EERSTE HOOFDSTUK.

Er waren een paar jaren verloopen, sedert Egypte zich onderworpen

had aan de jeugdige maar met buitengewone kracht en snelheid zich

ontwikkelende macht der Arabieren. Het was aan eene kleine, goed

aangevoerde schare muzelmansche krijgslieden zonder veel moeite in

handen gevallen, en de schoone provincie, die nog kort geleden een

sieraad was van het Byzantijnsche keizerrijk, waar het christendom

zijne trouwste aanhangers vond, behoorde thans aan den Kalief Omar,

en moest er in berusten dat de halve maan zich overal naast het kruis

omhoog hief.

Over het ongelukkige land was een zomer voorbijgegaan, zoo heet als

men in lang niet beleefd had, en hoewel men als naar gewoonte het

wassen van den Nijl den 17den Juni in "den nacht van den regendruppel"

met feestelijke toebereidselen had gevierd, tot dusverre werd de

verwachting der Egyptenaren bedrogen, en de stroom daalde al lager

en lager, in plaats van te stijgen. In deze bange dagen, den 10den

Juli van het jaar 643, trok een karavaan, die van het noorden kwam,

Memphis binnen. De kleine karavaan wekte dadelijk aller aandacht

in de ontvolkte, vervallen pyramidenstad, die zich in den vorm van

een kolossaal rietblad slechts in de lengte uitbreidde, daar hare

uitzetting in de breedte tusschen den Nijl en de Libysche woestijn

beperkt was. In vroeger jaren zouden de Memphieten het nauwelijks

der moeite waardig hebben geacht het hoofd op te heffen, wanneer

onafzienbare met handelswaren bevrachtte wagentreinen, vrachtkarren

met flinke jukossen bespannen, sierlijk uitgedoschte keizerlijke

ruiterdrommen of afzienbare processies de meer dan mijlenlange

hoofdstraat stoffeerden.

Hij die als koopman op een dromedaris van uitgelezen ras vóor

de karavaan reed, was een magere muzelman, gehuld in een zijden

kleed. Een breede tulband bedekte zijn klein hoofd, en overschaduwde

voor een deel zijn fijnbesneden, oudachtig gelaat. De Egyptenaar,

die als gids op een stevigen ezel naast den koopman reed, zag telkens

en met blijkbaar welgevallen naar dit juist niet schoon gelaat, met

ingevallen wangen, dunnen ringbaard en grooten adelaarsneus, doch het

bevatte een paar heldere oogen waaruit vriendelijke bedachtzaamheid

en hartelijke welwillendheid straalden. Maar deze schrale oude heer,

op wiens gezicht smart en ziekten diepe sporen hadden achtergelaten,

wist ook te bevelen en zijn wil te doen eerbiedigen. Dit kon men zijn

fijnen, vastgesloten mond wel aanzien, en bleek ten overvloede uit de

stiptheid, waarmede die kloeke, gebaarde, tot aan de tanden gewapende

krijgslieden, die hem volgden, op zijne wenken gehoorzaamden. Zijn

Egyptische geleider, het hoofd van de hermeneuten of het gilde der

gidsen, een knorrige, bruine Memphiet, trok zich terug, wanneer hij

onvoorziens wat dicht kwam bij de op dromedarissen gezeten ruiters,

als vreesde hij een houw of stoot te zullen ontvangen, terwijl hij

den koopman Haschim, den eigenaar van de karavaan, zonder vrees te

woord stond, en praatziek, gelijk lieden van zijn stand, van alles

de verklaring gaf.

"Wat zijt gij hier te Memphis goed te huis," zeide de Egyptenaar,

nadat de oude heer zijne verbazing te kennen had gegeven over den

treurigen ommekeer en den achteruitgang van de stad.

"Dertig jaren geleden," antwoordde de koopman, "ben ik voor mijne zaken

vaak hier geweest. Hoevele huizen staan er leeg en zijn bouwvallig

geworden, waarin men toen voor grof geld nauwelijks een onderkomen

kon vinden! Overal ruïnen, waar men rondziet! Wie heeft deze schoone

kerk zoo jammerlijk vernield? Door mijne landgenooten, ik weet het

van den veldheer Amr zelven, is geen christelijk bedehuis aangevallen."

"Het was de hoofdkerk van de Melchieten, de dienaars van den keizer,"

zeide de gids als lag in die toevoeging tevens de verklaring van

het gebeurde.

Doch de koopman had hiermede geen vrede, en vraagde daarom: "Nu,

wat kwaad is er dan in hunne leer gelegen?"

