Zielsangst en gewetenswroegingen waren het inderdaad geweest, die
den stadhouder hadden doen besluiten het tapijt te koopen, en het
zou hem daarom misschien verheugd hebben, wanneer het nog duurder was
geweest. Hoe grooter de gave, des te vaster mocht hij verwachten dat
hij, die het geschenk ontving, hem zijne genade en gunst niet zou
onthouden. Hij had wel reden om zich te verontrusten en zich af te
vragen of hij goed gehandeld had. Wraak te oefenen was geen christelijk
werk, maar ongestraft te laten wat de Melchieten hem hadden aangedaan,
terwijl zich de gelegenheid aanbood om het hun betaald te zetten,
dat had hij niet van zich kunnen verkrijgen. Maar welke vader zou
dit mogelijk zijn geweest, als men twee zijner bloeiende zonen
had vermoord? Deze vreeselijke slag had den hartader zijns levens
getroffen. Sedert had hij zijne lichaamskrachten langzaam voelen
afnemen, en ook dat gevoel van zwakheid, die aanvallen van angst,
die gebreken en smarten, welke hem meer en meer kwelden, meende hij
op rekening te mogen schrijven van de Melchietische geweldenaars.
Het kwijnende leven van dezen man werd alleen staande gehouden door
zijne natuurlijke kracht en door zijn brandenden dorst naar wraak,
en de omstandigheden hadden hem in staat gesteld dezen laatsten op
eene wijze te stillen, die ten slotte hem, die anders vreedzaam van
aard was, al te zeer geschokt had.
Het mocht dan niet door zijne schuld zijn, het was toch met zijne
medewerking, dat het Byzantijnsche rijk eene rijke provincie verloor,
die de keizer aan zijne hoede had toevertrouwd. Hij was er getuige
van dat de Grieken en allen die den naam van Melchieten droegen uit
Egypte werden verdreven, en dat zij, hoewel hij het gaarne verhinderd
had, op vele plaatsen door het opgeruide volk, hetwelk de muzelmannen
als bevrijders begroette, gelijk dolle honden werden doodgeslagen. Al
het kwaad, dat hij den moordenaars zijner kinderen, den verdrukkers
en uitzuigers van zijn volk had toegewenscht, was over hen gekomen
en zijne wraak maar al te volkomen geweest. Doch te midden van de
vreugde over deze onverwachte vervulling van een vurigen wensch,
dien hij jaren lang had gekoesterd, was de stem van zijn geweten
ontwaakt en had zich eene te voren ongekende angst van hem meester
gemaakt. Om als een held of een hervormer op te treden, daartoe
ontbrak het hem aan geestkracht. Wat de nieuwe veroveraars hadden
tot stand gebracht was van te veel beteekenis, de rampen die zij over
duizenden hadden gebracht waren te vreeselijk, het christelijk geloof,
dat hij zoo hoog stelde, was te zeer door hen in gevaar gebracht,
dan dat hij de gedachte rustig zou hebben kunnen verdragen hiervan de
oorzaak te zijn. De verantwoordelijkheid van dit alles was voor zijne
schouders te zwaar, en hoe vaak hij het zichzelven ook herhaalde,
dat hij de Arabieren niet in het land had geroepen, dat het hem
aan macht had ontbroken hen af te weren, zoo hoorde hij zich toch
van alle zijden aanwijzen als de man, die hun zijn vaderland had
overgeleverd. Van alle kanten zag hij zich bedreigd, en hij geloofde
hen die hem vertelden van sluipmoordenaars, welke de Byzantijnen tegen
hem hadden uitgezonden. Maar nog kwellender was zijne vrees voor den
toorn des hemels over hen, die een christelijk land aan de ongeloovigen
hadden overgeleverd. Het bewustzijn dat hij levenslang een weldenkend,
rechtvaardig man was geweest, kon hem van dezen angst niet verlossen,
en er was maar éen middel dat zijn gezonken moed staande hield,
namelijk de witte pilletjes, die hem sedert lang even onontbeerlijk
waren als lucht en water.
De oude, zachtmoedige bisschop Plotinos van Memphis en zijn
geestelijkheid hadden voor alles vergeving. De patriarch Benjamin,
die gedurende zijne verbanning uit de woestijn op de Arabieren had
gewezen als verlossers van de tyrannie der Melchieten, was vooral
door zijn toedoen teruggeroepen en in zijn ambt hersteld. Hij had dus
op diens goedkeuring gehoopt; maar deze had hem als een verlorene,
eeuwig verdoemde bejegend, en hoewel hij, de Mukaukas, ook doorzag,
welke bijzondere bedoelingen de kerkvorst hierbij had, zoo geloofde
hij toch dat Benjamins herdersambt hem de macht verleende, voor elk
schaap zijner kudde de hemelpoort te sluiten. Hoe meer hij zag dat de
Arabieren zich in zijn vaderland vastnestelden, hoe verstandiger zij
daar alles inrichtten, hoe meer Egyptische christenen hij eindelijk
van het kruis tot de halve maan zag overgaan, des te grooter scheen
hem zijn schuld. En nu, na zich volledig gewroken te hebben, hetgeen
de Grieken "dubbel verraad" noemden, nu hem in plaats van de straf
Gods alles ten deel viel, wat de menschen geluk en gunst van het lot
noemen, bekroop den geloovigen man de vrees, dat dit de vergelding
des duivels was, omdat de vrede die hij zoo haastig met de muzelmannen
had gesloten, hem zoo vele christenzielen in de armen had gedreven.
