aangesprokene, dezelfde wien Hiram Paula's smaragd te koop moest
aanbieden, was een rijk Alexandrijn, vroolijk van aard. Zoodra
hij na den inval der Saracenen begrepen had, dat het niet geraden
was in Alexandrië te blijven, terwijl ook het grootste deel zijner
geloofsgenooten de havenstad ontvluchtte, had hij zich naar Memphis
begeven, omdat hij daar op de bescherming van zijn machtigen
begunstiger, den Mukaukas Georg, mocht rekenen. Hij schudde op die
vraag ontkennend den grijzen kroeskop en blies een oogenblik later
den secretaris in het oor: "Wij hebben wat hij noodig heeft. Als
ge mij de koe brengt, krijgt gij het kalf, en zelfs een met twaalf
pooten.--Tevreden?"
"Twaalf percent van de winst? Dat 's dus afgesproken!" antwoordde
de secretaris even zacht en met een sluw lachje, ten teeken dat hij
Gamaliël begreep, en toen een boekhouder hem wat later vroeg, waarom
Orion de schoone geliefde, die toch ook een aanzienlijken naam droeg,
niet als schoondochter mede naar huis had gebracht, antwoordde hij
dat zij eene Griekin en natuurlijk de Melchietische geloofsbelijdenis
toegedaan was. Die reden was afdoende voor de aanwezigen, en toen nu
eenmaal het gesprek op het geloof was gekomen, ontspon zich, gelijk
gewoonlijk op zulke gezellige avonden, een dispuut over dogmatische
vragen. Daarbij waagde een kanselarijbeambte de meening uit te spreken,
dat, wanneer het hier niet de zoon van den Mukaukas, bij wien van zoo
iets geen sprake kon zijn, maar een eenvoudig Jacobietisch burger en
zijne Melchietische geliefde gold, er toch wellicht een middenweg te
vinden was geweest. Beiden hadden dan maar moeten besluiten, ofschoon
hij voor zoo iets zou bedanken, de Monotheletische leer aan te nemen,
waarvoor het keizerlijke hof en ook de gestorven patriarch Cyrus van
Alexandrië warm hadden gestreden, welke leer rustte op het geloof,
dat Christus wel twee naturen had, maar dat in beiden maar éene
gemeenschappelijke wil woonde. Dit geloof splitste wel-is-waar de
natuur van den Heiland, maar handhaafde toch de eenheid in een bepaald
opzicht, waarop het toch voornamelijk aankwam. Zulk een kettersch
voorstel werd natuurlijk door de hier verzamelde Jacobieten luide
afgekeurd. Het verschil van meening kwam al duidelijker en scherper
uit, en weldra werd uit de vreedzame gedachtenwisseling een onstuimige
twist geboren, die met handtastelijkheden dreigde te eindigen.
Reeds onder het begin van dit gesprek was het Paula gelukt om
onopgemerkt den hof over te steken. Zij wenkte Hiram zwijgend haar
te volgen; deze trok behoedzaam zijne schoenen uit, die hij onder
de steile trap voor het dienstpersoneel schoof, en stond eenige
oogenblikken later in het vertrek van de jonkvrouw. Zij deed haastig
hare kist open, nam daaruit het kostbaar met paarlen bezet halssieraad
en gaf dit den Syriër, met het verzoek om den grooten smaragd, die in
het midden hing, uit de gouden kas te lichten. De stevige handen van
den vrijgelatene verrichtten dezen arbeid spoedig en gemakkelijk met
behulp van een mes, en, terwijl hij den steen--die grooter was dan een
walnoot en nu, uit het half geopende gouden omhulsel genomen waarin
hij aan den keten had gehangen, vrij fonkelde en stralen schoot--in
de hand woog, herhaalde Paula nog eens alles omtrent den verkoop,
wat zij hem in tegenwoordigheid van de voedster gezegd had.
