NEGENDE HOOFDSTUK.

Nog wat over de nieuwe huisgenoot.

Den volgenden morgen begaf ik mij tijdig naar Eugenie's slaapkamer om te

hooren hoe 't met haar ging, en thans ontving ze mij weer even ondeugend

als gewoonlijk, maar toch hartelijk en vriendelijk.

„Wou je mijn morgentoilet eens bijwonen, Madeliefje?” vroeg ze. „Nu,

dan mag je ook een schoon hemd over mijn blanke schoudertjes gooien, en

niemand zal je die hooge gunst betwisten. Want ik zou er voor bedanken,

om evenals Lodewijk XIV een halfuur in mijn natuurkostuum te blijven

zitten. Je kent immers die mooie geschiedenis van Frankrijks grooten

koning wel, wien juist een zijner hovelingen 't hemd over 't hoofd zou

werpen, toen er een voornamere binnenkwam, die meer aanspraak op deze

eer had, en toen weer een voornamere; zoodat de koning maar niet

geholpen kon worden.”

„Die kwam er dan misschien nog met een verkoudheid af,” antwoordde

ik. „Erger was 't met Philips den derde van Spanje, op wiens haard

de vuuraanlegger van 't hof zulk een vreeselijke menigte hout had

gestapeld, dat de vorst bijna door de hitte stikte. 's Konings majesteit

verbood hem van zijn stoel op te staan, en de bedienden durfden niet in

't vertrek komen, omdat de etiquette dit niet veroorloofde. Juist kwam

de markies de Polat, en de koning beval hem 't vuur te verminderen doch

de markies verontschuldigde zich, omdat de etiquette dit werk aan den

hertog De Useda opdroeg. Nu was die juist niet thuis, en daardoor bleef

de koning een geruimen tijd bij 't blakerende vuur zitten, wat hem zoo

ziek maakte, dat hij een paar dagen later aan hevige koortsen stierf.”

„Wel, aardig Madeliefje” riep Eugenie uit. „Wie zou zulk een talent van

vertellen bij zoo'n nederig veldbloempje gezocht hebben!”

Intusschen bekeek ik 't schoone borduursel van Eugenie's lijfgoed.

„Wat is dat alles prachtig!” riep ik bewonderend uit.

„Vindt ge 't zoo mooi?” vroeg Eugenie verbaasd. „Zoek er maar voor u

uit, wat je wilt; mij is 't hetzelfde.”

„Maar dat heeft alles zooveel geld gekost, Eugenie. Hoe kun je daar

onverschillig voor zijn?”

„Ba! Geld!” riep zij uit, terwijl ze de schouders ophaalde.

„Wat kan mij geld schelen! Dat is maar een bijzaak, zegt Mama, en Papa

heeft geld genoeg.”

„Maar je kondt het toch beter gebruiken, dan 't zoo weg te gooien,

nichtjelief! Hoeveel vreugde kon je anderen verschaffen met een klein

gedeelte van 't geen je zoo maar verkwist!”

„Beter gebruiken? Wat meen je daarmee, kind?”

„Wel, je kondt er anderen gelukkig mee maken, die minder hebben.”

„Anderen? Wel, ik geef aan Lizette alles, wat ze maar hebben wil, en die

mij om een aalmoes vraagt, krijgt ook altijd wat van mij.”

„Laten wij daar nu maar over zwijgen, Eugenie. Je begrijpt toch niet wat

ik bedoel,” zeide ik. „Sta liever op; want ik heb geen tijd om lang te

wachten.”

Eugenie riep Lizette aan haar ledikant en stak haar den eenen voet na

den anderen toe, waaraan de kamenier eerst de fijne kousen en toen de

blauwe zijden pantoffeltjes deed. Toen maakte deze al de banden en

knoopen van 't nachtgewaad der jonge dame los, die dat alles toeliet

zonder een vinger uit te steken. Ik keek die kleedpartij vol verbazing

aan, maar zeide geen enkel woord: doch toen zij klaar was en Lizette

haar de fijne morgenjapon had aangedaan, die van boven tot onder met

witte zijde gevoerd was, verzocht ik haar glimlachend of ze nu ook eens

mijn morgentoilet kwam bijwonen, om revanche te nemen. Dit vond ze erg

aardig en beloofde het. Natuurlijk dacht ik niet dat ze het doen zou;

denkt eens hoe ik stond te kijken, toen ik haar reeds den volgenden

morgen bij mijn ontwaken aan mijn bed zag staan.

