Intusschen gleed de boot van den Mukaukas, door krachtige riemslagen
voortgedreven, rustig stroomopwaarts. Door hen die er in zaten werd
nu eens een zacht gesprek gevoerd, dan weer gezongen. De kleine Maria
was aan Paula's borst in slaap gevallen; de Grieksche opvoedster keek
het eene oogenblik naar de komeet, die haar angst aanjoeg, het andere
naar Orion, wiens schoonheid haar niet meer jeugdig gemoed verkwikte,
of naar de jonkvrouw, wie zij het voorrecht misgunde van door dezen
lieveling der goden aangebeden te worden. Het was eene heerlijke,
warme, stille nacht, en het maanlicht, dat de wateren der zee dwingt te
rijzen, doet ook den golfslag van het gevoel in de menschelijke borst
zwellen en stijgen. Wat Paula maar begeerde dat zong Orion, als ware
geen enkel lied hem vreemd van allen, die op de lier eens Griekschen
dichters weleer de thans zoo diep gezonken wereld in verrukking hadden
gebracht. Hoe langer zij voeren, des te helderder en schooner klonk
zijne stem, des te weeker en betooverender werd hare uitdrukking,
met des te vuriger verlangen wendde hij zich tot het hart van het
meisje. En zoo gaf Paula zich ten laatste aan deze zoete betoovering
gevangen, en toen hij de lier liet rusten en haar zachtkens vroeg:
of zijn vaderland in zulk eene nacht niet schoon mocht heeten? welk
lied het streelendst was voor haar? of zij begreep wat het voor hem
beteekende, dat hij haar in het ouderlijke huis had gevonden? liet
ook zij zich overhalen om hem op fluisterenden toon antwoord te geven.
Onder de dichte kronen der boomen van den stillen tuin bracht hij
hare hand aan zijne lippen en bevende liet zij het toe.--Zware,
moeielijke jaren lagen achter haar. De arts had maar al te zeer
waarheid gesproken. Op de harde slagen van het noodlot waren voor
haar, de trotsche dochter van een grooten vader, allerlei pijnigende
vernederingen gevolgd. Het leven van de wel-is-waar niet arme maar toch
verlatene aanverwante, die uit goedhartigheid in het huis van een rijke
familie was opgenomen, was reeds lang voor haar een pad vol doornen
geworden. Doch sedert eergisteren was dat alles veranderd. Orion was
gekomen! Als een heerlijk geschenk van het lot hadden het ouderlijk
huis en de stad zijne terugkomst gevierd, en ook zij had rijkelijk
haar aandeel gehad van de feestvreugde. Hij had haar begroet, niet
als de verlatene verwante, maar als de schoone jonkvrouw van edele
geboorte. Het was alsof er een zonneschijn van hem uitging, die
doordrong tot haar hart, en haar het hoofd opnieuw deed oprichten als
eene bloem, die men weder onder den vrijen hemel plaatst, nadat zij
langen tijd licht en lucht heeft moeten ontberen. Zijn frissche geest,
zijn vroolijke levensmoed verkwikten haar hart; de achting die hij
haar bewees versterkte haar onderdrukt zelfvertrouwen, en vervulde
hare ziel met warmen dank. En wat deed het haar goed zich dankbaar,
innig dankbaar te mogen gevoelen! En nu, nu was de avond van heden
gekomen, de schoonste, de heerlijkste, die zij sedert jaren genoten
had. Hij had haar weder geleerd, wat zij bijna vergeten scheen, dat
zij nog jong, zoo schoon was, dat zij het recht had nog gelukkig te
zijn, geestdrift te gevoelen en te wekken, ja misschien ook lief te
hebben en bemind te worden.