Zoodra de trouwe man zijne lieve meesteres verlaten had, maakte zij
het zachte, maar toch dikke en lange haar los, en glimlachte daarbij
vol blijde hoop; doch zij was nog niet begonnen zich te ontkleeden,
toen er zacht werd aangeklopt. Zij verschrikte, snelde naar de deur,
grendelde deze toe en vraagde, op het ergste voorbereid: "Wie is daar?"
"Hiram," luidde het zacht gefluisterde antwoord, en nadat zij de deur
weder geopend had, vernam zij, dat de huispoort inmiddels gesloten
was, en dat hij geen anderen weg kon vinden in het groote huis,
waarin hij zelden iets te doen had.
Wat nu te beginnen? De Syriër kon niet wachten tot de poort weder
geopend werd, want hij moest morgen vroeg zijn last volvoeren, en
betrapte men hem en hield men hem maar een halven dag vast, dan nam
de Nabateër den anderen dienst aan.
Spoedig was een besluit genomen; zij bond het haar weder op, sloeg een
doek om haar hoofd en zeide: "Kom mede; de maan schijnt nog altijd,
het zou gevaarlijk zijn eene lamp te gebruiken. Ik ga vooruit en
gij moet vlak achter mij blijven. Als er niemand meer in de keuken
is, kunnen wij ongezien in het viridarium [8] komen. Indien de
beambten in den hof nog bijeen zijn, dan staat de groote hofdeur
open, want velen hunner wonen toch in huis. In elk geval moet gij
door de voorhal. Uit het viridarium kan men den weg daarheen wel
niet missen. Maar wacht! vóor het tablinum [9] ligt de groote Beki,
de booze hond van Hermonthis. Hij kent u niet, want hij komt nooit
buiten's huis, maar mij volgt hij. Wanneer ik de hand omhoog hef,
blijft gij wat achter. In tegenwoordigheid zijner meesters is hij
rustig en onbekenden doet hij niets wanneer wij er bij zijn. Geen
woord worde van nu aan gewisseld. Worden wij ontdekt, dan kom ik voor
de waarheid uit, vindt men u alleen, dan kunt gij zeggen.... dan zegt
gij, dat gij op Orion hebt gewacht, om heel vroeg met hem te spreken
over de paardenmarkt in Nikou."
"Er we--werd me dezen middag nog een--een he--hengst aangeboden."
"Goed zoo; ge zijt dus in de voorhal gebleven, om met den heer te
spreken, vóor hij zou uitgaan. Over enkele uren zal het reeds gaan
schemeren. Maak nu ook voort."
Haastig en met zekeren tred daalde Paula de trap af. Bij de onderste
trap nam Hiram zijne schoenen weder op en hield ze in de hand,
om geen tijd te verliezen, terwijl hij zijne meesteres op den voet
volgde. Zwijgend ging zij voort, tot zij in de tastbare duisternis aan
de keuken kwamen. Hier keerde zij zich om en fluisterde den Syriër toe:
"Is hier iemand, dan zeg ik dat ik gekomen ben om water te halen; is er
niemand, dan kuch ik even en volgt ge mij. De deur blijft in elk geval
open, zoodat ge hooren kunt wat er gebeurt. Als ik moet omkeeren, dan
loopt ge mij haastig vooruit langs den weg dien wij gekomen zijn. In
dat geval begeef ik mij naar mijne kamer en wacht gij daarvoor tot het
dag wordt en men de dienstpoort weder opent. Als men u mocht vinden,
laat dan aan mij over van uwe aanwezigheid de verklaring te geven. Ga
nu wat meer achteruit en verberg u daar in dien hoek."
Dadelijk hierop opende zij met zachte hand de deur van de keuken. Daar
deze met geen dak gedekt was, werd de ruimte door het licht der
ondergaande maan en den glans der sterren beschenen. Zij bleek geheel
ledig te zijn; er lag alleen eene kat op de bank bij den grooten
haard en eenige vledermuizen fladderden met onhoorbaren vleugelslag
in de groote ruimte heen en weer. Onder het braadspit gloeiden nog,
als de oogen van loerende roofdieren, de glimmende kolen in de asch.
