Op de planken.
„Een voorstelling tot een weldadig doel,” stond op de toegangkaarten,
die wij voor den avond, waarop onze voorstelling zou plaats hebben,
uitreikten. Alle plaatsen in de zaal waren spoedig aan den man gebracht
en we zagen onze moeite door een ruime recette beloond. Met welk een
angst zag ik dien gewichtigen avond aankomen—daarmee vergeleken toch
was een bal maar een kinderspel, een beuzeling! Doch wat hielp al die
angst? de avond kwam spoediger dan ik wel gewenscht had; de tooneelschel
ging en langzaam werd het scherm opgehaald, dat het tooneel van de zaal
scheidde. Een dof gegons uit het publiek drong tot achter de coulissen
door, waar wij, die moesten spelen, stonden; maar weldra werd alles
doodstil en hoorden we de stem mijner lieve Marie, die een korte
toespraak moest houden. Zij verzocht daarin het doel onzer uitvoering
als verontschuldiging voor onze vermetelheid te willen aannemen, en de
critiek, aan welke we geen entreebiljet hadden willen geven, den toegang
tot de zaal te ontzeggen.
Een donderend applaus volgde op den met heldere en welluidende stem
uitgesproken proloog, en hoe ik Marie ook in den beginne beklaagd had,
dat haar de zware taak ten deel gevallen was, om zoo het eerst en alleen
op te treden, zoozeer benijdde ik haar nu: want haar taak was volbracht,
en ze had nu niets meer te doen dan naar ons spel te kijken.
Toen Marie van het tooneel was afgetreden, klonken de eerste tonen van
het trio van Beethoven en heerschte er een ademlooze stilte in de zaal.
Hooge planten en bloemen, die Eugenie met fijnen tact ter gemoetkoming
aan des barons verlegenheid daar had laten plaatsen, verborgen de drie
dilettanten voor een groot gedeelte, en daarachter vertolkte nu het
muzikale klaverblad de harmonieën van den grooten meester op eene wijze,
die iedereen meesleepte en met luide toejuichingen werd beloond. Nu
volgde eene kleine pauze en daarna zong Eugenie een schoon lied, zoodat
de oogen van den baron schitterden, toen hij bij ons achter de coulissen
verscheen: 't was of al zijn zinnen zich in dien van zijn gehoor
concentreerden, terwijl hij naar 't schoone gezang luisterde. Eerst toen
Amanda met een prachtig concertstuk op de piano het programma vervolgde,
kwam hij weer tot zichzelf. De introductie werd besloten met het duet,
dat door Eugenie en Dokter Huisman gezongen werd.
Nu echter kwam het vreeselijke oogenblik waarop onze uitvoering moest
beginnen. We gaven een vertaling van Kotsebu'es „De rechte weg is de
beste.” Ik had de rol van de jonge predikantsweduwe, die te gelijk met
de vacante predikantsplaats zal worden vergeven en een zeer vroolijk
meisje, dat niet heel jong meer was, had die van de huishoudster, die
ter beproeving der sollicitanten als de dame wordt voorgesteld, die ze
met de plaats op den koop toe moeten nemen. Een oud majoor door Dokter
Huisman met paruik, lange Duitsche pijp en beschilderde rimpels keurig
voorgesteld, was degeen, die de plaats te begeven had, en bij hem
meldden zich nu twee sollicitanten aan. De een heeft veel voorspraak
en noemt een aantal personen die te zijnen gunste willen spreken; de
voorwaarde om de oude huishoudster te trouwen neemt hij terstond aan,
vooral als hij verneemt dat ze geld heeft. De andere sollicitant heeft
geen voorspraak en wendt zich regelrecht tot den majoor; toen hij echter
de voorwaarde hoort om de dominésweduwe op den koop toe te nemen,
bedankt hij, nog vóór hij haar gezien heeft, voor de plaats. Doch
toen hij haar ziet en ontdekt dat ze 't voorwerp zijner vroegere
liefde is, om wier wil hij nooit heeft willen trouwen, krijgt hij
natuurlijk de vrouw met de predikantsplaats er bij, en zoo eindigt alles
voortreffelijk, vrij wat gemakkelijker dan mijn zedige rol van jonge
weduwe. Het optreden der oude huishoudster had een algemeen handgeklap
veroorzaakt, want een ontzaglijke muts met vreeselijk veel strikken en
een kostelijke ouderwetsche gebloemde samaar gaven haar iets comisch;
daarbij speelde zij uitmuntend.
