Weder in 't ouderlijke huis.
Met welke gemengde gewaarwordingen vloog ik mijn lieven Papa om den
hals, toen hij na zulk een lange scheiding in Den Haag kwam om mij af te
halen, en met welk een gevoel van vreugde zoowel als van smart, reisde
ik weer naar mijn dorp, nadat het afscheid van mijn hoogvereerde Tante
achter mij lag.
Toch deed het mij goed, ons oud, lief dorp weer te zien, waarbij ons
landgoed lag. Ja, dat was toch maar de schoonste plaats op de geheele
wereld, schooner nog (in mijn oog althans) dan alles wat ik op mijn
reis met zooveel verrukking bewonderd had. Die boomen, die huizen, die
wegen—'t waren alle oude kennissen, die ik terugzag. Daar scheen de zon
nog even vroolijk op 't blauwe leiendak en op den spitsen toren van 't
kerkje, als ze dat voor anderhalf jaar deed—en toen ik daar onzen ouden
Frits op 't voorbankje van ons wagentje zag zitten en ik mijn oog op de
lieve bruintjes sloeg, was 't mij of ik nooit weg geweest was.
En buiten het dorp, daar zag ik den ouden Thomas den herder, die
zijn hoed zoo diep voor ons afnam—hoe dikwijls had ik met dien man
gekeuveld! Zijn hond kwam naar den wagen toe om onze paarden aan te
blaffen, juist zooals hij 't voor anderhalf jaar deed, toen we het dorp
uitreden. En daar stonden de dorpskinderen ons aan te gapen, zooals ze
't altijd rijtuigen deden: verlegen en bloode de meisjes, brutaal en
onbescheiden de jongens—ik kende de meesten nog; want zooveel waren ze
in die achttien maanden niet veranderd. Daar kwamen we aan de eerste
huizen van het dorp—allemaal bekenden—en de menschen evenzoo, en zij
groetten allen zoo vriendelijk en ik was zoo blij dat ik ze weer zag.
Eindelijk, daar kwamen we aan ons landgoed, ons statig huis met de gele
jaloeziën en de groengeverfde deur. En daar op den hof stond de paal
met den ooievaar, die weer jongen had, juist zooals ik 't van jongsaf
had gezien. En 't bassen van onzen grooten Turk, die zich wel van
zijn ketting had willen losrukken, toen we 't hek van 't landgoed
binnenreden, zeker omdat hij blij was over mijn terugkomst! En, o
vreugde! daar kwamen onze kleine jongens in hun ezelwagen aan, Lize
tusschen hen in als eene groote dame. Ik kon 't niet langer uithouden en
had wel uit het wagentje willen springen. Gelukkig hield Frits een
oogenblik later voor de huisdeur stil.
De jongens hadden me al gezien. Zij waren uit den ezelwagen gesprongen
om mij te verwelkomen en hadden de arme Lize er maar laten inzitten, die
echter bij de hand genoeg was om er zelf uit te kruipen. Ik werd bijna
doodgedrukt en toen ging het met groot gejuich de voordeur in. En Mama!
ik dacht dat ze me nooit zou loslaten; ik weende en lachte te gelijk.
En toen werden allen op hun beurt nog eens door mij omhelsd en gekust.
Toen kwamen ook de dienstboden en een glans van genoegen straalde hen
uit de oogen en op hun boersche manier gaven ze hun vreugde over mijn
terugkomst te kennen. Nu moest ik eerst al de kamers eens door om die
oude, gezellige bekende vertrekken weer te zien. Daarna in den bloemhof,
in den moestuin, in den boomgaard, overal sleepten de jongens mij heen
en 't scheelde weinig, of ik zou 't bouw- en weiland ook hebben moeten
bezoeken. En onder de hand werd mij allerlei aangewezen: de nieuwe
kropduiven, die al tweemaal gebroeid hadden, en wat een aantal
kiekentjes! Verder moest ik naar den stal om de twee melkkalveren en de
jonge geitjes te zien. En dan den prachtigen bles, dien Papa een maand
geleden gekocht had! Ook den nieuwen schommel: en daar moesten de
jongens mij toonen hoe hoog ze durfden schommelen!
En wat waren de kinderen allemaal groot geworden in die anderhalf jaar!
