VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Groote veranderingen.

„Eer een meisje verloofd of zelfs gehuwd is, kan men niet weten wat

er in haar steekt,” had Tante Betsy dikwijls gezegd en hoe juist en

menschkundig haar woorden steeds waren, dat bemerkte ik nu weder. Ook

Eugenie, dat ongedurige schepsel, ontwikkelde als verloofde geheel

nieuwe, ongekende eigenschappen, die onze oprechte bewondering opwekten.

't Was inderdaad treffend, hoe ze poogde zich te verbeteren. Tot hiertoe

had zij er nooit aan gedacht om veel voor anderen over te hebben; allen

waren haar tegemoetgekomen en hadden voor haar ingeschikt; bij wat zij

deed, vroeg zij er nooit naar: hinder ik daarmee ook anderen, stoor of

kwel ik soms iemand? Thans echter was ze steeds op alles bedacht, wat

den baron aangenaam kon zijn en met bevallige teederheid poogde ze

voor hem uit den weg te ruimen, wat hem bij zijn blooheid lastig moest

vallen. Daartoe behoorden vooral de bezoeken, die het jonge paar te

maken had om elkander aan vrienden en bekenden voor te stellen. Deze kon

zij den armen baron wel is waar niet besparen, en, daar ik die niet

bijwoonde, weet ik ook niet hoe stijf en gedwongen hij daarbij was; maar

bij de contravisites zag ik, hoe Eugenie met fijne behendigheid altijd

tusschenbeide wist te komen, waar hij het antwoord schuldig bleef, hoe

zij er meestal in slaagde hem steeds in het gesprek te trekken, op 't

juiste oogenblik zijn arm wist te grijpen, kortom hoe zij met de meeste

beminnelijkheid hem meer vertrouwen op zichzelf wist in te boezemen.

Geen wonder dat zijn oogen steeds op haar rustten en het scheen dat de

heele wereld buiten haar niet bestond. Eugenie was hem alles; wat hij

dacht en gevoelde, het gold alles haar, háár geluk en háár vreugde waren

het eenige doel zijns levens. O, hoe dankte ik er God voor, dat Hij mijn

wensch vervuld en den braven man het geluk geschonken had, dat hij

zoozeer verdiende en dat ik hem nooit had kunnen schenken.

Hoezeer Eugenie en de baron ook in karakter verschilden, was het toch

alsof zij voor elkander geschapen waren: want haar zwakheden brachten

hem niet minder in verrukking dan haar goede hoedanigheden. Hij bedierf

haar zooveel hij maar kon, en hoe ondeugender zij was, van hoe meer

geluk zijn oogen schitterden. Al haar oolijke grappen bewonderde hij als

waren het heldendaden, en nooit werd hij knorrig, wanneer ze ook, en dat

slechts al te dikwijls, hem tot het doel harer plagerijen maakte. Hij

wist ook wel dat Eugenie bij al haar guitenstreken een fijn gevoel bezat

en hem hartelijk beminde, en 't was wonderlijk om te zien, hoe die zoo

schuwe, achterhoudende man voor haar zijn geheele hart opende. En

diezelfde Eugenie, die zich altijd zoo tegen alle teedere aandoeningen

verzet had, kon dan soms met een traan in 't oog naar hem zitten

luisteren.

Reeds in de maand Mei wenschte de baron te trouwen; doch Tante verzette

zich daartegen, daar ze haar pleegkind gaarne eerst in de geheimen

der huishouding wilde inwijden. En, ofschoon de baron meende dat dit

volstrekt niet noodig was, daar zijne vrouw zich niet met de huishouding

behoefde te bemoeien en alles wel evengoed zijn gang zou gaan als het

tegenwoordig ging, stond Tante er toch op en ook Eugenie nam de zaak

ernstig op en zeide: „Oprecht gesproken, zou ik niet graag in naam aan

't hoofd van een huishouding staan en inderdaad van ondergeschikten

afhankelijk wezen. Ik heb er geen lust in de speelbal van knechts en

meiden te zijn, die de domme barones in hun vuistje zouden uitlachen en

haar tusschen neus en lippen bestelen. 't Mocht me dan eens gaan als

het zekere jonge vrouw ging, die zachte eieren voor haar man zou koken,

en ze een uur lang in den ketel liet, steeds probeerende of ze haast

zacht werden. Tante Betsy heeft groot gelijk; eerst zullen we maken dat

we wat van de huishouding leeren en dan mag de baron zijn zin hebben en

kan hij zijn huiskruis krijgen.”

