De reis.
Ofschoon wij gaarne met Eugenie's vader de reis naar Duitschland
ondernomen hadden, konden wij dit plan niet volvoeren, omdat Tante
noodzakelijk weer naar de plaats terug moest, waar haar zuster was
gestorven, ten einde met Papa de zaken daar te regelen, en het verlof
van Eugenie's vader niet lang genoeg duurde om daarop te wachten. Voor
mij was dat een heel eenzame tijd: Tante weg, Eugenie en de baron weg.
Had ik Marie niet gehad, ik zou waarschijnlijk 't heimwee hebben
gekregen. Hoe gelukkig was ik toen Tante, spoediger dan ik verwacht had,
terugkwam.
Nu moesten we ons voor de reis gereedmaken. We waren over de gestorvene
tante in den rouw gegaan en hadden dus niet veel pakkage noodig, waarvan
Tante trouwens toch niet hield. „Groote reiskoffers en eene massa doozen
en pakken,” zeide zij, „geven mij geen gunstige meening van de reizigers
aan wie zij behooren; want ze zijn òf zeer onpractisch òf pronkerig en
parvenuachtig.” Ik ondervond zelf, hoe aangenaam het is weinig pakkage
bij zich te hebben, en was tamelijk trotsch op den kleinen omvang, dien
ons reisgoed innam in vergelijking met dat van andere reizigers. Vooral
doozen, mandjes en pakjes, die men zoo los meeneemt, werden door Tante
zorgvuldig vermeden, en ik moest er nu om lachen als ik aan de talrijke
kistjes en pakjes dacht, die ik bij 't afscheid van 't ouderlijke huis
om mij heen stapelde; ja, ik zou zelfs toen mijn kanarievogel in zijn
kooi op mijn schoot hebben meegevoerd, als Tante mij dat niet belet had.
Thans hadden we niets bij ons in den waggon, dan onze parapluies en
parasols, een paar wollen doeken, opgerold en met riempjes vastgegespt,
en ieder een leeren taschje, waarin kleine reisbehoeften zooals wat eau
de cologne, chocolaadjes, een paar naalden met een klosje garen, een
Bädeker, een notitieboekje, een borstel en een zakdoek. Al het andere
moest achterblijven, hoe graag ik 't ook had meegenomen; daar ik maar
niet kon begrijpen dat men op reis veel ontberen moet of anders liever
moet thuisblijven. Tante had vroeger veel met haar man gereisd en
daardoor veel ondervinding opgedaan; daarbij was ze een eenvoudige
en practische vrouw en ook op dit gebied kon ik dus geen betere
leermeesteres vinden. En wat ze er slag van had om een koffer te pakken!
Ik had het geprobeerd; maar de koffer was vol, terwijl er nog een heele
hoop dingen naast lagen, die er maar niet in konden, hoe ik ook pakte of
niet. Daar kwam Tante er bij. Bedaard pakte zij alles weer uit en nu
begon zij. Op den bodem legde ze de zware dingen: ondergoed, boeken en
wat dies meer zij, dan keurig opgevouwen japonnen en rokken. Daarboven,
ieder in een bijzondere afdeeling, de kragen, doekjes en dergelijke
zaken. Linten, handschoenen en andere losse kleinigheden werden in een
afzonderlijk doosje gedaan, dat netjes in een hoekje werd gedrukt. Alle
andere gaatjes werden met schoenen en andere voorwerpen gevuld, die niet
meegaven; en zoo zag ik met veel genoegen, hoe eindelijk alles eene
plaats vond: 't was of de kleine koffer onder Tante's handen van
elastiek was geworden; zooveel ging er in.
De reis van Den Haag naar Arnhem was voor mij niet nieuw en vooral
boven Utrecht tamelijk vervelend. Des te meer gelegenheid had ik, het
reisgezelschap op te nemen dat zich met ons in denzelfden waggon bevond.
Het bestond uit eenige dames, jonge en oude; twee daarvan zaten zwijgend
in een hoek, de derde echter begon spoedig met Tante en mij een gesprek
aan te knoopen, en scheen veel belang te stellen in alles wat wij haar
mededeelden. Tante echter scheen weinig lust te hebben om veel met haar
te praten: zij haalde een boek voor den dag en begon te lezen. De dame
hield zich nu geheel met mij bezig, en, ofschoon ik nu juist niet kon
zeggen dat zij mij erg beviel, vond ik toch dat de beleefdheid eischte
haar fatsoenlijk te antwoorden, en zoo wist zij spoedig in welke
betrekking ik tot Tante stond, ons beider namen en het doel van onze
reis.