Johanna, die drie jaren jonger was dan ik, scheelde niet veel met mij
in lengte, Eduard, die een jaar met mij in leeftijd verschilde en die
met de vacantie thuis was, was bijna een hoofd grooter dan ik. Hij zag
wat bleek, de goede jongen, zeker door het te sterk groeien. En die
ondeugende Frits en de kleine Max en Lize, wat zagen die er ferm uit!
„En wat ben jij een knappe meid geworden, Margot!” zei Mama, terwijl ze
mij met een verheugd gelaat beschouwde.
„De stadslucht schijnt je goed bekomen te zijn.”
„Ze ziet er als een dame uit, piek fijn!” zeide Eduard, terwijl hij aan
iets boven zijn lip trok, dat haar moest voorstellen en hem verbeelden
deed dat de knevel in aantocht was.
„Heb je wat meegebracht, Margot?” vroeg de kleine Lize, terwijl ze aan
de riempjes van mijn reistaschje trok.
„Ja, ja! Uitpakken, Margot!” riepen de andere kleinen.
„Je moet wachten tot mijn koffer komt,” zeide ik. „Denk je dat ik al de
presenten heb kunnen dragen?”
„O, dan zal 't mijne wel heel groot zijn! Vast een hobbelpaard,” juichte
Max.
„En nu, Margot, moet je je kamertje eens zien,” zei Mama, en zij bracht
mij naar een allerliefst vertrekje, waar ik een prachtig uitzicht had.
Juist zoo'n ledikant, als waarin ik bij Tante had geslapen met witte
gordijnen, boven mijn latafel hing, met een groenen krans omgeven, het
sprekend gelijkend portret van Tante Betsy! O, welk een allerliefste
verrassing! Met tranen in de oogen viel ik mijne lieve moeder om den
hals en toen ik mijn koffer later uitgepakt had, kwamen Marie en Eugenie
er naast hangen. Zoo had ik nu toch 't liefste, wat ik in Den Haag had
achtergelaten, hier dagelijks voor oogen.
Naast mijn kamertje sliep Johanna, wier bijzondere opvoeding mijne
goede moeder nu aan mij toevertrouwde. „Ik denk dat je eene leerzame
scholierster aan haar zult hebben,” zeide Mama. „Het is het beste middel
voor u, om je eigene opvoeding te voltooien, wanneer je je zusje tot een
goed voorbeeld wilt dienen. Nu kun je toonen of je bij Tante wat geleerd
hebt.”
Ik verheugde mij ongemeen over 't vertrouwen, dat Mama in mij stelde,
door mij Johanna's opvoeding toe te vertrouwen. Reeds gedurende mijn
verblijf bij Tante Betsy was die wensch dikwerf in mij opgekomen; want
mijn zachtzinnig zusje, dat veel knapper en aanvalliger was dan ik ooit
in mijn leven ben geweest, groeide, evenals ik vroeger, in boersche
gewoonten en manieren op, en nu zou 't geen ik bij Tante geleerd had,
haar te pas komen. De liefde en de volgzaamheid van het zachtzinnige
kind deden mij dat vurig wenschen. Daarenboven hoopte ik ook Mama's
zorgen voor 't huishouden te verlichten en de kleinere broers en vooral
Lize onder mijn bijzonder opzicht te nemen. Papa had kort geleden een
gouverneur aangenomen, die de jongens bezig hield en hun de eerste
beginselen leerde. Van hem kreeg ook Johanna les. En nu zou ook ik zijn
scholierster worden, want hij bood aan, mij nog eenige lessen in de
muziek en de talen te geven. Natuurlijk nam ik dit met dankbaarheid aan,
en zoo doorleefde ik een gelukkigen tijd vol werkzaamheid en genoegen in
den kring mijner dierbaren; terwijl de herinnering aan de residentie
dit kalme leven met een liefelijken glans verhelderde. Een drukke
briefwisseling onderhield de banden met de verre vrienden; want zoowel
Tante als Marie schreven mij dikwijls uitvoerige epistels, waarin zij
mij op de hoogte hielden van al wat er in haar kring voorviel. Eugenie
schreef weinig; want ze was geen groote briefschrijfster; dat wist ik
nog wel van vroeger, maar des te aangenamer waren mij dus haar enkele
opgeruimde brieven, waarin nog altijd de een of andere plagerij
voorkwam.
