TIENDE HOOFDSTUK.

Verschillende moeders.

Had Eugenie in den eersten tijd van haar verblijf in ons huis

uitsluitend al onze gedachten vervuld, langzamerhand begon nu ons

levensbeekje weer zijn gewonen loop te hervatten. Eugenie's gedrag

verwekte hoe langer hoe minder stoornis en zij begon zich al wat meer

bezig te houden met de bemoeiingen, waarmede Tante Betsy en ik den tijd

besteedden. Aan de lessen, die ik ontving, nam ze geen deel; want daar

had ze al meer dan genoeg van, zooals zij zeide, en ik vond het heel

pleizierig, dat ik die op den ouden voet met Marie kon voortzetten.

Ook het voorlezen, waarmede Tante nog regelmatig met mij voortging,

verveelde Eugenie in den beginne doodelijk; en ik vond niets

onpleizieriger dan voor te lezen als zij er bij was, daar ze zich

volstrekt niet geneerde mij om mijn slechte uitspraak en den verkeerden

klemtoon, dien ik soms op de woorden legde, uit te lachen. Doch Tante

verbood haar dit spoedig, en een tijdlang ging ze de kamer uit als wij

begonnen te lezen. Op zekeren dag echter kwam ze juist op het leesuur

binnen en vroeg aan Tante, of zij 't vandaag eens doen mocht. Natuurlijk

stemde Tante toe. En nu hadt gij eens moeten hooren hoe prachtig zij

las. Haar stem was jeugdiger en dus frisscher dan die van Tante, en er

was bovendien zulk een klank en zulk een juistheid in hare voordracht,

dat we beiden in bewondering opgetogen waren.

Eensklaps scheen ze zin in 't voorlezen te hebben gekregen; want van nu

af aan nam ze geregeld deel aan onze leesuren. Ze las bij afwisseling

met Tante en mij, en hare plagerijen bij mijn lezen bepaalden zich nu

tot kleine aardigheden, die ik volgaarne verdroeg en waarom ik zelf

meelachte. Zoo was ze nu eenmaal. Wanneer men haar den goeden weg

gewezen had, moest men haar tijd tot nadenken laten, en dan kon men er

zeker van zijn, dat haar goed hart haar op den rechten weg bracht. Deze

gegronde overtuiging troostte Tante en ondersteunde haar bij al de zorg,

die Eugenie's gedrag haar veroorzaakte; en de goede vrouw was innig

dankbaar jegens God, dat Hij dit meisje onder haar hoede had geplaatst,

eer nog het weelderig opgeschoten onkruid al het goede zaad in haar hart

had verstikt.

Eugenie zelve gevoelde dit ook dagelijks meer en meer, en op de meest

ongekunstelde wijze sprak zij die gedachte zelf uit, altoos op haar

zonderlinge manier om de zaken uit te drukken.

„Tante,” vroeg zij eens, „wie van uw beide bakerkinderen veroorzaakt u

eigenlijk de meeste moeite? Madeliefje, die ongelikte jonge boerin, of

de ondeugende en lastige Eugenie? Beken het maar, het tweede bakerkind

is 't lastigst van de beiden. Maar wat kan zij het helpen, die zoo lang

in 't spinneweb verward is geweest, dat het weken duurde eer ze zag hoe

ze er uit kon geraken. Maar nu word ik ook zoo duf en oudbakken als

onze oude kat thuis, die op haar ouden dag geen muizen meer wil vangen;

waarschijnlijk wel, omdat Tante Betsy haar in 't oor heeft geblazen dat

dit zonde is. Foei, als Mama eens zag hoe ik daar aan een grove wollen

kous zit te breien, of de kleine kinderen met hunne vuile neuzen kus;

wat zou 't goede mensch van mij schrikken! Ze kocht mij zeker terstond

den kost in 't oude-vrouwenhuis, waar ze zou zeggen, dat mijn plaats

was!”

En dan begon ze op haar gewone vroolijke manier te lachen en draaide met

mij in de rondte, 't geen ik me maar moest laten welgevallen, of ik

wilde of niet.

