VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

De mensch wikt, maar God beschikt.

't Kwam echter alles anders uit dan we gedacht en berekend hadden.

De baron was een voortreffelijk ruiter; niets was hem liever dan jonge

vurige paarden aan zijn wil te onderwerpen. De moedige Eugenie vermeide

zich zeer in zulke zegepralen van haar geliefde, die er dan bijzonder

trotsch en mannelijk uitzag, en haar lof vuurde den ijver van den koenen

rijder dikwijls tot overmoed aan. Ik kon er bij beven en begreep niet

hoe 't mogelijk was, dat Eugenie's oogen van vreugde schitterden bij

zulke halsbrekende toeren; terwijl ik er zelfs niet naar durfde kijken,

en vreesde dat de baron nog eens een ongeluk zou krijgen.

En mijn vrees werd maar al te zeer bewaarheid. Op zekeren dag kregen wij

de vreeselijke tijding, dat de baron van een onhandelbaar paard gestort

en een eind weg meegesleept was. Hij had een zware wond aan het hoofd

bekomen en het been gebroken.

De tranen sprongen mij bij deze tijding uit de oogen; Eugenie echter

sprak geen woord, liet geen traan; doch het doodelijke bleek dat haar

gelaat overtoog, toonde genoegzaam wat er in haar binnenste omging.

„Terstond een rijtuig!” beval Tante Betsy, en weinige minuten later

reden wij naar 't buiten van den baron, terwijl Eugenie nog altijd

zweeg en geen traan haar oogleden bevochtigde. Ook wij spraken geen

woord; doch ik deed niets dan weenen, en Tante droogde onophoudelijk de

oogen af.

Toen wij aan het kasteel kwamen, had de chirurgijn met behulp van

den dokter juist het verband gelegd: de laatste gaf ons een vrij

geruststellende tijding. Wel was de beenbreuk gevaarlijk en bedenkelijk,

maar de wond aan het hoofd was niet verontrustend: die zou door een

zorgvuldige verpleging wel spoedig genezen zijn. Maar de pijn had den

patiënt afgemat; hij was genoegzaam bewusteloos; spoedig echter zou hij

wel in slaap vallen, en als dat gebeurde, dan was er geen gevaar. Doch

op 't oogenblik mocht er niemand bij hem, zelfs Eugenie niet.

„Ik blijf hier toch,” zeide zij met akelige bedaardheid. „Ik wil wachten

tot Arthur in slaap is.”

Nadat we eenigen tijd gewacht hadden, een tijd, die ons en vooral

Eugenie zonder einde toescheen, kwam de dokter ons waarschuwen en

begaven wij ons naar het bed van den lijder.

Tot nu toe had Eugenie zich goed gehouden en haar smart bedwongen; toen

echter de krachtige man daar zoo hulpeloos voor haar lag, bleek als een

doode, beefde zij over haar geheele lichaam en, steunende op Tante, ging

zij de kamer weer uit. Daar barstte ze in tranen los en weende lang.

En die tranen waren een weldaad voor haar overkropt gemoed. Nadat zij

eindelijk wat bedaard was, zeide zij ernstig en met bewogen stem:

„Tante, ik ga niet van hem weg; wie weet hoe kort ik hem nog heb. Hij

behoort mij toe—ik heb heilige rechten op hem: ik moet hem oppassen.”

„En ik blijf bij je, kindlief,” antwoordde Tante. „Anders zou 't niet

gaan. Margot zal wel gedurende mijn afwezigheid op mijn huis passen en

komt ons van tijd tot tijd gezelschap houden. Den overigen tijd zal

Marie haar wel helpen korten.”

