DERTIENDE HOOFDSTUK.

Op de planken.

„Een voorstelling tot een weldadig doel,” stond op de toegangkaarten,

die wij voor den avond, waarop onze voorstelling zou plaats hebben,

uitreikten. Alle plaatsen in de zaal waren spoedig aan den man gebracht

en we zagen onze moeite door een ruime recette beloond. Met welk een

angst zag ik dien gewichtigen avond aankomen—daarmee vergeleken toch

was een bal maar een kinderspel, een beuzeling! Doch wat hielp al die

angst? de avond kwam spoediger dan ik wel gewenscht had; de tooneelschel

ging en langzaam werd het scherm opgehaald, dat het tooneel van de zaal

scheidde. Een dof gegons uit het publiek drong tot achter de coulissen

door, waar wij, die moesten spelen, stonden; maar weldra werd alles

doodstil en hoorden we de stem mijner lieve Marie, die een korte

toespraak moest houden. Zij verzocht daarin het doel onzer uitvoering

als verontschuldiging voor onze vermetelheid te willen aannemen, en de

critiek, aan welke we geen entreebiljet hadden willen geven, den toegang

tot de zaal te ontzeggen.

Een donderend applaus volgde op den met heldere en welluidende stem

uitgesproken proloog, en hoe ik Marie ook in den beginne beklaagd had,

dat haar de zware taak ten deel gevallen was, om zoo het eerst en alleen

op te treden, zoozeer benijdde ik haar nu: want haar taak was volbracht,

en ze had nu niets meer te doen dan naar ons spel te kijken.

Toen Marie van het tooneel was afgetreden, klonken de eerste tonen van

het trio van Beethoven en heerschte er een ademlooze stilte in de zaal.

Hooge planten en bloemen, die Eugenie met fijnen tact ter gemoetkoming

aan des barons verlegenheid daar had laten plaatsen, verborgen de drie

dilettanten voor een groot gedeelte, en daarachter vertolkte nu het

muzikale klaverblad de harmonieën van den grooten meester op eene wijze,

die iedereen meesleepte en met luide toejuichingen werd beloond. Nu

volgde eene kleine pauze en daarna zong Eugenie een schoon lied, zoodat

de oogen van den baron schitterden, toen hij bij ons achter de coulissen

verscheen: 't was of al zijn zinnen zich in dien van zijn gehoor

concentreerden, terwijl hij naar 't schoone gezang luisterde. Eerst toen

Amanda met een prachtig concertstuk op de piano het programma vervolgde,

kwam hij weer tot zichzelf. De introductie werd besloten met het duet,

dat door Eugenie en Dokter Huisman gezongen werd.

Nu echter kwam het vreeselijke oogenblik waarop onze uitvoering moest

beginnen. We gaven een vertaling van Kotsebu'es „De rechte weg is de

beste.” Ik had de rol van de jonge predikantsweduwe, die te gelijk met

de vacante predikantsplaats zal worden vergeven en een zeer vroolijk

meisje, dat niet heel jong meer was, had die van de huishoudster, die

ter beproeving der sollicitanten als de dame wordt voorgesteld, die ze

met de plaats op den koop toe moeten nemen. Een oud majoor door Dokter

Huisman met paruik, lange Duitsche pijp en beschilderde rimpels keurig

voorgesteld, was degeen, die de plaats te begeven had, en bij hem

meldden zich nu twee sollicitanten aan. De een heeft veel voorspraak

en noemt een aantal personen die te zijnen gunste willen spreken; de

voorwaarde om de oude huishoudster te trouwen neemt hij terstond aan,

vooral als hij verneemt dat ze geld heeft. De andere sollicitant heeft

geen voorspraak en wendt zich regelrecht tot den majoor; toen hij echter

de voorwaarde hoort om de dominésweduwe op den koop toe te nemen,

bedankt hij, nog vóór hij haar gezien heeft, voor de plaats. Doch

toen hij haar ziet en ontdekt dat ze 't voorwerp zijner vroegere

liefde is, om wier wil hij nooit heeft willen trouwen, krijgt hij

natuurlijk de vrouw met de predikantsplaats er bij, en zoo eindigt alles

voortreffelijk, vrij wat gemakkelijker dan mijn zedige rol van jonge

weduwe. Het optreden der oude huishoudster had een algemeen handgeklap

veroorzaakt, want een ontzaglijke muts met vreeselijk veel strikken en

een kostelijke ouderwetsche gebloemde samaar gaven haar iets comisch;

daarbij speelde zij uitmuntend.