Op zekeren dag kwam er een doodbericht, dat mij trof, ofschoon ik de
gestorvene nooit persoonlijk gekend had. Tante Betsy had er reeds eenige
malen op gezinspeeld dat Eugenie's moeder in een lijdenden toestand
verkeerde. Ze had niet eens aan haar belofte om eenigen tijd bij haar
schoonzoon te komen doorbrengen kunnen voldoen, en daarom waren Eugenie
en de baron naar haar toegereisd. Ze hadden de anders zoo levenslustige
vrouw veel veranderd gevonden; wel nog altijd vol belangstelling voor
de ijdelheden des levens, maar niet meer instaat daaraan mede te doen.
Ook scheen haar lichaamslijden haar gemoed verzacht te hebben—de
goedhartige Eugenie kon ten minste niet van haar scheiden. Ze had
terstond naar haar Papa geschreven, en deze kwam nog juist bijtijds om
gedurende de laatste levensdagen der zieke tegenwoordig te zijn. Zware
koortsen sloopten spoedig 't reeds lang geschokte gestel. Haar laatste
woord was een bede om vergiffenis tot den echtgenoot, voor 't leed
dat zij hem had aangedaan; haar laatste blik een van dank voor zijn
onverdiende liefde. En zoo was een leven geëindigd, dat weinig geluk en
zegen om zich heen had verspreid. Eugenie was werkelijk bedroefd over
den dood eener moeder, aan wie ze, ondanks de gebreken en zwakheden der
wereldschgezinde vrouw, toch gehecht was geweest. Ze wist haar vader
te overreden, om den eersten tijd na den dood zijner vrouw, bij haar
op haar buitengoed te komen en de liefde zijner kinderen vergoedde
den zwaarbeproefden man veel voor het verdriet, dat hij jarenlang
had ondervonden. Plannen voor de toekomst had hij nog niet gemaakt;
ik vernam echter uit een brief van Eugenie, dat het haars vaders
innigste wensch was met Tante Betsy samen te wonen. Ik twijfelde er
geen oogenblik aan of Tante zou daaraan voldoen, en 't verwonderde mij
evenmin dat zij er de voorwaarde bij maakte, dat hij zijn intrek in haar
huis in Den Haag moest nemen; want het zou haar te veel gekost hebben,
die stad en dat huis te verlaten; daarenboven was hij daar dichter bij
zijn kinderen. En zoo scheen 't wel dat de edele vrouw bestemd was om
allen, die met haar in aanraking kwamen, gelukkig te maken.
* * * * *
Meer dan een jaar was verloopen, sedert ik in 't ouderlijke huis was
teruggekeerd. Op zekeren morgen scheen de zon met buitengemeenen glans
door mijn vensterruiten. 't Was nog zeer vroeg en de witte herfstdamp
lag nog als een waas over de weiden uitgespreid; aan het reeds bonte
loof der boomen hingen dauwdruppels, die als diamanten in den vroegen
zonneschijn flikkerden en de frissche morgenwind blies reeds enkele
verdorde bladeren tegen het venster, waardoor ik peinzend mijn blikken
in de verte liet weiden. Het dorp scheen nog in diepe rust verzonken:
slechts in 't ooievaarsnest vlak over mij was beweging; de ouden
klepperden hun kroost een morgengroet toe en begonnen weldra hun jongen
in 't vliegen te onderwijzen; want de tijd van hun vertrek was nabij
en wee den ooievaar, die de lange reis over zee niet kan uithouden:
onbarmhartig wordt hij door zijn reismakkers gedood. Ver over de huizen
van het dorp zweefden zij weg en hun witte veeren schitterden in den
zonneschijn.
Dezelfde rust en vrede, die de geheele natuur ademde, vervulden mijn
ziel, en met een dankbaar, vroolijk hart zag ik tot den Vader daarboven
op en bad Hem om zijn verdere bescherming en zijn voortdurenden zegen.
Eensklaps voel ik mij door twee armen omvat en twee zachte blauwe oogen
zien mij vol liefde in 't gelaat.
„Goeden morgen, Margot! God zegene u!” zeide een vriendelijke stem en
een paar zachte lippen drukten zich op de mijnen.
„Hoe! Reeds wakker, Marie?” riep ik verbaasd uit en keek mijne vriendin
in het blozend gelaat.