Zijn kus brandde nog op hare rechterhand, toen zij het koele vertrek
binnentrad, waar vrouw Neforis achter haar spinrokken, naast het
rustbed van haar kranken echtgenoot, die zich altijd laat naar bed
begaf, de terugkeerenden wachtte. Met een vol gemoed drukte Paula hare
lippen op de hand van haar oom, Orions vader. Mocht zij hem haar Orion
noemen? Daarop kuste zij--in hoelang was dat niet gebeurd!--ook hare
tante, zijne moeder, terwijl zij met de kleine Maria haar goeden nacht
wenschte. Neforis bleef koel, en terwijl zij hare verwondering over
deze hartelijkheid niet verheelde, sloeg zij een onderzoekenden blik
op Paula en haren zoon. Zeker vlogen haar daarbij allerlei gedachten
door het hoofd, maar zij achtte het geraden deze voorshands niet
uit te spreken. Als was er niets bijzonders gebeurd, liet zij de
meisjes heengaan, hield zij een oog op de lieden, die haar gemaal
naar het slaapvertrek droegen, gaf zij hem de witte pilletjes, die
hij gebruiken moest om te slapen, en schoof zij met onvermoeide zorg
de kussens zoolang terecht, tot hij naar zijn zin lag. Toen eerst, en
nadat zij zich overtuigd had dat een dienstknecht in het aangrenzende
vertrek waakte, verliet zij den kranke, en zocht zij haar zoon op. In
uitstel lag gevaar.
De groote, stevige, een weinig gezette vrouw was in hare jeugd een
statig, slank meisje, eene deftige verschijning, maar haar nuchter
en onbewegelijk gelaat nooit in het oog vallend schoon geweest. De
jaren hadden dat gelaat echter weinig veranderd; het was thans
een goed, vol matronengezicht geworden, zonder veel uitdrukking,
dat door de langdurige en inspannende verpleging van den kranke
zijne kleur had verloren. Hare geboorte en de plaats die zij innam
gaven haar een gevoel van zelfstandigheid, zekere zelfbewustheid,
doch er lag daarbij niets innemends, niets aantrekkelijks in haar
wezen. Zij deelde niet in het leed en de vreugde van anderen, toch kon
zij zich uit zelfopoffering moeite en bezwaren getroosten, en haar
hart was in staat om voor anderen te ontblaken in hartstochtelijken
gloed. Evenwel die anderen moesten hare naaste betrekkingen zijn
en ook dezen alleen. Er was dan ook geen trouwer en zorgvuldiger
gade, geen teederder moeder te vinden, maar wilde men de liefde
die in haar leefde bij een gesternte vergelijken, dan reikten hare
korte stralen niet buiten de sfeer van hare naaste bloedverwanten,
en dezen verheugden zich natuurlijk dankbaar over het buitengewoon
geluk van te worden opgenomen in den engen cirkel van de genegenheid
dezer onvrijgevige ziel.
Zij klopte nu aan Orions woonvertrek, en haar laat bezoek verraste hem
niet minder dan het hem genoegen deed. Zij kwam om iets gewichtigs
met hem te bespreken, en deed dit nu reeds, omdat de houding van
Paula en haar zoon haar drong haast te maken. Er was tusschen beiden
iets voorgevallen, en de nicht van haar gemaal stond verre buiten
den beperkten kring harer liefde.
Zij leidde hare toespraak in met te zeggen, dat zij zoo niet kon
gaan slapen. Zij had een wensch op het hart en zijn vader deelde
daarin. Orion kon wel begrijpen wat zij meende; reeds gisteren had zij
er met hem over gesproken. Zijn vader was hem vriendelijk te gemoet
gekomen, had zijne schulden betaald zonder een woord van berisping,
en nu stond het aan hem voor goed te breken met zijne ongebondene
levenswijze van weleer en eene eigene huishouding op te zetten. De
bruid, dat wist hij wel, was gevonden. "Susanna," zeide zij, "is
reeds bij ons geweest. Hebt gij, booswicht, zooals zij zelve zegt,
hare Katharina heden morgen niet het hoofd geheel op hol gebracht?"
"Helaas," haastte hij zich te zeggen op verdrietigen toon. "Het
aanhalen van vrouwen is eene gewoonte van mij geworden; doch het zal
hiermee van nu af uit zijn; het is beneden mij. Thans, lieve moeder,
thans gevoel ik...."
"Dat de ernst des levens begint," vulde Neforis aan, "dat is ook de
bedoeling van den wensch, die mij tot u doet komen. Gij kent dien, en
ik weet niet wat gij er tegen zoudt kunnen aanvoeren. Kort en goed,
laat mij morgen de zaak met vrouw Susanna in orde brengen. Van de
genegenheid harer dochter zijt gij zeker, zij is de rijkste erfgename
van het land, goed opgevoed, en ik herhaal het: zij heeft u haar
hartje geschonken."
"En zij mag het behouden!" zeide Orion lachend.