Ondanks haar elegante uiterlijke beschaving, kwamen er toch bij Eugenie

allerlei dingen te voorschijn, die Tante Betsy berispte, en ik knoopte

hare aanmerkingen tot mijn eigen behartiging in 't oor. Zoo had b. v.

Eugenie er veel pret in, om uit het venster te kijken en allerlei

opmerkingen te maken over de voorbijgangers. Ik vond dat ook heel

prettig; en zoo lagen wij beiden eens met onze schouders ver uit het

geopende venster, om toch al wat er beneden op straat voorbijging goed

op te nemen. Maar spoedig kwam Tante er op aan en beknorde ons braaf

over ons ongepast gedrag; want het beviel haar niet, als jonge meisjes

niets beters weten te doen dan uit het venster te liggen kijken; en zoo

met het geheele bovenlijf in de lucht te hangen was geen teeken van

welvoeglijkheid.

Ik trok mijn hoofd dadelijk naar binnen; maar Eugenie lachte zooals

altijd, en zeide dat Tante bang was voor een bestorming van haar

kasteel, om de daarin gevangene schoonen te bevrijden; daarom wou ze ons

aan de oogen der wereld onttrekken. Ze deed echter wat Tante bevolen

had, en 't open venster zag ons van toen af slechts voor weinige

oogenblikken.

Een ander gebrek van Eugenie, dat ik echter minder met haar deelde, was

't gebruik van krachtige uitdrukkingen en ongepaste woorden. 't Was

inderdaad grappig om te hooren, hoe dat fijne dametje soms duchtig kon

razen en er wel eens soldatenwoorden uit dat fijne mondje vlogen.

„Ik ben nu eenmaal zoo'n halve jongen, wat kan ik het helpen!”

antwoordde zij op de terechtwijzingen van Tante daarover; toch hoorde

men dergelijke uitdrukkingen minder dan vroeger. Ook op 't ijdel

gebruik van Gods naam en zoogenaamde bastaardvloeken maakte Tante haar

opmerkzaam, en ze gaf zich werkelijk veel moeite om 't af te leeren;

ofschoon ze zei dat ze wel een slot op haar mond mocht leggen, omdat ze

hier geen mensch naar den zin kon spreken.

Verwende menschen zijn achteloos ten aanzien van 't geen zij anderen

verschuldigd zijn, en zoo ging 't ook Eugenie, wie 't geheel en al

onverschillig was, of anderen reden hadden oplettendheden van haar te

verwachten of niet.

„Laat mij toch met rust. Ik kan dat bezoekenafleggen niet uitstaan,”

antwoordde zij steeds op de herinnering van Tante, dat ze de een of

andere dame een bezoek schuldig was. „De menschen zijn mij ten eenenmale

onverschillig; ik kan 't niet uitstaan dat zij zich om mij bekommeren!”

Kwam zij er eindelijk toe om ergens een visite te maken, dan deed ze 't

met zooveel beminnelijkheid, dat ze alle menschen in verrukking bracht.

Tante was op zulke kleine maatschappelijke plichten zeer streng. „Wie

zich,” zeide zij, „in 't kleine gewent om de plichten jegens zijn

medemenschen in 't oog te houden, zal ook in grootere zaken zoo

handelen.”

Deze geringschatting van anderen was ook de oorzaak dat Eugenie dingen,

die aan anderen toebehoorden, niet ontzag en dit had reeds meermalen

onaangenaamheden veroorzaakt. Op een prachtige sjaal, die een dame haar

bij 't naar huisgaan opgedrongen had, maakte de hond een vlek, die er

slechts met groote moeite uit te krijgen was; een parapluie, die zij

geleend had, liet zij ergens staan en moest er natuurlijk een nieuwe

voor terugzenden; op het mooie album van Amanda liet ze olie vallen

en bemorste daardoor niet alleen eenige schoone teekeningen, maar ook

Tantes tafelkleed. Wel herstelde Eugenie de schade door nog schooner

teekeningen en een ander tafelkleed, maar 't gaf haar wat moeite en

kosten, en zij had dat alles kunnen sparen, als ze wat zorgvuldiger op

't eigendom van anderen gepast had. Even onachtzaam ging zij met de

boeken om, die men haar leende, en Tante zeide haar heel streng, dat

het haar niet verwonderen zou, wanneer niemand haar meer een boek wilde

toevertrouwen, daar ze er nooit een zonder ezelsooren of beduimelde

bladeren en vlekken teruggaf. „Het is een teeken van weinig opvoeding,

kindlief!” zoo eindigde Tante haar toespraak, waarnaar Eugenie met

weinig oplettendheid luisterde. Intusschen had ze in 't vervolg toch

meer attentie voor andere menschen en voor hun eigendom.

