De herberg, waarin de koopman Haschim met de karavaan zijn intrek
nam, lag op eene hooge plek aan den weg, van alle zijden omgeven
door palmen. Vóor de verwoesting van de heidensche oudheden in het
Nijldal was dit een tempel van Imhotep, den Egyptischen Aesculapius,
den vriendelijken god der geneeskunde, die ook in de doodenstad eene
afzonderlijke plaats voor zijne vereering had gehad. Deze lag half
verwoest, half in het woestijnzand begraven, toen een ondernemende
herbergier den bevalligen tempel met het daarbij behoorende heilige
bosch voor eene billijke som aankocht. Sedert was het gebouw van de
eene hand in de andere overgegaan, tegen de stevig gebouwde tempelzaal
had men een groot houten huis opgetrokken, bestemd voor het opnemen
van reizigers, en in het palmbosch, dat tot aan den slecht onderhouden
oeverdam reikte, verhieven zich stallen en zag men omheinde plaatsen,
bestemd voor kudden, die hierheen werden gedreven. Het geheel had
aldus het aanzien van een veemarkt, en werkelijk kwamen de slachters
en paardenkoopers der stad gaarne hierheen om te vinden wat zij
zochten. Daarentegen trok het palmbosch, een der weinigen dat in de
nabijheid der stad bewaard was gebleven, de burgers van Memphis aan,
om een luchtje te scheppen en zich in zijne schaduw te verkwikken. De
waard had vlak bij den stroom tafels en banken doen opstellen, en in
de kleine haven op zijn erf kon men booten huren. Iedereen die van
de stad een pleiziertochtje te water maakte, legde hier gaarne aan en
liet zich onder de palmen van Nesptah een verfrisschenden dronk geven.
De twee rijen huizen welke deze plaats van bijeenkomst zoo voor
redelijke wezens als voor het redeloos vee vroeger van de groote
straat gescheiden hadden, en zich uitstrekten in de richting van
den Nijl, waren sedert lang ingestort en de waard had alles met
den grond gelijk gemaakt. Op dit oogenblik kon men zien hoe onder
de leiding van Arabische opzieners ettelijke arbeiders bezig waren,
om eene kolossale ruïne uit den tijd der Ptolomeën, die nauwelijks
tweehonderd schreden van het palmbosch verwijderd lag, af te breken
en de groote, zorgvuldig gehouwene kalksteen- en marmerblokken,
evenals de talrijke hooge zuilen die het dak van den Zeus-tempel te
Memphis gedragen hadden, in weerwil van de brandende middaghitte,
op ossenkarren te laden, om ze naar den dam en van daar op platte
booten naar den oostelijken Nijl-oever te brengen.
Dáar bouwde Amr, de veldheer en plaatsvervanger van den Kalief
zijne nieuwe residentie. De tempels der oude goden werden daartoe
als steengroeven gebruikt, en men vond daarin niet alleen keurig
afgewerkte ornamenten van den hardsten steen, maar ook Grieksche
zuilen van verschillende bouworden in menigte, die allen aan gene zijde
van den stroom weder opgericht werden. De Arabieren versmaadden geen
enkel bouwmateriaal; zij gebruikten bij het optrekken hunner moskeeën
alle steenblokken en zuilen, onverschillig of ze van heidensche of
christelijke tempels afkomstig waren.
In den herbergtempel van Imhotep waren de wanden en zolderingen
oorspronkelijk overal met godenbeelden en hiëroglyphische opschriften
bedekt geweest, maar de rook van het haardvuur had ze sedert lang
zwart gemaakt. Bovendien hadden de handen van geloofsijveraars ze
onophoudelijk geschonden, en over velen had men kalk gestreken, om
die plekken met christelijke symbolen en zeer wereldlijk gekrabbel in
Grieksche teekenen of in het volksschrift der Egyptenaars, te bedekken.
In de groote tempelzaal van weleer gebruikte de Arabier met de zijnen
den maaltijd. Allen onthielden zich daarbij van wijn, met uitzondering
van den aanvoerder der karavaan, die eigenlijk geen muzelman was,
maar tot de Perzische secte der Masdakieten behoorde.