"Wat kwaad?" herhaalde de Egyptenaar, terwijl zijne oogen van toorn

fonkelden; "wat kwaad? Zij verdeelen den goddelijken persoon des

Heilands en schrijven Hem verschillende naturen toe. Dit is niet

alles. Al die Grieken hier te lande hebben, voor de uwen aan dezen

gruwel een einde maakten, ons, de heeren des lands, als slaven

behandeld, steunende op de macht van den keizer. Zij dreven ons met

geweld in hunne kerken, en allen, die Egyptisch bloed in de aderen

hadden, werden als rebellen en melaatschen behandeld. Zij hebben ons

uitgelachen en verketterd, omdat wij geloofden aan de éene goddelijke

natuur van onzen Heiland."

"En daarom," zeide de koopman, weder het woord nemende, "hebt gij,

zoodra wij de Grieken verdreven hadden, u onverdraagzamer getoond

jegens hen en hunne tempels, dan wij, die gij ongeloovigen scheldt,

ons gedroegen jegens u!"

"Verdraagzaam, jegens hen?" hernam de Egyptenaar op minachtenden

toon, terwijl hij verstoord een blik sloeg op het half verwoeste

gebouw.--"Zij hebben geoogst wat zij gezaaid hadden, en wie thans in

Egypte--de Heiland zij geprezen!--niet aan uw eenigen God gelooft,

die gelooft in de éene natuur van onzen Heer Jezus Christus. Dat

Melchieten-rot hebt gij verdreven, daarna was het onze taak om de

handen te slaan aan de bedehuizen van hun erbarmelijken Heiland,

dien zij op de synode te Chalcedon--verdoemd mogen ze zijn!--van

zijne goddelijke waardigheid hebben beroofd."

"Maar die Melchieten blijven toch altijd uwe geloofsgenooten; zij

zijn christenen," zeide de koopman.

"Christenen?" herhaalde de gids, terwijl hij met minachting de

schouders ophaalde. "Ze mogen zichzelven daarvoor houden! Wat mij

betreft en allen hier te lande, groot en klein, wij zijn van meening

dat zij niet het minste recht hebben zich onze geloofsgenooten, zich

christenen te noemen. Vervloekt zijn ze allen, en zullen ze blijven

met hunne honderden ja duizenden duivelsche ketterijen, die onzen God

en Verlosser tot een ding zouden willen maken als dat godenbeeld aan

dien steenen deurpost. Van boven is het een koe en van onderen een

mensch; welk verstandig man, vraag ik u, kan zulk een tweeslachtig

monster aanbidden? Wij Jacobieten, Monophusieten, of hoe men ons

noemen wil, geven van de goddelijke natuur van onzen Heer en Heiland

geen tittel prijs, en als het eens uit is met het oude geloof, dan wil

ik een muzelman worden en mij bekeeren tot het geloof in uw grooten,

eenigen God. Want voordat ik de ketterij der Melchieten omhels laat

ik me liever met vrouw en kind in stukken houwen. Wie weet wat er

nog gebeuren zal! Wel beschouwd is het niet zoo onvoordeelig om tot

uw geloof over te gaan, want gij hebt de macht in handen en moogt

die behouden. Het is nu eenmaal ons lot door vreemden beheerscht

te worden, en wie betaalt niet liever den kleinen cijns aan den

wijzen en gezonden Kalief in Medina dan de grootere belasting aan het

Melchietisch en ziekelijk keizersgebroed in Konstantinopel? De Mukaukas

Georg is zeker geen slecht mensch; daar hij den tegenstand tegen u zoo

spoedig opgaf, is hij zeker van dezelfde meening geweest. Hij geeft

aan u, als rechtvaardige, vrome lieden, onze naburen, misschien wel

onze stamverwanten, de voorkeur--boven die Byzantijnsche ketters,

die menschenvillers en bloedhonden. Bovendien is de Mukaukas een

christen zoo goed als een onzer."

De Arabier had den Memphiet, die door zijn ambt gedwongen werd

zichzelven het zwijgen op te leggen, opmerkzaam en soms met een

glimlach aangehoord. De Egyptenaar liet de karavaan nu een straatje

inslaan, dat naar de met den stroom evenwijdig loopende hoofdstraat

voerde, waarin eenige deftige huizen stonden, door tuinen omgeven.

