ZESTIENDE HOOFDSTUK.

De reis.

Ofschoon wij gaarne met Eugenie's vader de reis naar Duitschland

ondernomen hadden, konden wij dit plan niet volvoeren, omdat Tante

noodzakelijk weer naar de plaats terug moest, waar haar zuster was

gestorven, ten einde met Papa de zaken daar te regelen, en het verlof

van Eugenie's vader niet lang genoeg duurde om daarop te wachten. Voor

mij was dat een heel eenzame tijd: Tante weg, Eugenie en de baron weg.

Had ik Marie niet gehad, ik zou waarschijnlijk 't heimwee hebben

gekregen. Hoe gelukkig was ik toen Tante, spoediger dan ik verwacht had,

terugkwam.

Nu moesten we ons voor de reis gereedmaken. We waren over de gestorvene

tante in den rouw gegaan en hadden dus niet veel pakkage noodig, waarvan

Tante trouwens toch niet hield. „Groote reiskoffers en eene massa doozen

en pakken,” zeide zij, „geven mij geen gunstige meening van de reizigers

aan wie zij behooren; want ze zijn òf zeer onpractisch òf pronkerig en

parvenuachtig.” Ik ondervond zelf, hoe aangenaam het is weinig pakkage

bij zich te hebben, en was tamelijk trotsch op den kleinen omvang, dien

ons reisgoed innam in vergelijking met dat van andere reizigers. Vooral

doozen, mandjes en pakjes, die men zoo los meeneemt, werden door Tante

zorgvuldig vermeden, en ik moest er nu om lachen als ik aan de talrijke

kistjes en pakjes dacht, die ik bij 't afscheid van 't ouderlijke huis

om mij heen stapelde; ja, ik zou zelfs toen mijn kanarievogel in zijn

kooi op mijn schoot hebben meegevoerd, als Tante mij dat niet belet had.

Thans hadden we niets bij ons in den waggon, dan onze parapluies en

parasols, een paar wollen doeken, opgerold en met riempjes vastgegespt,

en ieder een leeren taschje, waarin kleine reisbehoeften zooals wat eau

de cologne, chocolaadjes, een paar naalden met een klosje garen, een

Bädeker, een notitieboekje, een borstel en een zakdoek. Al het andere

moest achterblijven, hoe graag ik 't ook had meegenomen; daar ik maar

niet kon begrijpen dat men op reis veel ontberen moet of anders liever

moet thuisblijven. Tante had vroeger veel met haar man gereisd en

daardoor veel ondervinding opgedaan; daarbij was ze een eenvoudige

en practische vrouw en ook op dit gebied kon ik dus geen betere

leermeesteres vinden. En wat ze er slag van had om een koffer te pakken!

Ik had het geprobeerd; maar de koffer was vol, terwijl er nog een heele

hoop dingen naast lagen, die er maar niet in konden, hoe ik ook pakte of

niet. Daar kwam Tante er bij. Bedaard pakte zij alles weer uit en nu

begon zij. Op den bodem legde ze de zware dingen: ondergoed, boeken en

wat dies meer zij, dan keurig opgevouwen japonnen en rokken. Daarboven,

ieder in een bijzondere afdeeling, de kragen, doekjes en dergelijke

zaken. Linten, handschoenen en andere losse kleinigheden werden in een

afzonderlijk doosje gedaan, dat netjes in een hoekje werd gedrukt. Alle

andere gaatjes werden met schoenen en andere voorwerpen gevuld, die niet

meegaven; en zoo zag ik met veel genoegen, hoe eindelijk alles eene

plaats vond: 't was of de kleine koffer onder Tante's handen van

elastiek was geworden; zooveel ging er in.

De reis van Den Haag naar Arnhem was voor mij niet nieuw en vooral

boven Utrecht tamelijk vervelend. Des te meer gelegenheid had ik, het

reisgezelschap op te nemen dat zich met ons in denzelfden waggon bevond.