"Ik bid u uwe vroolijkheid te bewaren voor een anderen tijd en
voor komischer onderwerpen," hernam de moeder, verstoord over
dit antwoord. "Ik meen het zeer ernstig als ik zeg: het meisje is
lief en goed, en zal voor u, zoo God wil, eene trouwe, teedere gade
zijn. Of hebt gij misschien uw hart in Konstantinopel gelaten? Heeft
wellicht de schoone verwante van den senator Justinus... Maar dit
is dwaasheid! Gij zelf kunt toch vooruit wel begrijpen, dat wij deze
luchthartige Griekin...."
Opeens omhelsde Orion haar, en zeide op teederen toon: "Neen,
moedertje, neen! Konstantinopel ligt verre achter mij in grauwe
nevelen, aan gene zijde van het uiterste Thule; maar hier, hier vlak
bij, in het ouderlijk huis heb ik iets veel schooners en volmaakters
gevonden, als zij daar aan den Bosphorus ooit hebben gezien. Die
kleine past niet voor een zoon van ons groot, breedgeschouderd
geslacht. Ook onze toekomstige geslachten moeten zich in alle opzichten
fier verheffen boven het gemeene volk, en ik wil geen speelpopje
hebben tot gemalin, maar eene vrouw, zooals gijzelve in uwe jeugd
zijt geweest, een flinke, voorname, schoone vrouw. Mijn hart wordt
niet aangetrokken door eene elfenkoningin maar door eene waarlijk
koninklijke jonkvrouw. Wat behoef ik er nog veel woorden over te
verspillen: Paula, de kostelijke dochter van den edelen Thomas heb ik
uitverkoren. Heden avond is mij dit als door eene openbaring duidelijk
geworden. Ik bid u om uwen zegen over eene verbintenis met haar!"
Vrouw Neforis had haar zoon tot zoover door laten spreken. Wat
zij gevreesd had te zullen hooren, had hij haar rond en open te
verstaan gegeven. Hoe lang had zij zich ingespannen om zich in te
houden! Maar nu was het ook uit met hare zelfbeheersching. Bevende
van kwaadheid viel zij hem in de rede en zeide, terwijl een donkere
blos hare wangen overtoog: "Zwijg, ga niet verder! De hemel beware
ons, dat hetgeen ik daar uit uw mond moest hooren iets meer zou zijn
dan een vluchtige, dwaze inval! Hebt gij dan gansch en al vergeten
wie en wat wij zijn? Weet gij dan niet dat het de geloofsgenooten
van deze Melchietin waren, die uw twee geliefde broeders, onze twee
bloeiende zonen ombrachten? Wat zijn wij in het oog van de Grieken,
de Orthodoxen? Maar onder de Egyptenaars, die de alleen zaligmakende
leer van Eutuches aanhangen, onder de Monophusieten zijn wij de
eersten, en wij willen dat blijven en ooren en harten sluiten voor
ketters en hun bijgeloof. De kleinzoon van Menas, een broeder van twee
martelaren voor ons heerlijk geloof, verloofd met eene Melchietin! Deze
gedachte is heiligschennis, is godslastering; ik vind daarvoor geen
zachter woorden. Voor ik, voor uw vader daarin toestemt, willen
wij liever kinderloos sterven. Om der wille van deze vluchtelinge,
die niets anders bezit dan haar bedelaarstrots en het saamgeraapte
overblijfsel van een vermogen, dat nooit met het onze vergeleken kan
worden, om deze ondankbare, die zich nauwelijks verwaardigt mij hare
weldoenster, uwe moeder--bij God, ik spreek de waarheid!--ook maar een
'goeden morgen' te zeggen, waarmede ik zelfs de slaven vriendelijk
begroet, om harentwil moet ik, moeten uwe ouders den zoon verliezen,
den eenige dien de genadige hemel ons nog tot onze vreugde gelaten
heeft? Neen, neen, neen! Dat kan niet! En gij, Orion, mijn beste
jongen, gij zijt uw leven lang een drieste knaap geweest, maar gij
zult den dwazen moed niet hebben deze koude schoone te beminnen, die
gij in twee dagen maar enkele uren hebt gezien, en uwe oude moeder,
die u vier-en-twintig jaren lang teeder aan het hart heeft gedrukt,
tot der dood te bedroeven, en uw vader, wiens dagen geteld zijn,
den korten tijd dien hij nog te leven heeft, te vergiftigen. Neen,
mijn lieve jongen, daartoe hebt gij den moed niet, kunt gij den
moed niet hebben. En mocht gij in eene noodlottige ure het wagen,
mocht gij het durven doen, dan--ik ben gedurende uw gansche leven
uwe teeder liefhebbende moeder geweest--dan, zoo waar God mij en uw
vader zal bijstaan in onze laatste ure, dan ruk ik de liefde voor
u uit mijn hart als eene schadelijke giftplant, dan zou ik, ook al
moest mijn hart er bij breken..."