„Ook ik had geen rust meer in de veeren,” antwoordde ze opgeruimd. „De
vreugde ontrooft iemand den slaap evengoed als de smart. Daarenboven was
't wel noodig dat ik vroeg opstond: want we hebben van daag heel wat te
doen. Ik zal Johanna wakker maken om met mij den tuin te plunderen. Er
zijn wel is waar niet veel bloemen meer; maar gij hebt hier zooveel
schakeeringen van asters en herfstbijloozen en zulke zachtgetinte
dahlia's, dat wij met wat bonte bladeren er tusschen nog wonderen kunnen
doen. Desnoods nemen wij bonte bladeren in plaats van bloemen; en voor
slingers kan men sparregroen gebruiken.”
Het duurde niet lang of ik zag de beide blondines, Marie en Johanna,
in een licht morgengewaad den tuin inhuppelen, en als bijen van de
eene bloem naar de andere zwevende, tusschen de boomen verdwijnen.
Langzamerhand werd nu alles wakker: honden blaften, kleine kinderen
trippelden halfgekleed voor de deuren, de vensters werden geopend, de
rook steeg uit de schoorsteenen op, overal klonken stemmen en begonnen
de menschen hun dagtaak. Nu kon ook ik 't niet langer in de kamer
uithouden; juist wilde ik mij bij de twee meisjes in den tuin voegen,
toen onder mij een raam werd opgeschoven en met de frissche morgenlucht
een heldere kinderstem mijn venster binnendrong. Als een pijl uit den
boog snelde ik de trappen af naar de plaats vanwaar 't kinderstemmetje
kwam. Voor 't open venster zat een fiksche gezonde min in boerenkleeding
en op haar arm danste een allerliefste knaap van zes maanden. Zoodra hij
mij zag stak hij mij kraaiend zijn mollige armen uit het rijkgeborduurde
hemdje te gemoet. Ik ging in de vensterbank zitten, kuste den kleinen
engel en liet mijn blikken door de kamer weiden. Op den achtergrond
stond een ledikant, waarin eene jonge vrouw, de moeder van het knaapje,
die mij vriendelijk toeknikte.
„Goeden morgen, Eugenie! schandelijke luilak!” riep ik, „je zoon aardt
niet naar je, want die is wat vroeger uit de veeren.”
„Ja, hoe dat komt, is mij een raadsel,” zeide de moeder. „De kleine
kwelgeest wordt met de zon wakker, als een echte boerenjongen.”
„Dat komt omdat hij bij Madeliefje op het boerendorp in den kost is,”
antwoordde ik lachend. „'t Is hier een mooi kosthuis voor een jongen
baron!”
„Een baron? een afschuwelijke bengel is hij!” riep Eugenie lachend uit.
„En zijn Papa is op hem zoo trotsch, als ik van mijn leven nog geen
mensch gezien heb. Hoe hij acht dagen zonder hem heeft kunnen zijn, is
iets wat ik niet begrijp. Dat ik wegging kon hem in 't geheel niet
schelen; toen was het: „je hebt het Margot al zoo lang beloofd en kunt
er dus niet langer mee wachten; zoodra ik 't noodigste heb afgedaan,
kom ik ook, 't zal dus maar een korte scheiding zijn.” Maar dat hij den
jongen voor een paar dagen moest missen, dat was voor hem een ramp! Een
mensch zou wel willen wegloopen van zulk een beer van een man.”
„Nu, je bent ook van hem weggeloopen,” riep ik vroolijk, terwijl ik met
den kleinen baron speelde. Intusschen was Eugenie opgestaan en trad naar
ons toe; ze nam haar jongen in de armen en stoeide met hem. 't Was een
bekoorlijk tafreel, die gelukkige moeder met haar kind, prachtig
beschenen door de morgenstralen der zon.
Doch wij bleven niet lang alleen. De huisdeur ging open, en mijn jonge
broertjes en Lize kwamen op mij af.
„Goeden morgen, Margot!” riepen ze. „Wat zullen we vandaag een pret
hebben! Er worden taarten gebakken en twee vette kalkoenen geslacht! En
mijnheer Punt (dat was de gouverneur) maakt met Eduard de ballons klaar,
die morgenavond aan de boomen zullen hangen, en het vuurwerk dat hij zal
afsteken.”
Zoo riepen ze door elkander en er hielp niets aan: ik moest met het
wilde volkje mee om 't een en ander te gaan bekijken—ofschoon ik 't
eigenlijk niet zien mocht, het moest een verrassing voor mij blijven.
Maar als ge iemand verrassingen bereidt—houdt die dan geheim voor zulke
enfants terribles, die juist de hun toevertrouwde geheimen 't spoedigst
aan den man brengen.