Het bestond uit eenige dames, jonge en oude; twee daarvan zaten zwijgend

in een hoek, de derde echter begon spoedig met Tante en mij een gesprek

aan te knoopen, en scheen veel belang te stellen in alles wat wij haar

mededeelden. Tante echter scheen weinig lust te hebben om veel met haar

te praten: zij haalde een boek voor den dag en begon te lezen. De dame

hield zich nu geheel met mij bezig, en, ofschoon ik nu juist niet kon

zeggen dat zij mij erg beviel, vond ik toch dat de beleefdheid eischte

haar fatsoenlijk te antwoorden, en zoo wist zij spoedig in welke

betrekking ik tot Tante stond, ons beider namen en het doel van onze

reis.

„Nu, dat treft al bijzonder,” zeide zij. „Ik ga ook naar de Saksische

Schweiz. Het doet mij zeer veel genoegen dat ik u en uwe Tante ontmoet

heb. We moeten maar trouw bij elkander blijven. Ik ben heel gelukkig dat

ik zulk een goed gezelschap gevonden heb, en zal mij in alles naar u

voegen: want voor eene dame is 't alleenreizen alles behalve aangenaam.

Dat zult gij wel begrijpen.”

Ik kon haar daarin geen ongelijk geven, en dewijl zij een fatsoenlijke

dame scheen te zijn, nam ik haar aanbod met vreugde aan, en vond het

zelfs wel aardig dat we nu een reisgezellin hadden. Nu begon ze Tante

met vragen te bestormen, hoe ze verder dacht te reizen, om zich daarnaar

te richten; Tante echter scheen niet zeer in haar humeur te zijn, want

ze gaf haar slechts ontwijkende antwoorden.

Toen we aan een station waren gekomen, waar de trein eenige minuten

stilhield en den passagiers de gelegenheid werd gegeven iets te

gebruiken, ging Tante den waggon uit en stapte tot mijn verwondering in

een andere.

„Hé, Tante, dat is onze waggon niet,” zeide ik.

„Dat weet ik wel, Margot,” antwoordde Tante. „Ik doe dat opzettelijk.”

„Beviel 't u dan in dien anderen waggon niet?” vroeg ik. „We hadden daar

toch zulk een goed gezelschap.”

„Neen, Margot,” antwoordde zij. „Dat indringen van die dame was

onverdragelijk. Veel degelijks is zij niet; reeds op 't eerste gezicht

beviel zij mij in 't geheel niet.”

„Maar ze scheen zoo fatsoenlijk en tevens zoo goedhartig en ze reist zoo

alleen,” hervatte ik medelijdend. „Ik kan zeer goed begrijpen, hoe blij

ze was dat ze gezelschap vond.”

„Wees daaromtrent maar gerust, kind,” antwoordde Tante glimlachend.

„Zij zal niet lang alleen reizen, daar kunt ge op aan. Ons gezelschap

zal ze echter moeten missen; wij passen niet voor haar. Voor 't overige

moet je voortaan voorzichtiger zijn, Margot, en niet aan iedereen

terstond vertellen wie we zijn en waar wij heengaan. Op reis treft men

al te dikwijls menschen aan, voor wie men zich moet wachten. Wees liever

al te stilzwijgend tegen uw reisgezelschap dan te openhartig; vooral een

jong meisje kan op dit punt nooit te voorzichtig zijn.”

Ik volgde den raad van Tante en merkte nu ook op, hoe teruggetrokken de

meeste onzer medereizigers waren, vooral de dames. Prettig vond ik dat

nu juist niet; maar er was zooveel te zien, dat ik het best zonder

praten afkon.