„Nu, je bent me een luilak!” riep ze zegepralend uit; terwijl ik haar

in stomme verbazing aanstaarde. „Neem liever eens een voorbeeld aan

Eugenie, dat brave meisje! die heeft al drie uren lang kousen zitten

stoppen!”

Werkelijk zag ik een heelen berg kousen bij haar liggen: een had ze over

den arm gestroopt en werkte er met een stopnaald en draad dapper in op

en neer. Ik merkte echter spoedig dat het alles maar gekheid was; ik

deed echter als had ik er geen erg in en keek haar verbaasd aan. Ze

begon luidkeels te lachen en ik accompagneerde haar; terwijl ik geen

woorden scheen te kunnen vinden om haar heldenmoed te bewonderen.

Eindelijk wierp zij den geheelen hoop kousen ter zijde en strekte zich

gemakkelijk op een leunstoel uit.

„Nu snel uit de veeren!” riep ik uit, trok mijn kousen aan en begon

spoedig aan mijn toilet.

„Doe je dat alles zelf, Madeliefje?” vroeg Eugenie met verbazing, toen

ze zag hoe snel ik banden en haken los- en vastdeed.

„Natuurlijk. Dat kan niemand mij gauw en goed genoeg doen,” antwoordde

ik. „Ik zou 't niet kunnen velen dat er zoo'n kamenier aan mijn lijf zat

en dat ik zou moeten wachten tot het haar gelegen kwam mij te bedienen.

Help u zelf! 't Is zoo aangenaam, als men zichzelf kan helpen en van

niemand behoeft af te hangen.”

„Ja, die Lizette is een vreeselijke domoor,” zei Eugenie peinzend. „Je

weet niet hoe ze me soms zeer doet door haar onhandigheid, en juist als

ik haar noodig heb, kan ze niet komen. Je bent er inderdaad beter aan

toe dan ik. Ik ben er jaloersch om.”

„Probeer het maar eens om je zelf te helpen, lieve Eugenie,” hernam ik,

terwijl ik den kam door mijn dik haar liet gaan. „Dan ben je van alle

ergernis verlost.”

„Ach! Ik kan dat niet doen! Mama zegt, dat het niet past zichzelf te

bedienen.”

„Hoor eens, weet je wat, Eugenie? Ik wil je helpen tot je 't kunt.”

„Nu, zooals je wilt. 't Zal je echter niet bevallen. Je zult zeker

wegloopen eer ik klaar ben; want natuurlijk zou ik je zoolang plagen,

tot het daartoe kwam,” antwoordde Eugenie op haar gewonen luchtigen

toon.

„Nu, dat wil ik er op wagen! Morgen vroeg kom ik, hoor!”

„Neen, neen, volstrekt niet. 't Is veel te ongemakkelijk voor je, en

daarenboven ben je me toch al veel te wijs!” riep zij uit en wierp zich

weer onachtzaam in den leunstoel. Ik liet haar echter stil begaan; want

het zou heel onverstandig zijn geweest, er op aan te dringen. Maar zie,

den volgenden morgen, toen Tante en ik de kamer binnentraden, zat

Eugenie reeds aan de ontbijttafel, en op onze uitroepen van verbazing,

zeide zij:

„Het verveelt me doodelijk, daarboven alleen chocolaad te drinken; ik

wil met u gezamenlijk ontbijten. En laat Madeliefje haar diensten maar

aan anderen presenteeren—ik heb ze niet noodig. Ik heb me van daag

geheel alleen gekleed; en ziet maar, of niet alles in orde is?”

Natuurlijk overlaadden we haar met loftuigingen; maar die kon ze niet

dulden, en met een komiek gezicht hield ze beide handen aan haar ooren.

