Verschillende moeders.
Had Eugenie in den eersten tijd van haar verblijf in ons huis
uitsluitend al onze gedachten vervuld, langzamerhand begon nu ons
levensbeekje weer zijn gewonen loop te hervatten. Eugenie's gedrag
verwekte hoe langer hoe minder stoornis en zij begon zich al wat meer
bezig te houden met de bemoeiingen, waarmede Tante Betsy en ik den tijd
besteedden. Aan de lessen, die ik ontving, nam ze geen deel; want daar
had ze al meer dan genoeg van, zooals zij zeide, en ik vond het heel
pleizierig, dat ik die op den ouden voet met Marie kon voortzetten.
Ook het voorlezen, waarmede Tante nog regelmatig met mij voortging,
verveelde Eugenie in den beginne doodelijk; en ik vond niets
onpleizieriger dan voor te lezen als zij er bij was, daar ze zich
volstrekt niet geneerde mij om mijn slechte uitspraak en den verkeerden
klemtoon, dien ik soms op de woorden legde, uit te lachen. Doch Tante
verbood haar dit spoedig, en een tijdlang ging ze de kamer uit als wij
begonnen te lezen. Op zekeren dag echter kwam ze juist op het leesuur
binnen en vroeg aan Tante, of zij 't vandaag eens doen mocht. Natuurlijk
stemde Tante toe. En nu hadt gij eens moeten hooren hoe prachtig zij
las. Haar stem was jeugdiger en dus frisscher dan die van Tante, en er
was bovendien zulk een klank en zulk een juistheid in hare voordracht,
dat we beiden in bewondering opgetogen waren.
Eensklaps scheen ze zin in 't voorlezen te hebben gekregen; want van nu
af aan nam ze geregeld deel aan onze leesuren. Ze las bij afwisseling
met Tante en mij, en hare plagerijen bij mijn lezen bepaalden zich nu
tot kleine aardigheden, die ik volgaarne verdroeg en waarom ik zelf
meelachte. Zoo was ze nu eenmaal. Wanneer men haar den goeden weg
gewezen had, moest men haar tijd tot nadenken laten, en dan kon men er
zeker van zijn, dat haar goed hart haar op den rechten weg bracht. Deze
gegronde overtuiging troostte Tante en ondersteunde haar bij al de zorg,
die Eugenie's gedrag haar veroorzaakte; en de goede vrouw was innig
dankbaar jegens God, dat Hij dit meisje onder haar hoede had geplaatst,
eer nog het weelderig opgeschoten onkruid al het goede zaad in haar hart
had verstikt.
Eugenie zelve gevoelde dit ook dagelijks meer en meer, en op de meest
ongekunstelde wijze sprak zij die gedachte zelf uit, altoos op haar
zonderlinge manier om de zaken uit te drukken.
„Tante,” vroeg zij eens, „wie van uw beide bakerkinderen veroorzaakt u
eigenlijk de meeste moeite? Madeliefje, die ongelikte jonge boerin, of
de ondeugende en lastige Eugenie? Beken het maar, het tweede bakerkind
is 't lastigst van de beiden. Maar wat kan zij het helpen, die zoo lang
in 't spinneweb verward is geweest, dat het weken duurde eer ze zag hoe
ze er uit kon geraken. Maar nu word ik ook zoo duf en oudbakken als
onze oude kat thuis, die op haar ouden dag geen muizen meer wil vangen;
waarschijnlijk wel, omdat Tante Betsy haar in 't oor heeft geblazen dat
dit zonde is. Foei, als Mama eens zag hoe ik daar aan een grove wollen
kous zit te breien, of de kleine kinderen met hunne vuile neuzen kus;
wat zou 't goede mensch van mij schrikken! Ze kocht mij zeker terstond
den kost in 't oude-vrouwenhuis, waar ze zou zeggen, dat mijn plaats
was!”
En dan begon ze op haar gewone vroolijke manier te lachen en draaide met
mij in de rondte, 't geen ik me maar moest laten welgevallen, of ik
wilde of niet.