Nadat de oude heer zich verzadigd had aan een afzonderlijk tafeltje,
riep hij dezen tot zich en beval hem de baal met het tapijt, vast
te binden op den draagstoel tusschen de beide groote lastkameelen,
maar zóo, dat hij gemakkelijk losgemaakt kon worden.
"Dat is reeds geschied," antwoordde de Pers, een prachtige kerel,
groot en breed als een eik, met een kop door blonde haren als met
leeuwenmanen omlijst, terwijl hij zijn zwaren snorbaard afveegde.
"Des te beter," antwoordde Haschim. "Kom met mij naar buiten!"
Dit zeggende ging hij den Masdakiet voor in het palmbosch.
De zon was inmiddels achter de pyramiden, de doodenstad en de
Libysche bergketen ter ruste gegaan, en haar schijnsel kleurde nog
slechts den oostelijken horizont en het naakte kalksteengebergte van
Babylon aan gene zijde van den stroom, met afwisselende verwen van
onbeschrijfelijke schoonheid. Het was als hadden alle soorten van
rozen, die de kunstigste hovenier in Arsinoë of Naukratis teelde,
van de goudgelen tot de purperen, en die schitteren met donkerrooden
naar het violet zweemenden glans, de kleuren geleverd, om de vlakke
zijden, de uitstekende punten en kloven van het gebergte, sneller
als zich laat denken, met tooverachtige tinten te overgieten.
Den ouden heer zwol de borst bij dit gezicht en terwijl hij diep
adem haalde, legde hij zijne zachte hand op den reuzenarm van den
Pers en zeide: "Uw meester Masdak leert: het is Gods wil dat de eene
mensch niet meer of minder zijn eigendom mag noemen dan de andere, en
dat er geen rijken noch armen mogen zijn, want dat alle bezittingen
gemeengoed zijn. Zie nu eens met mij naar dezen kant. Wie dit nog
nimmer aanschouwde heeft nog niets gezien. Er is hier beneden niets dat
dit schouwspel in schoonheid overtreft. En wien behoort het? Dien armen
eenvoudigen Salech daar, dien wij uit genade halfnaakt de kameelen
laten nadraven, beschouwt dit evengoed als zijn eigendom als gij en ik
en de Kalief. God heeft ons ten opzichte van zijne groote werken allen
op éen lijn geplaatst, zooals uw meester begeert. Hoeveel schoons is
er toch, dat ons geslacht gemeenschappelijk bezit! Laten wij daarom
dankbaar zijn, Rustem, want waarlijk, het is niet weinig.--Met het
eigendom, dat de mensch zich verwerven of dat hij verliezen kan, is
het echter geheel anders gelegen. Wij staan allen in dezelfde loopbaan,
en wat gij begeert zou vereischen, dat men hun die hard loopen kunnen
lood aan de voeten bond, opdat de een den ander niet vooruit zou
snellen; dat zou zooveel zijn als.... Maar geven we thans onze oogen
den kost en laten wij ons liever wijden aan het prachtige schouwspel
daarginds! Kijk eens, wat er zooeven uitzag als deze purperkleurige
bloemkelk, dat worden nu robijnen; wat schitterde als een viooltje is
donker amethyst geworden. Alles wordt heerlijk omlijst door dien gulden
rand van lichte wolken. En dat alles is het mijne, is het uwe, is
het onze, zoolang oog en hart zich daaraan te goed doen en verkwikken."
De Masdakiet barstte uit in een gullen, welluidenden lach en zeide:
"Ja meester, als ieder maar uwe oogen had! Waarlijk het ziet er daar
kleurig genoeg uit aan den hemel en tegen de bergen, en zulke roode
tinten neemt men bij ons zelden waar; maar wat hebben wij aan dat
betooverend gezicht? Gij ziet robijnen en amethysten daarginds, maar
ik?--De juweelen in uw tapijt zijn wat meer waard dan al dat gefonkel
aan den horizont! Gij moogt er over denken zoo ge wilt, maar voor dien
baal dáar gaf ik alle zonsondergangen op aarde present, en waarlijk
het zou mij niet berouwen!"--Wederom begon hij hartelijk te lachen,
waarna hij vervolgde: "Maar vadertje, gij zult er wel voor passen om
den koop te sluiten!--Wat ons Masdakieten aangaat, de goede tijd is
nog niet voor ons gekomen."