Tante gaf mij nu de noodige inlichtingen, en met een bezwaard hart

keerde ik alleen huiswaarts. Toen snelde ik naar Marie, die reeds van 't

ongeluk gehoord had en mij met ongeduld verwachtte. Bijna dagelijks reed

ik naar 't buiten van den baron; altijd in zijn rijtuig, en dikwijls

gingen Marie en hare mama met mij mee. In de eerste dagen was de

toestand van den baron zeer gevaarlijk; want hij lag voortdurend in een

hevige wondkoorts en had veel pijn. 't Scheen echter dat Eugenie's

tegenwoordigheid hem veelal tot kalmte bracht; wat was die vroegere

salondame voor hem eene trouwe, zorgvuldige ziekenverpleegster! Tante

kon er niet genoeg over uit, welk een verandering er met Eugenie

voorgevallen was. Haar lichtzinnigheid, haar oppervlakkigheid en

onbezonnenheid waren voor stillen ernst en nauwgezette plichtsvervulling

geweken. Slechts met moeite kon men haar in de eerste bange dagen van

't leger des kranken verwijderen, opdat ze zelf wat rust zou genieten.

Al wat hij gebruikte moest ze zelf klaarmaken, en met de meeste

nauwkeurigheid gaf ze hem op 't uur zijn drankje in en zorgde voor de

verordende omslagen.

De wond aan 't hoofd genas spoedig, en de zieke mocht nu meer van

Eugenie's bijzijn genieten, daar de dokter hem 't spreken veroorloofde,

wat hij hem in de eerste dagen volstrekt verboden had. Het duurde niet

lang of ze mocht hem ook voorlezen, den tijd met muziek verdrijven en

Tante, die de zorg voor de huishouding op zich had genomen, hield beiden

gezelschap. En kwam ik er dan bij, of nog een of twee van onze vrienden,

dan verzamelde zich een heele kring om den zieke, die met oogen vol

dankbaarheid nu den een dan den ander aankeek, maar ze eindelijk steeds

op zijn schoone verpleegster liet rusten. Dan werd Eugenie wel weer eens

het vroolijke, ondeugende kind met haar schelmsche oogen; over 't geheel

echter was ze veel stiller en ernstiger dan ik haar ooit gekend had. De

beenbreuk heelde langzaam; geheel genezen zou die waarschijnlijk wel

nooit: de baron zou er zijn leven lang een stijf been van houden.

„Arme Eugenie,” zeide de baron op zekeren dag met tranen in de oogen.

„Een kreupele kunt ge toch niet trouwen.”

„Zoudt ge dan vreezen dat uw voet moet worden afgezet?” vroeg ze

angstig.

„Dat nu juist niet,” antwoordde hij. „Maar een stijf been houd ik mijn

leven lang. Daaraan behoef ik niet te twijfelen.”

„Laten wij liever het beste hopen, Arthur,” antwoordde Eugenie met een

vriendelijken glimlach. „Ge hebt een knappen chirurgijn; 't zal beter

gaan, dan ge denkt.”

De baron zweeg; maar Tante bemerkte wel, dat hij sedert dit gesprek zijn

oog dikwijls onrustig op Eugenie vestigde. Hij sprak er echter verder

geen woord meer over.

En zoo ging de eene week na de andere voorbij en de tijd kwam dat het

hoofdverband van den voet zou worden afgenomen. De baron was vreeselijk

zenuwachtig en had een lang gesprek met Tante Betsy, waardoor deze ook

zeer opgewonden werd; slechts Eugenie wachtte het gewichtig oogenblik

kalm af en was opgeruimd en vol moed. Den dag vóórdat het verband zou

worden afgenomen, reed Tante met Eugenie naar de stad, wat zij in

den laatsten tijd meermalen hadden gedaan. Maar nauwelijks waren zij

daar eenige uren, en juist thuisgekomen van een paar noodzakelijke

boodschappen, of daar kwam een brief van den baron aan Tante met een

ingesloten biljet aan Eugenie.

Eugenie brak haar briefje snel open, las het en werd bleek; toen ging ze

stil en peinzend bij het raam zitten. Tante Betsy rolden de tranen uit

de oogen, toen zij haar brief had gelezen. Zij ging naar Eugenie toe en

sloot haar in de armen.

„God legt u een zwaar kruis op de schouders, kind,” zeide zij zacht.

„Waar uw geluk zoo vlak voor u lag, zendt Hij u een zware beproeving.

De baron heeft u toch zeker dezelfde mededeeling gedaan als mij?”