Ondanks haar elegante uiterlijke beschaving, kwamen er toch bij Eugenie
allerlei dingen te voorschijn, die Tante Betsy berispte, en ik knoopte
hare aanmerkingen tot mijn eigen behartiging in 't oor. Zoo had b. v.
Eugenie er veel pret in, om uit het venster te kijken en allerlei
opmerkingen te maken over de voorbijgangers. Ik vond dat ook heel
prettig; en zoo lagen wij beiden eens met onze schouders ver uit het
geopende venster, om toch al wat er beneden op straat voorbijging goed
op te nemen. Maar spoedig kwam Tante er op aan en beknorde ons braaf
over ons ongepast gedrag; want het beviel haar niet, als jonge meisjes
niets beters weten te doen dan uit het venster te liggen kijken; en zoo
met het geheele bovenlijf in de lucht te hangen was geen teeken van
welvoeglijkheid.
Ik trok mijn hoofd dadelijk naar binnen; maar Eugenie lachte zooals
altijd, en zeide dat Tante bang was voor een bestorming van haar
kasteel, om de daarin gevangene schoonen te bevrijden; daarom wou ze ons
aan de oogen der wereld onttrekken. Ze deed echter wat Tante bevolen
had, en 't open venster zag ons van toen af slechts voor weinige
oogenblikken.
Een ander gebrek van Eugenie, dat ik echter minder met haar deelde, was
't gebruik van krachtige uitdrukkingen en ongepaste woorden. 't Was
inderdaad grappig om te hooren, hoe dat fijne dametje soms duchtig kon
razen en er wel eens soldatenwoorden uit dat fijne mondje vlogen.
„Ik ben nu eenmaal zoo'n halve jongen, wat kan ik het helpen!”
antwoordde zij op de terechtwijzingen van Tante daarover; toch hoorde
men dergelijke uitdrukkingen minder dan vroeger. Ook op 't ijdel
gebruik van Gods naam en zoogenaamde bastaardvloeken maakte Tante haar
opmerkzaam, en ze gaf zich werkelijk veel moeite om 't af te leeren;
ofschoon ze zei dat ze wel een slot op haar mond mocht leggen, omdat ze
hier geen mensch naar den zin kon spreken.
Verwende menschen zijn achteloos ten aanzien van 't geen zij anderen
verschuldigd zijn, en zoo ging 't ook Eugenie, wie 't geheel en al
onverschillig was, of anderen reden hadden oplettendheden van haar te
verwachten of niet.
„Laat mij toch met rust. Ik kan dat bezoekenafleggen niet uitstaan,”
antwoordde zij steeds op de herinnering van Tante, dat ze de een of
andere dame een bezoek schuldig was. „De menschen zijn mij ten eenenmale
onverschillig; ik kan 't niet uitstaan dat zij zich om mij bekommeren!”
Kwam zij er eindelijk toe om ergens een visite te maken, dan deed ze 't
met zooveel beminnelijkheid, dat ze alle menschen in verrukking bracht.
Tante was op zulke kleine maatschappelijke plichten zeer streng. „Wie
zich,” zeide zij, „in 't kleine gewent om de plichten jegens zijn
medemenschen in 't oog te houden, zal ook in grootere zaken zoo
handelen.”
Deze geringschatting van anderen was ook de oorzaak dat Eugenie dingen,
die aan anderen toebehoorden, niet ontzag en dit had reeds meermalen
onaangenaamheden veroorzaakt. Op een prachtige sjaal, die een dame haar
bij 't naar huisgaan opgedrongen had, maakte de hond een vlek, die er
slechts met groote moeite uit te krijgen was; een parapluie, die zij
geleend had, liet zij ergens staan en moest er natuurlijk een nieuwe
voor terugzenden; op het mooie album van Amanda liet ze olie vallen
en bemorste daardoor niet alleen eenige schoone teekeningen, maar ook
Tantes tafelkleed. Wel herstelde Eugenie de schade door nog schooner
teekeningen en een ander tafelkleed, maar 't gaf haar wat moeite en
kosten, en zij had dat alles kunnen sparen, als ze wat zorgvuldiger op
't eigendom van anderen gepast had. Even onachtzaam ging zij met de
boeken om, die men haar leende, en Tante zeide haar heel streng, dat
het haar niet verwonderen zou, wanneer niemand haar meer een boek wilde
toevertrouwen, daar ze er nooit een zonder ezelsooren of beduimelde
bladeren en vlekken teruggaf. „Het is een teeken van weinig opvoeding,
kindlief!” zoo eindigde Tante haar toespraak, waarnaar Eugenie met
weinig oplettendheid luisterde. Intusschen had ze in 't vervolg toch
meer attentie voor andere menschen en voor hun eigendom.
Niet, dat ze met haar eigen goed zorgvuldiger omging; 't kostte Tante
vrij wat moeite, om haar het verkeerde daarvan onder 't oog te brengen.
Te denken dat het spaarzaamheid was, haar goed te ontzien, was nog
nooit in haar opgekomen, en daar zij evenveel onachtzaamheid en
onervarenheid in 't gebruiken van haar geld aan den dag legde, deed het
Tante veel genoegen, toen Eugenie haar tot haar minister van financiën
benoemde. Onder zulk een leiding leerde zij spoedig haar geld beter
besteden; toch had ze altijd grooten lust, om meer uit te geven dan haar
inkomsten bedroegen.
„Ik moet een rijken man hebben,” zeide zij dikwijls, en 't scheen mij
toe, dat ze daarin geen ongelijk had.
„Maar als je nu eens een armen krijgt, hoe dan?”
„Dien neem ik niet. Misschien neem ik er wel in 't geheel geen,”
antwoordde zij op die vraag.
Eugenie's zorgeloosheid omtrent haar goed strekte zich ook uit tot
iets, waarvan ik 't volstrekt niet begrijpen kon, en wel tot haar
correspondentie. Ik bewaarde mijn brieven achter slot en 't was wel een
blijk van 't grootste vertrouwen, als ik iemand een blik in de brieven,
die ik ontving, veroorloofde. Eugenie daarentegen scheen geen waarde aan
de haren te hechten; zij slingerden dagen lang open en bloot over de
tafel en zij gebruikte ze menigmaal tot omslag voor alle mogelijke
dingen of bezigde ze voor papillotten.
Nu scheen er in deze brieven, zoowel in die, welke zij van hare mama,
als die ze van goede bekenden ontving, al heel weinig te staan, dat
eenige attentie waard was, en van haar vader kreeg ze hoogst zelden
tijding. Alleen zijn brieven sloot ze zorgvuldig in haar mappe, en na
de ontvangst daarvan was ze steeds voor een poos ernstiger en zachter
gestemd dan gewoonlijk. Ten opzichte van dit verschijnsel herinner ik
mij een tooneel, dat mij altijd onvergetelijk is gebleven en wel
getuigenis gaf van haar gevoel.
Met onbeschrijfelijk groot verlangen had ik op tijding van huis gewacht
en met luid gejubel ontving ik die, toen we juist met ontbijten gedaan
hadden. Er was een brief van mijne lieve mama bij, en haar trouwe,
liefdevolle woorden troffen mij zoo, dat de tranen mij over de wangen
rolden en ik een paar hartelijke kussen op 't mij zoo lieve schrift
drukte.
Eugenie had ook een schrijven van hare mama gekregen; doch dat had ze
spoedig gelezen. Ze zag mij nu met groote oogen aan.
„Mag ik je brief lezen, Madeliefje? O, doe mij dat genoegen!” zeide zij
en pakte mijn brief beet. Ik liet haar dien ook gaarne, en tot
vergelding schoof ze mij een rooskleurig biljet toe, dat zij van hare
mama had gekregen.
„Het zal je wel geen tranen uit de oogen persen,” zeide zij daarbij
eenigszins spottend.
Ik ging aan 't venster staan en las het vluchtig geschreven briefje,
dat niets anders inhield dan klachten over vreeselijke verveling, het
slechte spel der nieuwe operazangeres en berichten over de nieuwste
modes. „Verzuim toch niet,” schreef ze, „je kleeren in dien geest te
laten veranderen, er zal dan wel wat nieuw garneersel op moeten; maar
zorg er toch vooral voor, dat je niet loopt alsof je iemand uit de
vorige eeuw waart. Je schrijft mij geen enkel woord over de nieuwste
modes in de residentie, en toch weet je hoezeer me dat interesseert.
We zijn hier altijd wat ten achteren, en je weet wel, hoe dikwijls
ik reeds in die zaken den toon aangegeven en daardoor furore gemaakt
heb. Ik hoop ook dat je toch vooral zorgt voor 't conserveeren van je
schoonheid. Vergeet toch niet de druppels te gebruiken, die dienen
om een welriekenden adem te behouden, wasch je toch alle avonden met
amandelmelk; ik zal je er een nieuw recept voor sturen, dat de huid nog
frisscher maakt. Hoed je ook vooral tegen 't gebruik van alles wat te
heet of te koud is; 't is zoo nadeelig voor 't glazuur der tanden.”
Doch genoeg van dien brief. Een onvermijdelijk postscriptum behelsde:
„Papa is wel. Zijn brieven zijn vreeselijk vervelend. Meld mij eens wat
moderner is: veeren of bloemen op de herfsthoeden. Gekleurde schoenen
komen hier weer erg in zwang.”
Ik was zoo geheel en al bezig met het lezen van dien brief, dat ik niet
bemerkt had, hoe Eugenie de kamer verlaten had. 't Scheen dat ze den
brief van mijne mama had meegenomen. Ik wachtte een poosje; eindelijk
ging ik naar hare kamer om te zien waar zij bleef.
„U kunt er niet binnen, juffrouw,” zeide Lizette eenigszins verlegen,
toen ik de kruk der kamerdeur in de hand nam. „Juffrouw Eugenie heeft de
deur op slot gedaan.”
Ik ging dus terug en wachtte. Eenigen tijd daarna kwam Tante diep
bewogen bij mij en gaf mij den brief mijner mama.
„Zijt gij bij Eugenie geweest, Tante?” vroeg ik.
„Ja, Margot. Waarom vraag je dat zoo?”
„Omdat zij zich opgesloten had. Wat scheelt haar toch?”
„Het arme kind is door den brief uwer mama vreeselijk ontroerd,” zeide
Tante, terwijl haar de tranen in de oogen stonden. „Op mijn verzoek
liet zij mij in haar kamer, en ik vond haar in tranen smeltende, met je
mama's brief voor haar.—„O, Tante! Tante!” riep zij uit, terwijl ze mij
om den hals vloog, „wat heb ik toch voor een moeder!” Meer kon 't arme
kind niet uitbrengen. 't Was de eerste maal dat het verschil tusschen
hare moeder en eene lieve vrouw als de uwe, haar trof. Ik liet haar
stil uitweenen en bracht haar toen onder 't oog, dat ze zich gelukkig
mocht rekenen zulk een goeden papa te hebben. „Ja, mijn papa! Mijn
allerliefste papa! Als ik dien niet gehad had, wat zou er dan van mij
geworden zijn!” snikte zij. „Maar ik kan zoo weinig bij hem zijn; hij is
altijd zoo met bezigheden overladen en zoo dikwijls uit zijn humeur over
mama's luimen. En nu, nu is hij zoo vreeselijk ver van mij af, en ach!
ik heb niemand in de wereld, die zooveel van mij houdt, als Margots mama
't van hare dochter doet!” Ik hield het meisje in mijn armen geklemd
en poogde haar tot bedaren te brengen. Dat gelukte mij langzamerhand.
„Ja, Tante! Gij hebt mij lief, en Margot heeft mij ook lief!” zeide zij
eindelijk op teederen toon, en haar vroolijkheid kreeg weer de overhand.
Mijn troostwoorden schenen invloed op haar gehad te hebben, en 't zal
niet lang duren, of ze zal weer even vroolijk en opgeruimd als altijd
bij ons zijn. Doch je ziet wel, Margot, hoeveel 't arme kind tot nu toe
ontbeerd heeft, zonder dat zij 't zelf wist. Laten wij haar dubbel
liefhebben.”
„Ja, Tante! Dat willen wij!” zeide ik innig aangedaan.