„Nu, dat treft al bijzonder,” zeide zij. „Ik ga ook naar de Saksische
Schweiz. Het doet mij zeer veel genoegen dat ik u en uwe Tante ontmoet
heb. We moeten maar trouw bij elkander blijven. Ik ben heel gelukkig dat
ik zulk een goed gezelschap gevonden heb, en zal mij in alles naar u
voegen: want voor eene dame is 't alleenreizen alles behalve aangenaam.
Dat zult gij wel begrijpen.”
Ik kon haar daarin geen ongelijk geven, en dewijl zij een fatsoenlijke
dame scheen te zijn, nam ik haar aanbod met vreugde aan, en vond het
zelfs wel aardig dat we nu een reisgezellin hadden. Nu begon ze Tante
met vragen te bestormen, hoe ze verder dacht te reizen, om zich daarnaar
te richten; Tante echter scheen niet zeer in haar humeur te zijn, want
ze gaf haar slechts ontwijkende antwoorden.
Toen we aan een station waren gekomen, waar de trein eenige minuten
stilhield en den passagiers de gelegenheid werd gegeven iets te
gebruiken, ging Tante den waggon uit en stapte tot mijn verwondering in
een andere.
„Hé, Tante, dat is onze waggon niet,” zeide ik.
„Dat weet ik wel, Margot,” antwoordde Tante. „Ik doe dat opzettelijk.”
„Beviel 't u dan in dien anderen waggon niet?” vroeg ik. „We hadden daar
toch zulk een goed gezelschap.”
„Neen, Margot,” antwoordde zij. „Dat indringen van die dame was
onverdragelijk. Veel degelijks is zij niet; reeds op 't eerste gezicht
beviel zij mij in 't geheel niet.”
„Maar ze scheen zoo fatsoenlijk en tevens zoo goedhartig en ze reist zoo
alleen,” hervatte ik medelijdend. „Ik kan zeer goed begrijpen, hoe blij
ze was dat ze gezelschap vond.”
„Wees daaromtrent maar gerust, kind,” antwoordde Tante glimlachend.
„Zij zal niet lang alleen reizen, daar kunt ge op aan. Ons gezelschap
zal ze echter moeten missen; wij passen niet voor haar. Voor 't overige
moet je voortaan voorzichtiger zijn, Margot, en niet aan iedereen
terstond vertellen wie we zijn en waar wij heengaan. Op reis treft men
al te dikwijls menschen aan, voor wie men zich moet wachten. Wees liever
al te stilzwijgend tegen uw reisgezelschap dan te openhartig; vooral een
jong meisje kan op dit punt nooit te voorzichtig zijn.”
Ik volgde den raad van Tante en merkte nu ook op, hoe teruggetrokken de
meeste onzer medereizigers waren, vooral de dames. Prettig vond ik dat
nu juist niet; maar er was zooveel te zien, dat ik het best zonder
praten afkon.
En dat Tante gelijk had mij tot voorzichtigheid aan te manen, ondervond
ik slechts al te goed. We waren te Dresden aangekomen, en, ofschoon
we onzen intrek in een logement genomen hadden, had Tante mij daar bij
de familie geïntroduceerd van een harer oude schoolvriendinnen, wier
echtgenoot een aanzienlijke betrekking bekleedde. In gezelschap van deze
familie bezochten wij „de Saksische Schweiz.” We bevonden ons in een
heerlijk dal, toen ons een vroolijk troepje te gemoet kwam, welks luid
gepraat en gelach onze oplettendheid tot zich trok. In dat gezelschap
merkte ik terstond de dame uit den waggon op. Ze was zeer keurig gekleed
en behoefde ten minste op dat oogenblik niet over de eenzaamheid te
klagen; want ze bevond zich in 't gezelschap van eenige jonge elegante
heeren, met wie ze zeer veel pret scheen te hebben. Op eens zag ze ons
en snelde naar ons toe.
„Hé, Mevrouw!” riep ze uit, terwijl zij Tante de hand toestak, als waren
ze jarenlang familiare kennissen geweest. „Wat verheugt het mij, u te
zien. En u ook, Margot! kijk, dat is een heerlijke ontmoeting!”
Tante beantwoordde den groet met in 't oog vallende koelheid, en ik kon
niet zeggen dat ik bijzonder in mijn schik was om de dame weer te zien,
die mij nu nog minder beviel; ik antwoordde echter vriendelijk op haar
vragen—dat kon toch niet anders. Zij scheen wel lust te hebben om in
ons gezelschap te blijven; maar spoedig bezon ze zich en volgde haar
geleiders, die zeer met haar bevriend schenen te zijn.