Zoodra de menschen en de dieren op den beter geplaveiden weg verder

trokken, zeide de koopman: "Ik heb den vader van den man, dien

gij daar noemdet, zeer goed gekend. Hij was een rijk en bovendien

welgezind man, en ook van zijn zoon vernam ik niets dan goeds. Mag

hij nog altijd den titel van stadhouder of--hoe zeidet gij daareven

ook?--van Mukaukas dragen?"

"Zeker, meester!" antwoordde de hermeneut. "Er is in Egypte geen

ouder geslacht dan het zijne, en was de oude Menas reeds een rijk

man, Mukaukas Georg is het nog meer, door hetgeen hij geërfd heeft

en door het huwelijksgoed zijner vrouw. Wij kunnen geen verstandiger,

rechtschapener stadhouder begeeren! Hij ziet de ondergeschikte beambten

ook streng op de vingers; doch zoo spoedig als vroeger worden de zaken

toch niet meer afgedaan. Wel is hij niet veel ouder dan ik, en ik ben

bijna vijftig, maar hij komt zijne ziekte niet meer te boven, want

sedert maanden heeft niemand hem meer zien uitrijden. Zelfs wanneer

uw stadhouder hem zien wil, komt hij niet verder dan van de eene zijde

der straat naar de andere. Het is jammer van den man! En wie heeft dat

edele lichaam ondermijnd? De Melchieten-honden hebben het gedaan! Vraag

maar aan den Nijl zoo lang als hij is naar de oorzaak van ons ongeluk,

en gij zult overal hetzelfde antwoord krijgen. Waar de Griek, de

Melchiet zijn voet zette, daar was het uit met den groei van het gras!"

"Maar den Mukaukas, den hoogsten beambte des keizers," begon de

Arabier te zeggen.

Doch de ander viel hem in de rede, zeggende: "Meent gij dat hij voor

hen veilig was? Zeker, zij hebben zijn persoon niet durven aantasten,

maar wat hem overkwam was nog erger, want bij een opstand van de

Melchieten tegen de onzen--het was in Alexandrië, en de gestorven

Grieksche patriarch Cyrus had mede de hand in het spel,--zijn twee

zijner zonen, twee schoone jonge mannen, in den bloei hunner jaren

als dolle honden doodgeslagen; en dat, dat heeft hem geknakt."

"Arme man!" zeide de Arabier met een zucht. "En hield hij geen andere

kinderen over?"

"Ja, heer, nog éen zoon, en de weduwe van den oudsten. Deze is echter

na den dood van haar man in een klooster gegaan, doch haar kind, de

kleine Maria, die nu zoowat tien jaar oud zal zijn, heeft zij bij de

grootouders gelaten."

"Dat is gelukkig," hernam de koopman, "dat zal wat zonneschijn in

huis gebracht hebben."

"O zeker, heer! Toch ontbrak het ook thans niet aan reden tot

blijdschap. De eenig overgebleven zoon, hij heet Orion, is eergisteren

uit Konstantinopel teruggekeerd, waar hij lang vertoefde. Dat was me

een vreugde! De halve stad was als gek van opgewondenheid. Duizenden

zijn hem te gemoet gesneld, alsof hij de Heiland was, eerepoorten

hebben ze voor hem opgericht, zelfs de mijnen deden mee--er viel niet

aan te denken dat iemand zich daaraan kon onttrekken. Allen wilden den

zoon en erfgenaam van den grooten Mukaukas zien, de vrouwen natuurlijk

in de eerste plaats!"

"Gij zegt dat op een manier, alsof de teruggekeerde zulk eene eer

niet waardig was," merkte de Arabier op.

"Zooals men het op wil vatten," hernam de Egyptenaar, terwijl hij de

schouders ophaalde. "Hij is nu eenmaal de eenige zoon van den eersten

man in het land."

"Laat het zich dan niet verwachten dat hij den vader gelijken zal?"

"O, ja!" antwoordde de ander. "Mijn broeder, een geestelijke, die

aan het hoofd staat van onze groote school, is zijn leermeester

geweest, en deze zegt nog nooit zulk een schrandere kop ontmoet te

hebben als Orion. Alles woei hem zoo maar aan, en daarbij was hij

zoo vlijtig als het kind van een arme. Wij, zijne ouders, en zijne

vaderstad Memphis hadden, zooals Marcus meent, niet dan roem en eer

van hem te wachten. Doch ik zie ook de schaduwzijde, en ik zeg u dat

de vrouwen hem het hoofd op hol brengen en hem eindelijk ten gronde

zullen richten. Het is een mooie man, hij ziet er nog schooner uit

dan de oude heer in zijne jonge jaren, en daar trekt hij partij van,

en waar hij iets aanminnigs tegenkomt--en dat ontmoet hij overal op

zijn weg--."