Paula kuchte zacht en zoodra zij Hirams schreden achter haar hoorde,
zette zij met een van angst kloppend hart hare wandeling voort. Eerst
ging zij eenige trappen op, dan door een donkeren gang, waarin de
vledermuizen vlak langs haar hoofd scheerden, eindelijk moest de
breede van boven opene eetzaal dwars worden overgestoken. Deze kwam
uit in het viridarium, een vierkanten open hof, die langs de kanten
geplaveid was, terwijl de middenruimte door sierplanten en een
fontein werd ingenomen. Aan beide zijden verhief zich een vleugel
van het stadhouderlijk paleis. Het was stil en verkwikkend in deze
afgeslotene ruimte, overwelfd door den donkerblauwen hemel, die bezaaid
was met millioenen sterren. De maan naderde reeds den bovenrand van
de gegroefde lijst, die het dak van het gebouw kroonde. De groote
bladplanten in het midden van het viridarium wierpen wonderbare,
spookachtige schaduwen over de vochtige graszoden; het water van
de fontein plaste luider dan overdag, doch het eentonig geluid,
dat nu en dan door korte ongelijkmatige pauzen werd afgebroken, had
iets geruststellends. Het marmer der zuilen glinsterde als heldere
sneeuw, en dunne dampwolkjes, die van de vochtige zoden opstegen,
dwaalden, door den zachten nachtwind bewogen, als geesten in lange
golvende sleepgewaden in allerlei bochten zacht en statig heen en
weer. Nachtvlinders wiegden zich rondom en boven de plantengroepen
op en neer, en de geheele stille, verkwikkende ruimte was vervuld
door den zoeten geur van de lotusbloemen in het marmeren bekken van
de fontein, en van de bloesems der weelderige struikgewassen en der
saprijke tropische planten die haar omgaven. Op een anderen tijd zou
het een lust zijn geweest hier te toeven, rond te zien en zich over te
geven aan de stille betoovering van den nacht, doch de ziel van Paula
was thans voor dit heerlijk genot gesloten. De diepe stilte die haar
omgaf deed het opgewonden twistgesprek in den hof, dat in afgebroken
toongolven zijn weg hierheen vond, te bedenkelijker klinken, en met
bange zorg merkte zij op dat hier niet alles in orde was, want vóor het
tablinum, dat steeds door den hond of door een wachter bewaakt werd,
kon haar scherpziend oog noch dier noch mensch bespeuren. En--neen,
zij bedroog zich niet--de met brons beslagene deur ervan was open,
en het maanlicht glinsterde tegen het blanke metaal van den eenen
half aanstaanden vleugel.
Zij bleef staan en Hiram achter haar deed desgelijks. Beiden luisterden
met zulk eene inspanning, dat de aderen hun op het voorhoofd zwollen,
want uit het tablinum, dat zij met een dertig schreden bereiken konden,
lieten zich enkele, niet goed te onderkennen, zachte geluiden vernemen,
die geheel overstemd werden door den wilden strijd daarbuiten.