„Hoe komt ge toch aan die kennis, Mevrouw!” riep de echtgenoot van
Tante's vriendin uit, zoodra de dame ons verlaten had.
„Zij heeft een eindje met ons gereisd, verder ken ik haar niet,”
antwoordde Tante. „Weet gij misschien iets naders van haar?”
„Iets naders? Dat nu juist niet. Evenwel zou ik u raden, die dame op een
afstand te houden—voor juffrouw Margot is ze ten minste geen gepast
gezelschap. Ze behoort tot een troep reizende komedianten en moet al
rare avonturen gehad hebben.”
Ik kreeg een kleur als bloed en was blij, toen onze wandeling was
afgeloopen: want ik was bang dat we die dame soms nog eens mochten
ontmoeten. En ik voelde mij vrij wat verlicht, toen mij den volgenden
dag verteld werd, dat het gezelschap den vorigen avond een
afscheidsvoorstelling gegeven had en zij dus vertrokken was.
Van ons verblijf in Dresden zal ik u niets meer vertellen; ons reisplan
bracht ons verder naar Beieren, waar we een nacht in Hoff vertoefden.
Den volgenden dag reden we voorbij Kulmbach, welks kasteel zoo
schilderachtig van een hooge rots neerziet, en, terwijl de meeste
reizigers het voortreffelijke bier dronken, liet Tante voor ons ieder
een kop koffie brengen. Zij zelf dronk er weinig van en ging op 't
perron op en neer; ik echter ging in de nette restauratiezaal, zette
mijn hoed af, deed mijn handschoenen uit, bracht mijn haar wat in orde
en was juist op mijn gemak gaan zitten om de koffie te drinken, toen
de bengel tot instappen luidde en Tante mij riep, waardoor ik mijn
heerlijke koffie moest laten staan. 't Was alweer een goede les, en
sedert maakte ik wat meer voort, als we eenige minuten aan een station
vertoefden. De schoone streek troostte mij over 't verlies mijner
koffie—we naderden Bamberg, reden het schoone klooster Banz voorbij,
en daar lagen nu in de verte de groene bergen der „Frankische Schweiz.”
We vertoefden eenige dagen in Bamberg, een schoone stad, heerlijk
gelegen, omkranst van vriendelijke bergen en versierd met een prachtigen
Dom en de ruïne van 't slot Altenburg in de hoogte. 't Was heerlijk
weer, toen we derwaarts opstegen. O, wat was dat alles schoon! En welk
een uitzicht! Ik had wel vleugels willen hebben, om zoo eens overal heen
te vliegen.
En dat oude slot herinnerde mij aan historische feiten. Daar moet in
1208 in dezelfde torenkamer waarin wij uitrustten, keizer Philips van
Zwaben door Otto van Wittelsbach omgebracht zijn. Er ging mij een
rilling door de leden, hoewel de nooit uit te wisschen bloedvlek op den
grond mij wat apocrief toescheen; zulke bloedvlekken schijnen bij zulke
akelige geschiedenissen te behooren.
Toen we in Hoff den nacht doorbrachten, was ik op den morgen van ons
vertrek slechts met moeite gekleed en gereed; want eerst liet ik
onbezorgd den tijd voorbijgaan en eindelijk moest ik nog in de grootste
haast het haar slechts half opgemaakt onder mijn hoed steken; want de
omnibus stond reeds voor de deur van 't logement.
Daardoor geleerd, stond ik den morgen van ons vertrek uit Bamberg heel
vroeg op en was met aankleeden, inpakken en ontbijten zoo tijdig klaar,
dat ik Tante verlof vroeg om nog een weinig in de straten te mogen
rondwandelen. „Pas op den tijd!” vermaande zij mij. Vroolijk wandelde
ik nu eenige mij bekende straten door en amuseerde mij uitmuntend; want
het was juist marktdag, en landlieden in vreemdsoortige dracht kwamen
allerwegen de poorten in met hun waren; zoodat weldra overal een bont
gewoel heerschte. Ik trad tot afscheid nog eens den schoonen Dom binnen,
beschouwde de oude beelden en grafgesteenten, vooral 't beroemde
gedenkteeken voor Keizer Hendrik II en zijne gemalin Kunigunde, en
bemerkte niet dat het reeds laat was geworden, toen boven mij de klok
eensklaps het volle uur sloeg. Verschrikt snelde ik weg; want het was
kort bij 't oogenblik van ons vertrek en ik moest nog eerst naar 't
logement. Ik liep dus ijlings voort en meende den weg te weten; maar
welk een schrik! ik moest verkeerd geloopen zijn—eensklaps ten minste
stond ik weer bij den Dom, en wel op dezelfde plaats waar ik straks
geweest was. Ik vroeg nu van straat tot straat; de een wees mij hier-,
de andere daarheen; ik liep badende in zweet altijd voort. 't Kon
onmogelijk de naaste weg zijn, dien men mij wees. Gaarne had ik een
rijtuig genomen—ik zag er geen, of 't was met menschen bezet;
eindelijk, terwijl 't weenen mij nader stond dan het lachen nam ik een
jongen aan om met mij mee naar 't logement te gaan, en kwam daar buiten
adem aan.