"Daar grijpt de jonge deugniet toe," zeide de muzelman lachend. "Nu,

als het niets anders is wat u beangst maakt, dan doet mij dit plezier

voor hem. Hij is jong, en zulke dingen komen terecht."

"Neen, heer, neen! Zelfs mijn broeder--hij is thans in Alexandrië

en nog altijd blind en bespottelijk ingenomen met zijn vroegeren

leerling--ziet hierin eene gevaarlijke klip. Wanneer daarin geen

verandering komt, zal hij al verder en verder afwijken van de geboden

des Heeren en schade lijden aan zijne ziel, want de gevaren omringen

hem aan alle zijden als brullende leeuwen. De kostelijke gave der

schoonheid en die om anderen voor zich in te nemen zullen hem nog

in het verderf storten; waarlijk ik wensch het niet, maar ik vrees

het...."

"Gij ziet het te donker in en oordeelt te hard," hernam de ander. "De

jeugd...."

"Ook de jeugd," antwoordde de gids, "bij den christen ten minste, moet

zichzelve weten te beheerschen. Zoo iemand, dan ben ik geneigd den

schoonen jonkman het beste te gunnen. Laat ik er maar voor uitkomen:

als hij mij groet dan ben ik te moede als ware mij een geluk te beurt

gevallen, en zoo is het met ontelbare andere mannen in Memphis en

met de vrouwen bovenal. Maar desniettemin heeft reeds menigeen vele

bittere tranen over hem gestort. Doch, bij alle heiligen, als men van

den wolf spreekt, dan..... Ziet ge wel, daar is hij!.... Halt, wat

langzaam aan, mannen!--Het is wel de moeite waard voor een oogenblik

onzen gang wat in te houden."

"Dat statige vierspan daar, bij die hooge tuinpoort, is dat van hem?"

"Het zijn de Pannonische dravers, die hij heeft meegebracht, snel als

de bliksem en daarenboven.... Maar dáar.... zie! Ach, nu verliezen

wij ze achter dien tuinmuur juist uit het oog; doch gij moet ze op uw

hooge dromedaris nog kunnen zien. Dat kleine meisje daar naast hem,

is de dochter van de weduwe Susanna, de eigenares van dezen hof en

van dat fraaie paleis achter die boomen."

"Eene heerlijke bezitting!" zeide de Arabier.

"Dat zou ik ook denken," antwoordde de Memphiet. "De hof strekt zich

uit tot aan den Nijl; en hoe goed wordt alles onderhouden!"

"Heeft hier niet vroeger de korenhandelaar Philammon gewoond?" vraagde

de koopman, als verlevendigden zich bij hem oude herinneringen.

"Juist! híj was de echtgenoot van Susanna en moet reeds een vijftiger

geweest zijn, toen hij haar vrijdde. De kleine is hare eenige dochter,

de rijkste erfgename in de geheele provincie, maar niettegenstaande

zij reeds zestien jaren telt niet flink opgewassen; het kind van een

ouden vader, begrijpt ge? Toch is ze dartel en vroolijk, een lachduif

in menschelijke gedaante, en zoo vlug en bewegelijk! Hare huisgenooten

noemen haar het kwikstaartje."

"Heel aardig en naar waarheid," hernam de koopman met welgevallen. "Ze

is klein, meer een kind dan een jong meisje, maar ik schep behagen in

dat aanvallige vroolijke schepseltje. De zoon van den Mukaukas--hoe

heet hij ook weer?"

"Orion, heer," antwoordde de ander.

"Drommels," zeide de ander meesmuilend, "ge hebt hem niet gevleid,

vriend! Een jongeling als dien Orion ziet men niet alle dagen! Welk

een lichaamsbouw! Wat staan die bruine lokken hem goed! Ja, ja,

zulk een jonkman wordt eerst door zijne eigene moeder vertroeteld,

en andere vrouwen volgen dan haar voorbeeld. Hij heeft een flink,

open gezicht, daar wat achter steekt. Maar hij had dien purperen rok

en dat gouden flikwerk in Konstantinopel moeten laten. Die dingen

zijn hier in deze sombere vervallen stad niet op hun plaats."

