Een ontmoeting.
Op dit eerste bal volgden er in den loop van den winter nog
verscheidene, zoodat ik langzamerhand mijn blooheid overwon en Tante mij
den lof gaf, dat ik mij veel vrijer en gemakkelijker bewoog, dan zij
ooit verwacht had. Bij Eugenie vergeleken, scheen ik mijzelf nog altijd
een houten pop toe; doch zij was op dat punt ook onbereikbaar.
Eer ik echter van ons huiselijk leven verder verhaal, moet ik een
voorval mededeelen, dat gewichtiger gevolgen had dan ik in den beginne
gedacht had.
In Tante Betsy's huis kwam dikwijls een arme vrouw, die eieren en
fruit verkocht, welke haar door Tante goed betaald werden. Zij was ziek
geworden, en daar Tante zich gaarne eens overtuigen wilde hoe 't er bij
haar uitzag, nam ze een der schoonste dagen van den laten herfst waar,
en reed met ons naar het dorp, waar de vrouw woonde. 't Zag daar juist
zoo uit als men 't ons beschreven had: er was behoefte genoeg, en Tante
liet door de kinderen het een en ander halen, terwijl zij ons beiden de
deur uitdreef; daar ze wist dat Eugenie 't hier niet lang zou uithouden.
We gingen dus wat rondwandelen, tot we aan een fraai buiten kwamen, dat
we met bijzondere aandacht beschouwden. Eensklaps kwam er een stier den
weg op, die zeker losgebroken was. We schrikten beiden doodelijk, wilden
hard wegloopen en riepen om hulp. Maar de stier kwam regelrecht op
Eugenie af. Plotseling zinkt ze bewusteloos ter aarde en reeds bukt het
woedende dier den breeden kop—toen een geweldige slag het ter zijde
doet wijken, zoodat het de horens, die op Eugenie gericht waren, woest
in een dikken boomstomp slaat, waardoor ze er in blijven zitten en het
dier zich verwoed op den grond omwentelt.
Een fiksche mannelijke gestalte snelde nu van het dier naar Eugenie. Ook
ik was spoedig bij haar en zag dankend tot den redder op, die ons zoo
ridderlijk verlost had. Deze had ons echter reeds weer verlaten en hielp
den boer, aan wien het beest toebehoorde, om dit uit den stomp los te
krijgen, waarna de eigenaar het den kop aan een der voorpooten vastbond
en 't meenam.
Thans kwam onze bevrijder weer naar ons toe; doch hoe groot was mijn
verrassing, toen ik in hem Baron Van der Land herkende. Ik kreeg een
kleur als bloed en kon van verlegenheid slechts eenige onsamenhangende
woorden uitbrengen. Ook hij was blijkbaar verrast. Eugenie echter, die
spoedig weer bijgekomen was, verloste ons uit onzen pijnlijken toestand;
want hartelijk bedankte zij hem, reikte hem de hand en verzocht hem
vriendelijk haar naar Tante Betsy te vergezellen.
[Illustratie]
De Baron wist niet recht wat hij doen of zeggen zou. Hij wierp een
vluchtigen blik op mij, en ik verwon mijn verlegenheid en vereenigde
mijn verzoek met dat van Eugenie, en zoo begeleidde de baron ons naar
de boerenwoning, waar Tante reeds op ons stond te wachten en nu niet
minder verrast werd door 't verhaal van 't geen ons gebeurd was, dan
door onze ontmoeting met onzen ouden bekende. Maar hier, in de vrije
natuur, slechts omgeven door weinige opgeruimde menschen, was de baron
een geheel ander mensch. Zijn stijve, verlegen manieren, die mij in 't
schitterend salon en onder zooveel vreemde, elegante menschen zoo
belachelijk hadden toegeschenen, waren nu nauw merkbaar; de losse
kleeding die hij droeg, deed hem op zijn voordeeligst uitkomen, en
de moed en de zekerheid, waarmede hij Eugenie's aanvaller tegen
den grond had geworpen, hadden hem in al zijn mannelijke kracht en
beteekenis aan ons oog doen kennen. Hij verzocht de eer te mogen hebben
ons naar zijn buiten te geleiden, en we namen die uitnoodiging met
genoegen aan. 't Was een schoon buiten en 't getuigde zoowel van den
rijkdom des bezitters als van zijn goeden smaak.