"En als die nu eens aangebroken was en gij bezitter werdt van dat
tapijt?"
"Dan verkocht ik het; ik voegde de opbrengst bij mijne spaarpenningen,
ik ging naar huis om daar land te koopen, ik nam een aardig wijfje
en begon kameelen en paarden te fokken."
"Jawel, en dan zouden overmorgen de armen komen, die niets bespaarden
en slechte zaken maakten met dat avondrood; ieder zou een stuk van
uw land, een kameel en een veulen verlangen; gij zoudt nooit meer een
heerlijken zonsondergang te zien krijgen, en uwe lieve vrouw moest met
u door de wereld trekken, om u te helpen met anderen te deelen. Beste
Rustem, laat de dingen blijven zooals ze zijn. De Allerhoogste moge
uw braaf hart bewaren, dwaze dweeper, die ge zijt!"
Terwijl de reus zich over den arm van zijn meester boog om hem dankbaar
te kussen, keerde de gids met een lang gezicht terug, want hij had te
veel beloofd. De Mukaukas Georg was,--een ongehoord geval--juist toen
hij voor den Arabier gehoor wilde vragen, in een gondel gedragen,
om met zijn zoon en de vrouwen van zijn huis een watertochtje te
maken. De terugkeer van Orion, zeide de huismeester, had den ouden
heer geheel verjongd. Haschim moest dus tot morgen wachten, en hij,
de gids zou hem raden in de stad te overnachten in de herberg van
Moschion, waar het hen aan niets zou ontbreken.
Doch de koopman verkoos hier te blijven. Het oponthoud hinderde
hem niet, daar hij toch een Egyptischen arts wilde raadplegen over
eene oude kwaal. Een beter en geleerder als de beroemde Philippus,
zoo verzekerde de hermeneut, was er in het geheele land niet te
vinden. Het was hier buiten zoo schoon, en op de banken aan den oever
kon men de komeet waarnemen, die sedert eenige dagen zich aan den
hemel vertoonde en zeker slechte tijden profeteerde. De geheele stad
was als stom van verslagenheid, dat bemerkte men zeer goed hier in de
herberg van Nesptah, want anders, als de avondkoelte kwam, zat het er
op de banken en rondom de tafeltjes vol van bezoekers, die in bootjes
kwamen; maar wie durfde in deze dagen van angst aan uitspanning denken?
De gids sprong weer op zijn ezel om den arts te halen, terwijl de oude
Haschim zich aan den arm van den Masdakiet naar de banken onder de
palmen begaf. Daar zat hij peinzend naar den sterrenhemel te staren,
terwijl zijn jongere metgezel droomde van zijn vaderland, waar hij
zonder het kostbare tapijt, en alleen van zijne spaarpenningen een stuk
weiland kocht en een huisje bouwde waarin hij zijn aardig vrouwtje zag
op en neer dribbelen. Zou ze er blond uitzien, of donkerbruin? Het
liefst had hij eene blonde.--Maar opeens ging zijn luchtkasteel in
rook op, want er naderde iets op den Nijl dat zijne aandacht trok,
en hem noopte er ook zijn meester opmerkzaam op te maken.
Voor hen lag de stroom als een breede band van donker zilverbrocaat. De
wassende maan spiegelde zich in zijne nauw merkbaar bewogen
oppervlakte, en waar zijne wateren zich rimpelden, daar omzoomde hij de
toppen der kleine golven met een helderen glans. Uit de richting van de
doodenstad schoten vledermuizen door de nachtlucht en streken over den
Nijl heen als lichte, door den wind bewogen schaduwen. Slechts enkele
driehoekige zeilen zweefden als blanke reusachtige vogels over het
donkere water, doch uit het noorden, van de zijde der stad, naderde
op den stroom een groot gevaarte het palmbosch, met twee glanzende,
van verre flikkerende lichten.