Ondanks mijn angst en benauwdheid ging alles heel goed; geen van ons

bleef steken, de souffleur volbracht zijn plicht uitmuntend en alles

sloot naar wensch in elkander. Mij brak in den beginne 't zweet wel uit

en alles draaide mij voor de oogen, wanneer ik die van het tooneel naar

het talrijke publiek wendde; maar dat ging spoedig over en al spelende

wies mijn moed. Dat we luide toejuiching verwierven en teruggeroepen

werden, deed mij veel genoegen; zelfs Eugenie zeide, dat ik „nogal goed

gespeeld” had, en uitmuntend „het eerbare madeliefje” had voorgesteld,

zooals een dominé's vrouw dat zijn moest.

Op ons kluchtspel volgde een tweede: „De Kurmarker en 't meisje uit

Picardië” van Schneider, en dat zette het geheel de kroon op. Eugenie

speelde voor de bevallige Française en Eduard voor den onbehouwen Pruis.

Wat zag die Eugenie er allerliefst uit in dat vlugge Fransche kostuum.

De hooge Picardische muts stond haar om te stelen! De inhoud zelf van 't

stuk beteekent niet veel: de kleine Française weet door aanvalligheid,

dans en vleierij den lompen Pruis zoo gunstig te stemmen, en deze wint

door zijn trouwhartige goedaardigheid zoozeer de gunst zijner vijandin,

dat beiden als de beste vrienden van elkander gaan. Het bekende lied:

„O, denneboom! O, denneboom, hoe groen zijn uwe blaren!” zong Eduard

met zooveel humor en liet daarbij toch den diepen ernst die er in lag

zoozeer gevoelen, dat ons de tranen in de oogen stonden, toen het

gezang van den braven soldaat, die aan zijn vaderland denkt, in

snikken eindigde. Daarentegen waren Eugenie's sierlijke dansen in

tegenoverstelling van de plompe sprongen van den goeden Duitscher

allerliefst. Beiden oogstten dan ook geen minder daverend

applaudissement in dan wij en werden ook teruggeroepen.

En zoo was alles goed en zonder stoornis afgeloopen; onze voorstellingen

hadden onverholen bijval gevonden, wijzelf hadden er ons patent bij

geamuseerd en, wat het hoofddoel was: er was een aardige som ingekomen

voor de ongelukkigen, welke som we vol vreugde in handen van den baron

stelden, om ze onder hen te verdeelen.

De drukte, door de toebereidselen voor dezen avond ons allen een

tijdlang gegeven, werd nu natuurlijk weer vervangen door den rustigen,

gelijkmatigen gang van het dagelijksch leven. De winter met zijn

lange avonden verzamelde ons meestal in de prettige huiskamer, wier

ouderwetsche meubelen thans ook der dartele Eugenie begonnen te

bevallen, evenals geheel ons huiselijk leven. Zulk een leven had het

arme meisje nooit gekend; want hare mama beschouwde elken dag, waarop

zij niet kon uitgaan, als verloren. Gelukkig dat in onze Eugenie een

geheel andere aard lag;—het oorspronkelijk goede van haar karakter

kreeg dan ook al meer en meer de overhand boven haar vroegere

lichtzinnigheid. Zonderling en ondeugend bleef ze echter altijd en

verwend ook; maar ondanks dat alles moest men haar toch liefhebben: want

in den grond was ze een lieve, aardige, hartelijke meid.

Haar groote muzikale begaafdheden verschaften ons gedurende de lange

winteravonden menig genot, en ten gevolge van hare aanmoediging,

beproefde ik ook langzamerhand mijn geringe talenten in piano en zang te

volmaken. Marie kwam op die avondjes dikwijls bij ons, ook haar broeder

Eduard en Dokter Huisman, die tegenwoordig tot de vertrouwde vrienden

van onzen kleinen kring behoorde. Het duurde niet lang of we kregen er

nog een lid bij: onzen eerst zoo schuwen vriend, Baron Van der Land.