't Was mij toch zonderling te moede, toen ik door de elegant gemeubelde
vertrekken wandelde. Dat alles had ik het mijne kunnen noemen; ik had
hier meesteres kunnen worden! Deze gedachte drong zich als onwillekeurig
aan mij op, en 't was mij als las ik dezelfde gedachte op 't gelaat van
Tante Betsy; ik had wel eens willen weten, of de baron ook daarover
peinsde, maar ik durfde hem evenmin aanzien als hij mij. En toch, in
plaats dat mij het denkbeeld met spijt en berouw vervulde, voelde ik
juist thans eerst ten volle, hoe onmogelijk 't mij zou zijn geweest, de
wenschen van dien man te vervullen, al ware zijn buiten nog tienmaal
schooner en kostbaarder geweest.
De baron scheen er behagen in te vinden om alles te laten zien, en
hij was zoo ongedwongen en opgeruimd, dat ik hem schier niet herkende.
Eugenie was geheel en al bekomen van den schrik en vermeide zich vooral
in de schoone schilderijen en kunstschatten, welke de kamers van het
buiten bevatten. Mij boeide de prachtig aangelegde tuin veel meer. 't
Meest van alles echter stonden wij te kijken, toen we in de bibliotheek
van den baron kwamen, waar zich, behalve een rijke boekenschat, ook een
prachtige vleugelpiano, een violoncel en andere muziekinstrumenten
bevonden.
„Ha, ha! Ge schijnt een musicus te zijn, baron!” riep Eugenie uit, op
een muziekboek wijzende dat bij de violoncel lag opengeslagen.
„Een weinig, juffrouw,” antwoordde de baron eenigszins verlegen, terwijl
hij blijkbaar zoo spoedig mogelijk 't vertrek verlaten wilde. Maar
Eugenie was er de rechte toe, om zich te laten afleiden! Zij ging naar
de piano, deed die open, liet haar vingers over de toetsen glijden,
sloeg een paar heerlijke akkoorden aan, en knikte den baron glimlachend
toe.
„Neen, beste baron,” riep zij vroolijk uit. „Zoo gauw krijgt ge me hier
niet vandaan. Ge moet mij met de violoncel accompagneeren. O, hoe lang
is 't al geleden dat ik dit heerlijke instrument gehoord heb! Onder uw
muziek zullen we wel wat vinden, dat we samen kunnen spelen.”
Hier hielp geen tegenstribbelen. Eugenie was al aan 't zoeken en spoedig
had ze dan ook wat gevonden. Het duurde niet lang of de baron was zoo
met zijn geheele ziel bij zijn spel, dat hij alles om zich heen vergat.
Doch de reeds ter kimme neigende zon waarschuwde ons dat het tijd werd
om te vertrekken. We namen zulk een hartelijk afscheid van den baron,
als waren we reeds sedert lang de beste vrienden geweest; hij beloofde
zelfs ons een bezoek te zullen brengen, zoodra hij in de residentie
kwam. Dat gebeurde echter niet dikwijls; want hij gevoelde zich buiten
altijd veel vrijer en gelukkiger dan te midden van die stijve en
vormelijke stadsmenschen; ik had hem dan ook sedert hetgeen er tusschen
ons was voorgevallen, niet weder in eenig gezelschap ontmoet, wat mij
zeer aangenaam was geweest.
Ik was er ten hoogste over verwonderd dat Eugenie met zooveel achting,
ja zelfs met bewondering over den baron sprak. 't Was of ze geheel en al
veranderd was; want haar ondeugende moedwil, die niets verschoonde, had
toch ook hier rijke stof tot spotternij kunnen vinden, hoe voordeelig de
baron zich ook had voorgedaan. Er kwamen daardoor allerlei zonderlinge
gedachten in mij op, die ik echter wijselijk voor mij hield; en ik paste
er wel op, om tegen Eugenie ook maar één woord te reppen over 't geen er
tusschen mij en den baron was voorgevallen. Slechts tegen Marie sprak ik
er vrij en ongedwongen over: want zij was in alles mijn vertrouwde.