"Een statige boot, waarschijnlijk die van den Mukaukas Georg," zeide
de koopman, terwijl hij het vaartuig langzaam uit het midden der
rivier naar het boschje zag drijven. Onderwijl deed zich ook op den
landweg achter de herberg paardengetrappel hooren. Haschim keek om,
en zag fakkeldragers, die vóor een wagen liepen.
"De kranke," vervolgde de oude, "zal zeker tot hier varen en dan
met een wagen naar huis rijden, om de nachtlucht op het water te
vermijden. Zonderling, daar ontmoet ik nu heden voor de tweede maal
zijn zoon, waarvan ieder den mond vol heeft."
Spoedig naderde de staatsiegondel van den stadhouder het palmbosch. Het
was een groot, schoon vaartuig van cederhout, rijk met goud versierd
en met het beeld van Johannes, den beschermheilige der familie, op
de plecht. Aan den stralenkrans, die het hoofd van dit beeld omgaf,
hingen lampen, en groote lantaarnen verhieven zich daarnaast en aan
de achterzijde van de boot. Daar zat onder een baldakijn de Mukaukas
Georg en naast hem zijne gemalin Neforis. Tegenover hen zat hun zoon en
eene volwassene jonkvrouw, aan wier voeten een kind van tien jaar lag
neergehurkt, dat het vriendelijke kopje tegen haar liet rusten. Eene
meer bejaarde Griekin, de opvoedster van de kleine, was naast een
zeer groot man, den arts Philippus, gezeten op eene rustbank, die
niet meer door het baldakijn overhuifd werd. De heldere tonen van de
luit begeleidden de boot, en hij die met kunstvaardige hand de snaren
tokkelde was de onlangs teruggekeerde Orion.
Het geheel bood een vriendelijken aanblik; gaf het schoonste beeld te
aanschouwen van eene aanzienlijke familie, wier leden door den band
der liefde waren verbonden. Doch wie was die statige jonkvrouw aan
de zijde van den jongen Orion? Blijkbaar wijdde hij aan haar al zijne
aandacht, en telkens wanneer zijne hand krachtig in de snaren greep,
zocht hij hare oogen; bijwijlen scheen het als speelde hij voor haar
alleen. Zulk eene onderscheiding scheen zij wel te verdienen, want
toen het vaartuig de kleine haven invoer en Haschim hare trekken kon
onderscheiden, stond hij verbaasd over hare edele, zuiver Grieksche
schoonheid.
Thans stegen eenige rijkgekleede slaven, die met den wagen langs den
weg moesten gekomen zijn, in de boot, om den ziekelijken heer naar
het rijtuig te brengen, waarbij bleek dat de zetel waarin de lijdende
zat, van handvatsels voorzien was, die hen in staat stelden dezen op
te heffen en te dragen. Een groote, zwarte kerel greep den stoel aan
de achterzijde, en toen een ander zich gereedmaakte dezen van voren
aan te grijpen, drong Orion hem opzij, trad in zijne plaats, hief den
zetel met zijn vader op, en droeg dien over de landingsbrug, die het
vaartuig met den oever verbond, voorbij Haschim naar den wagen. De
jonge man verrichtte het werk van een drager met welgevallen, zonder
dat het hem inspanning kostte. Telkens keek hij vriendelijk naar zijn
vader om, en riep de andere vrouwen toe--alleen zijne moeder, die
den lijder zorgvuldig in doeken had gewikkeld, en de arts volgden den
kranke--dat zij uit zouden stappen en hem hier wachten; waarop hij bij
het licht der fakkels, die voor hem uitgedragen werden, verder ging.
"Arme man!" dacht de koopman, terwijl hij den zieken Mukaukas
nakeek. "Maar het treurigste en zwaarste lot verwaait als een
morgennevel voor den wind, wanneer men een zoon heeft, die iemand
zoo vriendelijk wegdraagt."