Ondanks mijn angst en benauwdheid ging alles heel goed; geen van ons
bleef steken, de souffleur volbracht zijn plicht uitmuntend en alles
sloot naar wensch in elkander. Mij brak in den beginne 't zweet wel uit
en alles draaide mij voor de oogen, wanneer ik die van het tooneel naar
het talrijke publiek wendde; maar dat ging spoedig over en al spelende
wies mijn moed. Dat we luide toejuiching verwierven en teruggeroepen
werden, deed mij veel genoegen; zelfs Eugenie zeide, dat ik „nogal goed
gespeeld” had, en uitmuntend „het eerbare madeliefje” had voorgesteld,
zooals een dominé's vrouw dat zijn moest.
Op ons kluchtspel volgde een tweede: „De Kurmarker en 't meisje uit
Picardië” van Schneider, en dat zette het geheel de kroon op. Eugenie
speelde voor de bevallige Française en Eduard voor den onbehouwen Pruis.
Wat zag die Eugenie er allerliefst uit in dat vlugge Fransche kostuum.
De hooge Picardische muts stond haar om te stelen! De inhoud zelf van 't
stuk beteekent niet veel: de kleine Française weet door aanvalligheid,
dans en vleierij den lompen Pruis zoo gunstig te stemmen, en deze wint
door zijn trouwhartige goedaardigheid zoozeer de gunst zijner vijandin,
dat beiden als de beste vrienden van elkander gaan. Het bekende lied:
„O, denneboom! O, denneboom, hoe groen zijn uwe blaren!” zong Eduard
met zooveel humor en liet daarbij toch den diepen ernst die er in lag
zoozeer gevoelen, dat ons de tranen in de oogen stonden, toen het
gezang van den braven soldaat, die aan zijn vaderland denkt, in
snikken eindigde. Daarentegen waren Eugenie's sierlijke dansen in
tegenoverstelling van de plompe sprongen van den goeden Duitscher
allerliefst. Beiden oogstten dan ook geen minder daverend
applaudissement in dan wij en werden ook teruggeroepen.
En zoo was alles goed en zonder stoornis afgeloopen; onze voorstellingen
hadden onverholen bijval gevonden, wijzelf hadden er ons patent bij
geamuseerd en, wat het hoofddoel was: er was een aardige som ingekomen
voor de ongelukkigen, welke som we vol vreugde in handen van den baron
stelden, om ze onder hen te verdeelen.
De drukte, door de toebereidselen voor dezen avond ons allen een
tijdlang gegeven, werd nu natuurlijk weer vervangen door den rustigen,
gelijkmatigen gang van het dagelijksch leven. De winter met zijn
lange avonden verzamelde ons meestal in de prettige huiskamer, wier
ouderwetsche meubelen thans ook der dartele Eugenie begonnen te
bevallen, evenals geheel ons huiselijk leven. Zulk een leven had het
arme meisje nooit gekend; want hare mama beschouwde elken dag, waarop
zij niet kon uitgaan, als verloren. Gelukkig dat in onze Eugenie een
geheel andere aard lag;—het oorspronkelijk goede van haar karakter
kreeg dan ook al meer en meer de overhand boven haar vroegere
lichtzinnigheid. Zonderling en ondeugend bleef ze echter altijd en
verwend ook; maar ondanks dat alles moest men haar toch liefhebben: want
in den grond was ze een lieve, aardige, hartelijke meid.
Haar groote muzikale begaafdheden verschaften ons gedurende de lange
winteravonden menig genot, en ten gevolge van hare aanmoediging,
beproefde ik ook langzamerhand mijn geringe talenten in piano en zang te
volmaken. Marie kwam op die avondjes dikwijls bij ons, ook haar broeder
Eduard en Dokter Huisman, die tegenwoordig tot de vertrouwde vrienden
van onzen kleinen kring behoorde. Het duurde niet lang of we kregen er
nog een lid bij: onzen eerst zoo schuwen vriend, Baron Van der Land.