„Ik wist reeds vooraf dat het zoo afloopen zou, Tante,” antwoordde

Eugenie met bewogen, maar toch vaste stem. „Reeds eenige dagen geleden

heb ik den chirurgijn tegen den dokter hooren zeggen, dat Arthur

levenslang een stijf been zou houden. Ik heb dus niets anders verwacht.”

„Gij wist dat, lieve Eugenie, en toch waart ge al dien tijd de

bedaardste en opgeruimdste van ons allen!” riep Tante met verbazing uit.

„Weet je wel wat dat zeggen wil, een stijf been?”

„Jawel, Tante! Ik weet zeer goed dat daaraan een kreupele gang,

misschien wel een krukstok verbonden is,” zeide Eugenie met bewogen

stem; terwijl haar de tranen langs de wangen liepen. „Doch ik weet ook

dat zulk een man dubbel een vrouw noodig heeft.”

„Maar deze ramp ontslaat u van uwe belofte, Eugenie,” zeide Tante zacht.

„Ge hebt uw woord gegeven aan een gezonden, krachtigen man; de vrouw van

een kreupele te worden, daartoe hebt gij u niet verbonden. Bedenk je

wel, mijn kind! Ge zijt jong en bloeiend en hebt nog veel genot in 't

leven te hopen; een kreupel echtgenoot kan niet anders dan je daarin

hinderlijk zijn. Zullen u mettertijd de boeien niet te knellend worden,

die u daardoor worden aangelegd? Gij neemt dure verplichtingen op u, en,

hebt ge die eenmaal op u genomen, dan moet gij ze ook trouw en gewillig

vervullen.”

„Ik dank u voor uw heusche woorden, Tante,” gaf Eugenie met zachtheid

ten antwoord. „Het was uw plicht mij dit te zeggen, en de liefde van

mijn verloofde heeft hem ook bevolen mij in zijn treurigen toestand

van mijn belofte te ontslaan. Maar nu gij gedaan hebt wat uw geweten u

beval, mag ik zeker ook wel eens een woordje meespreken. Zeg mij, Tante

Betsy, houdt ge mij werkelijk voor zoo—ja, welk woord zal ik er voor

gebruiken?—voor zoo laag, dat ik zou weigeren de gade te worden van

een man, die door zijn ongeluk toch reeds beklagenswaardig genoeg is

geworden? Ik ben een zeer oppervlakkig, lichtzinnig meisje geweest, voor

wie niets ernstig of heilig scheen en dat bovendien zeer zelfzuchtig

was. Maar, lieve Tante, ik ben niet meer de oude Eugenie. Aan u en aan

Margot heb ik meer te danken, dan ik u beiden ooit vergelden kan. Ge

hebt veel van mij verdragen, maar, al heb ik 't u nooit getoond, van

't eerste oogenblik af heb ik het diep in mijn hart gevoeld, in welke

trouwe handen de goede God mij gevoerd heeft. En wat er nog verkeerds en

dwaas in mijn hart was, dat hebben de laatste lijdensweken er volkomen

uitgeroeid. Arthur zal met Gods hulp in zijn Eugenie een trouwe gade

krijgen. Gelooft ge 't ook niet, Tante?”

Ik kon Tante's antwoord niet hooren; want de tranen verstikten haar

stem. Ook ik snikte luid. Nu sloot Eugenie mij in haar armen, zij trok

mij den doek van de oogen weg en zeide:

„Nu zal mijn gouvernante toch wel tevreden zijn met haar kweekeling.

Nietwaar, Madeliefje? Zulke afschuwelijk lange redevoeringen te houden

heb ik van u geleerd. Heb ik 't er goed afgebracht, kleine?”

Een tweede brief voor Tante leidde onze gedachten spoedig op iets

anders. Tante en Papa hadden een zuster, die veel ouder was dan zij. Zij

was erg ziek geworden en wenschte haar broeder en zuster voor haar dood

nog eens te zien. Papa meldde, dat hij binnen eenige dagen bij haar zou

zijn en hoopte dat Tante ook aan 't verzoek der stervende zou voldoen.

't Zou voor hun zuster een werk van barmhartigheid zijn als Tante haar

wilde komen oppassen en tot aan haar dood, die spoedig te verwachten

was, bij haar wilde blijven.

Tante was zeer getroffen en, ofschoon ze met die zuster, die altijd een

zeer zonderling mensch was geweest, weinig vriendschap gehouden had,

wenschte zij toch zoo spoedig mogelijk naar haar toe te gaan. Aan den

anderen kant had zij een moeilijken plicht ten aanzien van Eugenie, die

toch niet alleen bij den baron kon blijven.

„Dat is niets, lieve Tante,” zei Eugenie. „Ga gerust naar uw zuster. Ik

zal alle dagen met Margot naar mijn bruidegom rijden—hij heeft thans

zooveel zorg niet noodig.”

„Uw bruidegom? Hoe meent ge dat, Eugenie?”

„Wacht maar even,” riep ze, en snelde naar hare kamer. Spoedig kwam ze

terug met een paar opgevouwen papieren in de hand.

„Hier zijn mijn papieren; ik heb gezorgd dat ze in behoorlijke orde

zijn. Dokter Huisman heeft er mij bij geholpen; 't zijn de doodacte van

mijn eigene mama en mijn geboorteacte. De papieren van den baron zullen

wel in orde zijn. Nog heden worden wij bruid en bruidegom en over

veertien dagen—als Tante Betsy ten minste terug is—man en vrouw.”

„En vindt de baron dat goed?” vroeg ik verwonderd.

„Hij wil me in 't geheel niet meer tot vrouw hebben,” antwoordde

Eugenie. „Moet ik dus zelf niet zorgen dat alles in orde komt?”

Terstond werden er briefjes aan Dokter Huisman, Eduard en Marie

geschreven, en na het noodige met ons afgesproken te hebben, reed Tante

Betsy met een huurrijtuig naar 't buiten van den baron. Weldra kwamen

de dokter, Marie en haar broeder. Wij hadden den korten tijd gebruikt

om ons te verkleeden: Eugenie had een lichte neteldoekschen japon

aangetrokken en een krans van oranjebloesem in 't haar gestoken. Ze

zag er uit om te stelen. We wachtten nu slechts op het rijtuig van den

baron, dat Tante met de koets, waarmede zij naar 't buiten gereden was,

ons zou zenden. Het duurde echter nog een heele poos eer het kwam; dat

was echter volgens afspraak.

Tante was intusschen reeds lang en breed op 't buitengoed aangekomen.

Daar had ze haar tijd goed besteed. Ze had de noodige bevelen gegeven

aan de bedienden en dezen, die in den laatsten tijd daaraan reeds gewoon

waren, haastten zich die bevelen ten uitvoer te brengen. Daarop begaf

zij zich naar den baron. Zij vond hem treurig in zijn armstoel zitten.

„'t Is lief van u, beste Tante Betsy, dat ge me nog eens komt opzoeken,”

zeide hij. „Maar waar zijt gij zoolang gebleven? 't Is al een half uur

geleden, dat ik uw rijtuig de laan zag oprijden.”

„Ja, lieve baron,” antwoordde Tante, „ik moest het huishouden eens

nakijken. Dat hebt ge me niet voor niemendal opgedragen. En dat wilde ik

eerst doen, om daarna eens rustig met u te kunnen praten.”

„Rustig praten?” zeide de baron treurig. „Ge komt zeker wel voor altijd

afscheid van mij nemen. Ge hebt toch mijn brief ontvangen en den

ingeslotene aan Eugenie gegeven?”

„Welzeker. 't Is een kwade tijding, beste baron! En ik heb ook al tot

Eugenie gezegd dat zoo'n knappe, flinke meid slecht een kreupel man kan

nemen. Wat voor een leven zou dat zijn!”

„Dat heb ik ook begrepen, lieve Mevrouw, en daarom heb ik haar heur

woord teruggegeven.”

„Waaraan ge braaf gedaan hebt, baron! Ofschoon ik 't in uw geval nog

niet zoo gauw zou gedaan hebben.”

„Hoe, Mevrouw! En gij meent zelve dat Eugenie slecht een kreupel man

kan nemen.”

„Nu, ja; wat ik meen, komt hier minder te pas. Maar van uw kant toont

het wel een weinig gebrek aan vertrouwen op Eugenie's hart en op haar

innige liefde jegens u.”

„Maar ik mocht daarvan geen misbruik maken, Mevrouw! want dan zou ze mij

uit medelijden genomen hebben. Dan kwam later 't berouw—een kreupele

als ik is geen echtgenoot voor een meisje als Eugenie—en ik had mijn

geheele leven het zelfverwijt, 't liefst wat me op aarde is ongelukkig

gemaakt te hebben.”

„Laten wij daarover zwijgen, baron. Straks komt Eugenie om afscheid van

u te nemen. Ge zult haar, hoop ik, toch niet in dit gewaad wachten? Ze

heeft u nu lang genoeg zoo gezien. Mij dunkt, het zou wel passen dat ge

heden eenig toilet maaktet. Zoolang ge met Eugenie verloofd waart, ging

dat goed—thans echter, nu ge een afscheidsbezoek van een jonge dame

wacht, eischt de achting, die gij voor die dame hebt, dat ge er

fatsoenlijk gekleed uitziet.”

„Ook dat nog!” zuchtte de baron. „Maar gij hebt gelijk.”

„Ik zal u uw kamerdienaar zenden en hem zeggen hoe hij u kleeden moet.

Ik wensch 't om uwentwil, dat uw laatste onderhoud met Eugenie in de

vormen plaats heeft, die uw beider stand en de welvoeglijkheid eischen.”

Dit zeggende verliet Tante de kamer en weldra kwam de kamerdienaar bij

den baron met een zwarten pantalon, een zwarten rok en een wit vest,

volmaakt als moest de patiënt naar een feest. En of de baron al

tegenwerpingen maakte: „Mevrouw had het zoo bevolen,” zeide de

kamerdienaar. Toen de baron gekleed was kwam Tante weer binnen.

„Zie zoo, nu ziet ge er uit als moest ge de bruigom worden,” zei Tante

lachend.

„Ik bruigom!” zeide de baron bitter.

„Wel waarom niet? Gij hebt Eugenie wel bedankt; zij heeft echter uw

bedanken nog niet aangenomen. Ik heb haar wel onder 't oog gebracht wat

ze doet als ze een kreupel man neemt; maar daarom is 't nog niet gezegd,

dat ze mijn raad opvolgt.”

„Hoe, Mevrouw! Zoudt gij dan meenen.....”

„Ik meen,” antwoordde Tante ernstig, „dat we beiden onzen plicht gedaan

hebben: gij, met Eugenie haar woord terug te geven; ik met haar te

zeggen wat haar lot kan zijn, als ze haar woord niet terugneemt. Eugenie

verstaat ons beiden. Ze heeft in uw schrijven den man van karakter

herkend, die haar onbaatzuchtig bemint en alles, ook zichzelf, voor

haar geluk kan opofferen—in mij de moederlijke vriendin, die haar

gewaarschuwd heeft, opdat ze niet alleen haar hart, maar ook haar

verstand zou raadplegen. Maar de beslissing blijft natuurlijk aan haar.

En thans gaan wij uit een ander vaatje tappen, baron! Ge noemt uzelf

kreupel! Kom, wat kreupel! Een stijf been maakt een mensch niet kreupel!

wacht eerst de uitwerking van de baden te Töplitz af en spreek dan mee.”

Terwijl Tante dit zeide, kwam 't rijtuig van den baron, gevolgd door

het huurrijtuig, waarmede Tante gekomen was, de laan oprijden en

een oogenblik later ging de deur van de kamer open en Eugenie, in

bruidsgewaad getooid, trad de kamer binnen. Wij volgden haar op den

voet. De baron was opgestaan; zijn voet belette hem echter naar haar toe

te komen.

„Eugenie!” riep hij hevig ontroerd: „Wat beteekent dat?”

„Dat beteekent, Arthur,” antwoordde zij, terwijl ze hem de hand reikte,

„dat ik u antwoord kom brengen op uw briefje. Dat antwoord is: ik word

heden uw bruid!”

„Eugenie! Is 't mogelijk! De bruid van mij, een....”

Met een kus sloot Eugenie hem den mond.

„Ge wilt me toch nog wel hebben?” vroeg zij.

„Dierbaar meisje!” was al wat de baron kon uitbrengen.

„Welnu dan, mijnheer de Burgemeester, wees zoo goed binnen te komen,”

hernam Eugenie tot den burgervader van het dorp, die op verzoek van

Tante met het register was gekomen. En binnen weinige oogenblikken waren

Baron Arthur Van der Land en Eugenie bruidegom en bruid.

„We hebben van middag slechts een familiediner,” zeide Tante. „Mijnheer

en Mevrouw Donker, die tegen dien tijd zullen komen, Eduard en Marie,

onzen vriend Huisman en den Burgemeester en zijne vrouw. Maar buiten

zal het groot diner zijn. Want de omroeper gaat reeds het dorp rond, om

al de dorpelingen aan een diner-champêtre te noodigen, dat dezen middag

om zes uren door den bruidegom als aanteekenpartij zal gegeven worden.”

„Maar hoe is dat alles mogelijk, Mevrouw!” riep de baron uit. „Zijt ge

dan een toovenaarster?”

„Dat is alles bedisseld, terwijl ik dat halfuur beneden doorbracht. Ik

heb orde onder uw dienstpersoneel.”

Inderdaad had Tante er orde onder. Maar ze had gezorgd dat er nog eenige

handen bijkwamen; want anders was 't onmogelijk geweest, zooveel gereed

te maken.

't Was een onvergetelijke dag! En 't was of ieder wat had willen

toebrengen om dien genoeglijk te maken. Dokter Huisman had, eer hij bij

ons kwam, een goochelaar besteld, die de boeren en boerinnen vermaakte,

terwijl de koude gerechten voor hen werden gereedgezet, en Mijnheer

Donker bracht eenige muzikanten mede, die op het terras speelden. Eduard

had den huisknecht naar de stad gezonden om een paarhonderd lampions te

halen, en liet die door een paar timmerlieden aan de boomen hangen.

Bij 't licht van die lampions dansten de dorpelingen en wij mengden ons

onder die vroolijke, eenvoudige lieden. Maar hun vreugd werd uitbundig,

toen ook de schoone bruid beneden kwam en meedanste. De baron had zijn

stoel voor 't open raam doen rollen, en zat met oogen, schitterend van

vreugde, dat liefelijk tooneel aan te zien.

't Was mij in 't oog gevallen dat de dorpsonderwijzer met eenige

jongelui stil was heengegaan, en een aantal knapen en meisjes hen

gevolgd waren. Ik begreep er niets van en sprak er met Marie over.

„Zeker een kleine verrassing, die ze bruid en bruidegom bereiden,” zeide

zij. „Zwijg er van: zulke dingen moet men veinzen niet op te merken.”

En 't was inderdaad zoo. Er kwam van den kant van het dorp een stoet

met fakkellicht aan, en in 't midden van de fakkeldragers de onderwijzer

met een schaar meisjes en jongens. De veldwachter verzocht ons boven te

gaan naar de kamer van den baron en we voldeden daaraan. Vóór de ramen

van het terras, daar waar Bruid en Bruidegom zaten, werden de kinderen

geplaatst, en nu zongen ze op de wijs van „Wien Neerlandsch bloed” de

volgende regelen, die de onderwijzer zijn leerlingen in der haast had

laten leeren:

„Wij groeten u, o waardig Paar!

Op dezen blijden dag,

En hopen dat Gods gunst u beî

Nog jaren sparen mag!

Wij juichen op uw heilrijk feest,

En roepen 't vroolijk uit:

Lang leve d' edele bruidegom!

Lang leev' de schoone bruid!”

En 't „lang leven bruidegom en bruid!” schalde uit honderden kelen: want

het volk had zich om de kinderen geschaard.

Tot laat in den nacht bleven wij bijeen, en al was 't gezelschap niet

groot, des te aangenamer was het: want het waren allen goede, hartelijke

vrienden. Reeds den volgenden morgen vertrok Tante naar haar zuster.