Niet, dat ze met haar eigen goed zorgvuldiger omging; 't kostte Tante

vrij wat moeite, om haar het verkeerde daarvan onder 't oog te brengen.

Te denken dat het spaarzaamheid was, haar goed te ontzien, was nog

nooit in haar opgekomen, en daar zij evenveel onachtzaamheid en

onervarenheid in 't gebruiken van haar geld aan den dag legde, deed het

Tante veel genoegen, toen Eugenie haar tot haar minister van financiën

benoemde. Onder zulk een leiding leerde zij spoedig haar geld beter

besteden; toch had ze altijd grooten lust, om meer uit te geven dan haar

inkomsten bedroegen.

„Ik moet een rijken man hebben,” zeide zij dikwijls, en 't scheen mij

toe, dat ze daarin geen ongelijk had.

„Maar als je nu eens een armen krijgt, hoe dan?”

„Dien neem ik niet. Misschien neem ik er wel in 't geheel geen,”

antwoordde zij op die vraag.

Eugenie's zorgeloosheid omtrent haar goed strekte zich ook uit tot

iets, waarvan ik 't volstrekt niet begrijpen kon, en wel tot haar

correspondentie. Ik bewaarde mijn brieven achter slot en 't was wel een

blijk van 't grootste vertrouwen, als ik iemand een blik in de brieven,

die ik ontving, veroorloofde. Eugenie daarentegen scheen geen waarde aan

de haren te hechten; zij slingerden dagen lang open en bloot over de

tafel en zij gebruikte ze menigmaal tot omslag voor alle mogelijke

dingen of bezigde ze voor papillotten.

Nu scheen er in deze brieven, zoowel in die, welke zij van hare mama,

als die ze van goede bekenden ontving, al heel weinig te staan, dat

eenige attentie waard was, en van haar vader kreeg ze hoogst zelden

tijding. Alleen zijn brieven sloot ze zorgvuldig in haar mappe, en na

de ontvangst daarvan was ze steeds voor een poos ernstiger en zachter

gestemd dan gewoonlijk. Ten opzichte van dit verschijnsel herinner ik

mij een tooneel, dat mij altijd onvergetelijk is gebleven en wel

getuigenis gaf van haar gevoel.

Met onbeschrijfelijk groot verlangen had ik op tijding van huis gewacht

en met luid gejubel ontving ik die, toen we juist met ontbijten gedaan

hadden. Er was een brief van mijne lieve mama bij, en haar trouwe,

liefdevolle woorden troffen mij zoo, dat de tranen mij over de wangen

rolden en ik een paar hartelijke kussen op 't mij zoo lieve schrift

drukte.

Eugenie had ook een schrijven van hare mama gekregen; doch dat had ze

spoedig gelezen. Ze zag mij nu met groote oogen aan.

„Mag ik je brief lezen, Madeliefje? O, doe mij dat genoegen!” zeide zij

en pakte mijn brief beet. Ik liet haar dien ook gaarne, en tot

vergelding schoof ze mij een rooskleurig biljet toe, dat zij van hare

mama had gekregen.

„Het zal je wel geen tranen uit de oogen persen,” zeide zij daarbij

eenigszins spottend.

Ik ging aan 't venster staan en las het vluchtig geschreven briefje,

dat niets anders inhield dan klachten over vreeselijke verveling, het

slechte spel der nieuwe operazangeres en berichten over de nieuwste

modes. „Verzuim toch niet,” schreef ze, „je kleeren in dien geest te

laten veranderen, er zal dan wel wat nieuw garneersel op moeten; maar

zorg er toch vooral voor, dat je niet loopt alsof je iemand uit de

vorige eeuw waart. Je schrijft mij geen enkel woord over de nieuwste

modes in de residentie, en toch weet je hoezeer me dat interesseert.

We zijn hier altijd wat ten achteren, en je weet wel, hoe dikwijls

ik reeds in die zaken den toon aangegeven en daardoor furore gemaakt

heb. Ik hoop ook dat je toch vooral zorgt voor 't conserveeren van je

schoonheid. Vergeet toch niet de druppels te gebruiken, die dienen

om een welriekenden adem te behouden, wasch je toch alle avonden met

amandelmelk; ik zal je er een nieuw recept voor sturen, dat de huid nog

frisscher maakt. Hoed je ook vooral tegen 't gebruik van alles wat te

heet of te koud is; 't is zoo nadeelig voor 't glazuur der tanden.”

Doch genoeg van dien brief. Een onvermijdelijk postscriptum behelsde:

„Papa is wel. Zijn brieven zijn vreeselijk vervelend. Meld mij eens wat

moderner is: veeren of bloemen op de herfsthoeden. Gekleurde schoenen

komen hier weer erg in zwang.”

Ik was zoo geheel en al bezig met het lezen van dien brief, dat ik niet

bemerkt had, hoe Eugenie de kamer verlaten had. 't Scheen dat ze den

brief van mijne mama had meegenomen. Ik wachtte een poosje; eindelijk

ging ik naar hare kamer om te zien waar zij bleef.

„U kunt er niet binnen, juffrouw,” zeide Lizette eenigszins verlegen,

toen ik de kruk der kamerdeur in de hand nam. „Juffrouw Eugenie heeft de

deur op slot gedaan.”

Ik ging dus terug en wachtte. Eenigen tijd daarna kwam Tante diep

bewogen bij mij en gaf mij den brief mijner mama.

„Zijt gij bij Eugenie geweest, Tante?” vroeg ik.

„Ja, Margot. Waarom vraag je dat zoo?”

„Omdat zij zich opgesloten had. Wat scheelt haar toch?”

„Het arme kind is door den brief uwer mama vreeselijk ontroerd,” zeide

Tante, terwijl haar de tranen in de oogen stonden. „Op mijn verzoek

liet zij mij in haar kamer, en ik vond haar in tranen smeltende, met je

mama's brief voor haar.—„O, Tante! Tante!” riep zij uit, terwijl ze mij

om den hals vloog, „wat heb ik toch voor een moeder!” Meer kon 't arme

kind niet uitbrengen. 't Was de eerste maal dat het verschil tusschen

hare moeder en eene lieve vrouw als de uwe, haar trof. Ik liet haar

stil uitweenen en bracht haar toen onder 't oog, dat ze zich gelukkig

mocht rekenen zulk een goeden papa te hebben. „Ja, mijn papa! Mijn

allerliefste papa! Als ik dien niet gehad had, wat zou er dan van mij

geworden zijn!” snikte zij. „Maar ik kan zoo weinig bij hem zijn; hij is

altijd zoo met bezigheden overladen en zoo dikwijls uit zijn humeur over

mama's luimen. En nu, nu is hij zoo vreeselijk ver van mij af, en ach!

ik heb niemand in de wereld, die zooveel van mij houdt, als Margots mama

't van hare dochter doet!” Ik hield het meisje in mijn armen geklemd

en poogde haar tot bedaren te brengen. Dat gelukte mij langzamerhand.

„Ja, Tante! Gij hebt mij lief, en Margot heeft mij ook lief!” zeide zij

eindelijk op teederen toon, en haar vroolijkheid kreeg weer de overhand.

Mijn troostwoorden schenen invloed op haar gehad te hebben, en 't zal

niet lang duren, of ze zal weer even vroolijk en opgeruimd als altijd

bij ons zijn. Doch je ziet wel, Margot, hoeveel 't arme kind tot nu toe

ontbeerd heeft, zonder dat zij 't zelf wist. Laten wij haar dubbel

liefhebben.”

„Ja, Tante! Dat willen wij!” zeide ik innig aangedaan.

Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is · 第 18 / 28 题