Groote veranderingen.
„Eer een meisje verloofd of zelfs gehuwd is, kan men niet weten wat
er in haar steekt,” had Tante Betsy dikwijls gezegd en hoe juist en
menschkundig haar woorden steeds waren, dat bemerkte ik nu weder. Ook
Eugenie, dat ongedurige schepsel, ontwikkelde als verloofde geheel
nieuwe, ongekende eigenschappen, die onze oprechte bewondering opwekten.
't Was inderdaad treffend, hoe ze poogde zich te verbeteren. Tot hiertoe
had zij er nooit aan gedacht om veel voor anderen over te hebben; allen
waren haar tegemoetgekomen en hadden voor haar ingeschikt; bij wat zij
deed, vroeg zij er nooit naar: hinder ik daarmee ook anderen, stoor of
kwel ik soms iemand? Thans echter was ze steeds op alles bedacht, wat
den baron aangenaam kon zijn en met bevallige teederheid poogde ze
voor hem uit den weg te ruimen, wat hem bij zijn blooheid lastig moest
vallen. Daartoe behoorden vooral de bezoeken, die het jonge paar te
maken had om elkander aan vrienden en bekenden voor te stellen. Deze kon
zij den armen baron wel is waar niet besparen, en, daar ik die niet
bijwoonde, weet ik ook niet hoe stijf en gedwongen hij daarbij was; maar
bij de contravisites zag ik, hoe Eugenie met fijne behendigheid altijd
tusschenbeide wist te komen, waar hij het antwoord schuldig bleef, hoe
zij er meestal in slaagde hem steeds in het gesprek te trekken, op 't
juiste oogenblik zijn arm wist te grijpen, kortom hoe zij met de meeste
beminnelijkheid hem meer vertrouwen op zichzelf wist in te boezemen.
Geen wonder dat zijn oogen steeds op haar rustten en het scheen dat de
heele wereld buiten haar niet bestond. Eugenie was hem alles; wat hij
dacht en gevoelde, het gold alles haar, háár geluk en háár vreugde waren
het eenige doel zijns levens. O, hoe dankte ik er God voor, dat Hij mijn
wensch vervuld en den braven man het geluk geschonken had, dat hij
zoozeer verdiende en dat ik hem nooit had kunnen schenken.
Hoezeer Eugenie en de baron ook in karakter verschilden, was het toch
alsof zij voor elkander geschapen waren: want haar zwakheden brachten
hem niet minder in verrukking dan haar goede hoedanigheden. Hij bedierf
haar zooveel hij maar kon, en hoe ondeugender zij was, van hoe meer
geluk zijn oogen schitterden. Al haar oolijke grappen bewonderde hij als
waren het heldendaden, en nooit werd hij knorrig, wanneer ze ook, en dat
slechts al te dikwijls, hem tot het doel harer plagerijen maakte. Hij
wist ook wel dat Eugenie bij al haar guitenstreken een fijn gevoel bezat
en hem hartelijk beminde, en 't was wonderlijk om te zien, hoe die zoo
schuwe, achterhoudende man voor haar zijn geheele hart opende. En
diezelfde Eugenie, die zich altijd zoo tegen alle teedere aandoeningen
verzet had, kon dan soms met een traan in 't oog naar hem zitten
luisteren.
Reeds in de maand Mei wenschte de baron te trouwen; doch Tante verzette
zich daartegen, daar ze haar pleegkind gaarne eerst in de geheimen
der huishouding wilde inwijden. En, ofschoon de baron meende dat dit
volstrekt niet noodig was, daar zijne vrouw zich niet met de huishouding
behoefde te bemoeien en alles wel evengoed zijn gang zou gaan als het
tegenwoordig ging, stond Tante er toch op en ook Eugenie nam de zaak
ernstig op en zeide: „Oprecht gesproken, zou ik niet graag in naam aan
't hoofd van een huishouding staan en inderdaad van ondergeschikten
afhankelijk wezen. Ik heb er geen lust in de speelbal van knechts en
meiden te zijn, die de domme barones in hun vuistje zouden uitlachen en
haar tusschen neus en lippen bestelen. 't Mocht me dan eens gaan als
het zekere jonge vrouw ging, die zachte eieren voor haar man zou koken,
en ze een uur lang in den ketel liet, steeds probeerende of ze haast
zacht werden. Tante Betsy heeft groot gelijk; eerst zullen we maken dat
we wat van de huishouding leeren en dan mag de baron zijn zin hebben en
kan hij zijn huiskruis krijgen.”