Er verliepen eenige lange, bange oogenblikken, tot de vleugel die
aanstond, opeens werd geopend, en een man daaruit te voorschijn
kwam. Het was Paula of haar het bloed in de aderen stolde, maar
haar oog hield niet op scherp te turen, en toen zij duidelijk gezien
had en vast overtuigd was, dat hij die den drempel van het tablinum
overschreed Orion was en geen ander, vloog de groote ruige hond van
Hermonthis haar voorbij, stak zijn neus in de lucht en schoot daarna
onder woest geblaf op de beide wachtenden toe. Bevende en met de tanden
op elkaar geklemd, maar altijd toch volkomen meesteres van zichzelve,
liet zij hem komen, riep Beki bij zijn naam op zachten, liefkoozenden
toon, en pakte, toen hij haar herkende en ophield te blaffen, het
beest bij zijn harigen kop, om het achter de ooren te krauwen, dat
het zoo gaarne had. Zij zelve en die haar vergezelde stonden achter
een pilaar in de donkere schaduw. Orion werd hen dus niet gewaar,
ook had het geblaf Paula's liefkoozend geroep overstemd. Toen de hond
zweeg en kwispelstaartend bij haar bleef staan, floot hij hem en het
waakzame gehoorzame dier ijlde zijn meester vroolijk te gemoet. "Ouwe,
domme kattenjager!" riep hij het beest toe en duwde het daarna weder
spelende van zich af. Daarop sloot hij de deur dicht en begaf zich
naar de gebouwen, die op den hof uitkwamen.
"Om in zijne woning te komen moet hij langs dezen weg terugkeeren,"
zeide Paula tot haren geleider, terwijl zij weder vrij adem
haalde. "Laten wij hier wachten. Maar nu ook geen oogenblik
verloren! Vooruit tot aan de deur van het tablinum! De hond herkent
mij nu van verre en zal niet dadelijk weder aanslaan."
Hierop liepen beiden haastig verder, en toen zij gekomen waren bij
de deur, die achter breede posten in de donkere schaduw lag, vroeg
Paula haren geleider: "Hebt gij den man die hieruit kwam herkend?"
"Onze heer Orion," luidde het antwoord. "Hij ke--keerde terug uit de
sta--ad, toen ik u voor--voorging."
"Zoo?" vraagde zij schijnbaar onverschillig, staarde in den tuin,
terwijl zij tegen het koele metalen beslag van de deur stond gedrongen,
en begreep dat zij nu terug kon keeren. Maar ter rechter tijd dacht zij
aan den hond. In elk geval moest zij den vrijgelatene den eenvoudigen
weg beschrijven, dien hij van hier had in te slaan. Doch zoover kwam
zij niet, want uit de ruimte die de voorhal van het viridarium scheidde
hoorde men eerst de schelle stem eener vrouw en daarna de zwaardere
van een man, en nauwelijks hadden beiden eenige woorden gewisseld of
het woedend geblaf van den hond overstemde alles, en terstond daarop
trof haar luisterend oor eerst het gillen en schreeuwen uit den mond
eener vrouw en daarna een gedruisch als van een zwaar vallend voorwerp.
Wat was daar gebeurd? Het moest iets vreeselijks, iets afgrijselijks
zijn, daar viel niet aan te twijfelen. Het vermoeden van Paula werd
weldra bevestigd, want door de deur aan de zijde van de plaats waar
de schrikkelijke gebeurtenis moest voorgevallen zijn, stormde Orion
naar buiten en vloog met den hond achter zich over de graszoden van
het viridarium, die als een heiligdom met zooveel zorg werden in orde
gehouden, en ijlde naar den vleugel van het huis aan de Nijlzijde,
waar zich zijne woning en die der familie bevond.
"Nu is het tijd," sprak Paula, en ging den Syriër snel voor.
Ademloos doorliep zij met haastigen tred de eerste ruimte en
overschreed den drempel van het niet overdekte voorhuis, maar zij
was nog niet in het midden gekomen, toen zij een schreeuw gaf, want
voor haar lag in het schijnsel der maan een roerloos lichaam lang
uitgestrekt op den harden marmeren vloer.
"Vlucht, Hiram, vlucht!" riep zij den vrijgelatene toe. "De deur
staat maar aan, is open, ik zie het!"