In groote gezelschappen ontmoetten we hem nooit en ook in onzen kleinen

kring scheen hij zich in den beginne niet erg thuis te gevoelen; de

muziek echter deed hem van lieverlede zijn schroomvalligheid verliezen.

Eugenie had zulk een aardige, lieve manier om zijn linksch gedrag niet

op te merken en hem op zijn gemak te zetten, en Tante Betsy was zoo

hartelijk en vertrouwelijk met hem, dat de ijskorst langzamerhand smolt

en wij met elkander hoe langer hoe meer op gemeenzamer voet raakten.

Dokter Huisman wist ons van tijd tot tijd met zijn interessante

reisverhalen te vermaken, en Eduard kon over allerlei onderwerpen met

een helder oordeel spreken; waarbij het weldra bleek, welk een beschaafd

en ontwikkeld man de baron was. Dat had niemand achter dien stijven

klaas gezocht; ik echter wel, toen hij op dien avond van de soirée met

mij over de kunst en haar beoefenaars had gesproken.

Marie deelde met mij de vaste overtuiging, dat de baron tot over de

ooren verliefd was op Eugenie. Hoe echter Eugenie over hem dacht, was

zoo gemakkelijk niet uit te maken; haar onafgebroken scherts maakte dat

men haar niet kon doorgronden, en als wij soms meenden haar gevat te

hebben, ontsnapte zij als een gladde aal uit onze handen. Toch was er

veel waarschijnlijkheid voor, dat ook zij den baron graag mocht lijden.

Onbegrijpelijk! en toch was het zoo: de wonderlijke, stijve, schuwe

menschenhater beviel aan onze schoone, elegante, verwende Eugenie beter,

dan eenige andere heer van onze kennis.

Zij nam altijd zijn partij op, bracht alles te berde wat hem in een

voordeelig daglicht stelde, spotte nooit met hem, lachte nooit over hem,

al gaf hij daartoe ook nog zooveel reden; en thans gevoelde ik zoo ten

volle de waarheid der woorden, die Tante eens tot mij gezegd had: „Spot

is erger dan berisping. Een meisje zal veeleer een man huwen in wien zij

veel te berispen vindt, dan een met wien zij gespot en over wien zij

gelachen heeft.”

Ook ik lachte niet meer over de onbeholpenheid van den baron; want ik

leerde hem al meer en meer om zijn voortreffelijk karakter achten en

waardeeren. Ik moet echter bekennen, dat ik mij in den beginne tegenover

hem alles behalve op mijn gemak gevoelde en zeker wel in linksche

manieren met hem wedijverde. 't Is toch een pijnlijk gevoel voor een

meisje, zich tegenover den man te bevinden, dien ze een blauwtje

heeft laten loopen. Tot mijn genoegen scheen de baron zich daar veel

gemakkelijker over heen te zetten; als hij Eugenie zag scheen hij alles

te vergeten behalve haar, en hoe zou ik dan nog bij hem in aanmerking

kunnen komen?

't Stond echter oogenschijnlijk slecht met den armen baron geschapen.

Week op week verliep; reeds maakte de winter plaats voor de lente, en

nog waren de zaken even ver gevorderd; want de vrees om door Eugenie te

worden afgewezen, bond den armen man de tong. Hij waagde het niet, aan

het schoone, talentvolle meisje te bekennen, hoezeer hij haar beminde.

't Was dan ook allesbehalve gemakkelijk voor hem een tweede poging te

wagen, waar de eerste mislukt was; daarenboven zou een weigering van

Eugenie, die hij werkelijk liefhad, al zijn hoogste wenschen en

verwachtingen den bodem inslaan en wat hem thans vreugd en een nieuw

leven schonk, voor altijd doen verdwijnen.

Deze gedachten stonden hem zoo duidelijk op 't gelaat te lezen, dat ik

er Eduard eens over aansprak.