„Kom,” riep ik eindelijk. „We zullen met Marie en Johanna kransjes
vlechten.” Jubelend werd dat voorstel aangenomen en we gingen in den
bloemtuin, waar we beiden bezig vonden met het maken van bontgekleurde
slingers. Toen ze mij zagen kwamen ze vroolijk naar mij toe en Marie
zette mij ondanks mijn tegenstribbelen een allerliefsten krans van
kleine roode asters op 't hoofd. „Rozen zijn er niet meer,” zeide zij,
„daarom hebben we hulptroepen moeten laten aanrukken. Jij bent heden de
koningin van 't feest en moet een kroon dragen, opdat de geheele wereld
u kenne en u huldige.”
„Morgen is 't eerst de groote feestdag,” antwoordde ik. „Vandaag mag ik
nog geen krans dragen.”
„Neen, neen, morgen kunnen we 't met zulke ordinaire bloemen niet af;
dan moet een krans van oranjebloesem uwe zwarte lokken sieren.” zeide
Marie. „O, lieve Margot, je weet niet hoe blij ik ben dat ik dezen dag
met je vieren kan.”
„Goeden morgen, dames!” klonk het thans achter ons, en we zagen onzen
lieven vriend en buurman, dominee Van Dijke, die in de vroegte een
wandeling deed, en zeker 't gejubel in den tuin gehoord had. Hartelijk
reikte ik hem de hand en we praatten eenigen tijd met elkander.
Daarop ging ik met de kinderen in huis, om te zorgen dat ze gekleed
werden, waarin Johanna mij zou helpen. Ik groette den predikant en
verontschuldigde mijn weggaan. Toen ik in den tuin terugkwam om Marie
aan 't ontbijt te roepen, dacht ik haar nog druk bezig te vinden met het
vlechten der slingers; ik was dus hoogst verbaasd toen ik haar kalm op
de tuinbank zag zitten met den jongen predikant naast haar, maar hunne
houding deed mij terstond vermoeden wat er gebeurd was.
„Maar ik bid u, juffrouw Margot,” zeide dominee Van Dijke, nadat hij
mij bekendgemaakt had, dat hij Marie gevraagd en haar jawoord gekregen
had, „ik bid u, verzwijg het tot morgen. Dan willen we het aan uw
bruiloftsdisch bekend maken, want zeker zal het de vreugde van het feest
verhoogen, als de gasten hooren dat er spoedig weder een andere bruiloft
op til is.”
Ik beloofde tot zoolang te zwijgen. „Maar tot uw straf dat ge me zoo
listig 't hart mijner vriendin voor de helft ontsteelt, dominee, beroof
ik u thans terstond van uw aanstaande bruid. Of ge zoudt er lust in
moeten hebben, heden met ons te ontbijten.”
„Ik dank u,” antwoordde de predikant. „Ik vrees dat ik in dat geval zou
doen als de kinderen en mijn geheim te vroeg verraden.”
„Daar zou ik ook voor vreezen, dominee,” antwoordde ik. „En dus, adieu!
We mogen de gasten niet laten wachten.”
Zoo was mijn stille hartewensch vervuld. Marie zou de gade worden van
den man, dien we allen zoo hoog vereerden, sedert hij, twee jaren
geleden, bij ons predikant was geworden. Ik had reeds sedert geruimen
tijd bemerkt, dat beiden elkander liefhadden en week op week verwacht
wat nu gebeurd was. Nu was alles in orde, en 't zou een nieuwen glans
aan mijn eigen trouwdag geven.
Want, inderdaad, lieve lezeressen! Sedert veertien dagen was ik de
bruid, en al die toebereidselen tot een feest waren ter viering van mijn
bruiloft. Reeds sinds een half jaar was het „tusschen-mal-en-dwaze”
meisje verloofd—met wien? Nu, dat kunt gij wel raden. Waarschijnlijk
hebt ge bij 't lezen dezer bladeren er eer aan gedacht dan ik. 't Was
kort na mijn terugkomst in 't ouderlijke huis geweest, dat er een brief
uit Den Haag kwam—eenige dagen later door den schrijver zelf gevolgd.
En die schrijver was? Natuurlijk niemand anders dan zekere dokter, en
juffrouw Margot.... „zal nu morgen Mevrouw Huisman worden!” roept gij
mij toe. En ge hebt het geraden.—Marie was reeds twee maanden bij mij,
om Mama en mij aan mijn uitzet te helpen; Eugenie had sedert acht dagen
bij ons gelogeerd, haar echtgenoot, haar vader, Tante Betsy, Eduard en
zijn ouders wachtten we heden, en morgen zou ik trouwen. Wat kon ik nu
nog meer wenschen!