Zulke kleine tooneelen herhaalden zich bijna dagelijks, en hoe boos

we ook dikwijls op het verwende meisje werden, even spoedig verzoende

haar hartelijkheid ons weer met haar. Er zat een uitmuntend hart in dat

wonderlijke schepsel, en als we ons geduld maar niet verloren, was er

in haar nog veel goeds op te wekken. Tante Betsy was er juist de rechte

persoon toe; dat gevoelde de lichtzinnige Eugenie zeer goed, en ze had

haar dan ook op haar manier spoedig even lief, als ik op de mijne. Ook

ik deelde weldra in haar volle genegenheid, en, ondanks alles wat ze me

van tijd tot tijd aandeed, hield ik toch veel van haar.

We hadden echter nog vrij wat te boven te komen, eer zij verstandiger

werd; ik vooral was steeds het mikpunt voor haar ondeugende streken; en

toch wist ze altijd alles weer goed te maken, als zij mij gekrenkt of

geërgerd had.

Op zekeren dag ging ik naar mijn werktafeltje aan 't venster en bracht

de slingerplanten, die daar voorstonden, een weinig in orde. Ik wilde,

zooals ik altijd deed, het portret van mijn lieve Marie een groet

brengen en lichtte de bladeren van den klimop een weinig op, om het

beter te zien. Maar hoezeer verschrikte ik, toen ik bemerkte hoe een

boosaardige hand het bedorven had! Een dikke, zwarte knevel ontsierde

de lippen van het aanvallig gezichtje der frissche blondine! 't Was

afschuwelijk, schandelijk, en toch moest ik lachen over 't malle

gezicht. Dat Eugenie mij die poets gebakken had, was buiten twijfel,

want ze had al zoo dikwijls met dat portret den spot gedreven. Ik vond

het zoo lief; maar zij zeide altijd, dat het er juist uitzag als 't

beeld van een jonkvrouw uit den riddertijd op den pijpekop van een

ambachtsman.

Ik nam het portret stil van den muur en legde het in de kast. Er

Eugenie over beknorren—dat kon ik niet; daartoe had ze me te pijnlijk

getroffen; maar mijn roodgeweende oogen en de ledige plaats boven mijn

werktafeltje zeiden haar genoeg, hoe 't mij aan 't hart ging. Ik vernam

weldra dat Tante haar over deze plagerij ernstig onderhouden had, en dit

was mij genoeg.

Doch hoezeer stond ik op zekeren morgen verwonderd, toen ik de ledige

plaats door een nieuw portret zag ingenomen, en wel een portret van

mijn lieve Marie, keurig in waterverf geschilderd en veel schooner dan

het bedorvene. De frissche kleuren en de bevallige trekken waren zoo

getrouw wedergegeven, dat ik in mijn verrukking het lieve beeld aan de

lippen drukte en buiten mijzelf was van vreugde. Wie had dat gedaan?

Eugenie.... maar dit was 't werk van een kunstenaar.... en al kon ze 't

zoo—wanneer zou ze dat gedaan hebben? En toch—'t was juist zoo iets

voor haar. Maar bekennen zou ze 't niet; mij wel voor den mal houden

als ik er haar naar vroeg.

Daar kwam juist het origineel van mijn vreugde, mijne goede, lieve

Marie. Juichend snelde ik haar te gemoet en vroeg haar, wie het portret

gemaakt had.

„Wel, wie anders dan Eugenie? Hoe kun je daar nog een enkel oogenblik

aan twijfelen?” antwoordde zij. „Ze is eenige keeren in 't geheim bij

mij geweest om het te schilderen. Dat oude portret is een monster, zeide

zij, en ik heb het nog leelijker gemaakt dan 't al was; anders zou ze

het toch nooit van den muur genomen hebben en ik had er mij aan blijven

ergeren.”

Dus was het toch Eugenie, die dat schoone portret had gemaakt. Ik durfde

er haar niet voor bedanken; want dan zou zij in staat zijn geweest, het

lieve gezichtje nogmaals een zwarten knevel te geven. Ik herinnerde

mij nu dat zij eenige voormiddagen alleen was uitgegaan om, zooals zij

zeide, boodschappen te doen. Welk een talent bezat dat meisje! Muziek,

schilderkunst, alles verstond ze voortreffelijk; doch niemand mocht

daarover spreken of haar daarom prijzen—al wat ze wist, al wat ze

kende, kwam op rekening van haar meesters, aan haar eigen talenten

hechtte ze hoegenaamd geen waarde.