Twee groote erfenissen waren hem onverwacht ten deel gevallen. Zijne
schatgravers in de doodenstad hadden meer goud uit de oude heidensche
groeven opgedolven dan alle overigen te samen. De muzelmansche Kalief
en zijn plaatsvervanger hadden hem in zijn ambt gehandhaafd en bewezen
hem vriendschap en eer. De bouleuten [3] der stad hadden hem onder de
toejuiching van de geheele burgerij den bijnaam van den "rechtvaardige"
toegekend. Zijne goederen hadden nooit meer rente afgeworpen. Van de
weduwe van zijn vermoorden oudsten zoon kreeg hij uit het klooster
brieven, gewagende van het groot geluk dat zij gevonden had in
deze nieuwe levensbestemming, en haar dochtertje, zijn kleinkind,
groeide zoo voordeelig op, dat ook vreemden in het vroolijke kind
behagen schepten. Eindelijk hadden de talrijke brieven van zijn zoon
uit Konstantinopel hem bewezen, dat deze zich in alle opzichten
ontwikkelde en geen oogenblik zijne ouders vergat; want van alle
genietingen die hij smaakte, van alle overwinningen die hij behaalde,
had hij zich steeds beijverd uit eigen beweging dadelijk mededeeling
te doen. Ook in den vreemde bleef hij met vader en moeder voortleven
en hen beschouwen als het beste en liefste wat hij op aarde bezat.
En Paula? Zij wist zijne gade niet voor zich in te nemen, maar hij
beschouwde hare tegenwoordigheid als eene goede beschikking, waaraan
hij--niet enkel bij het schaakspel--menig aangenaam uur te danken had.
Dit alles kon wel een geschenk van den satan zijn, maar was dit
het geval, dan wilde hij, Georg de Mukaukas, den booze nu toonen,
dat hij niet hem maar den Heiland toebehoorde en op diens genade
hoopte. Hoe was zijne ziel met innige dankbaarheid vervuld jegens
den Allerhoogste voor den terugkeer van zulk een zoon! Al wat in hem
was drong hem dit gevoel uit te spreken, en zoo waren het zielsangst
en erkentelijkheid beide, die hem ertoe gebracht hadden zulk eene
groote som op te offeren, om aan de kerk van Christus een geschenk
te geven zonder weerga. Hij verbeeldde zich een krijgsgevangene te
zijn voor wien het losgeld wordt voldaan, toen hij het tafeltje met
de lastgeving tot betaling aan den koopman overhandigde; en nu men
hem ter ruste bracht en zijne gade niet ophield hem te danken voor
zijn vroom plan, gevoelde hij zich zoo verlicht en blijmoedig gestemd,
als in geen jaren het geval was geweest.
In den regel hoorde hij Paula, die boven zijn slaapvertrek huisde,
heen en weer loopen; want zij ging laat te bed en verdiepte zich
gedurende de nachtelijke stilte misschien in zoete en smartelijke
herinneringen. Hoeveel had het bittere noodlot haar niet ontroofd:
een vader, een broeder, hare meeste bloedverwanten en vrienden,
allen tegelijk, allen door de hand der muzelmannen, aan wie hij zijn
vaderland had overgegeven zonder het te verdedigen! "Men hoort Paula
heden niet," zeide hij, naar boven ziende, als zocht hij iets. "Het
arme meisje zal zich na het gebeurde van zoo straks tijdig ter ruste
gelegd hebben."
"Laat haar rusten," sprak vrouw Neforis, die ongaarne hare
blijmoedige stemming zag verstoren, terwijl zij onwillig de schouders
ophaalde. "Hoe heeft zij zich weer misdragen! Wij hebben zooeven veel
te veel over barmhartigheid gehoord; ik zal over de mijne niet roemen,
hoewel ik haar gaarne wil betoonen; bovendien is het mijn plicht eene
verlatene verwante van u goed te behandelen. Doch dit meisje--neen, zij
maakt het mij al te zwaar, en ik ben toch ook maar een mensch! Ik kan
niet vroolijk zijn als ik haar zie; komt zij het vertrek binnen, dan is
het mij als trad het ongeluk zelf over den drempel. En dan--gij hebt
voor zulke dingen geen oogen, maar Orion bemoeit zich met haar veel
meer dan goed is. Ik zou wel willen dat wij haar de deur uit hadden."