„Ja, lieve Margot,” antwoordde hij mij: „Je zoudt je in dit geval eens

recht verdienstelijk kunnen maken.”

„Ik? Hoe meen je dat, Eduard?”

„Je zoudt het geluk kunnen grondvesten van je vroegeren vereerder, den

baron.”

„Hij is nooit mijn vereerder geweest, Eduard, en aanbidt thans andere

godheden,” antwoordde ik lachend.

„Maar je hebt hem toch eens bitter teleurgesteld en gekrenkt, en dat mag

je wel weer goedmaken.”

„O, heel gaarne. Maar hoe kan ik dat?”

„Hoor eens, de dames hebben er 't handje van om het verborgene te

ontraadselen. Zou je niet eens 't hart van je schoone nicht kunnen

peilen, om te weten of zij den baron.....”

„Ho, wat! Dat is een machtig zware taak, die je me daar op de schouders

legt. Eugenie is evenals een kolibrietje, dat telkens een andere kleur

krijgt, al naar 't licht er op valt, of als een kameleon, die allerlei

verschillende tinten aanneemt. Zij doorziet mijn doel tienmaal, als ik

zou willen beproeven haar te doorgronden.”

„Maar je zoudt een goed werk doen, Margot,” zeide Eduard, die weer

ernstig werd. „Onze arme baron sterft schier van liefde voor Eugenie;

maar wat hij van u ondervonden heeft, is de oorzaak dat hij geen moed

heeft om ooit weer een meisje te vragen. Ik heb hem vrijwillig mijn hulp

aangeboden: maar hij verzocht mij vol angst toch geen stap verder te

gaan: want Eugenie's weigering zou hem levenslang ongelukkig maken. Wat

moet er echter van worden als hij zich niet declareert?”

„Nu, ik zal doen wat ik kan om Eugenie te polsen, ik beloof het je,”

antwoordde ik zuchtend. „Ik geloof wel dat ze den baron gaarne mag. Of

ze hem echter 't jawoord zou geven, durf ik niet beslissen. Ze is zulk

een zonderling meisje.”

't Was een zware taak, die ik op mij genomen had. Ik poogde dikwijls het

gesprek op den baron te brengen; maar niets hielp mij: ik kwam er geen

stap verder mee.

„Vindt je niet, Eugenie,” zeide ik onder anderen eens tegen haar, „dat

de baron toch een interessant gelaat heeft, vooral wanneer de muziek hem

in vuur brengt?”

„Ik vind hem zeer leelijk, of hij musiceert of niet,” antwoordde zij

droogjes.

„Ja, zijn manieren zijn niet bevallig, dat moet ik erkennen,” hernam ik.

„Wat komt dat er op aan?” antwoordde ze snel. „Wat mij aangaat, mag hij

zoo stijf zijn als hij wil; ik wil immers niet met hem dansen! In de

conversatie is hij niet stijf en dat is al veel.”

En zoo ging het altijd: berispte ik, dan prees zij hem; en zeide ik wat

te zijnen gunste, dan was 't al weer niet goed.

„De baron moet schatrijk zijn,” was 't op een anderen dag. „En hoe

jammer dat hij zoo alleen op dat groote buiten woont!”

„Waarom heb je dan geweigerd hem daar gezelschap te houden, als 't je

zoo spijt dat hij zoo eenzaam woont?” vroeg Eugenie lachend.

Ik voelde dat ik kleurde; ik overwon echter mijn verlegenheid en zeide:

„Er zijn genoeg andere meisjes, die graag zijn vrouw willen worden:

dunkt je dat ook niet?”

„'t Kan wel zijn,” antwoordde zij terwijl ze haar krullen om den vinger

draaide. „Maar 't staat je niet mooi dat je een gerecht aan anderen

aanpreekt dat je zelve niet lust. O, klein, onnoozel Madeliefje! Dacht

je een oude rat in de val te krijgen!”

En ze groette mij wuivend met de hand en ging dansend de kamer uit;

terwijl ik, boos op mijzelf, bleef staan, mij mijn domheid verwijtend,

die zoo plompverloren voor den dag was gekomen.