Niets haalde mij meer plagerijen van Eugenie op den hals, dan mijn

eenvoudige, landelijke garderobe, die, ik moet het bekennen, geducht bij

haar weelderig en élégant toilet afstak. Mama's spreuk was altijd: „Net

en zindelijk!” en natuurlijk drong de nieuwste mode tamelijk laat in

ons verwijderd dorp door, waardoor ik er zeker wel wat erg antiek moet

hebben uitgezien, toen ik bij Tante kwam. Deze echter had reeds vrij

wat veranderingen in mijn toilet aangebracht, zoodat ik verwonderlijk

nieuwmodisch en prachtig gekleed meende te zijn, toen de élégante

Eugenie kwam en mij met haar garderobe geheel in de schaduw plaatste.

Niet, dat ik daar jaloersch over was; ik vond dat ieders kleeding voor

elk van ons het best paste. Ik ten minste zou in Eugenie's kleeren nog

veel stijver en houteriger zijn geweest, uit vrees dat er iets aan zou

komen.

Er was vooral één japon, die maar geen genade kon vinden in Eugenie's

oogen, en die 't voorwerp van hare onophoudelijke plagerijen was. Doch,

was 't patroon ook misschien wel wat bont, de stof was fijn en duur, en

daarom bleef ik het kleedje trouw dragen.

„Die japon riekt naar boter en kaas!” zei Eugenie, als zij mij er mee

zag. „Ga er toch in 's Hemels naam niet mee buiten de stad wandelen;

want je zult last van de koeien hebben, die 't patroon voor een

bebloemde wei zullen houden en op je afkomen, om op je te grazen.” Of

dan was 't weer: „Wel, grootmoedertje! Hoe oud is dat japonnetje wel?

Ben je er in der tijd in getrouwd?”—Of: „Heet je vrijer Kees of Teunis,

en is dat je bruidsjapon, als je met hem naar 't Raadhuis gaat om te

trouwen?”—Doch ik stoorde mij niet aan al die praatjes en bleef de

versmade japon dragen.

Op zekeren dag echter kon ik mijn kleedje nergens vinden; ik doorzocht

alle kasten, doch te vergeefs. Juist kwam Eugenie aan.

„Zoek je soms naar de japon van je grootmoeder, Madeliefje?” vroeg ze

mij. „Doe daar maar geen moeite meer voor, want die heeft Kaatje de

krantenvrouw aan. De arme ziel vroeg mij om een warm kleedingstuk voor

de kou en, zooals je wel weet, helpen mijn kleeren daar al bitter weinig

voor. Maar je boter- en kaasjapon is zoo lekker warm en zoo mollig; die

zou der arme vrouw goed doen, dacht ik, en daarom gaf ik ze haar. Je

bent er immers niet boos om?”

En zonder een antwoord af te wachten huppelde zij neuriënd weg, en ik

stond te kijken alsof ik het te Keulen had hooren donderen, en wist niet

of het scherts of ernst was. Als 't Eugenie niet geweest was, dan had ik

het voor een grapje gehouden; maar zij was er toe in staat om zoo iets

te doen, en waar anders zou mijn japon ook gebleven zijn? Dat was me

toch wat al te erg, zoo'n fijne, goede japon aan eene arme vrouw te

geven, die het zeker met een goedkooper stof best had kunnen stellen en

daarmee ongetwijfeld veel beter gediend zou zijn geweest! En dan—zoo

maar willekeurig over 't eigendom van anderen te beschikken! Verdrietig

ging ik naar mijn slaapkamer om mij aan te kleeden, daar ik wilde

uitgaan: daarna zou ik er Tante over spreken. Maar wat zag ik? Daar lag

op mijn bed een japon van een prachtige wollen stof en zoo fraai van

kleur, dat ik van verbazing als aan den grond stond genageld.

„Ik hoop maar, dat ze je past, Madeliefje,” riep Eugenie, die haar hoofd

door de deur stak. „De naaister zei, dat ze je maat wel kende.”

„Is die japon dan voor mij?” vroeg ik verwonderd, en hield het prachtige

kleedingstuk in de hoogte, dat met fluweel en kant rijk gegarneerd was.