"Neforis," zeide haar echtgenoot op een toon van zacht verwijt. Gaarne
had hij haar in sterker bewoordingen terecht gewezen, maar sedert
hij een slaaf van de opium was geworden, wilde het hem niet meer
gelukken, noch in kleine noch in groote dingen, zich krachtig tegen
haar te verzetten.
Weldra lag de Mukaukas onrustig te dommelen, terwijl hij van tijd tot
tijd de oogen opende. Hij hoorde den zachten tred niet boven zijn
hoofd, waaraan hij sedert twee jaren gewoon was. Toch was zij, die
meestal de eerste helft van den nacht nog in beweging was, niet ter
ruste gegaan, gelijk hij meende. Na hetgeen er was voorgevallen had
zij wel met gloeiende wangen en brandende oogen haar kamer opgezocht,
maar de slavinnen, die weinig acht sloegen op een gast, die men
slechts scheen te dulden en die door de vrouw des huizes met den nek
werd aangezien, hadden het voorschrift om de luiken harer kamer na
zonsondergang te openen, ten einde de koelere avondlucht binnen te
laten, niet nagekomen, en thans vervulde eene bedwelmende, drukkende,
zwoele atmosfeer het vertrek. De houten blinden, ja zelfs de linnen
lakens op haar wollen rustbed voelden warm. Het water in haar aarden
kruik en ook de handdoek waarnaar zij greep waren lauw. Voor eene
Egyptische was dit niets ongewoons, maar de Damasceensche had elken
zomer in het schoone landhuis haars vaders, op de zonnige helling van
den Libanon, in schaduwrijke koelte doorgebracht, en heden scheen
de warmte haar overal ondragelijk toe. Buiten was het aangenaam,
dat had zij beneden gevoeld, en daarom stootte zij, zonder zich lang
te bedenken, de luiken open, omsluierde haar hoofd met een langen
donkeren doek, sloop de steile trap af en ging vervolgens door een
poortje voor het dienstpersoneel, dat haar bekend was, naar den
open hof. Daar haalde zij vrij adem en strekte de armen wijd uit,
als verlangde zij niets vuriger dan van hier weg te vliegen; doch
weldra liet zij ze zinken, terwijl zij rondom zich keek.
Zij was niet enkel naar buiten gegaan om koelte te zoeken, neen, zij
verlangde bovenal haar onstuimig en beangst gemoed aan anderen lucht
te geven, en in de woningen der dienaren bevonden zich twee menschen,
van welken eene haar begreep, kende en liefhad, terwijl de ander aan
haar gehecht was als een trouwe hond, en zaken voor haar verrichtte,
die voor den stadhouder en zijn gezin een geheim moesten blijven. Een
van dezen was hare voedster, die haar naar Egypte was gevolgd, de
tweede was de vrijgelaten stalmeester van haar vader, die met zijn
halfvolwassen zoon de vrouwen had geleid en beschermd, toen zij na het
bloedbad van Abyla uit hun schuilhoek waren te voorschijn gekomen, en
na zich een tijdlang in een dal van den Libanon te hebben opgehouden,
niet beter hadden weten te doen, dan naar Egypte te vluchten, ten einde
zich daar onder de bescherming te stellen van den Mukaukas Georg,
wiens zuster de eerste gemalin haars vaders was geweest. Zijzelve
was gesproten uit den tweeden echt met eene aanzienlijke Syrische
jonkvrouw, eene bloedverwante van keizer Heraclius, die op jeugdigen
leeftijd kort na hare geboorte gestorven was.
Sedert hare komst alhier waren beiden van haar gescheiden. De
vrouw van den stadhouder had in de voedster Perpetua terstond eene
buitengemeen kunstvaardige weefster gezien, en haar gebruikt om aan
het hoofd te staan van de huisslavinnen, die zich met het weefgetouw
bezighielden. De oude vrouw had zich gaarne met die taak belast,
ofschoon zij van geboorte eene vrije was; doch voor haar was er
alles aan gelegen in de nabijheid te blijven van haar dierbaar
pleegkind. Ook de stalmeester Hiram was met zijn zoon onder de
lieden van den Mukaukas opgenomen, allereerst om te zorgen voor de
vijf schoone paarden uit den stal haars vaders, die de vluchtenden
naar Egypte hadden medegebracht, vervolgens ook--want men had zijne
bekwaamheden spoedig ontdekt--om als veearts en bij het aankoopen
van paarden met zijn raad te kunnen dienen.
Paula moest met beiden spreken en zij wist nauwkeurig waar zij
te vinden waren, maar zij kon hen niet bereiken zonder zich aan
onaangenaamheden bloot te stellen, want de vrije bedienden van den
Mukaukas, haar vriend, en nu na het sluiten van de poort ook de
soldaten van de wacht, zaten nog altijd in verschillende groepen bij
elkaar te praten, en zij gingen zeker vooreerst nog niet uit elkander,
want eenige slaven brachten daar juist aan de manschappen van de wacht
hun avondmaal. In den hof hield het komen en gaan nog niet op, want
ieder wien dit vrij stond genoot van de nachtelijke koelte. Alleen
de slaven behoorden hiertoe niet, daar zij terstond na het sluiten
van de poort voor het dienstpersoneel in hunne woningen gedreven
waren. Doch ook uit hun kwartier lieten zich nog stemmen vernemen.