En dat Tante gelijk had mij tot voorzichtigheid aan te manen, ondervond

ik slechts al te goed. We waren te Dresden aangekomen, en, ofschoon

we onzen intrek in een logement genomen hadden, had Tante mij daar bij

de familie geïntroduceerd van een harer oude schoolvriendinnen, wier

echtgenoot een aanzienlijke betrekking bekleedde. In gezelschap van deze

familie bezochten wij „de Saksische Schweiz.” We bevonden ons in een

heerlijk dal, toen ons een vroolijk troepje te gemoet kwam, welks luid

gepraat en gelach onze oplettendheid tot zich trok. In dat gezelschap

merkte ik terstond de dame uit den waggon op. Ze was zeer keurig gekleed

en behoefde ten minste op dat oogenblik niet over de eenzaamheid te

klagen; want ze bevond zich in 't gezelschap van eenige jonge elegante

heeren, met wie ze zeer veel pret scheen te hebben. Op eens zag ze ons

en snelde naar ons toe.

„Hé, Mevrouw!” riep ze uit, terwijl zij Tante de hand toestak, als waren

ze jarenlang familiare kennissen geweest. „Wat verheugt het mij, u te

zien. En u ook, Margot! kijk, dat is een heerlijke ontmoeting!”

Tante beantwoordde den groet met in 't oog vallende koelheid, en ik kon

niet zeggen dat ik bijzonder in mijn schik was om de dame weer te zien,

die mij nu nog minder beviel; ik antwoordde echter vriendelijk op haar

vragen—dat kon toch niet anders. Zij scheen wel lust te hebben om in

ons gezelschap te blijven; maar spoedig bezon ze zich en volgde haar

geleiders, die zeer met haar bevriend schenen te zijn.

„Hoe komt ge toch aan die kennis, Mevrouw!” riep de echtgenoot van

Tante's vriendin uit, zoodra de dame ons verlaten had.

„Zij heeft een eindje met ons gereisd, verder ken ik haar niet,”

antwoordde Tante. „Weet gij misschien iets naders van haar?”

„Iets naders? Dat nu juist niet. Evenwel zou ik u raden, die dame op een

afstand te houden—voor juffrouw Margot is ze ten minste geen gepast

gezelschap. Ze behoort tot een troep reizende komedianten en moet al

rare avonturen gehad hebben.”

Ik kreeg een kleur als bloed en was blij, toen onze wandeling was

afgeloopen: want ik was bang dat we die dame soms nog eens mochten

ontmoeten. En ik voelde mij vrij wat verlicht, toen mij den volgenden

dag verteld werd, dat het gezelschap den vorigen avond een

afscheidsvoorstelling gegeven had en zij dus vertrokken was.

Van ons verblijf in Dresden zal ik u niets meer vertellen; ons reisplan

bracht ons verder naar Beieren, waar we een nacht in Hoff vertoefden.

Den volgenden dag reden we voorbij Kulmbach, welks kasteel zoo

schilderachtig van een hooge rots neerziet, en, terwijl de meeste

reizigers het voortreffelijke bier dronken, liet Tante voor ons ieder

een kop koffie brengen. Zij zelf dronk er weinig van en ging op 't

perron op en neer; ik echter ging in de nette restauratiezaal, zette

mijn hoed af, deed mijn handschoenen uit, bracht mijn haar wat in orde

en was juist op mijn gemak gaan zitten om de koffie te drinken, toen

de bengel tot instappen luidde en Tante mij riep, waardoor ik mijn

heerlijke koffie moest laten staan. 't Was alweer een goede les, en

sedert maakte ik wat meer voort, als we eenige minuten aan een station

vertoefden. De schoone streek troostte mij over 't verlies mijner

koffie—we naderden Bamberg, reden het schoone klooster Banz voorbij,

en daar lagen nu in de verte de groene bergen der „Frankische Schweiz.”

We vertoefden eenige dagen in Bamberg, een schoone stad, heerlijk

gelegen, omkranst van vriendelijke bergen en versierd met een prachtigen

Dom en de ruïne van 't slot Altenburg in de hoogte. 't Was heerlijk

weer, toen we derwaarts opstegen. O, wat was dat alles schoon! En welk

een uitzicht! Ik had wel vleugels willen hebben, om zoo eens overal heen

te vliegen.

