TWAALFDE HOOFDSTUK.

Een ontmoeting.

Op dit eerste bal volgden er in den loop van den winter nog

verscheidene, zoodat ik langzamerhand mijn blooheid overwon en Tante mij

den lof gaf, dat ik mij veel vrijer en gemakkelijker bewoog, dan zij

ooit verwacht had. Bij Eugenie vergeleken, scheen ik mijzelf nog altijd

een houten pop toe; doch zij was op dat punt ook onbereikbaar.

Eer ik echter van ons huiselijk leven verder verhaal, moet ik een

voorval mededeelen, dat gewichtiger gevolgen had dan ik in den beginne

gedacht had.

In Tante Betsy's huis kwam dikwijls een arme vrouw, die eieren en

fruit verkocht, welke haar door Tante goed betaald werden. Zij was ziek

geworden, en daar Tante zich gaarne eens overtuigen wilde hoe 't er bij

haar uitzag, nam ze een der schoonste dagen van den laten herfst waar,

en reed met ons naar het dorp, waar de vrouw woonde. 't Zag daar juist

zoo uit als men 't ons beschreven had: er was behoefte genoeg, en Tante

liet door de kinderen het een en ander halen, terwijl zij ons beiden de

deur uitdreef; daar ze wist dat Eugenie 't hier niet lang zou uithouden.

We gingen dus wat rondwandelen, tot we aan een fraai buiten kwamen, dat

we met bijzondere aandacht beschouwden. Eensklaps kwam er een stier den

weg op, die zeker losgebroken was. We schrikten beiden doodelijk, wilden

hard wegloopen en riepen om hulp. Maar de stier kwam regelrecht op

Eugenie af. Plotseling zinkt ze bewusteloos ter aarde en reeds bukt het

woedende dier den breeden kop—toen een geweldige slag het ter zijde

doet wijken, zoodat het de horens, die op Eugenie gericht waren, woest

in een dikken boomstomp slaat, waardoor ze er in blijven zitten en het

dier zich verwoed op den grond omwentelt.

Een fiksche mannelijke gestalte snelde nu van het dier naar Eugenie. Ook

ik was spoedig bij haar en zag dankend tot den redder op, die ons zoo

ridderlijk verlost had. Deze had ons echter reeds weer verlaten en hielp

den boer, aan wien het beest toebehoorde, om dit uit den stomp los te

krijgen, waarna de eigenaar het den kop aan een der voorpooten vastbond

en 't meenam.

Thans kwam onze bevrijder weer naar ons toe; doch hoe groot was mijn

verrassing, toen ik in hem Baron Van der Land herkende. Ik kreeg een

kleur als bloed en kon van verlegenheid slechts eenige onsamenhangende

woorden uitbrengen. Ook hij was blijkbaar verrast. Eugenie echter, die

spoedig weer bijgekomen was, verloste ons uit onzen pijnlijken toestand;

want hartelijk bedankte zij hem, reikte hem de hand en verzocht hem

vriendelijk haar naar Tante Betsy te vergezellen.

[Illustratie]

De Baron wist niet recht wat hij doen of zeggen zou. Hij wierp een

vluchtigen blik op mij, en ik verwon mijn verlegenheid en vereenigde

mijn verzoek met dat van Eugenie, en zoo begeleidde de baron ons naar

de boerenwoning, waar Tante reeds op ons stond te wachten en nu niet

minder verrast werd door 't verhaal van 't geen ons gebeurd was, dan

door onze ontmoeting met onzen ouden bekende. Maar hier, in de vrije

natuur, slechts omgeven door weinige opgeruimde menschen, was de baron

een geheel ander mensch. Zijn stijve, verlegen manieren, die mij in 't

schitterend salon en onder zooveel vreemde, elegante menschen zoo

belachelijk hadden toegeschenen, waren nu nauw merkbaar; de losse

kleeding die hij droeg, deed hem op zijn voordeeligst uitkomen, en

de moed en de zekerheid, waarmede hij Eugenie's aanvaller tegen

den grond had geworpen, hadden hem in al zijn mannelijke kracht en

beteekenis aan ons oog doen kennen. Hij verzocht de eer te mogen hebben

ons naar zijn buiten te geleiden, en we namen die uitnoodiging met

genoegen aan. 't Was een schoon buiten en 't getuigde zoowel van den

rijkdom des bezitters als van zijn goeden smaak.