Tante was zeer in zorg over mij; den eersten trein konden we natuurlijk
niet meer halen en moesten nu met den twaalfuurstrein gaan. Ik was
geheel en al uit het veld geslagen over mijn onbezonnenheid; maar Tante
troostte mij. Ditmaal had ons verzuim niets te beduiden; ik moest er
echter een les uit trekken: want in een vreemde stad kon dat meer
gebeuren.
Maar de verkeerdheid van dien morgen was slechts het voorspel van andere
dwaasheden, die ik dien dag beging: men heeft zoo zijn ongeluksdagen—ik
was dien morgen zeker met het verkeerde been uit bed gestapt.
Toen wij namelijk om twaalf uren gelukkig aan 't station waren
aangekomen en onze plaatsen hadden ingenomen, ging Tante nog eens uit
den waggon, daar ze juist een bekende in een anderen zag stappen, die
zij gaarne even spreken wilde. Ze gaf mij de kaartjes over en stapte
uit. Juist kwam er een vrouw met heerlijk fruit voorbij en zoowel ik als
mijn medereizigers kochten daarvan. Men drong zich aan 't open portier
waar ik voor zat, en gedienstig reikte ik allen de fruit aan en het geld
daarvoor aan de koopvrouw.
Daar kwam Tante en met haar de conducteur, die de kaartjes moest zien en
knippen. Ik wilde de onzen geven; maar—zij waren weg. Verschrikt zocht
ik op de bank, op den grond, schudde mijn japon uit, onze medereizigers
hielpen mij zoeken—alles te vergeefs—ze waren nergens te vinden.
Alleen 't bewijs onzer goederen was er; de beide plaatskaartjes moest ik
met het aangeven van de vruchten verloren hebben. De conducteur haalde
de schouders op; het speet hem, maar zonder kaartjes kon hij ons met
den besten wil niet veroorloven om mee te reizen; we moesten den waggon
uit of nieuwe plaatsbiljetten nemen. En 't was hoog tijd ook; de trein
zou binnen een paar minuten afrijden. In groote haast snelde ik den
waggon uit. Daar vloog iets naast mij op den grond: het was een der
kaartjes. Gelukkig! dat was ten minste een van de twee; 't andere was en
bleef weg; ik snelde naar 't plaatsloket, en was blij dat ik nog mee kon
komen.
Weenend zat ik in 't hoekje van den waggon. Wel sprak Tante geen enkel
verwijtend woord; maar schaamte en ergernis over mijn onoplettendheid
verbitterden mij 't genot van de reis.
„Steek voortaan terstond je kaartje in je portemonnaie,” zeide Tante.
„Daar is 't op zijn plaats. Je bent de eerste niet wien zoo iets
overkomt. Ik denk dat het je niet licht weer gebeuren zal.”
„Ja,” zuchtte ik, „nadat gij, goede Tante, mijn dwaasheid met grof geld
hebt moeten betalen!”
„Kom, kind!” hernam Tante. „Troost je nu maar. Als men alle dwaasheden
zoo gemakkelijk kon herstellen, zou 't gelukkig zijn. Geniet nu liever
van de schoone streek en denk er maar niet meer over; ik vergeef het je
van ganscher harte.”
En inderdaad: spoedig was er zooveel schoons en interessants te zien,
dat het met een vrij en vroolijk hart moest genoten worden. Wat was ik
verrukt over dat prachtige, oude Neurenberg, waar we nu kwamen; ik kon
mij niet verzadigen aan het bezichtigen van deze merkwaardige stad vol
schoone overblijfselen uit de middeleeuwen. Elk huis heeft iets
eigenaardigs, ieder torentje, iedere gevel, ja iedere dakgoot haar
eigene versiering: schilderwerk, snijwerk, dierkoppen en allerlei
krullen en versierselen ziet men, waar men 't oog ook richt, en dat
alles geeft aan de straten een prettig, bont en toch eerwaardig aanzien.