Kort na dit avontuur hoorden wij met grooten schrik, dat er in het dorp,
waar we nog zoo kort geleden geweest waren, een vreeselijke brand had
gewoed, waarbij niet alleen verscheidene woningen, waaronder de school
en de pastorie, een prooi der vlammen waren geworden, maar ook een
gedeelte van de kerk in de asch was gelegd. Natuurlijk trof ons 't
bericht van die ramp des te meer, omdat we er nog zoo kort geleden
geweest waren, en we gaven rijkelijk in de collecte, die er voor de door
den brand ongelukkig geworden menschen gehouden werd. Gelukkig was de
arme boerenvrouw verschoond gebleven; maar de schrik en de angst hadden
haar toestand vrij wat verergerd. Door haar vernamen wij, hoe edelmoedig
de baron zich gedragen had. Niet alleen had hij een werkdadig aandeel
bij de blussching van den brand zelf genomen; hij had ook zijn buiten
opengesteld voor de arme menschen, die op die oogenblikken zonder
huisvesting waren.
Eugenie stelde een bijzonder levendig belang in dit voorval, en dacht
over de middelen na om krachtige hulp te verschaffen. Een verloting van
dameshandwerken en andere zaken, welke ik met Marie op het touw zette,
viel weinig in haar smaak, ofschoon zij er keurige prijzen in gaf.
„We moesten een dilettantenconcert zien te houden,” riep zij eindelijk
uit. „Dat zal meer opbrengen dan uw speldenkussenloterij met lootjes van
twee kwartjes. Of zoudt ge een tooneelvoorstelling beter oordeelen? Ik
geloof dat we daarmee een goede recette zouden maken. Natuurlijk moeten
we keurig zijn in 't uitreiken van entreebiljetten en niet maar Jan en
alleman toelaten.”
Onze tegenbedenkingen, dat zulke denkbeelden onuitvoerbaar waren en er
al te veel moeite en zorg aan verbonden zouden zijn, vonden bij haar
geen ingang; en, daar Tante Betsy er niets ongepasts in vond, omdat het
voor een goed doel was, stelde Eugenie haar plan vast en nam op zich te
zullen zorgen voor de uitvoering van een paar aardige stukjes,
voorafgegaan door een klein concert.
De anders zoo op haar gemak gestelde, niets uitvoerende Eugenie was nu
geheel werkzaamheid en ijver. Het opvoeren van tooneelstukjes behoorde
tot die dingen, waarmee hare mama dweepte en die bij haar aan huis
meermalen hadden plaats gehad. Ze had er dus verstand van; zij zelf was
er een keer of wat in opgetreden. Men kon haar nu dagelijks in haar
kamer vinden, omringd van boeken: want geschikte tooneelstukjes zijn
moeilijk te vinden. Eindelijk was ze er mee klaar, en de uitslag toonde
dat ze een goede keus gedaan had.
't Kostte echter vrij wat moeite om onder onze bekenden 't noodige
personeel voor de uitvoering bijeen te krijgen; zonder Eugenie's
aanminnigheid zouden we het zeker nooit zoover gebracht hebben.
Eindelijk waren alle rollen bezet, en nu gingen we aan 't studeeren
daarvan en 't vervaardigen van de noodige kostumes.
't Leek bij Tante wel den zoeten inval; want al de repetitiën zouden bij
ons plaats hebben—voor de uitvoering was reeds een zaal afgehuurd. Er
was voor Eugenie wat te doen bij die repetitiën: want zij fungeerde voor
regisseur, terwijl mij een deel van de vervaardiging der garderobe was
opgedragen. Bovendien had ze mij een rol opgedrongen, hoe ik er mij ook
tegen verzet had.
„Ik ben er veel te stijf toe!” had ik gezegd. „Ik zal u allen te schande
maken.”
„Ik zal je wel klaar krijgen, Madeliefje,” was haar antwoord geweest.