Met een kloppend hart zocht Paula alles, wat hare scherpe oogen en
ooren bereiken kon, op te vangen. De hooger stijgende maan verlichtte
de eene helft van den hof, de andere lag, zoover de schaduw van het
stadhouderlijk paleis reikte, in het donker. In het midden van den
eersten halven kring, waarin de vrije dienaars zich bijeen geplaatst
hadden, brandde een vuur, dat flikkerlichten wierp op hunne bruine
aangezichten, en wanneer het opnieuw met pijnappels gevoed werd hoog
opvlamde, en ook de donkere ruimte van de groote plaats voor haar
verlichtte. Dit vermeerderde de bezorgdheid van de luisterende,
die den hof moest oversteken en toch niet opgemerkt mocht worden;
want hoe natuurlijk en onschuldig alles ook was wat zij voorhad,
zoo wist zij toch dat de vrouw van haar oom aan haren nachtelijken
gang eene smadelijke uitlegging zou geven.
In den beginne had Neforis haar gemaal opgewekt, Paula bij hare
nasporingen naar haren vader, van wiens dood niemand eenige zekerheid
kon geven, behulpzaam te zijn, doch de aanmoediging van de vrouw des
stadhouders was overbodig geweest, want hij had uit eigen beweging een
jaar lang alles gedaan, om bij christenen en muzelmannen omtrent het
leven of den dood van den verlorene berichten in te winnen. Sedert
de laatste maanden was echter iedere verdere bemoeiing in deze
zaak eerst door vrouw Neforis voor dwaas verklaard, en weldra had
haar onzelfstandige gemaal deze zienswijze gedeeld en den verdwenen
bloedverwant opgegeven. Van de goederen haars vaders had de Mukaukas
niet zonder persoonlijke opofferingen veel voor haar gered, de
grondbezittingen ten haren bate verkocht, uitstaande gelden zoo
mogelijk ingevorderd, en haar afrekening willen geven van alles wat
hij teruggekregen had. Maar zij achtte haar eigendom in zijne hand
wel bewaard, en zij stelde zich tevreden met de mededeeling, dat zij,
hoewel niet rijk in den zin van den Egyptischen Kroisos, toch een vrij
aanzienlijk vermogen bezat. Toen zij een en andermaal een deel ervan
vroeg, om de nasporingen voort te zetten, liet de Mukaukas haar het
verlangde terstond uitbetalen, doch voor de derdemaal weigerde hij
echter zeer bepaald aan haar wensch gehoor te geven, en wel met de
beste bedoeling. Hij verklaarde bij die gelegenheid haar kurios [4]
en natuurlijke voogd te zijn, en achtte zich verplicht haar te beletten
ter wille van een hersenschim--want anders was dat vruchteloos zoeken
toch sedert lang niet meer--een geheel vermogen te verkwisten dat
haar later welkom, ja wellicht van groot nut kon zijn. Wat hij tot
hiertoe uitgaf, had hij uit zijne eigene kas betaald. Zij erkende dit
als eene edele daad, maar zij drong toch telkens weder bij hem aan om
haar zin te doen, hoewel sedert lang te vergeefs; want onverbiddelijk
legde hij de hand op dat hem toevertrouwde goed, en schonk haar geen
enkele solidus meer om dat eenigst en dierbaarst doel van haar leven
te bereiken.
Schijnbaar onderwierp zij zich, maar haar voornemen om er alles aan
te wagen, ten einde het spoor van den verdwenen vader te ontdekken
werd in haar vastberaden gemoed niet tot wankelen gebracht. Voor de
opbrengst van een parelsnoer, dat zij nog bezat, had haar trouwe
Hiram een verre reis ondernomen, en daarna een aantal boden naar
verschillende landstreken gezonden. Nu kon althans éen hunner zeer goed
met nieuwe berichten teruggekeerd zijn, en zij moest den vrijgelatene
spreken. Maar hoe hem ongezien te bereiken? Een poos lang tuurde en
luisterde zij, om een gunstig oogenblik tot het oversteken van den
hof waar te nemen.
Daar viel een lichtstraal op een gelaat, het was dat van Hiram. Thans
barstte de vroolijke troep in luid gelach uit; zij nam haastig een
besluit, trok den hoofddoek vaster om haar hoofd, doorliep in allerijl
het in de schaduw liggende deel van den hof, en snelde in gebukte
houding door den maneschijn naar het slavenkwartier. Aan den ingang
ervan bleef zij ademloos en met een kloppend hart staan. Had men
haar opgemerkt? Neen! Geen roepstem weerklonk, geen schrede naderde,
de honden kenden haar allen; de wachters, die anders hier stonden,
hadden hunne posten verlaten en zaten met hunne gezellen bij het vuur.