Maar Orion liet haar niet verder gaan. Hij trok de zenuwachtig
opgewondene vrouw, die zich reeds lang uit zijne armen had losgemaakt,
weder tot zich, legde zachtkens zijne hand op haren mond, kuste haar
op de beide oogen en fluisterde haar in het oor: "Neen, hij heeft
er den moed niet toe en zal dien ook bezwaarlijk vinden in zijn
leven." Daarop greep hij hare beide handen en vervolgde, terwijl hij
haar flink in het aangezicht zag: "Brrr! uw waaghals is nog nooit
zoo angstig te moede geweest als bij deze bedreigingen. Maar wat
hebt gij ook schrikkelijke woorden uitgesproken; en daar lagen u nog
erger op de tong! Moeder, moeder Neforis! Uw naam beteekent de goede,
maar hoe boos, hoe erg boos kunt gij toch zijn!"
Daarop omhelsde hij de geliefde vrouw nog hartelijker; in een aanval
van overmoed, de terugwerking van den schrik dien zij hem zooeven
had aangejaagd, kuste hij hare haren, slapen en wangen driftig
achter elkander, en toen zij hem verliet had hij haar de vergunning
gegeven voor hem aanzoek te doen om de hand van de kleine Katharina,
daarbij echter de belofte ontvangen, dat dit nog niet morgen, op
zijn vroegst overmorgen zou geschieden. Hij achtte het eene groote
overwinning, dat hij dit uitstel had verkregen, en toen hij alleen was
en nadacht over hetgeen hij gedaan en aan zijne moeder toegestaan had,
bloedde zijn hart uit wonden, waarvan hij zelf de diepte nog niet
kon peilen. Toch verheugde hij zich Paula nog niet vaster aan zich
verbonden te hebben. Met zijne oogen had hij haar reeds veel gezegd,
maar het woord 'liefde' was nog niet over zijne lippen gekomen, en
daar hing toch alles van af. Het stond den neef toch vrij om eene
schoone verwante een handkus te geven. Zij was en bleef voor hem het
voorwerp zijner wenschen, maar om der wille van een meisje hoegenaamd,
al gold het Aphrodite zelve, of eene der Muzen of Gratiën, met zijne
ouders te breken, dat was hem ondenkbaar. Er waren nog ontelbare
mooie vrouwen voor hem op aarde, maar slechts éene moeder, en hoe
dikwijls had zijn hart niet voor vrouwen sneller geklopt, had hij niet
veroveringen gemaakt en van de bekoring van het oogenblik genoten,
maar ook daarna weder gemakkelijk en gewillig allen vergeten.
Ditmaal echter scheen het hem dieper te hebben aangegrepen dan bij
vroegere gelegenheden, en zelfs die schoone Perzische slavin, om wier
wil hij, toen hij pas de school had verlaten, groote dwaasheden had
begaan, en de bekoorlijke Heliodora in Konstantinopel, aan wie hij
nog een aandenken schuldig was, hadden niet zulk een indruk op hem
gemaakt. Deze Paula prijs te geven, dat viel hem zwaar, maar het ging
niet anders. Morgen moest hij beproeven op een vriendschappelijken,
broederlijken voet met haar te geraken; want hij durfde niet hopen dat
zij zich, evenals die zachtaardige Heliodora, die in rang met haar
gelijk stond, alleen met zijne 'liefde' tevreden zou stellen. Hoe
schoon, hoe onuitsprekelijk heerlijk zou het toch geweest zijn aan
de zijde van deze schoone vrouw het leven door te zweven! Als hij
met haar door de hoofdstad reed, dan kon hij er zeker van zijn, dat
iedereen zou stilstaan en naar hen omzien. En als zij hem nu eens
waarlijk liefhad, en teeder de armen voor hem opende.... Ach waarom
had het grillige noodlot haar toch eene Melchietin gemaakt!--Doch het
kon wel zijn, helaas, dat er iets haperde aan haar eigen karakter;
anders had het haar toch moeten gelukken gedurende die twee jaren
de liefde te winnen van zijne voortreffelijke, teedere moeder, die
nu zulk een afkeer van haar had.--Alles wel beschouwd was het toch
goed, dat de zaken zoo geloopen waren. Doch Paula's beeld wilde niet
van hem wijken, het roofde hem den slaap en zijn verlangen naar haar
bezit kwam niet tot rust.