Eindelijk, op zekeren dag, toen de baron weer lang bij ons geweest was,

vatte ik moed en zeide ernstig:

„Hoor eens, Eugenie! Ik geloof dat de baron smoorlijk verliefd op je is;

maar hij is te bloo om 't je te zeggen. Je moest hem wat duidelijker

laten zien of je zijn neiging begunstigt, opdat de man wete, waaraan hij

zich te houden heeft.”

Een oogenblik keek Eugenie mij met verbazing aan; daarop barstte zij in

een luid gelach uit en zeide:

„Heeft hij je dat ook soms opgedragen, gevoelige ziel? Ik geloof het

bijna. Maar, schatje, dan heeft hij al een heel slechte afgezant in je

gekozen! Voor 't overige, Madeliefje!” ging zij vleiend voort, toen zij

zag dat ik mij beleedigd afwendde en wilde weggaan, „voor 't overige zal

ik je lessen ter harte nemen. Jammer slechts dat we geen schrikkeljaar

hebben; dat zou vrij wat gemakkelijker voor den baron zijn. Dansten we

samen maar eens den cotillon,” ging ze plagend voort, „dan kon ik hem

ten minste een ridderorde brengen en hem toonen dat hij mij de liefste

van al de heeren der schepping is. Nietwaar, Madeliefje? Hé, ja! Wie was

't ook weer, wien je op dat eerste bal de cotillonorde bracht? O, ja,

Eduard .... neen, die was het niet. Wie was het dan toch?”

„Laat me met rust, afschuwelijk schepsel!” riep ik boos en toch lachend

uit. „Met u kan klaar komen wie wil; ik heb er genoeg van!”

„Nu, dat is heerlijk! Dan zal ik toch eens rust hebben van u en je

saamgezworenen!” riep Eugenie lachend uit. „Maar,” ging zij vroolijk

voort, „opdat je arm hartje niet van kommer en medelijden moge breken,

wil ik je bekennen dat ik den baron werkelijk best mag lijden. Kom,

haast je nu wat, maak dat de vrienden het vernemen en de arme baron door

hen; dan heeft hij eindelijk misschien nog de heldhaftigheid om mij te

vragen en behaal je de zegepraal door de manier, waarop je de zaak tot

stand hebt gebracht. Hoor je niet wat ik zeg, schatjelief! Haast je

toch, opdat hij 't gauw verneme! Geloof je het dan nog niet, als ik je

op drogen toon zeg: ik bemin hem. Of waarom sta je me weer aan te kijken

alsof je het te Keulen hadt hooren onweeren?”

Ja, verwonderd stond ik daar: want wat ik langs omwegen haar niet had

kunnen ontlokken, dat zei het wonderlijke meisje nu uit zichzelf, en wel

in ronde woorden, toen ik dit het minst verwacht had. Juichend viel ik

haar om den hals; maar dat kon ze niet hebben en ze liep brommend de

kamer uit. Ik snelde echter met mijn nieuws naar Marie en met deze naar

Eduard, die de tijding zoo spoedig hij maar eenigszins kon aan den baron

zou brengen, in de verwachting dat deze hem wel weer de rol zou opdragen

om de bruid voor hem te werven. Ook aan Tante Betsy werd 't geheim

toevertrouwd; deze had reeds sedert lang alles vermoed, en verheugde

zich zeer dat de zaken zulk een keer genomen hadden.

„Maar, lieve Tante,” zeide ik hoofdschuddend. „Zoudt gij dan werkelijk

denken dat Eugenie den eenzelvigen man genoeg bemint om hem voor zijn

leven gelukkig te maken? Zij zijn zoo geheel en al verschillend van

karakter.”

„Dat doet er niets toe, kindlief,” antwoordde Tante glimlachend. „Zooals

ik Eugenie langzamerhand heb leeren kennen, weet ik dat zij de waarde

van dezen man zal ontdekt hebben onder al zijn wonderlijkheid en die met

haar lichtzinnige, bevallige manier over 't hoofd zal zien, ja, voor

anderen verbergen. Bij zijn vereering voor Eugenie zal zij wel is waar

levenslang het verwende kind blijven dat zij is; maar daar het haar

in den schitterenden toestand, waarin de rijkdom van den baron haar

zal plaatsen, niet aan de middelen zal ontbreken om hare luimen te

bevredigen, kan ze gerust voortgaan zooals zij doet, als ze maar zoo

goed en beminnelijk blijft, als ze thans is geworden.”