„Mama had die stof tot een winterjapon voor mij bestemd,” antwoordde

Eugenie, terwijl ze de schouders ophaalde, „maar de kleur beviel mij

niet. Daar zij echter in alle gevallen mooier is dan die van je boter-

en kaasjapon, heb ik er een japon voor u van laten maken en gaf ik je

bruidskleed weg, alleen opdat ik er mij niet aan dood zou ergeren.

Je behoeft er mij niet voor te bedanken; want ik kon de kleur niet

uitstaan. Ik vind die zoo machtig eentonig en vervelend.”

Zoo wist dat wonderlijke meisje de zaken altijd te keeren en te wenden,

dat men niet boos op haar kon worden en haar evenmin kon bedanken.

Zij had haar eigen wil, dat was de hoofdzaak, en daarvoor moest alles

zwichten. Nog nooit in mijn leven had ik zulk een mooie japon gehad,

en verheugd snelde ik er mee naar Tante. Deze wenschte mij glimlachend

geluk en zeide, dat zij 't er nu maar bij zou laten, want zij had

Eugenie reeds braaf de les gelezen, omdat haar handelwijs, hoe men die

ook beschouwde, toch onrechtvaardig was. Intusschen oordeelde zij dat ik

geen slechten ruil gedaan had. Dat meende ik ook: met genoegen bekeek ik

mijzelf in Tantes grooten spiegel en vond, dat ik er wat goed mee

uitzag.

Ten gevolge van die japonnenhistorie deed ik Eugenie een vraag, die mij

al lang op de lippen gelegen had. Ik wenschte namelijk mijn rijke nicht

met mijn armen bekend te maken, die ik wekelijks bezocht.

„Hou je er van,” vroeg ik haar, „om aan de armen wel te doen?”

„Doe toch niet zulke onnoozele vragen, Madeliefje,” antwoordde Eugenie.

„De armen zijn zulke onverdragelijke menschen, dat ik ze niet kan

uitstaan. Als ze me dus in den weg komen, geef ik hun maar gauw wat; dan

ben ik van hen af.”

„Maar dat is niet zooals 't behoort, Eugenie,” hernam ik. „Bedenk

toch eens, hoe ongelukkig die armen er aan toe zijn, wien zelfs de

noodzakelijkste levensbehoeften ontbreken. Als wij.... Maar wat doe je

toch, wat moet dat beteekenen?” vroeg ik, toen ik zag dat zij een soort

van troon van stoelen bouwde en met een zwart zijden boezelaar naar mij

toekwam, dat zij mij om den hals wilde binden.

„Als 't u belieft, dominee; de preekstoel is al klaar. Zet uw preek daar

verder voort.” En met een plechtige buiging en een heel vroom gezicht

zette zij zich op een stoel tegenover den geïmproviseerden preekstoel

neer. Natuurlijk zweeg ik, en dat was juist wat zij wilde.

„Je bent zoo wijs als je lief bent!” zeide zij.

Dat was altijd haar gezegde, wanneer ik bij haar loszinnig gesnap mijn

ernstiger grondbeginselen niet kon onderdrukken, en daarmede werd ik

gewoonlijk afgescheept.

Evenzeer als Eugenie niets van mijn preek over de armoede wilde hooren,

even doof was zij tot hiertoe voor mijn verzoek gebleven, om mij naar

eenige arme huisgezinnen te vergezellen, aan wie ik gewoon was elke week

wat te brengen: nu eens geld, dan kleeren, dan wat eten, al naar wat ze

't meest behoefden. Ik kon er haar maar niet toe bewegen. „Het stinkt

zoo bij dat volk,” zeide zij. „'t Gaat me in de kleeren zitten en dat

krijg je er niet meer uit.” Natuurlijk drong ik er niet verder bij haar

op aan; doch toen ik op zekeren dag van een dier bezoeken terugkeerde,

kon ik het niet laten om te vertellen, hoezeer de nood en de ellende van

een huisgezin mij getroffen hadden, waarvan de moeder ziek was, de vader

op 't werk en de kinderen dus aan zichzelf waren overgelaten.

