Een avontuur.
Door steile rotswanden ingesloten, ligt stil en eenzaam het kalme
Eibmeer met groene boomen op de oevers, die er de liefelijkheid nog
van verhoogen. Het water is vischrijk; toch zijn er weinigen die
daar voordeel van trekken; want het meer behoort sedert eeuwen aan
de eigenaars van de weinige hutten, die door hen daar aan de oevers
zijn neergezet. Het is een onbeschaafd soort van menschen, die er als
heidenen uitzien: zwarte oogen staren ons uit de taankleurige, vuile
gezichten aan, en die zich met hen afgeeft, kan er zeker van zijn dat
hij bedrogen wordt, al is 't ook maar voor enkele kreutzers. De
schoonheid van het meer lokt echter, ondanks die bewoners, van alle
kanten tal van vreemdelingen. Ook wij bezochten het en bewonderden er
de bekoorlijke omgeving. Eene stevige vrouw met zwarte oogen en bruine
gelaatskleur roeide ons op het meer rond. 't Was nog lang voor 't
vallen van den avond, toen we naar het dorp Greinau terugkeerden, waar
ons rijtuig was gestald. De weg derwaarts ging door groene weiden en
afhangende rotsen en maakte verscheidene schilderachtige krommingen, die
mij rijke stof gaven tot vulling van mijn schetsboek; daarom verzocht ik
Tante om met de beide dames, die dat tochtje medegemaakt hadden, maar
vooruit te gaan; terwijl ik achterbleef om eenige vluchtige schetsen
van de schoonste punten te maken. Tante weifelde eerst om mij alleen
te laten; doch de zon stond nog tamelijk hoog aan den hemel, de weg
was verre van eenzaam en daarom gaf zij eindelijk toe, maar beval den
kleinen jongen, dien ze aangenomen had om ons den weg te wijzen, bij
mij te blijven. Weldra was ik geheel in mijn arbeid verdiept; de boomen
hingen zoo schilderachtig over de kleine vooruitstekende rotsbrokken,
waartusschen openingen hier en daar zulk een heerlijk vergezicht
opleverden en nu eens een spitse kerktoren, dan weer 't vriendelijke dak
eener boerenhut te voorschijn kwam, dat ik maar niet kon uitscheiden;
want het eene punt was nog schooner dan het andere.
Eindelijk bemerkte ik dat de lucht rooder werd, dat de toppen der bergen
begonnen te gloeien, dat de zon begon te dalen en het dus hoog tijd
voor mij was om op te breken; daar Tante zeker met ongeduld op mij zou
wachten. Ik pakte dus mijn boeltje op en bemerkte nu eerst hoe twee
bruine mannen, die van 't Eibmeer kwamen, mij naderden. Ze droegen
groote knuppels, hun kleeding was haveloos en vuil, en hun reusachtige
gestalten teekenden zich dreigend tegen de avondlucht. Ik schrikte en
keek angstig naar hen om; want terstond kwamen mij allerlei vreeselijke
verhalen van roovers in de gedachte. Ik wist toch dat de omwoners van 't
Eibmeer in geen besten reuk stonden. De avond begon reeds te vallen, met
elke minuut werd het donkerder en die kerels kwamen regelrecht op mij
aan.
[Illustratie]
Ongerust riep ik om den knaap, die nog kort geleden bij mij gespeeld
had; maar hij was verdwenen: wie weet of hij niet de medeplichtige van
die kerels was! Een onuitsprekelijke angst greep mij aan, ik liep den
weg op, die naar Greinau voerde; maar het dorp was nog ver, en de mannen
kwamen al nader en nader. Reeds hoorde ik duidelijk hun stemmen; zij
schenen mij iets toe te roepen en lachten daarbij. Weder keek ik angstig
naar hen om, en, vreeselijk! ik zag duidelijk hoe de een zijn knuppel
ophief en mij daarmede dreigde. Nu was er geen twijfel meer aan, mijn
vrees was slechts al te zeer gegrond: ze hadden het op mij voorzien.
Luid schreeuwend liep ik heuvel op en heuvel af, aan niets meer
denkende, dan om mij door de vlucht te redden. Ik struikelde over
wortels en boomstronken, verloor parasol en schetsboek; 't kon mij
niet schelen: altijd maar voort, voort! eer de kerels mij bereikten, die
mij—dat wist ik—nog steeds achtervolgden. Thans hoorde ik hun stemmen
zoo dicht bij mij, dat ik bijna bezwijmde van angst en mij op de knieën
voor hen wilde werpen en hun alles geven wat ik bij mij had. Maar
dat was zoo weinig; ze zouden mij zeker uitplunderen en mishandelen.