Het lange huis aan hare linkerzij was de weverij en op de
bovenverdieping woonde Perpetua, hare voedster.
Voor alles diende zij ook hier omzichtig te handelen, want de gemalin
van den stadhouder kwam vaak op deze plaats, om bevelen te geven aan
de arbeidsters, om op den arbeid toe te zien en te beoordeelen wat er
gewerkt werd op de honderd weefgetouwen, die van 's morgens vroeg tot
's avonds laat in beweging waren. Als men haar hier opmerkte, konden
de weefsters haar nachtelijk bezoek licht verraden.
Zij waren nog niet ter ruste gegaan, want uit de groote, aan alle
zijden opene, alleen met een dak gedekte schuur, waar de kuipen
der ververs stonden klonk haar een luid gelach te gemoet. Ook dit
gedeelte van de dienstdoenden genoot na de gloeiend heeten dag van
de nachtelijke koelte. De meisjes hadden bovendien een vuur aangelegd.
Paula moest hen in de maneschijn voorbijgaan, doch het rechte oogenblik
daartoe was nog niet gekomen, en zij bleef zoo dicht mogelijk bij
het strooien afdak, dat de groote aarden waterkruiken bedekte, die
hier geplaatst waren ten behoeve van de slavinnen. Dat afdak wierp
eene donkere driehoekige slagschaduw op den zandigen, helder door
het maanlicht verlichten grond, en deze maakte haar onzichtbaar voor
de oogen der weefsters, hoewel zij alles zag en hoorde wat er in de
schuur gebeurde.
Een moeilijke, pijnlijke dag, die met een schrillen wanklank geëindigd
was, lag achter haar, en daarachter weder eene reeks van zalige uren,
die nieuw geluk schenen te voorspellen. Ze waren gevolgd op een
langen tijd van deemoediging, de nasleep van het smartelijk ongeluk,
dat haar had getroffen. Hoe zonnig en vroolijk was hare kindsheid
geweest, hoe kostelijk hare vroegste jeugd! Zij had jaren gekend,
waarin elke morgen haar tot nieuwe vreugde had gewekt, waarin zij
elken avond ter ruste ging met dankgebeden, die zoo natuurlijk en vrij
uit hare ziel opwelden als de geur uit de rozen stijgt. Vaak had zij
toen ongeloovig en verdrietig het schoone hoofdje geschud, wanneer de
aarde een jammerdal en het levenslot van den mensch beklagenswaardig
werden genoemd. Thans, ja thans wist zij het beter, en in vele eenzame
uren, in elken slapeloozen nacht vroeg zij zichzelve af, of het een
goed en liefderijk God kon zijn, die een kind deed geboren worden
en opwassen, en daarna vervulde met de schoonste verwachtingen, om
het vervolgens alles wat het lief had gekregen en wat het begeerlijk
achtte, ja zelfs de hoop te ontnemen. Maar de ongelukkige, die eene
godsdienstige opvoeding had gehad, geloofde nog altijd, en nog onlangs
scheen het wel als wilde de hemel haar geven, waarnaar haar warm
gemoed het meest verlangde, de liefde namelijk van een ander, dien
zij liefhebben kon en die hare liefde ten volle waardig was. En nu,
hoe was zij teleurgesteld! Daar stond zij in het troosteloos gevoel
van hare verlatenheid, en was haar toestand beklagenswaardig geweest
vóor de terugkomst van Orion, hij was het thans nog meer. Want van
eene vergetene was zij eene bedrogene geworden, zij, de dochter van
Thomas, de bloedverwante, de gast van de rijkste familie in het land;
en naast haar klonk in de ruw getimmerde smerige verversschuur, uit
de borst van armzalige slavinnen, die door de zweep van den opzichter
werden geregeerd, een zoo luid, levenslustig en jolig gelach, dat zij
er naar luisteren moest en het oog richten op deze jeugdige wezens,
die zulk een overvloed van blijmoedigheid schenen te bezitten dat er
de mond van overliep.
Onder de met palmtakken gedekte wijde ruimte van de ververij waren
vele meisjes bijeen, aardige en leelijke, bruine en blanke, kleine
en groote, recht opgegroeide en anderen wier ruggen reeds gekromd
waren door den zwaren arbeid in de weefstoelen sedert hunne prille
jeugd. Allen waren nog jong, geen hunner telde meer dan achttien
jaren. De slaven waren een kapitaal, waarvan de arbeid die zij leverden
en de kinderen die zij kregen de renten vertegenwoordigden. Elk
onvrij meisje werd spoedig, nadat zij volwassen was, uitgehuwelijkt
aan een slaaf. In de weverij werkten vrouwen en meisjes, doch de
eersten sliepen in een eigen kwartier bij hunne mannen en kinderen;
de nog ongehuwde arbeidsters daarentegen overnachtten in slaapzalen,
die aan de werkplaatsen grensden. Thans was het hun rusttijd en hadden
zij zich in twee groepen verdeeld. De eene had zich geschaard rondom
een Egyptisch meisje, dat allerlei krabbels op eene tafel maakte, de
andere vermaakte zich met een eenvoudig spel, daarin bestaande, dat
ieder meisje op hare beurt den schoen over het hoofd wierp. Vloog deze
nu over zekere krijtstreep, waarnaar zij met den rug gekeerd stond,
dan beteekende dit, dat haar liefje weldra haar man zou worden; bleef
de schoen tusschen haar en de op den grond getrokken lijn liggen,
zonder deze te bereiken, dan moest zij nog wat geduld oefenen, of
werd zij verbonden met een lotgenoot, dien zij niet lijden mocht.