Het werd hem nu verklaarbaar, waarom Orion hedenmiddag de bloemen
had weggeworpen! ja, toen die jonkvrouw aan wal kwam, terwijl
het meisje haar zoo teeder aan den arm hing, moest hij bekennen,
dat de kleine dochter van de rijke weduwe Susanna bezwaarlijk den
toets der vergelijking kon doorstaan met deze hooge, koninklijke
verschijning. Welk eene gestalte had dit meisje, welk eene vorstelijke
houding, en wat klonk haar stem welluidend en lieflijk, toen zij het
kind de namen noemde van eenige sterrenbeelden, en op de komeet wees,
die juist opging. Haschim zat in 't donker, en kon ongezien waarnemen
wat er op de bank aan den oever, die door een der lantaarnen van het
schip beschenen werd, verder voorviel, en hij schepte behagen in deze
onverwachte afleiding, want alles wat den zoon van den Mukaukas betrof
wekte zijne deelneming en nieuwsgierigheid. Hij voelde zich getrokken
tot dien buitengewonen jongen man, over wien hij zich een oordeel
wilde vormen, en de aanblik van het mooie meisje daar op de bank
deed zijn oud hart goed. Dat kind was zeker Maria, de kleindochter
van den stadhouder.
De wagen zette zich thans weer in beweging, hij rolde over den weg
voort en een oogenblik later keerde Orion tot de wachtenden terug.
Arm, rijk dochtertje van de weduwe Susanna! Hoe geheel anders verkeerde
hij met deze schoone jonkvrouw dan met die kleine! zijne oogen hingen
als betooverd aan hare trekken; terwijl hij met haar sprak hield hij
nu en dan midden in zijn verhaal op; en wat hij zeide moest nu eens
ernstig en boeiend en dan weer geestig zijn; want niet alleen zij,
maar ook de opvoedster van de kleine luisterde met inspanning, en als
de jonkvrouw hartelijk lachte, klonk het welluidend en helder. Er
lag in haar wezen iets zoo voornaams, dat dergelijke uitingen van
gulle vroolijkheid verrasten en den indruk maakten als de geur van
een prachtige bloem, waarvan men tot dusver geloofde, dat zij alleen
geschapen was om het oog te behagen en niet ook de andere zintuigen
te streelen. En zij, tot wie alles gericht werd wat Orion zeide,
luisterde niet alleen aandachtig naar hem, maar de wijze waarop zij
het deed overtuigde den koopman, dat de verhaler zelf haar nog beter
beviel dan hetgeen hij zoo levendig wist mee te deelen. Wanneer dit
meisje het eens was met den zoon van den stadhouder, ja, dan zou het
een kostelijk paar zijn.
Daar verscheen de waardin Taous, eene kloeke, lijvige Egyptische van
middelbaren leeftijd. Zij droeg zelve hare beroemde spritskoeken,
die zij juist eigenhandig gebakken had, benevens melk, druiven en
ander ooft op, en hare oogen glinsterden daarbij van vreugde en
gestreelde eerzucht; want de zoon van den grooten Mukaukas, de trots
der stad, die vroeger zoo vaak op watertochten met lustige gezellen,
meest Grieksche officieren, die helaas allen gevallen of uit het land
verdreven waren, niet enkel om de koeken aan een bezoek bij haar de
voorkeur had gegeven, deed haar nu de eer aan om zoo spoedig na zijne
terugkomst weer bij haar te komen. Haar radde tong stond niet stil,
terwijl zij vertelde, dat ook zij en haar man hem waren te gemoet
gegaan tot de eereboog bij de Menespoort, terwijl Emau met haar
jonkske hen hadden vergezeld. Emau was namelijk sedert getrouwd,
en zij had dezen eersten kleine "Orion" genoemd.
Toen de jonge man daarop vroeg of Emau nog altijd zulk een aanvallig
schepseltje was en zoo op hare moeder geleek als vroeger, stak vrouw
Taous dreigend den vinger tegen hem op, vragende, terwijl zij op de
jonkvrouw wees, of de vroolijke vogel, wien zoo menigeen bij zijn
vertrek eene weemoedige zucht had nagezonden, eindelijk in een kooitje
zou gaan, en of misschien die schoone jonkvrouw daar...