Eugenie scheen ter nauwernood naar mijn verhaal te luisteren. Hoe

verrast was ik echter, toen ik eenige dagen later weer bij dat arme

gezin kwam en vernam, dat er een jonge dame geweest was, die veel geld

en andere dingen gegeven, ja, met het jongste kind een langen tijd op

haar schoot gezeten en 't eindelijk een gouden ketting om 't halsje

gedaan had, omdat zij het zoo'n lief knaapje vond. De ketting was die

van Eugenie en uit de beschrijving die men mij gaf, herkende ik haar.

Maar ik durfde haar niet te zeggen dat ik van haar bezoek afwist; reeds

bij een geringe toespeling fronste zij de wenkbrauwen, ik sprak er haar

dus niet meer over en verhaalde het, toen we alleen waren, aan Tante,

wie bij mijn vertelling de tranen in de oogen kwamen. „Een wonderlijk

en toch zoo beminnelijk kind!” zeide zij, en ze kreeg haar tweede

pleegdochter gaandeweg hoe langer hoe liever, die dan ook van dag tot

dag nieuwe voortreffelijke eigenschappen deed blijken.

En het bezoek bij dat arme huisgezin bleef niet het eenige van dien aard

dat Eugenie aflegde. Langzamerhand konden zich een groot aantal arme

lieden in haar gunst verheugen; maar we mochten niet vragen door wie

zij die arme menschen had leeren kennen, en evenmin kon ze het dulden,

dat ze in haar weldoen werd opgemerkt of nagegaan. Niet zonder reden

vreesden Tante Betsy en ik, dat het meisje in haar onervarenheid en

goedhartigheid menige dwaasheid zou begaan bij 't bedeelen harer armen,

en dit vermoeden werd ook spoedig bevestigd, doordien wij verscheidene

harer kostbaarheden misten. Maar daar was niets aan te doen, indien we

ten minste niet wilden, dat haar pas ontwaakt gevoel om wèl te doen

eensklaps zou worden uitgebluscht. Op zekeren dag echter gaf zij zelf

aanleiding om over hare handelwijze een woordje te spreken.

„Ik begrijp maar niet, Madeliefje, hoe jij aan al dat geld komt, om je

armen te verzorgen,” zeide zij, toen ze in diep gepeins van een harer

weldadigheidsbezoeken thuiskwam. „Ik ben door al mijn geven nu zelf zoo

kaal als een kerkmuis; maar al had ik ook nog tienmaal meer, dan zou

het nog niet toereikend zijn om in de behoeften van die menschen te

voorzien.”

„Ik geloof dat je de behoeften der armen uit een verkeerd oogpunt

beschouwt, lieve Eugenie,” zeide Tante, die daarbij tegenwoordig

was. „Van al hetgeen ons tot ons dagelijksch leven volstrekt noodig

toeschijnt, behoeven zij slechts een gering gedeelte. Wij zijn meer

verwend dan wij wel weten, en waren we in zulke eenvoudige huisgezinnen

opgegroeid, dan hadden we het honderdste deel niet noodig van alles,

wat we thans voor noodwendig houden. Daarom kunnen we ook met kleine

giften in arme huisgezinnen veel goed doen; want de behoeften zijn er

gemakkelijk te bevredigen.”

„Maar, Tante, dat ben ik volstrekt niet met u eens,” hervatte Eugenie

levendig. „Ik geef en blijf geven, tot ik zelf niets meer over heb;

doch 't is als een druppel op een gloeienden steen; altijd hebben

die menschen nog iets noodig. Zoo kom ik bijvoorbeeld een dag of wat

geleden bij den metselaarsknecht De Groot. Ik vond het gezin juist aan

't middagmaal. Daar zaten ze nu om de tafel en aten allen uit een en

denzelfden schotel. O, dat vond ik verschrikkelijk! En dan de vorken

waarmee zij aten! Oude, zwarte, halfgebroken, ijzeren dingen! Ik vroeg

hun waarom ze de tafel niet dekten en waarom niet ieder van zijn eigen

bord at; de arme menschen keken mij verlegen aan: begrijp eens, ze

hadden geen enkel tafellaken, geen servet en maar twee borden in 't

geheel; en dat waren er nog borden naar! Terstond ben ik met Lizette

naar een paar winkels gegaan en heb hun borden en schotels, drie

tafellakens met servetten en een half dozijn goede vorken gekocht, en

die heb ik hun gezonden. En zoo gaat het mij bijna overal; de arme

zielen hebben dikwerf gebrek aan 't allernoodigste, en hoe weinig kan

ik daarin te gemoet komen! Bij den armen sjouwerman Bronsveld vond ik

onlangs de vrouw te bed liggen; maar in plaats dat het arme mensch

een nachtjak aan had, had ze een ouden, verkleurden doek om den hals;