En dat oude slot herinnerde mij aan historische feiten. Daar moet in

1208 in dezelfde torenkamer waarin wij uitrustten, keizer Philips van

Zwaben door Otto van Wittelsbach omgebracht zijn. Er ging mij een

rilling door de leden, hoewel de nooit uit te wisschen bloedvlek op den

grond mij wat apocrief toescheen; zulke bloedvlekken schijnen bij zulke

akelige geschiedenissen te behooren.

Toen we in Hoff den nacht doorbrachten, was ik op den morgen van ons

vertrek slechts met moeite gekleed en gereed; want eerst liet ik

onbezorgd den tijd voorbijgaan en eindelijk moest ik nog in de grootste

haast het haar slechts half opgemaakt onder mijn hoed steken; want de

omnibus stond reeds voor de deur van 't logement.

Daardoor geleerd, stond ik den morgen van ons vertrek uit Bamberg heel

vroeg op en was met aankleeden, inpakken en ontbijten zoo tijdig klaar,

dat ik Tante verlof vroeg om nog een weinig in de straten te mogen

rondwandelen. „Pas op den tijd!” vermaande zij mij. Vroolijk wandelde

ik nu eenige mij bekende straten door en amuseerde mij uitmuntend; want

het was juist marktdag, en landlieden in vreemdsoortige dracht kwamen

allerwegen de poorten in met hun waren; zoodat weldra overal een bont

gewoel heerschte. Ik trad tot afscheid nog eens den schoonen Dom binnen,

beschouwde de oude beelden en grafgesteenten, vooral 't beroemde

gedenkteeken voor Keizer Hendrik II en zijne gemalin Kunigunde, en

bemerkte niet dat het reeds laat was geworden, toen boven mij de klok

eensklaps het volle uur sloeg. Verschrikt snelde ik weg; want het was

kort bij 't oogenblik van ons vertrek en ik moest nog eerst naar 't

logement. Ik liep dus ijlings voort en meende den weg te weten; maar

welk een schrik! ik moest verkeerd geloopen zijn—eensklaps ten minste

stond ik weer bij den Dom, en wel op dezelfde plaats waar ik straks

geweest was. Ik vroeg nu van straat tot straat; de een wees mij hier-,

de andere daarheen; ik liep badende in zweet altijd voort. 't Kon

onmogelijk de naaste weg zijn, dien men mij wees. Gaarne had ik een

rijtuig genomen—ik zag er geen, of 't was met menschen bezet;

eindelijk, terwijl 't weenen mij nader stond dan het lachen nam ik een

jongen aan om met mij mee naar 't logement te gaan, en kwam daar buiten

adem aan.

Tante was zeer in zorg over mij; den eersten trein konden we natuurlijk

niet meer halen en moesten nu met den twaalfuurstrein gaan. Ik was

geheel en al uit het veld geslagen over mijn onbezonnenheid; maar Tante

troostte mij. Ditmaal had ons verzuim niets te beduiden; ik moest er

echter een les uit trekken: want in een vreemde stad kon dat meer

gebeuren.

Maar de verkeerdheid van dien morgen was slechts het voorspel van andere

dwaasheden, die ik dien dag beging: men heeft zoo zijn ongeluksdagen—ik

was dien morgen zeker met het verkeerde been uit bed gestapt.

Toen wij namelijk om twaalf uren gelukkig aan 't station waren

aangekomen en onze plaatsen hadden ingenomen, ging Tante nog eens uit

den waggon, daar ze juist een bekende in een anderen zag stappen, die

zij gaarne even spreken wilde. Ze gaf mij de kaartjes over en stapte

uit. Juist kwam er een vrouw met heerlijk fruit voorbij en zoowel ik als

mijn medereizigers kochten daarvan. Men drong zich aan 't open portier

waar ik voor zat, en gedienstig reikte ik allen de fruit aan en het geld

daarvoor aan de koopvrouw.