't Was mij toch zonderling te moede, toen ik door de elegant gemeubelde

vertrekken wandelde. Dat alles had ik het mijne kunnen noemen; ik had

hier meesteres kunnen worden! Deze gedachte drong zich als onwillekeurig

aan mij op, en 't was mij als las ik dezelfde gedachte op 't gelaat van

Tante Betsy; ik had wel eens willen weten, of de baron ook daarover

peinsde, maar ik durfde hem evenmin aanzien als hij mij. En toch, in

plaats dat mij het denkbeeld met spijt en berouw vervulde, voelde ik

juist thans eerst ten volle, hoe onmogelijk 't mij zou zijn geweest, de

wenschen van dien man te vervullen, al ware zijn buiten nog tienmaal

schooner en kostbaarder geweest.

De baron scheen er behagen in te vinden om alles te laten zien, en

hij was zoo ongedwongen en opgeruimd, dat ik hem schier niet herkende.

Eugenie was geheel en al bekomen van den schrik en vermeide zich vooral

in de schoone schilderijen en kunstschatten, welke de kamers van het

buiten bevatten. Mij boeide de prachtig aangelegde tuin veel meer. 't

Meest van alles echter stonden wij te kijken, toen we in de bibliotheek

van den baron kwamen, waar zich, behalve een rijke boekenschat, ook een

prachtige vleugelpiano, een violoncel en andere muziekinstrumenten

bevonden.

„Ha, ha! Ge schijnt een musicus te zijn, baron!” riep Eugenie uit, op

een muziekboek wijzende dat bij de violoncel lag opengeslagen.

„Een weinig, juffrouw,” antwoordde de baron eenigszins verlegen, terwijl

hij blijkbaar zoo spoedig mogelijk 't vertrek verlaten wilde. Maar

Eugenie was er de rechte toe, om zich te laten afleiden! Zij ging naar

de piano, deed die open, liet haar vingers over de toetsen glijden,

sloeg een paar heerlijke akkoorden aan, en knikte den baron glimlachend

toe.

„Neen, beste baron,” riep zij vroolijk uit. „Zoo gauw krijgt ge me hier

niet vandaan. Ge moet mij met de violoncel accompagneeren. O, hoe lang

is 't al geleden dat ik dit heerlijke instrument gehoord heb! Onder uw

muziek zullen we wel wat vinden, dat we samen kunnen spelen.”

Hier hielp geen tegenstribbelen. Eugenie was al aan 't zoeken en spoedig

had ze dan ook wat gevonden. Het duurde niet lang of de baron was zoo

met zijn geheele ziel bij zijn spel, dat hij alles om zich heen vergat.

Doch de reeds ter kimme neigende zon waarschuwde ons dat het tijd werd

om te vertrekken. We namen zulk een hartelijk afscheid van den baron,

als waren we reeds sedert lang de beste vrienden geweest; hij beloofde

zelfs ons een bezoek te zullen brengen, zoodra hij in de residentie

kwam. Dat gebeurde echter niet dikwijls; want hij gevoelde zich buiten

altijd veel vrijer en gelukkiger dan te midden van die stijve en

vormelijke stadsmenschen; ik had hem dan ook sedert hetgeen er tusschen

ons was voorgevallen, niet weder in eenig gezelschap ontmoet, wat mij

zeer aangenaam was geweest.

Ik was er ten hoogste over verwonderd dat Eugenie met zooveel achting,

ja zelfs met bewondering over den baron sprak. 't Was of ze geheel en al

veranderd was; want haar ondeugende moedwil, die niets verschoonde, had

toch ook hier rijke stof tot spotternij kunnen vinden, hoe voordeelig de

baron zich ook had voorgedaan. Er kwamen daardoor allerlei zonderlinge

gedachten in mij op, die ik echter wijselijk voor mij hield; en ik paste

er wel op, om tegen Eugenie ook maar één woord te reppen over 't geen er

tusschen mij en den baron was voorgevallen. Slechts tegen Marie sprak ik

er vrij en ongedwongen over: want zij was in alles mijn vertrouwde.

Kort na dit avontuur hoorden wij met grooten schrik, dat er in het dorp,

waar we nog zoo kort geleden geweest waren, een vreeselijke brand had

gewoed, waarbij niet alleen verscheidene woningen, waaronder de school

en de pastorie, een prooi der vlammen waren geworden, maar ook een

gedeelte van de kerk in de asch was gelegd. Natuurlijk trof ons 't

bericht van die ramp des te meer, omdat we er nog zoo kort geleden

geweest waren, en we gaven rijkelijk in de collecte, die er voor de door

den brand ongelukkig geworden menschen gehouden werd. Gelukkig was de

arme boerenvrouw verschoond gebleven; maar de schrik en de angst hadden

haar toestand vrij wat verergerd. Door haar vernamen wij, hoe edelmoedig

de baron zich gedragen had. Niet alleen had hij een werkdadig aandeel

bij de blussching van den brand zelf genomen; hij had ook zijn buiten

opengesteld voor de arme menschen, die op die oogenblikken zonder

huisvesting waren.

Eugenie stelde een bijzonder levendig belang in dit voorval, en dacht

over de middelen na om krachtige hulp te verschaffen. Een verloting van

dameshandwerken en andere zaken, welke ik met Marie op het touw zette,

viel weinig in haar smaak, ofschoon zij er keurige prijzen in gaf.

„We moesten een dilettantenconcert zien te houden,” riep zij eindelijk

uit. „Dat zal meer opbrengen dan uw speldenkussenloterij met lootjes van

twee kwartjes. Of zoudt ge een tooneelvoorstelling beter oordeelen? Ik

geloof dat we daarmee een goede recette zouden maken. Natuurlijk moeten

we keurig zijn in 't uitreiken van entreebiljetten en niet maar Jan en

alleman toelaten.”

Onze tegenbedenkingen, dat zulke denkbeelden onuitvoerbaar waren en er

al te veel moeite en zorg aan verbonden zouden zijn, vonden bij haar

geen ingang; en, daar Tante Betsy er niets ongepasts in vond, omdat het

voor een goed doel was, stelde Eugenie haar plan vast en nam op zich te

zullen zorgen voor de uitvoering van een paar aardige stukjes,

voorafgegaan door een klein concert.

De anders zoo op haar gemak gestelde, niets uitvoerende Eugenie was nu

geheel werkzaamheid en ijver. Het opvoeren van tooneelstukjes behoorde

tot die dingen, waarmee hare mama dweepte en die bij haar aan huis

meermalen hadden plaats gehad. Ze had er dus verstand van; zij zelf was

er een keer of wat in opgetreden. Men kon haar nu dagelijks in haar

kamer vinden, omringd van boeken: want geschikte tooneelstukjes zijn

moeilijk te vinden. Eindelijk was ze er mee klaar, en de uitslag toonde

dat ze een goede keus gedaan had.

't Kostte echter vrij wat moeite om onder onze bekenden 't noodige

personeel voor de uitvoering bijeen te krijgen; zonder Eugenie's

aanminnigheid zouden we het zeker nooit zoover gebracht hebben.

Eindelijk waren alle rollen bezet, en nu gingen we aan 't studeeren

daarvan en 't vervaardigen van de noodige kostumes.

't Leek bij Tante wel den zoeten inval; want al de repetitiën zouden bij

ons plaats hebben—voor de uitvoering was reeds een zaal afgehuurd. Er

was voor Eugenie wat te doen bij die repetitiën: want zij fungeerde voor

regisseur, terwijl mij een deel van de vervaardiging der garderobe was

opgedragen. Bovendien had ze mij een rol opgedrongen, hoe ik er mij ook

tegen verzet had.

„Ik ben er veel te stijf toe!” had ik gezegd. „Ik zal u allen te schande

maken.”

„Ik zal je wel klaar krijgen, Madeliefje,” was haar antwoord geweest.