Het meisje dat, wel door een twintig anderen omringd, op de tafel
krabbelde, moest de voorbeelden voor de weefsels afteekenen, en
bezat de gave, die zij van hare heidensche voorvaderen geërfd had,
om elk gelaat van ter zijde gezien met enkele strepen zoo weer te
geven, dat het, ofschoon de trekken wat komisch verwrongen waren,
gemakkelijk te herkennen was. Zij verrichtte dit kunstwerk met behulp
van een wastafeltje en een koperen stift, en gaf dan aan anderen te
raden wie zij bedoeld had.
In den uitersten hoek van de schuur zat een meisje geheel alleen
neergehurkt, dat zwijgend voor zich keek.
Paula overzag dat alles en begreep tevens wat er gebeurde, ofschoon
er geen samenhangende volzin gesproken werd en er niets te hooren was
dan een luid, hartelijk en onweerstaanbaar gelach. Wierp een meisje
den schoen ver genoeg, dan lachte de jonge bende uit volle borst,
en ieder riep vroolijk den naam van hem, dien zij aan hare gezellin
tot man wilden geven. Viel de schoen vóor de streep, dan ging het
nog luidruchtiger toe en riep men den naam uit van den oudsten en
onoogelijksten der slaven. Aan eene bruine Syrische was het niet gelukt
de grenslijn te bereiken, maar zij greep ondeugend het stuk krijt
en trok eene nieuwe lijn tusschen haar en den schoen, zoodat deze nu
toch achter eene streep kwam te liggen. Hierop steeg de vroolijkheid
ten top, want velen wierpen zich op de valsche streep om haar uit te
wisschen. Een overmoedig Nubisch kroeskopje smeet de schoen in de
lucht en ving haar weer op, terwijl anderen over deze aardige grap
bijna niet tot bedaren konden komen, en den naam luide uitriepen van
hem, om wiens wil hare gezellin met de fortuin een loopje had genomen.
Het was of een vroolijk kaboutermannetje in de tochtige schuur
zijn kwartier had opgeslagen, want rondom de teekenares ging het
niet minder lustig toe dan bij het andere groepje. Werd een portret
herkend, dan hadden allen plezier; zoo niet, dan riepen de deernen
de namen van allerlei personen, die het voorstellen kon. Met welke
uitgelatene bijvalsbetuigingen werd de goedgelukte karikatuur van den
slavenopzichter beloond! Elk die het zag hield zich den buik vast
van lachen, en hoe dol en uitgelaten werden ze toen een meisje der
teekenares het tafeltje uit de handen rukte, en anderen haar op het
lijf vielen, om het veroverde weder machtig te worden.
Paula had dit tooneel aanvankelijk met bevreemding en hoofdschuddend
aangezien. Hoe kon men zich met zulke nietige en onzinnige dingen
vermaken! Wel-is-waar, toen zij nog klein was, had zij ook om
nietswaardige dingen kunnen lachen, en waren deze volwassene meisjes
in onwetendheid en bekrompenheid van geest niet allen nog kinderen? De
muren van het stadhouderlijk verblijf omsloten hare gansche wereld,
haar blik reikte niet verder dan het tegenwoordig oogenblik, evenals
bij de kleinen en zoo konden zij ook lachen als dezen. "Het lot,"
dacht Paula, "stelt haar nu schadeloos voor het ongeluk harer geboorte
en voor ontelbare zure dagen, en straks gaan zij moede en vroolijk
gestemd naar bed. Ik kan die arme schepseltjes benijden! Als ik het
doen kon, begaf ik mij onder hen en gevoelde mij nog eens een kind!"
Zie daar was het geestig portret van den opzichter klaar, en een
klein dikkertje barstte boven alle anderen in zulk een uitbundig en
aanhoudend lachen uit, dat zoo natuurlijk uit de diepste diepte van
haar borst opwelde, dat Paula, die waarlijk niet hierheen was gegaan
om vroolijk te zijn, er door werd aangestoken, en of zij wilde of niet
meelachen moest. Kommer en ellende waren opeens vergeten, zij overwoog
en peinsde niet meer, en gedurende eenige oogenblikken gevoelde zij
niets dan dat zij lachte, hartelijk en onophoudelijk lachte, als een
jong en gezond menschenkind. Dit was zij inderdaad, en hoe goed deed
het haar een wijle zichzelve te vergeten! Zij zeide het wel niet,
maar zij voelde het en lachte nog steeds door toen de slavin, die
alleen in een hoek had gezeten, zich bij de anderen voegde om het
luidruchtig troepje wat toe te roepen, dat door Paula niet verstaan
werd, maar dat aan de dartelheid der anderen nieuw voedsel gaf.