In groote gezelschappen ontmoetten we hem nooit en ook in onzen kleinen
kring scheen hij zich in den beginne niet erg thuis te gevoelen; de
muziek echter deed hem van lieverlede zijn schroomvalligheid verliezen.
Eugenie had zulk een aardige, lieve manier om zijn linksch gedrag niet
op te merken en hem op zijn gemak te zetten, en Tante Betsy was zoo
hartelijk en vertrouwelijk met hem, dat de ijskorst langzamerhand smolt
en wij met elkander hoe langer hoe meer op gemeenzamer voet raakten.
Dokter Huisman wist ons van tijd tot tijd met zijn interessante
reisverhalen te vermaken, en Eduard kon over allerlei onderwerpen met
een helder oordeel spreken; waarbij het weldra bleek, welk een beschaafd
en ontwikkeld man de baron was. Dat had niemand achter dien stijven
klaas gezocht; ik echter wel, toen hij op dien avond van de soirée met
mij over de kunst en haar beoefenaars had gesproken.
Marie deelde met mij de vaste overtuiging, dat de baron tot over de
ooren verliefd was op Eugenie. Hoe echter Eugenie over hem dacht, was
zoo gemakkelijk niet uit te maken; haar onafgebroken scherts maakte dat
men haar niet kon doorgronden, en als wij soms meenden haar gevat te
hebben, ontsnapte zij als een gladde aal uit onze handen. Toch was er
veel waarschijnlijkheid voor, dat ook zij den baron graag mocht lijden.
Onbegrijpelijk! en toch was het zoo: de wonderlijke, stijve, schuwe
menschenhater beviel aan onze schoone, elegante, verwende Eugenie beter,
dan eenige andere heer van onze kennis.
Zij nam altijd zijn partij op, bracht alles te berde wat hem in een
voordeelig daglicht stelde, spotte nooit met hem, lachte nooit over hem,
al gaf hij daartoe ook nog zooveel reden; en thans gevoelde ik zoo ten
volle de waarheid der woorden, die Tante eens tot mij gezegd had: „Spot
is erger dan berisping. Een meisje zal veeleer een man huwen in wien zij
veel te berispen vindt, dan een met wien zij gespot en over wien zij
gelachen heeft.”
Ook ik lachte niet meer over de onbeholpenheid van den baron; want ik
leerde hem al meer en meer om zijn voortreffelijk karakter achten en
waardeeren. Ik moet echter bekennen, dat ik mij in den beginne tegenover
hem alles behalve op mijn gemak gevoelde en zeker wel in linksche
manieren met hem wedijverde. 't Is toch een pijnlijk gevoel voor een
meisje, zich tegenover den man te bevinden, dien ze een blauwtje
heeft laten loopen. Tot mijn genoegen scheen de baron zich daar veel
gemakkelijker over heen te zetten; als hij Eugenie zag scheen hij alles
te vergeten behalve haar, en hoe zou ik dan nog bij hem in aanmerking
kunnen komen?
't Stond echter oogenschijnlijk slecht met den armen baron geschapen.
Week op week verliep; reeds maakte de winter plaats voor de lente, en
nog waren de zaken even ver gevorderd; want de vrees om door Eugenie te
worden afgewezen, bond den armen man de tong. Hij waagde het niet, aan
het schoone, talentvolle meisje te bekennen, hoezeer hij haar beminde.
't Was dan ook allesbehalve gemakkelijk voor hem een tweede poging te
wagen, waar de eerste mislukt was; daarenboven zou een weigering van
Eugenie, die hij werkelijk liefhad, al zijn hoogste wenschen en
verwachtingen den bodem inslaan en wat hem thans vreugd en een nieuw
leven schonk, voor altijd doen verdwijnen.
Deze gedachten stonden hem zoo duidelijk op 't gelaat te lezen, dat ik
er Eduard eens over aansprak.