Natuurlijk bezochten wij al de merkwaardigheden der stad, en dat
Baedeker ons daarbij te pas kwam behoef ik u niet te zeggen. 't Mooist
van alles vond ik de Sint-Sebalduskerk met het prachtige graf van dien
heilige. Wat moet die Peter Vischer toch een knap man zijn geweest;
zijn werk is zoo doodeenvoudig en toch zoo grootsch! Ook de prachtige
St.-Laurenskerk vond ik een verheven monument der middeleeuwsche
bouwkunst. Vooral boeide mij de schoone roos voor 't gothische
voorportaal. Vol aandoening bezocht ik het Johanneskerkhof buiten de
stad, een der schoonste Duitsche kerkhoven. Daar liggen beroemde mannen
begraven als Hans Sachs, Albrecht Dürer, Peter Vischer en andere groote
burgers van 't oude Neurenberg. Maar geen kruisen, urnen of schitterende
tomben, geen met bloemen bedekte graven, geen boomen of zodenheuvels
verheffen zich boven deze rustplaatsen; meer dan drie duizend groote,
vlakke zerken, dicht aan elkander in lange rijen, bedekken de geheele
lengte en breedte hunner grafsteden. Ze zijn versierd met de wapens en
namen der oude geslachten, die sedert eeuwen onder die steenen slapen.
In het gemetselde graf daaronder worden de doodkisten op elkander
gestapeld, en zoo rusten al de leden der familie bij elkander, allen
onder denzelfden grafsteen, die reeds vóór eeuwen hun voorvaderen dekte.
Inderdaad een ernstige en grootsche geslachtsboom, door de hand des
doods zelf geteekend.
Hoe ongaarne verliet ik Neurenberg; maar ons wachtte heel wat schooners:
de heerlijkheid, door geen menschenhand gemaakt, de wonderbare
Alpenwereld. Het bezoek aan München, dat op onzen weg lag, stelden we
uit tot de terugreis; daar zou Eugenie's vader, die er woonde, onze gids
zijn. We naderden nu al meer en meer de Alpenketen, en onze intrede in
deze schoone wereld had niet indrukwekkender kunnen zijn dan zij 't
nu was, want de zon begon reeds te dalen en hulde de bergen in een
donkerrooden, schitterenden gloed, zoodat ze daar stonden als beelden
uit een tooververhaal. Het verhevene en prachtige van dit gezicht ging
zoo alle begrip te boven, dat ik zwijgend de handen vouwde en de tranen
mij in de oogen sprongen. O God! hoe groot, hoe heerlijk schoon is Uwe
wereld en hoe nameloos gelukkig ieder, die daarvan, evenals ik, zulk een
verheven gedeelte mag aanschouwen! Wat zijn alle werken der menschen
tegenover Uwe scheppingen, Uwe wonderen!
Indien ik nu uitvoerig wilde verhalen, waar wij in de volgende weken
ronddoolden, zou ik alleen daarvan een geheel boekdeel kunnen schrijven,
en toch zou ik er u geen goed begrip van kunnen geven, hoe schoon het
overal was. Onvergetelijk zijn mij die zoo heerlijke, gelukkige dagen!
Eerst maakten we een uitstap naar den Algäu met zijn weelderig groene
weiden en prachtig rundvee. Daar waren Immenstadt, Sonthofen en
Oberstdorf de voornaamste plaatsen: in den omtrek daarvan bestegen wij
eenige bergen. Van Immenstadt gaat de spoorweg naar Lindau en 't meer
van Constanz. Ik zou wel graag Zwitserland eens zijn ingegaan; Tante
beloofde een ander jaar met mij derwaarts te zullen reizen, thans
hielden wij ons aan de Beiersche Alpen en hun eerste rustpunt Füszen.
Met bijzondere voorliefde denk ik aan dat schoone plekje! want daar
in de nabijheid ligt de parel van de geheele streek, het bekoorlijke
Hohenschwangau waar we in 't logement „de Alpenroos”, onzen intrek namen
en 't goed hadden bij de kasteleines, eene opgeruimde Tyroolsche in de
schilderachtige nationale kleederdracht, met een roode roos op den
spitstoeloopenden hoed en zilveren ketenen aan 't geregen lijfje. Dicht
bij de deur is 't uitlokkendste plaatsje onder heerlijke lindeboomen:
vóór ons schitterend in het zuiverste blauwgroen het stille Alpenmeer,
waarop blanke zwanen zich bewegen, rondom omgeven door frisch groen en
schilderachtige rotswanden, waarboven in de verte eenige koppen der
Alpenketen komen uitkijken. 't Was waarlijk geen wonder dat de koning
van Beieren hier voor zijne gemalin Maria het prachtige slot heeft doen
bouwen, waaruit men een ruim uitzicht heeft over bergen, meren en over
't vlakke land.