Het stille meisje met die slanke gestalte stond nu bij het
vuur. Paula had haar nog niet kunnen zien, thans bleek dat zij
verreweg de schoonste van allen was. Maar zij zag er niet vroolijk
uit en denkelijk had zij pijn, want zij droeg, als had zij kiespijn
een doek om het hoofd, die op den schedel over het zware blonde
haar was vastgeknoopt. Het gezicht van dat meisje bracht Paula tot
bezinning, en zoodra zij weder begon te denken, was het uit met de
vroolijkheid. Doch de slavinnen bleven in dezelfde stemming, hoewel
haar gelach niet meer zoo onschuldig en rein klonk als zooeven. Zij
hadden een voorwerp voor hare scherts gevonden, dat zij liever met
rust moesten laten.
Het meisje met het verbonden hoofd was ook eene slavin des huizes, maar
eerst sedert kort en nadat het eenigen tijd bij twee oude slavenweduwen
handenarbeid had verricht, was zij bij de weefsters toegelaten. Eene
legerbende van Heraklius had haar aan de borst harer moeder na de
overwinning van Chosroes II uit Perzië naar Alexandrië gebracht, waar
beiden voor den Mukaukas gekocht werden. De Perzische vrouw stierf,
toen de kleine, die niet in slavernij geboren was, den leeftijd van
dertien jaren bereikt had. Het kind wies op tot een lieftallig meisje
met een lelieblanke huid en dik goudgeel haar, dat thans bij het licht
van het vuur heerlijk glansde. De jonge Orion had haar vóór hij op
reis ging opgemerkt, en bekoord door de schoonheid der jonge Perzische,
wenschte hij haar te bezitten. Gewetenlooze dienaars en beambten hadden
hem om strijd de behulpzame hand geboden, door haar naar een landhuis
van den Mukaukas aan gene zijde van den Nijl over te brengen; dáár had
hij haar ongestoord kunnen bezoeken, zoo vaak zijn hart begeerde. De
nauwelijks zestienjarige onervarene slavin, die niemand had om haar te
waarschuwen en te beschermen, had zich tegen den schoonen zoon haars
meesters niet durven of kunnen verzetten. Toen Orion luchthartig,
en nadat hij genoeg had van een meisje, hetwelk hem niet anders kon
aanbieden dan hare schoonheid, naar Konstantinopel was vertrokken,
vernam vrouw Neforis wat zij voor haren zoon was geweest, en beval
zij den overste van de slavenopzichters, dat hij de ongelukkige zou
beletten, om verder voor verleidster te spelen. De man had aan deze
opdracht voldaan, door aan de Perzische, volgens een oud gebruik,
de beide ooren te doen afsnijden. Na deze gruwzame straf verviel de
schoone verminkte tot zwaarmoedigheid en waanzin, en niettegenstaande
de kerkelijke exorcisten en andere duivelbanners vergeefsche moeite
deden om de demonen van den waanzin te verdrijven, bleef zij, wat zij
altijd geweest was, een gedienstig en vriendelijk schepsel, dat zich
onder hare vroegere opzichtsters en ook in de algemeene werkplaats
gedurende de uren van den arbeid stil en vlijtig betoonde. Alleen
wanneer zij niets te doen had kwam haar waanzin voor den dag, en deze
gaf de andere weefsters aanleiding om zich met haar te vermaken.
Zij hadden thans Mandane naar het vuur getrokken en haar onder allerlei
dwaze betuigingen van eerbied uitgenoodigd, zich op haar troon, eene
ledige verfton, neer te zetten; zij toch verkeerde in den zonderlingen
waan, dat zij de vrouw was van den Mukaukas Georg. Lachend kwam elk
haar huldigen, verzocht haar om eene gunst, of vroeg haar naar de
gezondheid van haar gemaal en den staat harer bezittingen. Zeker
gevoel van betamelijkheid had deze arme onwetende schepsels lang
teruggehouden den naam van Orion voor haar uit te spreken, doch
heden liep eene negerin, een schraal boosaardig ding, naar haar toe
en vraagde met allerlei leelijke grimassen: "O gebiedster, hoe maakt
het uw zoontje Orion?"
Het gelaat der waanzinnige vertrok niet bij deze vraag, maar zij
antwoordde ernstig: "Ik heb hem in Konstantinopel aan de dochter des
keizers uitgehuwelijkt."