„Ja, lieve Margot,” antwoordde hij mij: „Je zoudt je in dit geval eens
recht verdienstelijk kunnen maken.”
„Ik? Hoe meen je dat, Eduard?”
„Je zoudt het geluk kunnen grondvesten van je vroegeren vereerder, den
baron.”
„Hij is nooit mijn vereerder geweest, Eduard, en aanbidt thans andere
godheden,” antwoordde ik lachend.
„Maar je hebt hem toch eens bitter teleurgesteld en gekrenkt, en dat mag
je wel weer goedmaken.”
„O, heel gaarne. Maar hoe kan ik dat?”
„Hoor eens, de dames hebben er 't handje van om het verborgene te
ontraadselen. Zou je niet eens 't hart van je schoone nicht kunnen
peilen, om te weten of zij den baron.....”
„Ho, wat! Dat is een machtig zware taak, die je me daar op de schouders
legt. Eugenie is evenals een kolibrietje, dat telkens een andere kleur
krijgt, al naar 't licht er op valt, of als een kameleon, die allerlei
verschillende tinten aanneemt. Zij doorziet mijn doel tienmaal, als ik
zou willen beproeven haar te doorgronden.”
„Maar je zoudt een goed werk doen, Margot,” zeide Eduard, die weer
ernstig werd. „Onze arme baron sterft schier van liefde voor Eugenie;
maar wat hij van u ondervonden heeft, is de oorzaak dat hij geen moed
heeft om ooit weer een meisje te vragen. Ik heb hem vrijwillig mijn hulp
aangeboden: maar hij verzocht mij vol angst toch geen stap verder te
gaan: want Eugenie's weigering zou hem levenslang ongelukkig maken. Wat
moet er echter van worden als hij zich niet declareert?”
„Nu, ik zal doen wat ik kan om Eugenie te polsen, ik beloof het je,”
antwoordde ik zuchtend. „Ik geloof wel dat ze den baron gaarne mag. Of
ze hem echter 't jawoord zou geven, durf ik niet beslissen. Ze is zulk
een zonderling meisje.”
't Was een zware taak, die ik op mij genomen had. Ik poogde dikwijls het
gesprek op den baron te brengen; maar niets hielp mij: ik kwam er geen
stap verder mee.
„Vindt je niet, Eugenie,” zeide ik onder anderen eens tegen haar, „dat
de baron toch een interessant gelaat heeft, vooral wanneer de muziek hem
in vuur brengt?”
„Ik vind hem zeer leelijk, of hij musiceert of niet,” antwoordde zij
droogjes.
„Ja, zijn manieren zijn niet bevallig, dat moet ik erkennen,” hernam ik.
„Wat komt dat er op aan?” antwoordde ze snel. „Wat mij aangaat, mag hij
zoo stijf zijn als hij wil; ik wil immers niet met hem dansen! In de
conversatie is hij niet stijf en dat is al veel.”
En zoo ging het altijd: berispte ik, dan prees zij hem; en zeide ik wat
te zijnen gunste, dan was 't al weer niet goed.
„De baron moet schatrijk zijn,” was 't op een anderen dag. „En hoe
jammer dat hij zoo alleen op dat groote buiten woont!”
„Waarom heb je dan geweigerd hem daar gezelschap te houden, als 't je
zoo spijt dat hij zoo eenzaam woont?” vroeg Eugenie lachend.
Ik voelde dat ik kleurde; ik overwon echter mijn verlegenheid en zeide:
„Er zijn genoeg andere meisjes, die graag zijn vrouw willen worden:
dunkt je dat ook niet?”
„'t Kan wel zijn,” antwoordde zij terwijl ze haar krullen om den vinger
draaide. „Maar 't staat je niet mooi dat je een gerecht aan anderen
aanpreekt dat je zelve niet lust. O, klein, onnoozel Madeliefje! Dacht
je een oude rat in de val te krijgen!”
En ze groette mij wuivend met de hand en ging dansend de kamer uit;
terwijl ik, boos op mijzelf, bleef staan, mij mijn domheid verwijtend,
die zoo plompverloren voor den dag was gekomen.