nachtgoed bezat ze in 't geheel niet. In plaats van een matras had ze

een bos stroo en hare kinderen lagen alle drie in 't zelfde bed. Ik heb

er terstond matrassen en beddegoed bezorgd en wat nachtgoed. Maar zulke

uitgaven hebben mij geheel geplunderd. En nu weet ik zelf geen raad.”

„Lief, goed kind,” zeide Tante Betsy, terwijl ze Eugenie's wangen

streelde. „Veroorloof mij, dat ik je in je verlegenheid te hulp kom.

Al wat je mij daar vertelt, pleit voor je goed hart; maar ik mag 't je

niet verhelen, dat je op een verkeerden weg bent. Wat ik je vooraf reeds

zeide, vind ik inderdaad bevestigd; je houdt dingen voor noodig, die de

geringe man niet als nooddruft beschouwt. Ik ben er vast van overtuigd,

dat de vrouw van Bronsveld het fijne nachtgoed naar den lombard brengt

en voor 't geld, dat zij daarvoor krijgt, noodiger zaken koopt, en dat

je tafellakens, servetten en mooie vorken bij De Groot òf in de kast

liggen òf denzelfden weg zijn opgegaan.”

„Maar, Tante! Waarom? Bedenk toch hoezeer die arme lieden er behoefte

aan hadden, en hoe blij ze zullen zijn, dat ze eens van een gedekte

tafel en met fatsoenlijke vorken van witte borden kunnen eten!” zeide

Eugenie verwonderd.

„Daarin juist bestaat je dwaling, lieve Eugenie,” hernam Tante

glimlachend. „Gij dacht, dat die menschen 't gemis van deze zaken erg

gevoeld hadden, omdat gij dat zoudt doen, als ge in hun plaats waart.

Maar zij zijn niet anders gewoon, hebben nooit in hun leven van ander

tafelgereedschap gegeten, en zullen zelfs niet weten wat ze met al die

borden, met die servetten en die tafellakens moeten uitvoeren. Ze hebben

het geld echter voor vrij wat anders noodig, dan voor fijn tafel- en

linnengoed. Met hun oude vorken eten ze heel smakelijk, als ze maar iets

te eten hebben, en je kunt het hun volstrekt niet kwalijk nemen, als ze

je mooi tafelgereedschap te gelde gemaakt hebben, om daarvoor iets te

koopen, dat ze met hun vorken in den mond kunnen brengen.”

Eugenie was in gepeins verzonken; want wat Tante gezegd had deed haar de

zaken uit een geheel ander oogpunt beschouwen. Half verlegen, maar toch

eindelijk weer in haar gewone plagerige luim, begon zij met zichzelf den

draak te steken en om haar eigen dwaasheid te lachen. Daarop verzocht

ze Tante Betsy op een kinderlijk lieve manier, haar bij de zorg voor

de armen met haar goeden raad te willen ondersteunen, opdat zij er

ten laatste niet toe mocht komen, om voor de vrouwen kanten mutsen

en voor de mannen gouden snuifdoozen te koopen, als noodzakelijke

levensbehoeften. Recht in haar schik met dit verzoek, beloofde Tante

haar heur raad en hulp, en zoo konden we in de zorg voor onze armen

gezamenlijk werken. Zelfs duurde het niet lang, of Eugenie hielp ons

kleeren voor de arme kinderen naaien, en met stille vreugde zagen we

zelfs eens een grove wollen kous in haar handen, waaraan ze ijverig zat

te breien en die bestemd was voor een armen sjouwerman. Lizette had haar

breien moeten leeren.

Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is · 第 17 / 28 题