De rijtuigen rolden door het dorp, de honden blaften, de dorpsjeugd
jubelde en de koetsiers lieten hun zweepen vroolijk klappen. Welk een
leven in en om ons huis! Papa en Mama vlogen Tante Betsy in de armen,
Eugenie in die van den baron, die vrouw en kind te gelijk omvatte en
misschien niet losgelaten zou hebben, als zijn vrouwtje zich niet
losgerukt en hem den knaap op den arm gegeven had. Uit zijn armen snelde
ze in die haars vaders en daarna hing ze aan de trouwe borst van Tante
Betsy.
En ik—ach! ik zag niets voor mij dan twee helderblauwe oogen, die
mij zoo innig aanstaarden en voelde twee stevige armen, die mij zoo
vast omklemden, als waren er weer van die kerels van 't Eibmeer in
de nabijheid, toen ik zoo radeloos aan die trouwe borst vluchtte.
„Broer Anton, Lize wil u ook eens goeden morgen zeggen,” zeide mijn
bruingelokt jongste zusje, dat op ons kwam aandartelen.
„Goeden morgen, zusjelief,” zeide mijn bruidegom vroolijk; terwijl hij
't lieve kind tot zich ophief en het hartelijk kuste. Nu kwamen ook
de twee guitige zwagertjes aansnellen om hun aanstaanden broeder te
begroeten, op wien de beide jongens braaf grootsch waren; vooral omdat
ze Anton tegen hem mochten zeggen. Daarop bracht ik den aanstaanden
schoonzoon bij Papa en Mama, die hem hartelijk verwelkomden.
Ons vriendelijk, stil huis was zeker heel verbaasd over de vele
vreemden, die het binnen zijn muren moest opnemen; daar allen behalve
Anton, die bij dominee Van Dijke logeerde, bij ons gehuisvest werden.
't Was of de lindeboomen er blij over waren, zoo prijkten ze in de
zonnestralen, en de ooievaar op zijn nest klepperde nog harder dan
anders, als wou hij 't aan zijn kinderen vertellen, wat in de anders
zoo stille hofstede voorviel.
En de volgende dag! Hoe zal ik u dien beschrijven? Van alle kanten
stroomden vrienden en bekenden toe, om ons feest mee te vieren. O, 't
is een aangenaam gevoel, als men zich omringd ziet door zoovelen, die
hartelijk deelnemen in onze vreugde. Papa had, om 't schoone zachte
herfstweer, bevolen dat we onder 't lommer der linden zouden dineeren
en dat bracht niet weinig toe om 't aangename en landelijke, daardoor
zoo geheel ongedwongene, van 't feest te verhoogen. 't Was een dag van
drukte en genoegen, dat verzeker ik u. Eerst naar 't raadhuis, waar de
wet ons verbond, toen naar de kerk, waar Dominee Van Dijke ons huwelijk
inzegende. En 's namiddags aan tafel, daar werd wat getoost! En toen
dominee Van Dijke zijn engagement met Marie aankondigde, diende dat niet
weinig om de vreugde te verhoogen, en moest het jonge paar heel wat
plagerijen verduren, vooral van Eugenie, die 't alleraardigst vond
dat het blauwe Vergeetmijnietje nu zoo spoedig 't voorbeeld van haar
onnoozel Madeliefje zou volgen. Natuurlijk gaf ook deze mededeeling
aanleiding tot tal van toosten. De avond werd besloten met een, voor ons
dorp, prachtig vuurwerk.
Nog denzelfden avond verliet ik met mijn echtgenoot het lieve ouderlijke
huis, om naar onze eigene woning in Leiden te reizen, in welke stad
Anton zich voor goed gevestigd had. Het afscheid van mijne goede
ouders, van broeders en zusters viel mij zwaar; ook van u, mijne lieve
Lezeressen, die zoo vriendelijk zijt geweest om mij op een gedeelte
mijner loopbaan te volgen, en er uit hebt kunnen zien, hoe er met vallen
en opstaan en door de trouwe zorg mijner goede tante eene vrouw is
geworden uit een boerendeern en nog wel eene, die, toen gij haar leerdet
kennen, zoo groen was als gras, nog erger dan wat men gewoonlijk noemt: