ELFDE HOOFDSTUK.

Het bal.

„Hier heb ik een uitnoodiging, die u wel pleizier zal doen,” zeide Tante

Betsy op zekeren morgen, terwijl zij met een briefje binnentrad, waarin

we tegen den volgenden Maandag op een bal werden genoodigd.

„Eindelijk zal ik toch weer eens dansen!” riep Eugenie uit. „Ik was al

bang dat ik het heelemaal verleeren zou! Mijn balkleeren zijn zeker duf

van 't liggen en door de mot verteerd, zoo lang hebben zij 't gaslicht

niet gezien. Wel, Madeliefje! wat voor toilet willen we maken? Ik laat

de keus geheel aan je over. Wil je wit, of blauw, of rose, of wat

anders? Maar we kleeden ons niet precies hetzelfde; want dan zouden de

menschen wel denken dat we tweelingen waren.”

Ik zat stil en peinzend neder en hoorde Eugenie's vragen ter nauwernood.

Een bal! Ik zou op een bal gaan! In groote gezelschappen was ik wel eens

met Tante Betsy geweest, maar nog nooit op een bal! Ik had in mijn

geheele leven nog geen balzaal betreden, en mijn hart trilde van angst,

van vreugde en van verwachting. Tante bemerkte mijn opgewondenheid.

„Ik geloof, dat je reeds de balkoorts heb, Margot,” zeide zij

glimlachend. „Wacht maar, als eerst het balkostuum klaar is, zullen de

vleugels wel wassen. 't Is niet om je leven te doen; stel je

dienaangaande maar gerust.”

Eugenie was onuitputtelijk in plagerijen over mijn kleinmoedigheid;

want voor haar, die reeds als kind zich in de schitterendste

gezelschappen bewogen had, was een balzaal zulk een bekende plaats,

dat die haar nooit eenigen angst of eenige vrees had doen koesteren.

Onophoudelijk vond ik haar bezig aan 't raadplegen met Lizette, die zoo

onder neteldoek, bloemen en linten begraven was, dat slechts haar hoofd

boven al die fraaiigheden uitstak als een schip boven de golven. Eugenie

duldde echter geen derde bij zich, als ze die conferentiën hield; want

als ik 't waagde haar kamer binnen te treden, werd ik met bloemen en

andere versierselen gebombardeerd of onder dichte wolken van krip en

neteldoek begraven en schoof ze me heel bedaard de deur uit.

Mijn eigen baltoilet gaf mij ook vrij wat te doen; want al had ook

Tante Betsy mij een prachtige stof voor een mooie baljapon gegeven, ik

moest er zelf hard aan meepieken. „Dan alleen heeft zoo'n japon groote

waarde,” zeide Tante. Eindelijk was het balkleed gereed, doch wat ik in

mijn haar zou doen, daarover was ik het nog niet met mijzelf eens. Ik

kon maar tot geen besluit komen; doch op een morgen, juist toen ik Marie

zou gaan afhalen om met mij een keus te doen, bracht de meid mij een

doos met de boodschap, dat hier de bestelde krans was. Ik wilde de doos

eerst niet aannemen, omdat ik niets besteld had; maar mijn naam stond op

het adres en vol verwondering deed ik de doos open. En wat lag daar in?

Een dikke krans van frissche, bloeiende madeliefjes met een briefje,

waarop met veranderde hand geschreven stond:

„Aan 't kleine madeliefje,

Geef ik mijzelf present;

Geen kent mijn hartediefje,

Als zij zichzelve kent.”

Dat was een streek van Eugenie; daaraan behoefde ik geen oogenblik te

twijfelen. Hoe zij aan die natuurlijke madeliefjes in den laten herfst

gekomen was, begreep ik niet, doch dat was mij onverschillig; de

spotternij kwam van haar en hinderde mij. Geërgerd wierp ik den krans

weer in de doos; doch daar verschoof het papier, en er kwamen eenige

groene blaadjes te voorschijn. Ik nam het stijve papier weg, en voor mij

lag de bekoorlijkste, geurigste bloemenkrans, die ooit een bloemenwinkel

versierd heeft. O, zoo schoon en zoo frisch!

't Was dus een surprise, en Eugenie was weer de ondeugende plaaggeest,

die eerst prikte om daarna des te vriendelijker te streelen. Want dat

zij het was, stond bij mij vast. Juist wilde ik juichend naar Tante

snellen om haar den schoonen krans te laten zien, toen Eugenie de

kamer binnentrad en ik haar dankend om den hals vloog. Doch ze hield

eensklaps haar zakdoek onder den neus en riep: „Hè, wat ruikt het hier

verschrikkelijk boersch! 't Is of men midden onder de koeien op de wei

is. Net naar madeliefjes!” en met gezwinden pas snelde zij de deur weer

uit.

En zoo was ik dan aan een allerschoonsten bloemenkrans gekomen, zonder

dat ik mij verder met wikken en wegen behoefde te kwellen. De bloemen

in mijn wit neteldoeksch kleedje lachten mij zoo vriendelijk toe, sjerp

en witte atlasschoentjes ontbraken er ook niet aan; kortom—mijn geheele

baltoilet was kant en klaar.

Tante Betsy had beloofd mij bij het kleeden te helpen. En dat deed zij

ook werkelijk, waarover ik zeer blij was, omdat ik dan zeker wist dat

alles mij goed zou zitten.

„Alles keurig en rein, Margot!” zeide Tante, toen ze de kamer

binnentrad, om mij aan mijn toilet te helpen. En toen ik eindelijk voor

Tantes grooten spiegel stond en mij in mijn sneeuwwit balkleed en met de

frissche bloemen in 't haar zag staan, schrikte ik bijna van mijzelf;

keuriger en netter dame, dacht mij, kon er niet naar 't bal gaan.

Doch ziet, daar ging de deur open en zweefde er een fee binnen—zoo kwam

't mij ten minste in 't eerste oogenblik voor, totdat ik onze schoone

Eugenie herkende. In zacht rose tule gekleed, die met frissche witte

camelia's boven een even zacht rose zijden kleedje was opgenomen, een

krans van dezelfde kleur van camelia's, waartusschen enkele diamanten

schitterden, in de bruine lokken,—'t was of er een bovenaardsche

gedaante de kamer kwam binnenzweven; ik was geheel betooverd door haar

schoonheid.

„Ha! daar is ons madeliefje!” riep zij uit, terwijl ze naar mij

toesnelde. „'t Is alsof het zoo pas in de weide geplukt is. Hoe nederig

je er ook uitziet, je zult alle vlinders 't hoofd doen draaien.”

Lachend gaf ze me met haar kostbaren waaier een slag op de schouders;

toen wierp ze een pak nieuwe handschoenen op de tafel neer en begon

daarin te zoeken en paar voor paar aan te passen. Het duurde echter lang

eer ze tevreden scheen te zijn, en in haar ongeduld trok ze zoo hard aan

't witte leer, dat ze meer dan één paar gescheurd ter zijde wierp.

Met verbazing zag ik naar haar; want het paar handschoenen, dat Tante

mij voor het bal gekocht had, lag zorgvuldig opgevouwen op den fijnen

zakdoek en wachtte er slechts op om nog veel zorgvuldiger over mijn

vingers te worden geschoven; ze te scheuren, zou iets verschrikkelijks

zijn geweest.... ik had geen tweede paar om aan te trekken. Toen ik

Eugenie zeide wat ik dacht, lachte zij mij uit en schoof mij het pakket

toe om er uit te kiezen; want, dat men ook in zulke kleinigheden zuinig

kan zijn, was haar even nieuw als onbegrijpelijk.

Eindelijk reden we naar het oord onzer verwachting. Toen we de balzaal

binnentraden klemde ik mij aan de hand van Tante vast; want als een zee

golfden de lichte, heldere balkleedjes der dames om mij heen. Ik kreeg

weer een hevige aanval van de balkoorts; en toen eenige prachtiggekleede

dames van onze kennis op ons toekwamen, had ik wel in een hoek willen

kruipen.

Doch, o vreugde! Daar ontsloot zich voor mij de hemel: want in 't

lichtblauw neteldoek gehuld, met een krans van witte rozen in de blonde

lokken, kwam daar, als een engel der verlossing, mijne lieve Marie naar

mij toe, en aan haar hand schepte ik weer vroolijk adem; nu was ik

geborgen! Wel deden de eerste tonen der dansmuziek weer een lichte

rilling door mijn leden gaan; die had ik echter spoedig overwonnen;

en 't genot van het dansen verdrong alle andere gevoelens.

Vroolijk monsterde ik mijn balboekje, waarop ik alle dansen als

besproken kon aanteekenen, en zoo had ik ten minste niet het treurige

vooruitzicht om als een muurbloem den wand te versieren, terwijl allen

om mij heen dansten. Ik begreep spoedig zelf niet, welke verrukking

mij bezielde, terwijl de golven van den dans mij voortstuwden; het was

onbeschrijfelijk aangenaam, zich op de maat van de muziek te bewegen; ik

danste met geestdrift.

„O, die lieve zestienjarige onschuld!” riep Eugenie lachend, toen ik

eenige oogenblikken later met gloeiende wangen naar haar toesnelde en

haar meedeelde, welk een genot ik smaakte. „Waarlijk! ik zou je kunnen

benijden! Dat danst nog zoo met hart en ziel; terwijl wij blij zijn, dat

we in een pauze eens tot ons zelf kunnen komen.”

Eugenie was de schoonste der dames; dat was ontegenzeggelijk waar,

zoowel wat haar uiterlijk als wat haar toilet betrof. De balzaal was

volkomen de plaats, om haar schoonheid en bevalligheid in vollen glans

te voorschijn te doen treden, en ik vond het zeer natuurlijk, dat ze

onophoudelijk door een breeden kring van heeren omgeven was, die zich de

eer betwistten haar hun hulde aan te bieden. 't Zou mij bang om 't hart

zijn geworden, als ik in haar plaats was geweest. 't Scheen Eugenie

echter geheel en al onverschillig te zijn; want met verbazing bemerkte

ik meermalen, hoe zij al haar vereerders den rug toekeerde en met de een

of andere dame de zaal rondging.

„Ja, zij is eenig, dat meisje,” zeide Marie. „Mijn broeder maakt haar

't hof, evenals alle heeren; doch zij geeft haren vereerders óf scherpe

antwoorden, óf ontsnapt hun als een aal, óf spot met hen, lacht hen uit

en keert hun den rug toe. Louise Terstege heeft me daar een aardige

historie van haar verteld, waarin ge ook wel pleizier zult hebben.

Luitenant Vergouw, dien iedereen om zijn dwaasheden uitlacht, staat

naast Eugenie en zegt haar zulke laffe vleierijen, dat ze ongeduldig

op haar waaier bijt en haar blikken verstrooid in de zaal laat weiden.

Eindelijk ziet ze opmerkzaam naar de plaats, waar wij met elkander staan

te praten. Onwillekeurig glimlacht zij en haar hoffelijke galant houdt

het voor zijn plicht, insgelijks te glimlachen. Eugenie keert hem den

rug toe en zegt tegen Louise, terwijl zij op ons wijst, tamelijk zacht:

„Die beiden, praten en kozen.”

„En zien naar de sterren omhoog,”

klinkt het eensklaps naast Eugenie, en met een diepe buiging staat

Luitenant Vergouw glimlachend voor haar, die, terwijl hij zijn rooden

knevel krult, op deze wijs het bekende lied voltooit. Dat gaat echter

boven de lankmoedigheid van Eugenie. Met een toornigen blik ziet zij den

indringer aan, werpt het hoofd in den nek en zegt scherp:

„En, lieve vriendin, in mijn oog

Zijn luitenants brutaal als de booze.”

Daarop maakte zij een trotsche buiging en zoekt met Louise een andere

zaal op.”

Hoe aardig ik die geschiedenis ook vond, ik vreesde echter, en niet ten

onrechte, dat Eugenie zich op die manier allerlei onaangenaamheden op

den hals zou halen. Wat zij door scherpe antwoorden of op andere wijze

ondervond, heeft ze mij nooit meegedeeld; slechts eens gedurende den

cotillon kwam ze naar mij toe, wierp een prachtigen bouquet, dien zij

gedurende den dans ontvangen had, verachtelijk onder de stoelen, en gaf

mij lachend een klein briefje, dat iemand in de bloemen gestoken had, en

waarop deze woorden stonden:

„Uw taal verwondt;

Uw schoone mond

Doet elk verdriet;

En daarom zegt

Een elk terecht:

Ik mag u niet.”

Verschrikt keek ik Eugenie aan; want hoezeer moest haar dit schimpdicht

hinderen; maar met een guitigen lach zeide zij:

„Nietwaar, Madeliefje, van dien ben ik ten minste gelukkig bevrijd.

Doch verwerf u aangenamer vereerders; 't is niet heel vleiend op die

manier bezongen te worden.”

Daarbij zweefden haar blikken schalks naar Dr. Huisman, die zeer veel

met mij danste en juist weer aankwam, om mij een der schoone ruikers aan

te bieden, die in den cotillon onder de dames werden verdeeld.

„Hij is een vriend van mijn goeden papa,” zeide ik, terwijl ik verlegen

de blikken van Eugenie volgde; toch voelde ik, hoe mij de kleur naar de

wangen steeg.

„O, neem mij niet kwalijk! Ik dacht dat de ruiker voor u was en niet

voor je papa. Maar dat moet jij beter weten, Madeliefje!” zeide Eugenie

lachend en sloeg mij plagend met haar waaier op de vingers. Toen knikte

zij mij vriendelijk toe en begaf zich met haar danser, die haar juist

kwam halen, weer in de rijen van den cotillon.

Zulk een cotillon is een wonderlijke dans. Even eindeloos als hij duurt,

is de opgewektheid die hij onder de dansenden doet ontstaan; want hier

kan aan allerlei galanterie, aan allerlei gevoelens, aan voor- en afkeur

uitdrukking worden gegeven, en dat door beide partijen gelijk. Voor de

heeren had men, zooals ik reeds zeide, keurige bouquetten om aan de

dames te geven; dezen kregen kleine papieren ridderorden om die haar

dansers op de borst te steken. Ik had reeds verscheidene schoone

bouquetten gekregen, en was zeer trotsch en gelukkig. Doch nu moest ik

een keus doen, en aan wien zou ik mijn ridderorde liever gegeven hebben

dan aan den vriend mijns vaders, dokter Huisman? Hij had zich toch reeds

verdienstelijk jegens mij gemaakt, daar hij mij zoo dikwerf ten dans had

genoodigd; 't was dus niets meer dan een staaltje van dankbaarheid dat

ik hem de orde gaf. Toch klopte mijn hart daarbij geweldig, als deed ik

iets kwaads. Angstig keek ik naar Eugenie, en ik was wat blij, toen ik

zag, dat zij niet bemerkte aan wien ik mijn ridderorde schonk.

Eerst laat keerden we huiswaarts, de arme Tante doodmoe (want het is

geen kleinigheid, zoo'n heelen avond duenna te zijn over een paar jonge

meisjes), Eugenie nog altijd onuitputtelijk in scherts en overmoed,

ik dronken van verrukking, want zoo in mijn schik was ik nog nooit

geweest. Nog lang lag ik wakker en haalde mij alles voor den geest

terug. 't Boerendeerntje had zich van avond nog al goed gehouden, vond

ik: want Tante had me geen enkelen keer behoeven te berispen. Ik was

tevreden met alles wat ik gesproken en gedaan had; eindelijk drukte de

slaap mij zachtkens de oogen toe, en in den droom zweefde ik nog altijd

vroolijk dansend op en neder.

„Hoor eens, Madeliefje, ik zal je eens les in het dansen geven,” zeide

Eugenie den volgenden morgen, toen ik bij haar in de kamer trad. Ze lag

nog te bed, ofschoon ik ook niet met de kippen van stok gekomen was.

„Dans ik dan zoo slecht, Eugenie?” riep ik verschrikt uit; want ik dacht

dat ik nogal goed gedanst had.

„Ja, zoowat als Mama's schoothond, als die op zijn achterpooten loopt,”

antwoordde Eugenie, terwijl zij zich geeuwend uitrekte.

Ik kreeg een kleur als bloed en beet mij op de lippen. Eugenie sloot de

oogen en scheen niet meer op mij te letten, zoodat ik knorrig wilde

weggaan. Eensklaps begon ze neuriënd te zingen:

„Mijn taal verwondt;

Mijn booze mond

Doet elk verdriet;

En daarom zegt

Margot terecht:

Ik mag u niet.”

„'t Is toch een alleraardigst liedje, nietwaar, Madeliefje?” ging ze

opgeruimd voort, terwijl ze zich in 't bed oprichtte. „Zoo diepzinnig,

zoo makkelijk te veranderen en op andere dingen toe te passen. Ja, zoo'n

luitenant, dat is een pronkstuk, kind! Wat er toch een schat van geest

en humor in zoo'n paar knevels steekt! Dat zou men niet gelooven.”

„Maar ze zijn toch niet allen zoo, Eugenie,” zeide ik eenigszins

vergoelijkend, want ze wou me zeker weer plagen. „Ik heb eenige

officieren leeren kennen, die alleraangenaamste jongelieden zijn; laffe

gekken heeft men onder alle standen.”

„Ik dacht dat jij meer met de leerplicht dan met de weerbaarheid waart

ingenomen, klein Madeliefje,” riep Eugenie knipoogend uit. „Wat stond je

balorde dien Dokter Huisman allerliefst!”

Die drommelsche Eugenie! Daar joeg ze me 't bloed weer naar de wangen.

Zoo had ze dan toch opgemerkt aan wien ik mijn orde gegeven had.

„Hij had zooveel met mij gedanst en daarvoor moest ik mij toch dankbaar

toonen,” zeide ik, eenigszins in verwarring gebracht.

Eugenie's schaterend gelach bevrijdde mij uit mijn verlegen toestand;

want ze vond het bovenmate naïf en bespottelijk, om een danser nog te

beloonen voor de genade, welke men hem bewezen had om met hem te dansen.

Ze had zoo'n geheel andere opvatting van de zaken, dat ik er menigmaal

geheel verbaasd over stond. Met mijne lieve Marie kwam ik toch beter

overeen; evenals ik zag die nog schuchter de wereld in.—Eugenie was

over zulke „groene dwaasheden,” zooals zij ze noemde, heen; zij eischte

veel en de natuur had haar rijke middelen gegeven, waardoor zij ook veel

verkreeg. Maar voor een bescheiden „boerendeerntje” zooals ik was,

passen ook bescheidene eischen aan de wereld en de menschen, en daarom

liet ik mij door Eugenie niet van 't spoor brengen.

Wel had ik mij ten aanzien van Eugenie's aanmerking op mijn dansen zeer

geërgerd, maar ik wist mijn wrevel te bedwingen; daar ik overtuigd was

dat zij het inderdaad zeer goed met mij meende en zeide dus:

„Zeg mij eens in ernst, Eugenie! Dans ik inderdaad zoo slecht?”

„De gratie ligt bij u nog in de windsels, kindlief,” antwoordde ze,

goedhartig lachende. „Stel je echter gerust. Zelfs Tante was met je

welvoeglijkheid tevreden; ruk je dus maar niet uit pure wanhoop de

zwarte haren uit het hoofd. Maar ik moet je toch nog wat onder handen

nemen, dat kan je geen kwaad, u zoomin als Marie; want, wat deze te

veel achterover danst, helt gij te veel voorover, zoodat je, als je met

elkander danstet, een aardigen scherpen hoek zoudt maken. En dan maak

je allebei zulke allerliefste schoolpassen, als stond Mr. le professeur

de danse achter u, om je voor elke onachtzaamheid met zijn strijkstok op

de teenen te kloppen.”

Met blijdschap onderwierp ik mij aan de oefeningen, die Eugenie nog

denzelfden morgen mijn voeten en handen liet maken, en juichend werd ook

Marie in beslag genomen, toen ze kwam om eens over 't bal van gisteren

met ons te praten. Wel was Eugenie een zonderlinge leermeesteres, daar

ze allerlei guitenstreken bij onze oefeningen uitvoerde; maar wij

leerden toch wat zij wenschte: ons gemakkelijker te bewegen en ons

rechtop te houden bij het dansen. Daarbij voegde Tante Betsy nog de

les, om den gasten zoo weinig mogelijk onzen rug toe te keeren, vooral

dengenen, aan wie we als de voornaamsten de meeste hoogachting en

beleefdheid verschuldigd waren. Dit in aanmerking te nemen—ik moet het

openhartig bekennen—heb ik tot op den huidigen dag vreeselijk moeilijk

gevonden.

Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is · 第 19 / 28 题