Spoedig kregen we tijding van haar. Zij had de zieke in een zeer

gevaarlijken toestand gevonden. Zij schreef mij ook dat Papa haar had

voorgeslagen om mij weer thuis te halen; maar dat zij had verzocht mij

bij haar te laten, tot we samen de reis naar Duitschland gedaan hadden.

En hoe ik ook naar mijn ouders en mijn dorp verlangde: 't was mij toch

ook een treurige gedachte, van Tante te moeten scheiden, aan wier

gezelschap ik zoo gehecht was geworden, dat ik het denkbeeld schier niet

kon verdragen haar te moeten verlaten.

De bruidsdagen brachten we op 't buiten van den baron door, met dien

verstande, dat we elken avond met zijn rijtuig naar huis reden en elken

morgen weer afgehaald werden. En we hadden het druk genoeg: want 's

middags kwamen er gewoonlijk dames en heeren om 't jonge paar geluk te

wenschen; den voormiddag gebruikten we om 't uitzet van Eugenie in orde

te brengen. Wel klaagde de baron dat hij nu nog minder aan zijn bruid

had dan anders; maar dat vergoedde ze hem aan het diner en gedurende den

namiddag. Want dan werkten we niet.

't Was een prettig werk de bruid aan 't opbergen van haar uitzet te

helpen. Gelukkig als een kind huppelde zij tusschen haar schatten rond,

die ik in de kasten moest schikken en nu en dan moest ook de baron 't

een en ander bewonderen. Men zou in haar die Eugenie haast niet herkend

hebben, die vroeger voor dergelijke bemoeiingen zoo onverschillig was.

Met angst zagen wij de berichten van Tante te gemoet; want dit stond

bij den baron, zoowel als bij Eugenie vast, als Tante nog niet terug

was, zou 't huwelijk worden uitgesteld. Reeds acht dagen na haar

vertrek kregen we bericht van 't sterven harer zuster, en, hoe

weinig ook gestemd om feest te vieren, kwam ze den avond voor de

huwelijksplechtigheid terug. Weinige dagen te voren was Eugenie's Papa

in Den Haag gekomen. Hij was een knap man met een geestig gelaat en een

edel voorkomen, door en door een diplomaat, wellevend en innemend. Hoe

ook zijn aanstaande schoonzoon en hij in uiterlijk verschilden, konden

zij het toch al heel spoedig best met elkander vinden; want Eugenie's

vader vond in den baron den man van echte beschaving en ontwikkeling,

zooals hij ze in den echtgenoot van zijne dochter wenschte. En 't

geluk van zijne dochter, wie de vreugde uit de oogen schitterde, was

een zonnestraal op 't pad van den man, die zooveel verdriet in zijn

huiselijke omgeving had gehad. Hij zou tot na de bruiloft blijven en dan

naar Duitschland terugkeeren; hij hoopte dat Tante en ik hem zouden

vergezellen.

We gaan de trouwplechtigheid voorbij, die op het buitengoed van den

baron plaats had, en waarbij verscheidene genoodigden tegenwoordig

waren. Na het diner kwam 't rijtuig voor, om 't jonggehuwde paar naar

't station van den Rijnspoorweg in Den Haag te brengen. De reis zou

naar Töplitz gaan, waar de baron de baden zou gebruiken. Na afloop der

badkuur zouden ze bij Eugenie's vader eenigen tijd vertoeven, om daarna

naar hun buitengoed terug te keeren.

't Afscheid tusschen Tante en Eugenie was treffend; tegen over mij kon

de jonge barones hare geestigheid echter niet bedwingen; toen ze in 't

rijtuig stapte fluisterde zij mij toe:

„Doe nog eens mijn complimenten aan Dokter Huisman en vraag hem of hij

zijn ridderorde nog heeft. Adieu, Madeliefje! Ook te Töplitz zal ik aan

mijn lieve, kleine gouvernante denken. Daarvan kunt ge verzekerd zijn!”

En zoo reed ze weg, die lieve, ondeugende Eugenie!

Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is · 第 23 / 28 题