„Je bent hier bij Tante Betsy op de hoogeschool; en tot een echte
beschaving behoort ook, dat men mee kan doen als er komedie gespeeld
wordt. Wat ik dus van je vorder, is alleen een middel om je opvoeding te
perfectionneeren.”
En 't hielp mij bitter weinig, of ik al vond dat nu juist het
komediespelen niet tot de elementen eener gesoigneerde educatie
behoorde—wilde ik niet eigenzinnig schijnen, dan moest ik mij
onderwerpen.
Haar plan om een klein concert vooraf te laten gaan, gaf Eugenie nog
meer moeite dan het bezetten der rollen. Wat haar betrof, zij wilde
gaarne spelen en zingen; maar er moesten haar eenige andere ferme
krachten ter zijde staan: anders kon het niet. Eindelijk had Amanda
Delius zich bereid verklaard iets op de piano voor te dragen, welk
instrument zij met talent bespeelde, en Dokter Huisman studeerde met
Eugenie een duet in; er moest echter nog voor een ouverture gezorgd
worden, die 't geheel behoorlijk zou inleiden.
„Ik ben er! Dat moet gebeuren!” riep Eugenie mij op zekeren morgen toe
en liet mij een klein keurig briefje zien, waarop stond: „Den
Hoogwelgeboren Heer, Baron Van der Land.”
„Nu, zet maar zulke groote oogen niet op alsof je mij zoo maar met huid
en haar wilde opeten!” riep Eugenie uit, terwijl ze schelde. „Breng dat
briefje eens gauw naar de post, Lizette,” vervolgde zij tot haar
kamenier, aan wie ze 't overreikte.
„Maar, Eugenie! Wat heb je nu gedaan?” riep ik half versteend van
verbazing uit.
„Wel, ik heb onzen goeden baron verzocht, voor zijn door brand
ongelukkig geworden dorpsgenooten eenige stukken op de violoncel als
bijdrage te leveren,” antwoordde Eugenie.
„Op de violoncel? Zal hij op ons concert meewerken? En heb je hem dat
durven vragen, Eugenie?”
„Wel, waarom niet? Hij speelt zoo magnifiek. Waarom zou hij geen trio
met mij en Marie's broeder uitvoeren? Ik neem de piano, Eduard de viool
en de baron de violoncel; dat is een prachtige introductie.”
Ik schudde het hoofd en dacht niet anders of zij zou een weigerend
antwoord van den baron ontvangen. Maar, o wonder! daar verscheen reeds
den volgenden dag onze goede baron zelf, wel een beetje stijf en
verlegen, maar toch levendig en vol vuur, zooals ik hem nog nooit gezien
had. Hoeveel 't hem gekost had zijn menschenschuwheid te overwinnen, dat
konden wij slechts vermoeden; hij had haar echter overwonnen en kwam nu
om Eugenie's verdere bevelen te vernemen. Deze was dol verheugd en zeer
voorkomend voor haar nieuwen vriend, met wien zij zich spoedig in de
keus van een geschikt stuk verdiepte.
Toen de baron weg was, kon ik niet nalaten op mijn beurt Eugenie eens te
plagen en zei heel onnoozel:
„Wat is het toch lief van den baron, dat hij alleen ter wille van het
edele doel zijn blooheid overwint en het offer brengt, om met je te
spelen, Eugenie.”
Ze keek eensklaps op, bukte zich toen en scheen zich in de muziek te
verdiepen.
„Hm! ja, hij is zeer goed,” zeide zij verstrooid. „Apropos, Madeliefje,”
ging ze toen op haar gewonen plagerigen toon voort: „ik had nooit
gedacht dat je zoo onbarmhartig zoudt zijn geweest, om dezen ~goeden~
man zoo wreed te behandelen.”
Nu kwam de beurt aan mij om te blozen; want het was mij zeer onaangenaam
dat Eugenie van de geschiedenis wist. Eduard moest haar die verraden
hebben; Tante en Marie toch hadden mij beloofd er over te zwijgen. Het
verwonderde mij echter ten hoogste dat Eugenie deze plagerij niet
voortzette, en ik paste er wel op om haar weer met den baron te plagen.