Onder de laatste woorden porde de Memphiet zijn ezel wat aan, maar

de Arabier hield hem terug, want wat er achter den tuinmuur plaats

greep trok al te zeer zijne aandacht. Hij zag dat de schoone Orion

een wit hondje, een zeer fijn zijdharig beestje, dat naar het scheen

hem toebehoorde, het kleine meisje op den arm gaf; hij zag hoe zij

het kuste en hem een langen grashalm om den hals sloeg, als wilde zij

daarmede hem de maat nemen. De oude merkte verder op hoe ze beiden

ondeugend lachten, hoe ze elkander in de oogen zagen en eindelijk

afscheid namen. Daarna verhief zij zich op de teenen naar een vreemde

struik, aan welks top twee heerlijke roode klokjes bloeiden; zij

plukte ze haastig en reikte ze hem toe, terwijl een blosje hare wangen

overtoog. Daarbij weerde zij de hand, waarmede hij haar bij het reiken

naar de bloemen ondersteund had, met een zwaai van haar arm lachend

terug, en op haar frisch gezichtje las hij de innige blijdschap die

zij gevoelde, toen hij de plek, die zij met haar vingers had getroffen,

kuste en daarna ook de bloemen aan zijne lippen bracht.

De oude heer zag dit alles met zooveel deelneming en vreugde aan,

als wekte het de liefelijkste herinneringen in zijn gemoed, en zijne

goedige oogen lachten toen Orion, niet minder schalksch en dartel als

zij, haar eenige woorden in het oor fluisterde, waarop zij de lange

grashalm uit haar gordel trok, hem haastig daarmede over het gezicht

streek, als wilde zij hem straffen, en vervolgens ijlings, snel als

eene ree, over gras en bloemperken naar het paleis vloog, zonder

zich te storen aan zijn herhaald roepen: "Katharina, allerliefste,

goede jonkvrouw Katharina!"

Dat was een klein opwekkend avontuur geweest, en de oude Haschim hield

de herinnering er aan vast, en verkneukelde zich daarin nog altijd,

toen hij met de zijnen reeds een tamelijk eind wegs had afgelegd. Hij

was Orion, den zoon van den Mukaukas Georg, dankbaar voor dit liefelijk

schouwspel, en toen hij het vierspan in langzamen draf de karavaan

hoorde naderen, keek hij er naar om en hield het in het oog.

Maar voordat de Pannonische rossen, den met allerlei in zilver

gedrevene figuren bedekte wagen en zijnen menner, die te zamen een

toonbeeld van buitengewone schoonheid en goeden smaak aanboden, hem

langzaam waren voorbijgereden, om daarna pijlsnel op de nu vrije straat

voorwaarts te rennen en in eene dichte stofwolk te verdwijnen, had

het gelaat van den koopman zijne vroolijke uitdrukking verloren. Er

lag iets diep weemoedigs in zijne stem, toen hij een der jonge

kameeldrijvers beval de bloemen, die achter hen in het stof lagen,

van den weg op te rapen en hem te brengen.

Hij had gezien hoe de schoone jonge man met een blik en eene beweging,

als ware hij boos op zichzelven, de vriendelijke gave in het heete

stof op straat had geslingerd.

"Uw broeder heeft gelijk," riep de oude den Memphiet toe. "Voor dezen

jongen man zijn de vrouwen eene gevaarlijke klip, en hij is het voor

haar, gelijk ik vrees.--Die arme kleine daar ginds!"

"Dat kwikstaartje, meent ge?" vraagde de gids. "O, met haar kon het

licht meenens worden. De lieve moeders maken de zaak al klaar. Zij

zitten beiden in het goud, en waar duiven zijn vliegen duiven

toe. Godlof, de zon staat al boven de pyramiden! Laten uwe lieden

gindsche groote herberg binnengaan. De waard is een schappelijk man,

en men vindt bij hem ook schaduw."

"Wat de beesten en de manschappen aangaat," antwoordde de koopman,

"mogen zij hier wat uitrusten. Ik, de aanvoerder van de karavaan

en nog eenige lieden, wij zullen ons wat versterken--en dan brengt

gij ons naar den stadhouder, met wien ik over een en ander spreken

moet. Het is niet vroeg meer..."

"Wees daarover niet bezorgd!" hernam de Egyptenaar. "De

Mukaukas ontvangt op zulk een gloeiend heeten dag het liefst na

zonsondergang. Als gij wat met hem te doen hebt, zijt ge bij mij aan

het rechte kantoor. Laat eenige goudstukken vliegen, dan verschaf ik

u nog heden gehoor door den huismeester Sebek, mijn neef. Terwijl gij

hier wat uitrust, rijd ik naar het stadhouderlijk verblijf en breng

u dan bericht."

De nijlbruid · 第 12 / 66 题