Ik was brandend nieuwsgierig om eens te zien hoe 't bemoeien met de
huishouding Eugenie zou afgaan. Daar had men haar vroeger eens mee
moeten aankomen! „Ik dank je hartelijk voor dien smerigen boel!” had ze
me steeds geantwoord als ik haar mee naar de keuken wilde nemen. Thans
kwam haar eergevoel in 't spel, en als zij iets wilde moest het haar
gelukken. Toch zou 't haar in den beginne wel vreemd afgaan.
't Was inderdaad voor Tante Betsy een moeilijke taak, om Eugenie in de
geheimen der huishouding in te wijden; want bij al den ijver, dien het
meisje aan den dag legde, nam ze de zaak niet altijd ernstig op en had
ze dikwijls guitenstreken in den zin. Voor haar nieuwe onderneming
wapende zij zich met een dozijn witte keukenboezelaars, en de baron
schonk haar een heele bibliotheek van de voortreffelijkste keukenboeken.
Hieruit leerde zij alle dagen drie recepten uit het hoofd, en die zeide
ze dan, als een schoolmeisje haar les, voor den aanstaanden huisheer op.
Wat haar echter van die recepten in 't hoofd bleef hangen, was weinig
bruikbaars en gaf aanleiding tot allerhande dolligheden; want ze maakte
tusschenbeide stilletjes de fabelachtigste gerechten klaar en beriep
zich dan op haar keukenboeken. Als ze maar wilde en oplette, begreep zij
de huishoudelijke zaken spoedig, want ze toonde heel veel aanleg; maar
dan kwam de guiterij weer voor den dag en was 't met de oplettendheid
gedaan.
„Lieve Eugenie, je moest die rammenas eens schoonmaken,” zeide Tante
Betsy en ijverig ging Eugenie aan 't werk. Het duurde niet lang of de
rammenas was onder haar handen een aardig popje geworden. Onder de
groene bladerkroon had ze een gezicht uitgesneden, dat door 't groen als
een muts bedekt werd, een koolsblad was de rok van 't popje en een paar
zwavelstokken vervulden de plaats van armen en beenen.
„Maar, Eugenie! Wat moet dat nu beteekenen?” vroeg Tante lachend.
„Wel, u hebt mij bevolen om de rammenas ~schoon~ te maken,” antwoordde
zij. „Is zij nu nog niet ~schoon~ genoeg? Mij dunkt het! Ze heeft haar
Zondagschen rok aan!”
Op een anderen tijd moesten er peren of appelen gekookt worden.
„Ze eerst goed wasschen, Eugenie!” zeide Tante.
Dadelijk ijlde Eugenie de keuken uit en kwam met zeep en een handdoek
terug.
„Wat wil je nu doen, kind?” vroeg Tante, die groote oogen opzette.
„Wel, de appelen wasschen,” antwoordde zij guitachtig, en lachte dat het
door de keuken heenklonk.
Een poosje daarna stond ze peinzend aan de kookkachel.
„Let op het water en waarschuw mij als het kookt, Eugenie,” zeide Tante
toen ze de keuken verliet.
Het duurde niet lang, of de talentvolle leerling der kookkunst kwam bij
mij in de mangelkamer, waar ik met strijken bezig was, hield mij een
kommetje vol dampend water onder den neus en zeide met een ernstig
gezicht:
„Zeg eens, Madeliefje, kun je ook zien of dat water kookt?”
En zoo kwamen er dagelijks allerlei guitenstreken voor den dag; geen
oogenblik was men zeker van haar. Dikwijls verzocht zij Tante om haar
eens alleen te laten koken, en hoezeer ze dan ook aan haar luim den
ruimen teugel vierde, zorgde ze er toch altijd voor dat het eten goed op
tafel kwam. Toch kon ze ook zelfs dan haar spotlust niet bedwingen.
„Van daag is 't watersoep,” heette het. „Ge moet er u maar mee
behelpen,” en inderdaad was de terrine gevuld met enkel heet water. Maar
terwijl wij elkaar verbluft aanzagen, kwam de meid al met een andere
terrine vol krachtige soep aan—de plaaggeest had eens willen zien, hoe
raar we zouden kijken.