Daar kwam Tante en met haar de conducteur, die de kaartjes moest zien en

knippen. Ik wilde de onzen geven; maar—zij waren weg. Verschrikt zocht

ik op de bank, op den grond, schudde mijn japon uit, onze medereizigers

hielpen mij zoeken—alles te vergeefs—ze waren nergens te vinden.

Alleen 't bewijs onzer goederen was er; de beide plaatskaartjes moest ik

met het aangeven van de vruchten verloren hebben. De conducteur haalde

de schouders op; het speet hem, maar zonder kaartjes kon hij ons met

den besten wil niet veroorloven om mee te reizen; we moesten den waggon

uit of nieuwe plaatsbiljetten nemen. En 't was hoog tijd ook; de trein

zou binnen een paar minuten afrijden. In groote haast snelde ik den

waggon uit. Daar vloog iets naast mij op den grond: het was een der

kaartjes. Gelukkig! dat was ten minste een van de twee; 't andere was en

bleef weg; ik snelde naar 't plaatsloket, en was blij dat ik nog mee kon

komen.

Weenend zat ik in 't hoekje van den waggon. Wel sprak Tante geen enkel

verwijtend woord; maar schaamte en ergernis over mijn onoplettendheid

verbitterden mij 't genot van de reis.

„Steek voortaan terstond je kaartje in je portemonnaie,” zeide Tante.

„Daar is 't op zijn plaats. Je bent de eerste niet wien zoo iets

overkomt. Ik denk dat het je niet licht weer gebeuren zal.”

„Ja,” zuchtte ik, „nadat gij, goede Tante, mijn dwaasheid met grof geld

hebt moeten betalen!”

„Kom, kind!” hernam Tante. „Troost je nu maar. Als men alle dwaasheden

zoo gemakkelijk kon herstellen, zou 't gelukkig zijn. Geniet nu liever

van de schoone streek en denk er maar niet meer over; ik vergeef het je

van ganscher harte.”

En inderdaad: spoedig was er zooveel schoons en interessants te zien,

dat het met een vrij en vroolijk hart moest genoten worden. Wat was ik

verrukt over dat prachtige, oude Neurenberg, waar we nu kwamen; ik kon

mij niet verzadigen aan het bezichtigen van deze merkwaardige stad vol

schoone overblijfselen uit de middeleeuwen. Elk huis heeft iets

eigenaardigs, ieder torentje, iedere gevel, ja iedere dakgoot haar

eigene versiering: schilderwerk, snijwerk, dierkoppen en allerlei

krullen en versierselen ziet men, waar men 't oog ook richt, en dat

alles geeft aan de straten een prettig, bont en toch eerwaardig aanzien.

Natuurlijk bezochten wij al de merkwaardigheden der stad, en dat

Baedeker ons daarbij te pas kwam behoef ik u niet te zeggen. 't Mooist

van alles vond ik de Sint-Sebalduskerk met het prachtige graf van dien

heilige. Wat moet die Peter Vischer toch een knap man zijn geweest;

zijn werk is zoo doodeenvoudig en toch zoo grootsch! Ook de prachtige

St.-Laurenskerk vond ik een verheven monument der middeleeuwsche

bouwkunst. Vooral boeide mij de schoone roos voor 't gothische

voorportaal. Vol aandoening bezocht ik het Johanneskerkhof buiten de

stad, een der schoonste Duitsche kerkhoven. Daar liggen beroemde mannen

begraven als Hans Sachs, Albrecht Dürer, Peter Vischer en andere groote

burgers van 't oude Neurenberg. Maar geen kruisen, urnen of schitterende

tomben, geen met bloemen bedekte graven, geen boomen of zodenheuvels

verheffen zich boven deze rustplaatsen; meer dan drie duizend groote,

vlakke zerken, dicht aan elkander in lange rijen, bedekken de geheele

lengte en breedte hunner grafsteden. Ze zijn versierd met de wapens en

namen der oude geslachten, die sedert eeuwen onder die steenen slapen.