Eindelijk, op zekeren dag, toen de baron weer lang bij ons geweest was,
vatte ik moed en zeide ernstig:
„Hoor eens, Eugenie! Ik geloof dat de baron smoorlijk verliefd op je is;
maar hij is te bloo om 't je te zeggen. Je moest hem wat duidelijker
laten zien of je zijn neiging begunstigt, opdat de man wete, waaraan hij
zich te houden heeft.”
Een oogenblik keek Eugenie mij met verbazing aan; daarop barstte zij in
een luid gelach uit en zeide:
„Heeft hij je dat ook soms opgedragen, gevoelige ziel? Ik geloof het
bijna. Maar, schatje, dan heeft hij al een heel slechte afgezant in je
gekozen! Voor 't overige, Madeliefje!” ging zij vleiend voort, toen zij
zag dat ik mij beleedigd afwendde en wilde weggaan, „voor 't overige zal
ik je lessen ter harte nemen. Jammer slechts dat we geen schrikkeljaar
hebben; dat zou vrij wat gemakkelijker voor den baron zijn. Dansten we
samen maar eens den cotillon,” ging ze plagend voort, „dan kon ik hem
ten minste een ridderorde brengen en hem toonen dat hij mij de liefste
van al de heeren der schepping is. Nietwaar, Madeliefje? Hé, ja! Wie was
't ook weer, wien je op dat eerste bal de cotillonorde bracht? O, ja,
Eduard .... neen, die was het niet. Wie was het dan toch?”
„Laat me met rust, afschuwelijk schepsel!” riep ik boos en toch lachend
uit. „Met u kan klaar komen wie wil; ik heb er genoeg van!”
„Nu, dat is heerlijk! Dan zal ik toch eens rust hebben van u en je
saamgezworenen!” riep Eugenie lachend uit. „Maar,” ging zij vroolijk
voort, „opdat je arm hartje niet van kommer en medelijden moge breken,
wil ik je bekennen dat ik den baron werkelijk best mag lijden. Kom,
haast je nu wat, maak dat de vrienden het vernemen en de arme baron door
hen; dan heeft hij eindelijk misschien nog de heldhaftigheid om mij te
vragen en behaal je de zegepraal door de manier, waarop je de zaak tot
stand hebt gebracht. Hoor je niet wat ik zeg, schatjelief! Haast je
toch, opdat hij 't gauw verneme! Geloof je het dan nog niet, als ik je
op drogen toon zeg: ik bemin hem. Of waarom sta je me weer aan te kijken
alsof je het te Keulen hadt hooren onweeren?”
Ja, verwonderd stond ik daar: want wat ik langs omwegen haar niet had
kunnen ontlokken, dat zei het wonderlijke meisje nu uit zichzelf, en wel
in ronde woorden, toen ik dit het minst verwacht had. Juichend viel ik
haar om den hals; maar dat kon ze niet hebben en ze liep brommend de
kamer uit. Ik snelde echter met mijn nieuws naar Marie en met deze naar
Eduard, die de tijding zoo spoedig hij maar eenigszins kon aan den baron
zou brengen, in de verwachting dat deze hem wel weer de rol zou opdragen
om de bruid voor hem te werven. Ook aan Tante Betsy werd 't geheim
toevertrouwd; deze had reeds sedert lang alles vermoed, en verheugde
zich zeer dat de zaken zulk een keer genomen hadden.
„Maar, lieve Tante,” zeide ik hoofdschuddend. „Zoudt gij dan werkelijk
denken dat Eugenie den eenzelvigen man genoeg bemint om hem voor zijn
leven gelukkig te maken? Zij zijn zoo geheel en al verschillend van
karakter.”