Er kwam bijna geen gerecht, dat door haar handen was gegaan, op tafel,
of er was de een of andere grap mee uitgehaald. Nu eens droeg een
gebraden gans een bloemruiker op de borst; dan was een kotelet met een
guirlande van peterselie omgeven en had een hoentje een kroon van papier
op den kop; de visschen hadden soms een briefje in den bek, dat een
klaaglied over hun te vroegen dood of over de buitengewone warmte van
den ketel behelsde; eens hadden een paar gansjes kransen van roode
radijzen om den hals en verzochten in versmaat, dat we haar naar 't
eerstkomende bal zouden meenemen; want ze verlangden zoo naar 't
gezelschap harer zusteren, die op zoo'n bal in overvloed te vinden zijn.
De baron had ontzaglijk veel schik in al die guitenstreken. Hij vond dat
het witte keukenschortje Eugenie allerliefst stond, en niets ging bij
hem boven 't geen zij had klaargemaakt; 't mocht smaken zooals het
wilde.
„Nu heb ik vandaag eens een zandtaart voor je gebakken, Arthur,” zeide
ze op zekeren dag tegen hem. „Ik weet dat je er zooveel van houdt.”
„Nu, dat is heerlijk, Eugenie,” antwoordde hij. „Die zal lekker smaken.”
Eugenie snelde de kamer uit en kwam weldra met een groote met suiker
bestrooide en met bloemen omgeven taart terug.
„Je moet die zelf maar snijden, Arthur,” zeide zij, terwijl ze hem een
groot mes toereikte. De baron schoof de bloemen wat op zijde, sneed
terstond een ferm stuk van de taart af en legde dat op een bord. Wel
zag de taart er van binnen wat verdacht van kleur uit en brokkelde ze
geweldig; maar Eugenie had haar gebakken en dus moest ze goed zijn. In
deze overtuiging bracht de baron een stukje aan den mond; en Eugenie kon
nog juist: „Halt!” roepen, anders was de scherts te ver gedreven, daar
de taart werkelijk uit zand bestond. Terstond echter werd ze door een
echte, heerlijk gebakken zandtaart vervangen, en de baron was opgetogen
van bewondering over zijn lieve, guitige Eugenie, die altijd nieuw,
altijd schelmsch en vroolijk, maar ook altijd vol innige liefde en
attentie voor hem was.
Hoeveel Eugenie eigenlijk van de huishouding leerde, daar ben ik nooit
recht achtergekomen; want nu eens was haar 't eenvoudigste nieuw en
vreemd, en dan weer verraste zij ons met allerlei kundigheden, die een
practische huismoeder kenmerken. Tante glimlachte als ik dan mijn
verwondering te kennen gaf.
„Laat haar maar begaan, Margot,” zeide zij. „Ik ben niet bang, of
Eugenie zal haar post goed vervullen; want zij kan het, als 't haar maar
ernst is. Hier is 't alles maar gekheid, bij ons wordt ze nooit anders.
Maar een meisje met zulk een klaar verstand en zulk een practischen
aanleg wordt een flinke vrouw, zoodra zij haar eigen huishouding zal
besturen. Ze zal in 't eerst nog wel eens leergeld moeten betalen; doch
dat is niets: ze zal er zich wel doorheen slaan, daar is ze juist de
rechte toe. God geve, dat haar 't leven geen zware beproevingen oplegge,
opdat zij haar vroolijk humeur moge behouden. Kleine beproevingen zal ze
wel niet ontgaan; maar ik ken haar genoegzaam en weet dat er een goede
kern in haar is, en die zal blijven ook als ze getrouwd is. God leidt de
menschen wijs en wonderbaar; dat zie ik weer zoo duidelijk aan Eugenie's
lotgevallen. In haar ouderlijk huis zouden de heerlijke kiemen verstikt
zijn, die in haar verborgen waren. God bracht haar onder ons dak en gaf
haar in u, mijn kind, een lieve zuster, en zoo ontwikkelde zich het
goede, dat in haar sluimerde. Hij zond haar een liefhebbenden man, die
juist voor haar past, en thans kan ik haar toekomst gerust te gemoet
zien; want alles zal goed worden.”