Ik was brandend nieuwsgierig om eens te zien hoe 't bemoeien met de

huishouding Eugenie zou afgaan. Daar had men haar vroeger eens mee

moeten aankomen! „Ik dank je hartelijk voor dien smerigen boel!” had ze

me steeds geantwoord als ik haar mee naar de keuken wilde nemen. Thans

kwam haar eergevoel in 't spel, en als zij iets wilde moest het haar

gelukken. Toch zou 't haar in den beginne wel vreemd afgaan.

't Was inderdaad voor Tante Betsy een moeilijke taak, om Eugenie in de

geheimen der huishouding in te wijden; want bij al den ijver, dien het

meisje aan den dag legde, nam ze de zaak niet altijd ernstig op en had

ze dikwijls guitenstreken in den zin. Voor haar nieuwe onderneming

wapende zij zich met een dozijn witte keukenboezelaars, en de baron

schonk haar een heele bibliotheek van de voortreffelijkste keukenboeken.

Hieruit leerde zij alle dagen drie recepten uit het hoofd, en die zeide

ze dan, als een schoolmeisje haar les, voor den aanstaanden huisheer op.

Wat haar echter van die recepten in 't hoofd bleef hangen, was weinig

bruikbaars en gaf aanleiding tot allerhande dolligheden; want ze maakte

tusschenbeide stilletjes de fabelachtigste gerechten klaar en beriep

zich dan op haar keukenboeken. Als ze maar wilde en oplette, begreep zij

de huishoudelijke zaken spoedig, want ze toonde heel veel aanleg; maar

dan kwam de guiterij weer voor den dag en was 't met de oplettendheid

gedaan.

„Lieve Eugenie, je moest die rammenas eens schoonmaken,” zeide Tante

Betsy en ijverig ging Eugenie aan 't werk. Het duurde niet lang of de

rammenas was onder haar handen een aardig popje geworden. Onder de

groene bladerkroon had ze een gezicht uitgesneden, dat door 't groen als

een muts bedekt werd, een koolsblad was de rok van 't popje en een paar

zwavelstokken vervulden de plaats van armen en beenen.

„Maar, Eugenie! Wat moet dat nu beteekenen?” vroeg Tante lachend.

„Wel, u hebt mij bevolen om de rammenas ~schoon~ te maken,” antwoordde

zij. „Is zij nu nog niet ~schoon~ genoeg? Mij dunkt het! Ze heeft haar

Zondagschen rok aan!”

Op een anderen tijd moesten er peren of appelen gekookt worden.

„Ze eerst goed wasschen, Eugenie!” zeide Tante.

Dadelijk ijlde Eugenie de keuken uit en kwam met zeep en een handdoek

terug.

„Wat wil je nu doen, kind?” vroeg Tante, die groote oogen opzette.

„Wel, de appelen wasschen,” antwoordde zij guitachtig, en lachte dat het

door de keuken heenklonk.

Een poosje daarna stond ze peinzend aan de kookkachel.

„Let op het water en waarschuw mij als het kookt, Eugenie,” zeide Tante

toen ze de keuken verliet.

Het duurde niet lang, of de talentvolle leerling der kookkunst kwam bij

mij in de mangelkamer, waar ik met strijken bezig was, hield mij een

kommetje vol dampend water onder den neus en zeide met een ernstig

gezicht:

„Zeg eens, Madeliefje, kun je ook zien of dat water kookt?”

En zoo kwamen er dagelijks allerlei guitenstreken voor den dag; geen

oogenblik was men zeker van haar. Dikwijls verzocht zij Tante om haar

eens alleen te laten koken, en hoezeer ze dan ook aan haar luim den

ruimen teugel vierde, zorgde ze er toch altijd voor dat het eten goed op

tafel kwam. Toch kon ze ook zelfs dan haar spotlust niet bedwingen.

„Van daag is 't watersoep,” heette het. „Ge moet er u maar mee

behelpen,” en inderdaad was de terrine gevuld met enkel heet water. Maar

terwijl wij elkaar verbluft aanzagen, kwam de meid al met een andere

terrine vol krachtige soep aan—de plaaggeest had eens willen zien, hoe

raar we zouden kijken.