"Wel kijk eens," riep de zwarte, "welk een voornaam huwelijk! Weet ge
ook dat de jonge heer weer hier is? Hij zal zeker zijne hooge gemalin
aan u voorstellen, en dan zullen we purperen gewaden en kronen zien."
Deze woorden deden de geesteskranke het bloed naar het hoofd
stijgen. Angstig drukte zij de handen tegen het verband om de
afgesneden ooren en vroeg: "Waarlijk? Is hij terug?"
"Nog niet zoo lang," zeide eene andere goedige slavin, als om haar
te troosten.
"Geloof haar niet," hernam de zwarte. "En als gij het nieuwste nieuwtje
wilt weten: gisteren avond is hij met de groote Damasceensche op den
Nijl gaan spelevaren. Mijn broeder, de bootsman, was bij de roeiers,
en hij was heel lief voor de jonkvrouw, dat verzeker ik u, heel lief.."
"Mijn gemaal, de groote Mukaukas?" vroeg Mandane, terwijl zij hare
gedachte verzamelde.
"Neen, uw zoontje Orion, die met des keizers dochter gehuwd is,"
zeide de zwarte lachend.
De waanzinnige stond op, keek met dwalende blikken rond en vroeg nog
eens aarzelend, als had zij de laatste woorden niet goed verstaan:
"Orion? De schoone Orion?"
"Uw lieve zoontje, Orion!" riep de andere nog eens, en zoo luide,
alsof zij met eene doove te doen had.
Daarop bracht de anders zoo zachtaardige slavin de eene hand aan
het verminkte oor, en sloeg met de andere haar kwelgeest zoo heftig
tegen de breede negerlippen, dat het klapte. Vervolgens begon zij te
schreeuwen en riep met eene gillende stem: "Mijn zoon, hebt ge gezegd,
mijn zoon Orion! Alsof ge het niet wist! Hij is mijn liefje geweest;
ja hij heeft mij gezegd dat hij het was, en daarom zijn zij gekomen en
hebben mij gebonden en mij de ooren--Maar ik, ik mag hem niet lijden;
ik zou, ik zou..." Daarbij balde zij de vuisten, knarste met hare
witte tanden en ging hijgend voort: "Waar is hij? Wilt ge het mij niet
zeggen? Wacht maar, wacht! O, ik ben zoo dom niet; ik weet het al,
ge hebt hem hier!--Waar is hij dan?--Orion, Orion, waar zijt gij?"
Bij deze woorden vloog zij op, rende door de schuur, schoot van ieder
verfvat het deksel weg, en boog onder luid gelach der overigen diep
over den rand, als zocht zij hem daar.
De meeste meisjes grinnikten van plezier over deze dwaze vertooning,
maar anderen stond dit blijkbaar niet aan. De smartelijke kreet van de
ongelukkige had haar pijn gedaan en zij trokken zich weder in groepen
terug. Reeds had een hunner een nieuw spel voorgesteld, toen eene
kleine, net gekleede vrouw de schuur binnentrad en riep, terwijl zij
in de vleezige handen klapte: "Ge hebt nu genoeg gelachen! Komaan,
bijtjes, naar bed! Morgen vroeg is de nacht voorbij en na zonsopgang
moeten de weefgetouwen weer klepperen. Komt, de eene hier, de andere
daarheen, net als de muizen, wanneer de kat ze overvalt! Gaat ge haast,
nachtvogels? Nu, gaat ge?"
De meisjes hadden gehoorzaamheid geleerd, en terwijl zij hare
opzichtster voorbij ijlden naar de slaapzaal, spitste Perpetua,
eene vrouw, die de vijftig nauwelijks voorbij was en op wier gelaat
verstand en goedheid beide te lezen stonden, de ooren en luisterde
in de stilte van den nacht. Uit de richting van de watertent had zij
een eigenaardig, langgerekt, maar niet luid "Ohuio!" vernomen, en
dat teeken was haar goed bekend; want de prefect Thomas was gewoon op
deze wijze in zijn landhuis op den Libanon de in den tuin verspreide
huisgenooten saam te roepen. Thans maakte Paula er gebruik van,
om de voedster op hare nabijheid opmerkzaam te maken.
Deze schudde echter bezorgd het hoofd. Wat bewoog haar lieve kind om
zoo laat in den avond tot haar te komen? Er moest wel iets bijzonders
zijn voorgevallen, en met tegenwoordigheid van geest, als altijd,
riep zij, om te kennen te geven dat Paula's roepstem haar niet ontgaan
was: "Haast je wat, meisjes! Zijt ge klaar? Ohuio! Komaan, Ohuio! Een,
twee, drie!"
Daarop volgde zij de laatste slavinnen naar de slaapzaal, en toen zij
zich overtuigd had, dat er geen werd gemist behalve de waanzinnige,
vroeg zij waar deze zijn kon. Allen zeiden haar zooeven nog in de
schuur gezien te hebben. Perpetua wenschte de meisjes goeden nacht
en verliet ze, den schijn aannemende alsof zij de achtergeblevene
ging zoeken.