Daar, in 't beslissende oogenblik, zie ik een gedaante door de boomen
heenschemeren. Was dat een hunner gezellen? Luidkeels riep ik om hulp
en stormde voorwaarts. Goddank! het was een goedgekleed heer; ik was
gered! In mijn doodsangst snelde ik op den vreemdeling af, ten einde hem
om bescherming te smeeken; hij mocht dan zijn wie hij wilde. Doch wie
begrijpt mijn verrukking, toen ik mijn vriend, Dokter Huisman voor mij
zag? Met uitgebreide armen snelde ik hem te gemoet, en zonder recht te
weten wat ik deed, zonk ik aan zijn borst.
„Red mij om Godswil!” riep ik buiten mijzelf uit; toen viel ik in
zwijm. Weder bijkomende lag ik op het gras en Dokter Huisman naast mij
neergeknield. Ik voelde mij onuitsprekelijk afgemat en kon mij in 't
eerst niet te binnen brengen, wat er gebeurd was. Eindelijk herinnerde
ik mij alles en keek angstig om mij heen.
„Wees gerust, juffrouw Margot, er is niets te vreezen,” zeide Dr.
Huisman geruststellend. „Die kerels hebben u voor den gek gehouden en u
schijnbaar vervolgd, omdat ze bemerkten, hoe bang ge voor hen waart.
Thans zijt ge volkomen veilig; want ik blijf bij u.”
Nu eerst viel het mij in, op welk een manier ik in mijn angst
bescherming bij mijn vriend gezocht had. Een donkerrood bedekte mijn
gelaat, en ik durfde mijn oogen niet opslaan. Dokter Huisman zag mijn
verlegenheid en trachtte mij gerust te stellen.
„En zijt ge niet verwonderd dat ge mij hier ziet?” vroeg hij opgeruimd
en ging naast mij op het gras zitten. „Wist ge misschien dat ik u
opzocht?”
„Ik? Neen, hoe zou ik dat geweten hebben?” antwoordde ik, terwijl ik
mij poogde te herstellen. „Zijt gij alleen, en hoe hebt ge vernomen dat
we hier logeerden? Ik wist niet, dat ge ook voornemens waart om deze
reis te maken.”
„'t Is ook een plotseling opgekomen plan. En thans ben ik blij dat ik
de reis ondernomen heb, omdat ik u van nut heb kunnen zijn, juffrouw
Margot,” zeide hij en keek mij daarbij zoo hartelijk aan, dat ik weer 't
bloed naar de wangen voelde stijgen.
„Nu zou ik gaarne naar Tante gaan,” zeide ik; „ze zal zoo ongerust
over mij zijn.” Ik poogde op te staan; maar de knieën knikten mij nog
onder 't lijf, en zoo moest ik op den arm van mijn vriend steunen, hoe
ongaarne ik het ook deed. Deze echter babbelde maar altijd vroolijk
voort en vertelde mij dat Eduard de reis met hem deed, en dat ik hem bij
Tante in Greinau zou vinden.
De beweging deed mij goed, en weldra had ik de ondersteuning van mijn
geleider niet meer noodig. Ik verhaalde hem de bijzonderheden van
mijn avontuur en poogde mijn angst te rechtvaardigen. Dokter Huisman
verzekerde mij, dat hij dien zeer natuurlijk vond. Bij Tante en Eduard,
die mijn vrees overdreven noemden en mij voor een „haas” uitmaakten,
verdedigde hij mijn zaak zoo goed, dat ik hem oprecht dank zeide, vooral
omdat hij over onze ontmoeting maar licht heenstapte. En wat vreemd was,
anders biechtte ik mijne goede Tante Betsy alle dwaasheden die ik begaan
had trouw op; maar mijn ontmoeting met den dokter kon ik haar onmogelijk
beschrijven, zooals die had plaats gehad; de woorden wilden volstrekt
niet over mijn lippen. Waartoe zou ik dat alles ook vertellen? Hijzelf
scheen er in 't geheel niet meer aan te denken, zoo net en terughoudend
gedroeg hij zich jegens mij—eindelijk scheen 't geheele avontuur mij
slechts een benauwde droom.