Dit zeggende knielde zij bij de levenlooze neder, hief haar hoofd op,
en zag--in het schoone, doodsbleeke gelaat van de waanzinnige Perzische
slavin! Zij voelde hoe het bloed, dat door het zware, blonde haar van
de ongelukkige heendrong, hare eigene hand bevochtigde, en eene rilling
voer haar door de leden. Maar zij overwon alle gevoel van ontzetting
en afkeer, en toen zij ook op den gescheurden peplos donkere vlekken
bemerkte, trok zij dit kleed weg en zag in de schoone blanke borst
van de ongelukkige de gapende wonden, die de gruwzame tanden van den
woedenden hond in het teere vleesch hadden gebeten.
Paula's gemoed werd overmand door toorn, zoowel als door smart en
medelijden. Hij, wien zij gisteren nog gehouden had voor een toonbeeld
van mannelijke deugd, Orion, droeg de schuld van deze gruweldaad! Hij,
van wiens stouten moed, die zichzelven niet verschoonde, zij zooveel
had vernomen, hij was gevlucht als een lafaard, hij had het offer
in den steek gelaten, dat hij tweemaal ten gronde had gericht. Doch
er was hier wat anders te doen dan te klagen, zich boos te maken,
zich af te vragen, hoe in de ziel van denzelfden mensch naast zooveel
edels en schoons, zooveel wreedheid en boosaardigheid kon wonen. Hier
moest raad geschaft worden, zij moest trachten te redden, want Mandanes
boezem bewoog zich nog zacht onder hare bevende vingers.
De vrijgelatene had een te goed hart, dan dat hij Paula en de verwonde
dadelijk zou hebben kunnen verlaten. Hij wierp de schoenen, die hij
nog altijd in de hand had, op den grond, tilde de bewustelooze op en
zette haar tegen een der zuilen van de gaanderij, die dezen voorhof
omgaf. Eerst op herhaald bevel zijner meesteres ijlde hij naar buiten.
Paula keek hem na en zoodra zij de zware deur van het atrium hoorde
dichtvallen, riep zij, zonder acht te geven op haar eigen bedenkelijken
toestand, met zulk eene luide en gillende stem om hulp, dat het bij de
nachtelijke stilte in alle richtingen van het huis weerklonk, zoodat
weldra van hier en daar een slaaf, eene dienstmaagd, een beambte,
een kok, een wachter kwamen toeschieten.
Het eerst van allen verscheen Orion, en wel zoo snel, dat hij zich op
haar geroep reeds op weg moest hebben bevonden. Het lichte nachtgewaad
dat hij droeg moest, dacht zij, den schandelijken belager zeker
het aanzien geven, als had hij juist zijn bed verlaten. Was hij het
werkelijk? Was deze man met die hoogroode kleur, met die starende
oogen, dat verwarde haar, die heesche stem dezelfde lieveling der
fortuin, wiens blijmoedig gelaat, wiens edele houding, wiens zonnige
blik, wiens hartroerend gezang haar gemoed hadden betooverd? Wat
beefden zijne handen, toen hij haar en de verwonde naderde, hoe gemaakt
en verlegen klonk zijne vraag wat hier gebeurd was, en hoe schuw keek
hij haar aan, toen hij verlangde te weten wat haar op dit late uur
naar het voorhuis voerde. Zij bleef hem het antwoord schuldig. Toen
echter spoedig daarop zijne moeder verscheen en op scherpen toon
dezelfde vraag tot haar richtte, antwoordde zij, die nog nooit een
leugen op de lippen had genomen, haastig en op stelligen toon: "Ik
kon niet slapen. Het geblaf van den hond en de jammerkreten drongen
mij naar beneden te gaan."
"Dat noem ik zijne ooren te spitsen!" zeide Neforis, ongeloovig de
schouders ophalende. "In elk geval zou ik u raden in het vervolg bij
dergelijke aanleidingen wat minder spoedig bij de hand te zijn. Sedert
wanneer vertrouwt een meisje, als er moord wordt geroepen, op hare
eigene kracht?"