Den geheelen dag sprak ik er met Eugenie geen enkel woord meer over; zij

bleef veel op haar kamer en dat was mij heel aangenaam. Maar tusschen

licht en donker zag ik haar naar Tante Betsy's kamer gaan; daarna kwam

ze bij mij in de huiskamer.

„Madeliefje,” zei ze. „Daar je hier toch op de hoogeschool bent, kun je

er nu ook je studie van maken, hoe je je als verloofde in de wereld te

gedragen hebt.”

Ik wist niet wat die woorden te beteekenen hadden, en omdat ik vermoedde

dat er weer plagerij onder school, antwoordde ik:

„Laat toch die grappen, Eugenie, ik vind ze niet aardig.”

„Wat kan 't mij schelen, of je ze aardig vindt of niet,” antwoordde zij

lachend. „Maar ik maak geen grappen; 't is mij thans hooge ernst.”

„Nu, wat mij aangaat, die tijd is voor mij nog ver af,” antwoordde ik.

„Misschien zoo heel ver niet, Madeliefje,” hernam zij opgeruimd. „Je

hebt altijd gezegd dat je van mij zooveel kondet leeren. Welnu, thans

kunt ge leeren hoe je met gratie als verloofde kunt optreden.”

„Hoe!” riep ik verrast uit. „Heeft dan de baron den moed gehad zich te

declareeren?”

„De baron? Wie zegt dat?” vroeg Eugenie lachend.

„Nu, een van beiden heeft zich toch 't eerst moeten verklaren; jij hebt

toch soms niet....” stotterde ik.

„Ik? Ik heb niets anders gedaan, dan den raad mijner voortreffelijke

nicht gevolgd,” zeide Eugenie vriendelijk. „Zij heeft mij getoond, hoe

men orden uitdeelt, om de taal van zijn hart te doen verstaan. Ook ik

heb dezen voormiddag een orde geschonken, en, zooals 't een galanten

cavalier past, een bouquetje daarvoor teruggekregen; want dat is

cotillonsregel, nietwaar, Madeliefje? Kom, laat eens zien of je de

bloementaal verstaat. Je weet dat ik zeer openhartig ben.”

En nu haalde ze uit haar zakdoek een heerlijken bouquet en hield me

dien onder den neus. Een klein briefje stak in de bloemen; ik nam het

en las daarop: „Dank, onuitsprekelijken dank voor den lichtstraal in

den donkeren nacht. Thans zijt gij de mijne, de mijne voor eeuwig.”

Mij was het als droomde ik. Alzoo was alles reeds in orde en onze

bemiddeling geheel onnoodig geworden. Eugenie had ons aardig beet gehad

en haar aangelegenheden zelf bestuurd. Was zulk een handelwijs niet

door de onoverwinnelijke blooheid van den baron te verontschuldigen,

ja, geheel te rechtvaardigen? Het levensgeluk van twee menschen hing er

immers van af; en Eugenie was den baron zoo kiesch tegemoetgekomen, als

men 't van een welopgevoed meisje als zij was, verwachten kon. Gelukkig,

dat ik niet in haar plaats was—zooiets had ik nooit durven doen!

Een half uur later kwam er iemand de trappen opstormen, en in mijn

leven heb ik een mensch niet zoo veranderd gezien als onze baron. Met

oogen, fonkelend van geluk en liefde, vlug en levendig als een vurige

jongeling, baadde hij zich in een zee van zaligheid, en Eugenie was zoo

bevallig, zoo zedig, en toch weer zoo geestig, plaagachtig en teeder,

dat men gerust een voorbeeld aan haar kon nemen—zij scheen mij het

ideaal toe van een schoone, gelukkige verloofde.

Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is · 第 21 / 28 题