Maar Orion stuitte haar woordenvloed door te zeggen, dat hij nog zijn
eigen meester was, hoewel hij den strik reeds om zijn hals voelde. Het
schoone meisje kleurde daarop nog sterker dan bij de eerste vraag
der waardin, maar hij overwon spoedig zijne eigene verlegenheid en
verzekerde op luchtigen toon, dat het dochtertje van de brave Taous
eens het aardigste kind van Memphis was, en dat zij niet minder werd
gezocht dan de spritskoeken van hare voortreffelijke moeder. Vrouw
Taous mocht het jonge moedertje van hem groeten.
De waardin ging daarop heen, geroerd en gestreeld door deze
woorden. Orion greep het snarenspeeltuig weer op, en terwijl de
vrouwen zich verkwikten, voldeed hij aan de uitnoodiging van de
jonkvrouw en zong op haar verlangen het lied van Alkaios met eene
welluidende doch zachte stem, onder meesterlijke begeleiding van de
luit. Het meisje hing met de oogen aan zijn mond, en het scheen dat
alleen om harentwil zijne hand in de snaren greep. Toen de tijd kwam
om op te breken en de vrouwen in het vaartuig stegen, ging hij in de
herberg om het gelag te betalen. Spoedig kwam hij alleen terug, en de
koopman zag hoe hij een doekje, dat de jonkvrouw op tafel had laten
liggen, opnam en haastig aan zijne lippen bracht, terwijl hij naar de
boot ging. Met de prachtige roode bloemen was het heden morgen minder
vriendelijk afgeloopen. Aan het meisje, dat daar op het water wegvoer,
behoorde het hart van den jongen man. Zijne zuster kon zij niet zijn;
maar in welke betrekking stond zij tot hem?
De koopman zou er weldra achter komen, want de gids kwam terug
en lichtte hem in.--Zij was Paula, de dochter van Thomas, den
wijdberoemden Griekschen veldheer, die de stad Damascus zoo hardnekkig
en dapper tegen de krijgsmacht van den Islam verdedigd had. Zij was
de nicht van den Mukaukas Georg, maar niet zeer bemiddeld, eene arme
verwante des huizes, die men na het verdwijnen van haar vader--want
men had zelfs zijn lijk niet gevonden--in het stadhouderlijk verblijf
uit genade en barmhartigheid had opgenomen; dus eene Melchietische. De
hermeneut was haar reeds daarom weinig genegen, en hoewel hij tegen
hare schoonheid niets had in te brengen, zoo verzekerde hij toch
te weten, dat zij trotsch en vol inbeelding was, en de kunst niet
verstond om iemands liefde voor zich te winnen. Alleen dat kind,
die kleine Maria, was aan haar gehecht. Het was een publiek geheim,
dat zelfs de gemalin van haar oom, de brave Neforis, de trotsche
nicht niet lijden mocht en haar slechts duldde ter wille van den
kranken man. Wat kwam die Melchietische ook te Memphis doen, in een
oprecht Jacobietisch gezin? Elk woord van den gids ademde den wrevel,
die menschen van minder afkomst en zielenadel zoo licht doen blijken
jegens hen, die de bescherming genieten van hunne eigene weldoeners.
Maar de schoone aristocratische dochter van een groot man had het
oude hart van den koopman gewonnen, en het oordeel van den Memphiet
wijzigde het zijne in geenen deele. Weldra zou hij ook steun vinden
voor zijne opvatting. De arts Philippus, dien de gids had geroepen,
was een dagelijksch bezoeker van het stadhouderlijk verblijf. Zijn
ernstig voorkomen boezemde den Arabier het grootste vertrouwen in,
en deze nu noemde Paula een dier heerlijke schepsels, welke de hemel
ter goeder ure heeft geschapen. Doch die daar boven troont scheen
zijn eigen meesterwerk vergeten te hebben, want sedert jaren leidde
zij een droevig leven.
De arts kon den ouden heer het uitzicht geven op vermindering zijner
smarten. Beide mannen begrepen elkaar zoo goed, dat het reeds laat
in den nacht was, toen zij als goede vrienden scheidden.