In het gemetselde graf daaronder worden de doodkisten op elkander

gestapeld, en zoo rusten al de leden der familie bij elkander, allen

onder denzelfden grafsteen, die reeds vóór eeuwen hun voorvaderen dekte.

Inderdaad een ernstige en grootsche geslachtsboom, door de hand des

doods zelf geteekend.

Hoe ongaarne verliet ik Neurenberg; maar ons wachtte heel wat schooners:

de heerlijkheid, door geen menschenhand gemaakt, de wonderbare

Alpenwereld. Het bezoek aan München, dat op onzen weg lag, stelden we

uit tot de terugreis; daar zou Eugenie's vader, die er woonde, onze gids

zijn. We naderden nu al meer en meer de Alpenketen, en onze intrede in

deze schoone wereld had niet indrukwekkender kunnen zijn dan zij 't

nu was, want de zon begon reeds te dalen en hulde de bergen in een

donkerrooden, schitterenden gloed, zoodat ze daar stonden als beelden

uit een tooververhaal. Het verhevene en prachtige van dit gezicht ging

zoo alle begrip te boven, dat ik zwijgend de handen vouwde en de tranen

mij in de oogen sprongen. O God! hoe groot, hoe heerlijk schoon is Uwe

wereld en hoe nameloos gelukkig ieder, die daarvan, evenals ik, zulk een

verheven gedeelte mag aanschouwen! Wat zijn alle werken der menschen

tegenover Uwe scheppingen, Uwe wonderen!

Indien ik nu uitvoerig wilde verhalen, waar wij in de volgende weken

ronddoolden, zou ik alleen daarvan een geheel boekdeel kunnen schrijven,

en toch zou ik er u geen goed begrip van kunnen geven, hoe schoon het

overal was. Onvergetelijk zijn mij die zoo heerlijke, gelukkige dagen!

Eerst maakten we een uitstap naar den Algäu met zijn weelderig groene

weiden en prachtig rundvee. Daar waren Immenstadt, Sonthofen en

Oberstdorf de voornaamste plaatsen: in den omtrek daarvan bestegen wij

eenige bergen. Van Immenstadt gaat de spoorweg naar Lindau en 't meer

van Constanz. Ik zou wel graag Zwitserland eens zijn ingegaan; Tante

beloofde een ander jaar met mij derwaarts te zullen reizen, thans

hielden wij ons aan de Beiersche Alpen en hun eerste rustpunt Füszen.

Met bijzondere voorliefde denk ik aan dat schoone plekje! want daar

in de nabijheid ligt de parel van de geheele streek, het bekoorlijke

Hohenschwangau waar we in 't logement „de Alpenroos”, onzen intrek namen

en 't goed hadden bij de kasteleines, eene opgeruimde Tyroolsche in de

schilderachtige nationale kleederdracht, met een roode roos op den

spitstoeloopenden hoed en zilveren ketenen aan 't geregen lijfje. Dicht

bij de deur is 't uitlokkendste plaatsje onder heerlijke lindeboomen:

vóór ons schitterend in het zuiverste blauwgroen het stille Alpenmeer,

waarop blanke zwanen zich bewegen, rondom omgeven door frisch groen en

schilderachtige rotswanden, waarboven in de verte eenige koppen der

Alpenketen komen uitkijken. 't Was waarlijk geen wonder dat de koning

van Beieren hier voor zijne gemalin Maria het prachtige slot heeft doen

bouwen, waaruit men een ruim uitzicht heeft over bergen, meren en over

't vlakke land.

Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is · 第 24 / 28 题