"Gij hadt u ten minste wel mogen wapenen, schoone
heldendochter!" voegde Orion erbij. Maar hij had die woorden nauwelijks
geuit of hij gevoelde bitter berouw, want met welk een blik zag Paula
hem aan! Het ergerde haar zich door hem, juist door hem en op dit
oogenblik--het was voor de eerste maal--spottend, ja sarcastisch te
hooren toespreken en op zulk eene wijze aan haren vader herinnerd
te worden. Trotsch en op bijtenden toon gaf zij ten antwoord: "Het
dragen van wapenen laat ik over aan krijgslieden en moordenaars!"
"Aan krijgslieden en moordenaars," herhaalde Orion, die deed
alsof hij den zin dezer woorden niet verstond, met een gedwongen
lach. Doch hij vervolgde op bitteren toon, begrijpende dat hij zich
verweren moest: "Waarlijk, dat klinkt als kwam het uit den mond van
een teergevoelig meisje! Maar ik bid u wat nader bij te komen en u
gerust te stellen. Deze treurige wond hier aan den schouder van het
arme ongelukkige schepseltje, dat mij, verzeker ik u, meer ter harte
gaat dan u, heeft een viervoetige moordenaar haar toegebracht, die
zijne wapenen van de natuur heeft. Ja, zoo is 't gebeurd! De ruige
Beki houdt de wacht voor het tablinum. Hoe het arme schepsel hier
gekomen is, weet ik niet, maar in elk geval heeft het beest haar
geroken en toen aangevallen."
"Of ook niet," zeide opeens vrouw Neforis, terwijl zij een paar
mansschoenen opnam, die naast de gewonde op den grond lagen.
Orion werd doodsbleek, nam zijne moeder het gevondene snel uit de
handen, en zou die schoenen het liefst door het open dak weggeslingerd
hebben. Hoe kwamen ze hier? Wien behoorden ze toe? Wie was dezen avond
hier geweest? Voor hij zich naar het tablinum begaf, had hij de deur
van het atrium gesloten, en later was hij teruggekeerd om haar voor de
lieden die daar buiten waren te openen. Eerst na dit gedaan te hebben
was hij door de waanzinnige overvallen, die hem reeds bij zijn eersten
gang door het atrium moest hebben opgewacht, maar toen misschien niet
den moed had gehad hem in den weg te treden. Toen zij daarna hem op
het lijf was gevallen, had de hond haar op den grond gesleurd, eer hij
het verhinderen kon. Ja, hij zou haar zeker dadelijk bijgesprongen
en geholpen hebben, wanneer hij daardoor niet zijn binnendringen in
het tablinum verraden had. Hij had tegenwoordigheid van geest genoeg
gehad om naar zijne kamer te ijlen, zijn nachtgewaad aan te schieten
en naar de plaats des onheils terug te keeren. Toen Paula begon te
roepen, was hij reeds op weg naar de gewonde, en met welk een gevoel!
Zoo verward, zoo ontsteld, zoo diep ontevreden met zichzelven had
hij zich nog nooit gevoeld, en heden, tegenover Paula, was het
hem voor de eerste maal gebeurd, dat hij een medemensch niet in
de oogen kon zien. En dan deze schoenen! De eigenaar ervan moest
de waanzinnige begeleid hebben, en had deze hem het tablinum zien
binnengaan en verried hij wat hij, Orion, daar gedaan had, hoe zou
hij dan zijne ouders weder onder de oogen durven komen? Hij had niet
anders in den zin gehad dan eene grap, en nu was het zoo bitteren
ernst geworden! Doch het kostte wat het wilde, hij moest voorkomen
dat zijn nachtelijke gang ontdekt werd. Liever opnieuw onrecht, zelfs
het zwaarste, gepleegd, dan zijne eer te laten aantasten.--Maar wien
behoorden dan toch die schoenen? Opeens hield hij ze in de hoogte en
riep met luider stem tot de lieden, die waren toegesneld: "Behooren
deze zoolen ook aan een van ulieden, aan den deurwachter misschien?"