Vrouw Neforis ging intusschen niet terstond naar haar gemaal
terug, maar tot Paula. Deze zaak moest nog heden in allen deele
worden afgedaan. Had zij kunnen verwachten dat de door haar behaalde
overwinning den kranke onverdeelde vreugde zou hebben bereid, dan ware
zij met de blijde boodschap naar hem toegesneld, want zij kende geen
hooger genot dan hem een gelukkig oogenblik te verschaffen. De Mukaukas
had echter noode in hare keuze toegestemd, want ook hem kwam Katharina
te klein voor en te kinderlijk voor den grooten zoon, die hem in
menig langdurig onderhoud, dat hij na zijn terugkeer met hem had, tot
vreugde van zijn ouderhart de onloochenbaarste bewijzen had gegeven,
dat zijn geest tot vollen wasdom was gekomen. Het "kwikstaartje",
aan wie hij alles schoons en goeds toewenschte, voldeed hem niet als
gade voor Orion. Paula was voor hem altijd eene lieve nicht geweest,
en vaak had het hem goed gedaan, als hij zich haar voorstelde aan
Orions zijde. Maar zij was eene Melchietin, en hij wist bovendien
hoe kwalijk zijne vrouw jegens haar gezind was. Zoo verkropte hij
dezen wensch om de trouwe verpleegster, die voor hem leefde, voelde
en dacht, niet te krenken. Vrouw Neforis wist of vermoedde dit alles
en zeide tot zichzelve, dat het hem de nachtrust zou kosten, wanneer
hij heden reeds vernam wat Orion haar toegestaan had.
Met Paula stond het echter anders. Hoe eerder zij vernam dat zij
van haren zoon niets te wachten had, des te beter zou het voor haar
zijn. Aan den morgen van dezen dag hadden zij en Orion elkander
begroet als een paar verliefden, en zoo straks waren zij als bruid en
bruidegom van elkander gegaan. Zulk een ergerlijk schouwspel wilde
zij niet weder bijwonen, en daarom ging zij tot de Damasceensche,
om haar in vertrouwen mede te deelen hoe recht gelukkig zij was,
en welk eene vreugde haar zoon haar zooeven had bereid. Doch tot
overmorgen moest zij het zwijgen.
Reeds dadelijk bij haar binnentreden had Paula uit de blijdschap die
uit hare oogen straalde het besluit getrokken, dat zij eene voor
haar pijnlijke boodschap kwam brengen, en zoo wist zij zichzelve
te beheerschen. Met het masker eener koele onverschilligheid liet
zij de uitstortingen van het blijde moederhart over zich heengaan en
wenschte zij de verloofden geluk; maar zij deed het met een schamperen
lach, die vrouw Neforis kwetste. Zij was anders niet boos van aard,
maar tegenover dit meisje veranderde hare natuur, en het was haar
niet ongevallig weder eens te doen blijken, dat Paula bescheidenheid
voegde bij de plaats die zij innam. Dat alles zeide zij tot zichzelve,
toen Paula's kamer achter haar gesloten was, maar wellicht had deze
vrouw, die toch zooveel goeds had, berouw gevoeld, wanneer het haar
vergund was geworden in de volgende ure in het hart te lezen van de
aan hare zorgen toevertrouwde wees. Slechts eenmaal barstte Paula
in hevig snikken uit, toen droogde zij spijtig hare tranen, staarde
lang somber voor zich en schudde daarbij vaak het schoone hoofd, als
ware haar iets ongehoords bejegend, dat zij niet vatten kon. Eindelijk
legde zij zich ter ruste met een smartelijken zucht, en terwijl zij te
vergeefs trachtte te slapen, en de kracht zocht om te bidden en stil
te berusten, scheen haar de tijd eene oneindige steppe toe, het noodlot
een gruwzaam jager, waarbij zij zelve het wild was dat hij vervolgde.