„Dat doet er niets toe, kindlief,” antwoordde Tante glimlachend. „Zooals
ik Eugenie langzamerhand heb leeren kennen, weet ik dat zij de waarde
van dezen man zal ontdekt hebben onder al zijn wonderlijkheid en die met
haar lichtzinnige, bevallige manier over 't hoofd zal zien, ja, voor
anderen verbergen. Bij zijn vereering voor Eugenie zal zij wel is waar
levenslang het verwende kind blijven dat zij is; maar daar het haar
in den schitterenden toestand, waarin de rijkdom van den baron haar
zal plaatsen, niet aan de middelen zal ontbreken om hare luimen te
bevredigen, kan ze gerust voortgaan zooals zij doet, als ze maar zoo
goed en beminnelijk blijft, als ze thans is geworden.”
Den geheelen dag sprak ik er met Eugenie geen enkel woord meer over; zij
bleef veel op haar kamer en dat was mij heel aangenaam. Maar tusschen
licht en donker zag ik haar naar Tante Betsy's kamer gaan; daarna kwam
ze bij mij in de huiskamer.
„Madeliefje,” zei ze. „Daar je hier toch op de hoogeschool bent, kun je
er nu ook je studie van maken, hoe je je als verloofde in de wereld te
gedragen hebt.”
Ik wist niet wat die woorden te beteekenen hadden, en omdat ik vermoedde
dat er weer plagerij onder school, antwoordde ik:
„Laat toch die grappen, Eugenie, ik vind ze niet aardig.”
„Wat kan 't mij schelen, of je ze aardig vindt of niet,” antwoordde zij
lachend. „Maar ik maak geen grappen; 't is mij thans hooge ernst.”
„Nu, wat mij aangaat, die tijd is voor mij nog ver af,” antwoordde ik.
„Misschien zoo heel ver niet, Madeliefje,” hernam zij opgeruimd. „Je
hebt altijd gezegd dat je van mij zooveel kondet leeren. Welnu, thans
kunt ge leeren hoe je met gratie als verloofde kunt optreden.”
„Hoe!” riep ik verrast uit. „Heeft dan de baron den moed gehad zich te
declareeren?”
„De baron? Wie zegt dat?” vroeg Eugenie lachend.
„Nu, een van beiden heeft zich toch 't eerst moeten verklaren; jij hebt
toch soms niet....” stotterde ik.
„Ik? Ik heb niets anders gedaan, dan den raad mijner voortreffelijke
nicht gevolgd,” zeide Eugenie vriendelijk. „Zij heeft mij getoond, hoe
men orden uitdeelt, om de taal van zijn hart te doen verstaan. Ook ik
heb dezen voormiddag een orde geschonken, en, zooals 't een galanten
cavalier past, een bouquetje daarvoor teruggekregen; want dat is
cotillonsregel, nietwaar, Madeliefje? Kom, laat eens zien of je de
bloementaal verstaat. Je weet dat ik zeer openhartig ben.”
En nu haalde ze uit haar zakdoek een heerlijken bouquet en hield me
dien onder den neus. Een klein briefje stak in de bloemen; ik nam het
en las daarop: „Dank, onuitsprekelijken dank voor den lichtstraal in
den donkeren nacht. Thans zijt gij de mijne, de mijne voor eeuwig.”
Mij was het als droomde ik. Alzoo was alles reeds in orde en onze
bemiddeling geheel onnoodig geworden. Eugenie had ons aardig beet gehad
en haar aangelegenheden zelf bestuurd. Was zulk een handelwijs niet
door de onoverwinnelijke blooheid van den baron te verontschuldigen,
ja, geheel te rechtvaardigen? Het levensgeluk van twee menschen hing er
immers van af; en Eugenie was den baron zoo kiesch tegemoetgekomen, als
men 't van een welopgevoed meisje als zij was, verwachten kon. Gelukkig,
dat ik niet in haar plaats was—zooiets had ik nooit durven doen!
Een half uur later kwam er iemand de trappen opstormen, en in mijn
leven heb ik een mensch niet zoo veranderd gezien als onze baron. Met
oogen, fonkelend van geluk en liefde, vlug en levendig als een vurige
jongeling, baadde hij zich in een zee van zaligheid, en Eugenie was zoo
bevallig, zoo zedig, en toch weer zoo geestig, plaagachtig en teeder,
dat men gerust een voorbeeld aan haar kon nemen—zij scheen mij het
ideaal toe van een schoone, gelukkige verloofde.