Toen allen zwegen en de portier zijne vraag ontkennend beantwoordde,
bleef hij nadenkend staan en ging voort met trotschen blik en op
luchthartigen toon: "Dus heeft een inbreker, die hier overvallen
is, ze laten staan. Ons huisstempel staat op het leder, ze zijn in
onze werkplaats gemaakt, en zij rieken,--overtuig er u maar van,
Sebek!--ze rieken naar den stal. Neem ze mede, man, morgen vroeg
zullen we onderzoeken wie ons dit verdacht geschenk in het atrium
heeft neergelegd. Gij zijt het eerst hier ter plaatse geweest,
schoone Paula. Hebt gij geen man hier opgemerkt?"
"Ja," antwoordde zij, terwijl zij hem vijandig en uitdagend aanzag.
"En waar is hij heen gegaan?"
"Als een vluchtende lafaard liep hij dwars door het viridarium, en
om haastiger weg te komen zelfs over de fraaie graszoden, en verdween
daarginds in de woonvertrekken."
Orion beet zich bij deze woorden op de lippen en voelde een bitteren
haat bij zich opkomen tegen dit raadsel in vrouwengestalte, in welks
hand het scheen te liggen hem te vernietigen, welks oogen vlamden van
nijd en den wil verrieden om hem te wonden. Wat voerde zij tegen hem in
het schild? Hoe kon een mensch op aarde het wagen hem, die door groot
en klein verwend was, zóo aan te zien? Want in hare blikken lag niet
enkel weerzin, maar zelfs verachting. Wie ter wereld had het recht hem
iets te verwijten, dat grond kon geven tot zulk een gevoel? Nooit,
neen nooit was hij zoo vijandig bejegend en allerminst van de zijde
van een meisje. Hij zou dat hooghartige, ongevoelige, onrechtvaardige
schepsel, dat hem zulk eene onverdiende vernedering aandeed, nadat
hij getoond had hoe zijn hart voor haar klopte; dat hem, den man die
tallooze malen zijn moed had bewezen, thans dwong het te vreezen--hij
zou het hebben willen verpletteren, en hij moest zich geweld aandoen
om niet te vergeten dat zij eene vrouw was.--Wat had dit alles toch
te beteekenen? Welk een demon dreef hier zijn duivelsch spel? Wat
was er sedert een half uur in hem zoo veranderd, dat zijn geheele
karakter hem als omgekeerd voorkwam, en men hem zóo durfde bejegenen?
Zijne moeder bemerkte dadelijk hoe de gelaatstrekken van haren
lieveling veranderden, toen Paula verzekerde dat een man zich
haastig begeven had naar de woonvertrekken. Zij verklaarde die
woorden op hare wijze en riep ernstig bezorgd: "Een inbreker is den
Nijlvleugel van het huis binnengedrongen, de kamer misschien waar uw
vader slaapt? Barmhartige God, als hier eens weder een verraderlijk
plan was gesmeed! Spoedig, Sebek, snel! Met gewapenden naar den
rivierkant! Het geheele huis moet van boven tot beneden doorzocht
worden! Misschien pakt ge den booswicht, die het grasperk heeft
vertreden. Ge moet hem--hij mag niet ontkomen!"
De huismeester vloog weg, doch Paula beval den hovenier, die ook
was toegeschoten, met kloppend hart, terwijl hare blikken wederom de
oogen van den jongeling zochten, het voetspoor van den vluchteling,
dat nog merkbaar moest zijn in de natte zoden, met den gevonden schoen
te vergelijken.
Wederom kromp Orion van schrik ineen, en terwijl hij zich naar het
viridarium begaf, zeide hij: "Dat is mijne zaak!" Toch schaamde hij
zich voor zichzelven, en had hij een gevoel alsof hem de keel werd
dichtgeschroefd. Hij beschouwde zich als een betrapten dief, als
een bedrieger, als een ellendig wezen, en begon te begrijpen dat hij
inderdaad niet meer was, die hij geweest was vóor dien noodlottigen
gang naar het tablinum.