In 't gezelschap van onze nieuwe reisgenooten brachten wij eenige
zeer aangename weken door en doortrokken de schoone streek in alle
richtingen. Ook Eugenie's vader kwam, zooals hij beloofd had, en met
hem reisden wij eindelijk naar Beierens schoone hoofdstad München. Hoe
stond ik verbaasd over de tallooze kunstschatten, die grootendeels door
den prachtlievenden koning Lodewijk hier verzameld zijn. Wij bleven er
twee weken, en zoo hadden wij ruim den tijd om alles te bezichtigen.
Het merkwaardigste voor mij bleef echter altijd het reusachtige
beeld der Bavaria op de Theresiaweide, in wier hoofd we met zooveel
gemak rondwandelden, als ware 't een torenkamertje en wier oogen de
prachtigste vensters vormden, waardoor wij een heerlijk vergezicht
hadden op München en de geheele vlakte; een panorama, begrensd door
de blauwe Alpen, die ons een vriendelijken afscheidsgroet schenen te
brengen.
Onzen terugweg namen wij door Bohemen, om in Töplitz Eugenie en den
baron te bezoeken, die daar langer vertoefden, dan zij wel gedacht
hadden en van wie onze gastheer ons de beste berichten had meegebracht.
Wel was het bad den baron in den beginne niet best bekomen en had
Eugenie al haar vroolijke luim te hulp moeten roepen om hem afleiding
te bezorgen, waarover haar dankbare echtgenoot later nooit genoeg
uitweiden kon. Na 't einde der badkuur echter ging het hem uitmuntend
en verbeterde de stijfheid van zijn voet van dag tot dag; zoodat we,
toen we hem verlieten, in de stellige overtuiging heengingen, dat hij
volkomen genezen zou terugkomen. En inderdaad, de herfst zag ons allen
weder vertrouwelijk bijeen, in de gezellige huiskamer van Tante Betsy.
Hoe schoon ook de reis was geweest en hoeveel heerlijks ik gezien had:
hier bij mijn lieve Tante, in mijn tweede ouderlijk huis, was het toch
het allerschoonst; dat gevoelde ik het sterkst toen we terugwaren.
Maar met groote schreden naderde thans de tijd, waarop ik dat lieve huis
vaarwel moest zeggen. „Voor een jaar neem ik uwe Margot met mij mee,”
had Tante tegen Papa gezegd. O, toen had ik weinig gedacht dat ik zulk
een scheiding zou hebben kunnen dragen. Een jaar! welk een eeuwigheid
voor mij, die tot dien tijd nog nooit een enkelen dag van de mijnen
gescheiden was geweest! Twaalf lange, lange maanden! En thans was er
meer dan een jaar sinds dien dag verloopen, twaalf maanden en nog zes
daarenboven en ik leefde nog; de scheiding had mij niet ziek gemaakt, ik
had er de tering niet van gezet, zooals ik eens dacht dat ik doen zou.
Integendeel, ik was gezond en sterk, ja zag er (als ik mijn spiegel
raadpleegde) beter uit; want ik had meer houding en manieren, dan toen
ik hier als een onbeholpen boerenkind kwam. Met tal van draden was ik
aan den kring verbonden, waarvoor ik eens had teruggebeefd, doch waarin
ik mij nu zoo gemakkelijk bewoog. Hoezeer ik ook naar Papa, Mama en
mijn broertjes en zusjes terugverlangde—een onbegrijpelijk treurig
gevoel maakte zich van mij meester, wanneer ik aan de scheiding
dacht van allen, die ik in Den Haag liefgekregen had. Tante met haar
onuitsprekelijke goedheid en zachtmoedigheid, fijne beschaving en haar
welwillendheid voor mij,—Eugenie aan wie ik als een zuster gehecht
was,—Marie mijn trouwe vriendin,—de baron, met wien ik op zulk een
vriendschappelijken voet verkeerde,—Dokter Huisman,—Eduard, zij allen
waren mij lief en dierbaar geworden en ik moest ze hier achterlaten;
die gedachte kon mij benauwen. En toch was er niets aan te veranderen.
De dag van het vertrek kwam en ik moest afscheid nemen. Eugenie en de
baron beloofden mij, dat ze mij spoedig in 't ouderlijke huis een bezoek
zouden komen brengen; ook Tante troostte mij met dat vooruitzicht en
Marie had mij beloofd, een heelen tijd bij ons te zullen komen logeeren.
Zoo scheidde ik dan eenigszins getroost van de plaatsen, waar ik zooveel
goeds had genoten en keerde naar mijn dorp terug.