„Je bent hier bij Tante Betsy op de hoogeschool; en tot een echte

beschaving behoort ook, dat men mee kan doen als er komedie gespeeld

wordt. Wat ik dus van je vorder, is alleen een middel om je opvoeding te

perfectionneeren.”

En 't hielp mij bitter weinig, of ik al vond dat nu juist het

komediespelen niet tot de elementen eener gesoigneerde educatie

behoorde—wilde ik niet eigenzinnig schijnen, dan moest ik mij

onderwerpen.

Haar plan om een klein concert vooraf te laten gaan, gaf Eugenie nog

meer moeite dan het bezetten der rollen. Wat haar betrof, zij wilde

gaarne spelen en zingen; maar er moesten haar eenige andere ferme

krachten ter zijde staan: anders kon het niet. Eindelijk had Amanda

Delius zich bereid verklaard iets op de piano voor te dragen, welk

instrument zij met talent bespeelde, en Dokter Huisman studeerde met

Eugenie een duet in; er moest echter nog voor een ouverture gezorgd

worden, die 't geheel behoorlijk zou inleiden.

„Ik ben er! Dat moet gebeuren!” riep Eugenie mij op zekeren morgen toe

en liet mij een klein keurig briefje zien, waarop stond: „Den

Hoogwelgeboren Heer, Baron Van der Land.”

„Nu, zet maar zulke groote oogen niet op alsof je mij zoo maar met huid

en haar wilde opeten!” riep Eugenie uit, terwijl ze schelde. „Breng dat

briefje eens gauw naar de post, Lizette,” vervolgde zij tot haar

kamenier, aan wie ze 't overreikte.

„Maar, Eugenie! Wat heb je nu gedaan?” riep ik half versteend van

verbazing uit.

„Wel, ik heb onzen goeden baron verzocht, voor zijn door brand

ongelukkig geworden dorpsgenooten eenige stukken op de violoncel als

bijdrage te leveren,” antwoordde Eugenie.

„Op de violoncel? Zal hij op ons concert meewerken? En heb je hem dat

durven vragen, Eugenie?”

„Wel, waarom niet? Hij speelt zoo magnifiek. Waarom zou hij geen trio

met mij en Marie's broeder uitvoeren? Ik neem de piano, Eduard de viool

en de baron de violoncel; dat is een prachtige introductie.”

Ik schudde het hoofd en dacht niet anders of zij zou een weigerend

antwoord van den baron ontvangen. Maar, o wonder! daar verscheen reeds

den volgenden dag onze goede baron zelf, wel een beetje stijf en

verlegen, maar toch levendig en vol vuur, zooals ik hem nog nooit gezien

had. Hoeveel 't hem gekost had zijn menschenschuwheid te overwinnen, dat

konden wij slechts vermoeden; hij had haar echter overwonnen en kwam nu

om Eugenie's verdere bevelen te vernemen. Deze was dol verheugd en zeer

voorkomend voor haar nieuwen vriend, met wien zij zich spoedig in de

keus van een geschikt stuk verdiepte.

Toen de baron weg was, kon ik niet nalaten op mijn beurt Eugenie eens te

plagen en zei heel onnoozel:

„Wat is het toch lief van den baron, dat hij alleen ter wille van het

edele doel zijn blooheid overwint en het offer brengt, om met je te

spelen, Eugenie.”

Ze keek eensklaps op, bukte zich toen en scheen zich in de muziek te

verdiepen.

„Hm! ja, hij is zeer goed,” zeide zij verstrooid. „Apropos, Madeliefje,”

ging ze toen op haar gewonen plagerigen toon voort: „ik had nooit

gedacht dat je zoo onbarmhartig zoudt zijn geweest, om dezen ~goeden~

man zoo wreed te behandelen.”

Nu kwam de beurt aan mij om te blozen; want het was mij zeer onaangenaam

dat Eugenie van de geschiedenis wist. Eduard moest haar die verraden

hebben; Tante en Marie toch hadden mij beloofd er over te zwijgen. Het

verwonderde mij echter ten hoogste dat Eugenie deze plagerij niet

voortzette, en ik paste er wel op om haar weer met den baron te plagen.

Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is · 第 20 / 28 题