Paula zag hem na met een beklemd gemoed. Zou hij zoo diep gezonken
zijn, om zijne bevinding te loochenen en te verklaren, dat de breede
zool van den vrijgelatene paste in het spoor van zijn kleinen
welgebouwden voet? Zij haatte hem, maar zij smeekte toch dat hij
dit ten minste niet doen mocht, en toen hij terugkwam en verlegen
verklaarde, dat hij niet zeker was van zijne zaak, daar de schoen niet
juist in de platgetreden sporen scheen te passen, haalde zij weder
ruimer adem en begaf zij zich met den arts, die juist verschenen was,
naar de gewonde.
Eer vrouw Neforis haar volgde, trok deze Orion tot zich en vroeg hem
bezorgd wat hem toch scheelde, daar hij er zoo bleek en ontdaan uitzag;
waarop hij bedremmeld antwoordde: "Het ongeval van het arme meisje,"
en hij wees daarbij op Mandane, "gaat mij zoo aan het hart."
"Arm, teergevoelig hart! Evenals toen ge nog een knaap waart!" hernam
de moeder om hem te troosten. Zij had tranen in zijne oogen zien
glinsteren, deze golden echter niet het Perzische meisje, maar iets
geheimzinnigs, waarvoor hijzelf geen naam kon vinden, dat hem in deze
ure ontnomen was en waarvan het verlies hem onuitsprekelijk smartte.
Doch het gesprek tusschen moeder en zoon werd weldra afgebroken,
want het eerste onheil van dezen nacht werd terstond door een
ander gevolgd. De trouwe Perzische aanvoerder der karavaan, Rustem,
de bloeiende jonge man met zijne schoone kloeke gestalte, werd als
levenloos in den voorhof gedragen. Een woedende Jacobiet had hem, toen
hij met eenige spottende opmerkingen aan den geloofsstrijd deelnam,
met een stuk hout eene diepe, misschien doodelijke wond toegebracht. De
arts wijdde dadelijk zijne zorgen aan den ongelukkige, en velen uit
de met elkander fluisterende menigte, die zich door nieuwsgierigheid
of uit begeerte om te helpen in het ruime atrium verdrongen, ijlden in
allerlei richtingen, om de bevelen van den heelmeester uit te voeren.
Zoodra hij de wond van den Masdakiet onderzocht had, zeide hij barsch:
"Een Egyptische slag, want hij is van achteren toegebracht.--Wat
doen toch al die lieden hier? Weg, gij allen, die hier niets te maken
hebt!--Allereerst hebben wij twee draagstoelen noodig. Vrouw Neforis
wijze ons twee vertrekken, een voor dat arme lieve schepsel daar,
en een voor dezen flinken knaap, met wien het echter spoedig gedaan
zal zijn, als er geen wonder gebeurt."
"Aan de noordzijde van het viridarium," antwoordde Neforis, "zijn
twee vertrekken ter uwer beschikking."
"Dáar niet!" hernam de arts. "Ik heb vertrekken noodig met frissche,
vrije lucht, vertrekken die op den Nijl uitzien."
"Er zijn ook nog geschikte vertrekken op de verdieping voor de gasten,
waar de nicht van mijn gemaal woont. Meermalen zijn zieken uit de
familie daar verpleegd; maar zulke eenvoudige lieden--verstaat ge?"
"Neen, ik ben doof aan dat oor," zeide de arts.
"Nu ja, ik weet het wel," antwoordde Neforis met een lachje, "maar
die vertrekken zijn werkelijk pas nieuw ingericht voor aanzienlijke
gasten."
"Voornamere dan deze doodelijke zieken zijn er moeielijk te vinden,"
haastte Philippus zich te zeggen. "Zij staan dichter bij God en den
hemel dan gij, tot uw voordeel geloof ik. Heidaar mannen! Draag deze
kranken naar de verdieping voor de vreemdelingen."