Er kwam bijna geen gerecht, dat door haar handen was gegaan, op tafel,

of er was de een of andere grap mee uitgehaald. Nu eens droeg een

gebraden gans een bloemruiker op de borst; dan was een kotelet met een

guirlande van peterselie omgeven en had een hoentje een kroon van papier

op den kop; de visschen hadden soms een briefje in den bek, dat een

klaaglied over hun te vroegen dood of over de buitengewone warmte van

den ketel behelsde; eens hadden een paar gansjes kransen van roode

radijzen om den hals en verzochten in versmaat, dat we haar naar 't

eerstkomende bal zouden meenemen; want ze verlangden zoo naar 't

gezelschap harer zusteren, die op zoo'n bal in overvloed te vinden zijn.

De baron had ontzaglijk veel schik in al die guitenstreken. Hij vond dat

het witte keukenschortje Eugenie allerliefst stond, en niets ging bij

hem boven 't geen zij had klaargemaakt; 't mocht smaken zooals het

wilde.

„Nu heb ik vandaag eens een zandtaart voor je gebakken, Arthur,” zeide

ze op zekeren dag tegen hem. „Ik weet dat je er zooveel van houdt.”

„Nu, dat is heerlijk, Eugenie,” antwoordde hij. „Die zal lekker smaken.”

Eugenie snelde de kamer uit en kwam weldra met een groote met suiker

bestrooide en met bloemen omgeven taart terug.

„Je moet die zelf maar snijden, Arthur,” zeide zij, terwijl ze hem een

groot mes toereikte. De baron schoof de bloemen wat op zijde, sneed

terstond een ferm stuk van de taart af en legde dat op een bord. Wel

zag de taart er van binnen wat verdacht van kleur uit en brokkelde ze

geweldig; maar Eugenie had haar gebakken en dus moest ze goed zijn. In

deze overtuiging bracht de baron een stukje aan den mond; en Eugenie kon

nog juist: „Halt!” roepen, anders was de scherts te ver gedreven, daar

de taart werkelijk uit zand bestond. Terstond echter werd ze door een

echte, heerlijk gebakken zandtaart vervangen, en de baron was opgetogen

van bewondering over zijn lieve, guitige Eugenie, die altijd nieuw,

altijd schelmsch en vroolijk, maar ook altijd vol innige liefde en

attentie voor hem was.

Hoeveel Eugenie eigenlijk van de huishouding leerde, daar ben ik nooit

recht achtergekomen; want nu eens was haar 't eenvoudigste nieuw en

vreemd, en dan weer verraste zij ons met allerlei kundigheden, die een

practische huismoeder kenmerken. Tante glimlachte als ik dan mijn

verwondering te kennen gaf.

„Laat haar maar begaan, Margot,” zeide zij. „Ik ben niet bang, of

Eugenie zal haar post goed vervullen; want zij kan het, als 't haar maar

ernst is. Hier is 't alles maar gekheid, bij ons wordt ze nooit anders.

Maar een meisje met zulk een klaar verstand en zulk een practischen

aanleg wordt een flinke vrouw, zoodra zij haar eigen huishouding zal

besturen. Ze zal in 't eerst nog wel eens leergeld moeten betalen; doch

dat is niets: ze zal er zich wel doorheen slaan, daar is ze juist de

rechte toe. God geve, dat haar 't leven geen zware beproevingen oplegge,

opdat zij haar vroolijk humeur moge behouden. Kleine beproevingen zal ze

wel niet ontgaan; maar ik ken haar genoegzaam en weet dat er een goede

kern in haar is, en die zal blijven ook als ze getrouwd is. God leidt de

menschen wijs en wonderbaar; dat zie ik weer zoo duidelijk aan Eugenie's

lotgevallen. In haar ouderlijk huis zouden de heerlijke kiemen verstikt

zijn, die in haar verborgen waren. God bracht haar onder ons dak en gaf

haar in u, mijn kind, een lieve zuster, en zoo ontwikkelde zich het

goede, dat in haar sluimerde. Hij zond haar een liefhebbenden man, die

juist voor haar past, en thans kan ik haar toekomst gerust te gemoet

zien; want alles zal goed worden.”