De brieven, die Eugenie van haar vader ontving, vloeiden over van
vreugdebetuigingen over het geluk van zijn kind. Hij beloofde dat hij
bij haar huwelijk tegenwoordig zou zijn, ofschoon hij geen lang verlof
kon krijgen. Maar dat was niets. Eugenie en haar man konden hem dan op
hun huwelijksreisje een bezoek brengen. Ook Tante had moeten beloven
tegen dien tijd mede te komen, en ik, gelukskind, zou dan meegaan en een
heerlijk reisje door 't schoone Duitschland maken.
„Je bent bij mij op de hoogeschool, zooals Eugenie het noemt,” zei
Tante. „Welnu, dan is 't ook noodig, dat je leert, hoe een mensch zich
op reis moet gedragen.”
Zoover waren we echter nog niet. Op aandrang van den baron zou 't
huwelijk nu in Juli gesloten worden, en 't gaf ons handen vol werk, om
met Eugenie's uitzet klaar te komen. Wel werd er niets bij ons aan huis
genaaid; maar er waren toch veel zorgen en bemoeiingen aan verbonden.
Van al die dingen wist Eugenie genoegzaam niets; als zij die zaken had
moeten besturen, zou er wat fraais voor den dag zijn gekomen. Tante
en ik moesten dus schier dagelijks met haar naar de winkels of de
naaisters. Gelukkig liet ze zich in alles ten goede raden, doch in
sommige bijzonderheden wilde en moest ze haar eigen zin volgen. Daarbij
kwam nog dat de baron, die gaarne zijn wel wat ouderwetsch gemeubileerd
kasteel voor een gedeelte nieuw en elegant wilde inrichten, opdat zijn
schoone, jonge vrouw daar alles naar wensch zou vinden, ook daarvoor de
goede Tante Betsy in den arm nam; waarbij echter Eugenie natuurlijk ook
een woord, zoo niet 't hoogste, in 't midden te brengen had.
„Dat zou nu eigenlijk eerst een werk voor Mama zijn,” zeide Eugenie
glimlachend. „Die dweept met nieuwe inrichting van ameublement en ze
heeft een heel goeden smaak in die soort van zaken!”
Tante Betsy keek Eugenie uitvorschend aan en vroeg of het haar ernst
was; dan zou ze hare mama uitnoodigen om te komen logeeren.
„Neen, lieve Tante,” antwoordde Eugenie met een lichten blos en
neergeslagen oogen. „'t Is beter dat ze niet komt. Gij weet het zelf
wel; 't is veel beter voor ons allen.”
Tante zuchtte en gaf Eugenie, wie de tranen in de oogen stonden, een
kus. En Eugenie had gelijk; want de brief, dien ze van hare moeder als
antwoord op de mededeeling van hare verloving had gekregen, was zoo
vreeselijk koel geweest, dat het arme meisje er tranen bij geschreid
had. Wel had ze daarin haar vreugde over de verloving uitgesproken; maar
alleen in betrekking tot „de schitterende partij,” zooals ze 't noemde;
het geluk van haar kind, de waarde van haar aanstaanden schoonzoon waren
bijzaken, waarvan ze niet eens melding had gemaakt. Ja, er was zelfs
wel wat nijd en afgunst tusschen de regels te lezen, nijd en afgunst
over den hoogen rang der aanstaande barones; zelfs sloot de brief met
eenige bittere klachten over haar eigen ongelukkig huwelijk en over
haar echtgenoot, dien zij zoozeer had veronachtzaamd en zoo ongelukkig
gemaakt had, zonder het te willen bekennen. „Tot mijn spijt,” had ze er
nog bijgevoegd, „zal ik, daar uwe bruiloft in den zomer valt, er niet
bij kunnen tegenwoordig zijn. Ge weet dat ik sedert eenigen tijd aan de
lever lijd, en de dokters raden mij, om daarvoor Carlsbad te bezoeken.
Natuurlijk moet men zulk een kuur gedurende het badseizoen ondernemen.
Maar in den herfst, als 't hier zoo vervelend is, eer 't winterseizoen
begint, hoop ik u op uw kasteel een bezoek te brengen.”
Hoe smartelijk deze brief Eugenie ook moest vallen, ons was die in
zooverre aangenaam, dat wij in ons genoeglijk leven niet door zulk
een onhartelijke, wereldsche vrouw zouden worden gestoord. Des te
meer verheugde 't ons, dat Eugenie's Papa zou overkomen; dat zou een
aangenamer gast zijn—zijzelf verlangde met smachtend ongeduld naar zijn
komst.