De brieven, die Eugenie van haar vader ontving, vloeiden over van

vreugdebetuigingen over het geluk van zijn kind. Hij beloofde dat hij

bij haar huwelijk tegenwoordig zou zijn, ofschoon hij geen lang verlof

kon krijgen. Maar dat was niets. Eugenie en haar man konden hem dan op

hun huwelijksreisje een bezoek brengen. Ook Tante had moeten beloven

tegen dien tijd mede te komen, en ik, gelukskind, zou dan meegaan en een

heerlijk reisje door 't schoone Duitschland maken.

„Je bent bij mij op de hoogeschool, zooals Eugenie het noemt,” zei

Tante. „Welnu, dan is 't ook noodig, dat je leert, hoe een mensch zich

op reis moet gedragen.”

Zoover waren we echter nog niet. Op aandrang van den baron zou 't

huwelijk nu in Juli gesloten worden, en 't gaf ons handen vol werk, om

met Eugenie's uitzet klaar te komen. Wel werd er niets bij ons aan huis

genaaid; maar er waren toch veel zorgen en bemoeiingen aan verbonden.

Van al die dingen wist Eugenie genoegzaam niets; als zij die zaken had

moeten besturen, zou er wat fraais voor den dag zijn gekomen. Tante

en ik moesten dus schier dagelijks met haar naar de winkels of de

naaisters. Gelukkig liet ze zich in alles ten goede raden, doch in

sommige bijzonderheden wilde en moest ze haar eigen zin volgen. Daarbij

kwam nog dat de baron, die gaarne zijn wel wat ouderwetsch gemeubileerd

kasteel voor een gedeelte nieuw en elegant wilde inrichten, opdat zijn

schoone, jonge vrouw daar alles naar wensch zou vinden, ook daarvoor de

goede Tante Betsy in den arm nam; waarbij echter Eugenie natuurlijk ook

een woord, zoo niet 't hoogste, in 't midden te brengen had.

„Dat zou nu eigenlijk eerst een werk voor Mama zijn,” zeide Eugenie

glimlachend. „Die dweept met nieuwe inrichting van ameublement en ze

heeft een heel goeden smaak in die soort van zaken!”

Tante Betsy keek Eugenie uitvorschend aan en vroeg of het haar ernst

was; dan zou ze hare mama uitnoodigen om te komen logeeren.

„Neen, lieve Tante,” antwoordde Eugenie met een lichten blos en

neergeslagen oogen. „'t Is beter dat ze niet komt. Gij weet het zelf

wel; 't is veel beter voor ons allen.”

Tante zuchtte en gaf Eugenie, wie de tranen in de oogen stonden, een

kus. En Eugenie had gelijk; want de brief, dien ze van hare moeder als

antwoord op de mededeeling van hare verloving had gekregen, was zoo

vreeselijk koel geweest, dat het arme meisje er tranen bij geschreid

had. Wel had ze daarin haar vreugde over de verloving uitgesproken; maar

alleen in betrekking tot „de schitterende partij,” zooals ze 't noemde;

het geluk van haar kind, de waarde van haar aanstaanden schoonzoon waren

bijzaken, waarvan ze niet eens melding had gemaakt. Ja, er was zelfs

wel wat nijd en afgunst tusschen de regels te lezen, nijd en afgunst

over den hoogen rang der aanstaande barones; zelfs sloot de brief met

eenige bittere klachten over haar eigen ongelukkig huwelijk en over

haar echtgenoot, dien zij zoozeer had veronachtzaamd en zoo ongelukkig

gemaakt had, zonder het te willen bekennen. „Tot mijn spijt,” had ze er

nog bijgevoegd, „zal ik, daar uwe bruiloft in den zomer valt, er niet

bij kunnen tegenwoordig zijn. Ge weet dat ik sedert eenigen tijd aan de

lever lijd, en de dokters raden mij, om daarvoor Carlsbad te bezoeken.

Natuurlijk moet men zulk een kuur gedurende het badseizoen ondernemen.

Maar in den herfst, als 't hier zoo vervelend is, eer 't winterseizoen

begint, hoop ik u op uw kasteel een bezoek te brengen.”

Hoe smartelijk deze brief Eugenie ook moest vallen, ons was die in

zooverre aangenaam, dat wij in ons genoeglijk leven niet door zulk

een onhartelijke, wereldsche vrouw zouden worden gestoord. Des te

meer verheugde 't ons, dat Eugenie's Papa zou overkomen; dat zou een

aangenamer gast zijn—zijzelf verlangde met smachtend ongeduld naar zijn

komst.

Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is · 第 22 / 28 题