Eene logée.
Hoe langer ik in 't huis van Tante Betsy vertoefde, hoe meer ik er mij
op mijn gemak begon te gevoelen, en reeds sedert lang dacht ik niet meer
met dat smachtend verlangen, dat mij in den beginne zoozeer kwelde, aan
't lieve ouderlijke huis terug. Meer en meer erkende ik welke waarde
het voor mijn geheele vorming had, dat ik een gedeelte mijner jeugd
bij Tante Betsy doorbracht, en de liefdevolle manier, waarop zij mij
wist te leiden, deed mij vrij gemakkelijk duizenderlei gebreken en
onhebbelijkheden verbeteren, waarmede ik nog steeds te kampen had.
Het ontging mij niet dat Tantes voorhoofd tusschenbeide bewolkt was en
ik maakte mij ernstig ongerust, toen ik haar op zekeren morgen weenend
in haar fauteuil vond zitten. Er lag een brief voor haar op de tafel,
en toen ik op haar toeijlde en haar vroeg wat haar scheelde, gaf zij
mij vriendelijk een wenk om mij te verwijderen, waaraan ik natuurlijk
gehoorzaamde. Het duurde lang eer zij bij mij in de kamer kwam, en ik
hoorde haar verscheidene malen op haar kamer heen en weer loopen.
Eindelijk kwam zij beneden, kalm en rustig, ofschoon ernstig en
neerslachtig, ging naast mij zitten en zeide:
„Margot, ik wil je gedeeltelijk mededeelen, wat mij zoozeer neerdrukt.
Je bent een verstandig meisje en hebt mij lief; daarom kan ik gerust
mijn hart voor je uitstorten. Natuurlijk spreek je er tegen niemand over
dan tegen Marie en je lieve moeder, aan wie ik 't zelf zal mededeelen.”
„Daarvan kunt gij verzekerd zijn, lieve Tante,” antwoordde ik.
„Je weet, Margot,” begon zij, „dat ik sinds vier jaren weduwe ben,
nadat ik aan de zijde van mijn geliefden man onvergetelijke jaren van
huiselijk geluk gesmaakt heb. Toen God ons het eenige kind, dat Hij ons
geschonken had, weder ontnam, sloten wij ons te inniger aan elkander.
Daar was echter nog iets anders, wat ons leed veroorzaakte. De eenige
broeder van mijn echtgenoot, dien hij zeer liefhad, was eenige jaren
na den dood zijner eerste vrouw met een jong meisje gehuwd, voor wier
lichtzinnigheid en luimen men hem gewaarschuwd had. 't Scheen dat Adolf
met blindheid geslagen was; zelfs de zorg voor zijn elfjarig dochtertje
hield hem niet terug van den onberaden stap. Slechts al te spoedig zag
hij in hoe onverstandig hij had gehandeld. Gedurende de zeven jaren,
welke hij met deze tweede vrouw gehuwd is, heeft de krachtige man
zooveel verdriet gehad, dat hij wel een grijsaard gelijkt. Zwak en
toegevend van aard, laat hij haar alles toe, om maar den lieven
huiselijken vrede te bewaren. Dat nu Eugenie, de dochter, onder de
leiding van zulk eene moeder geen goede opvoeding heeft genoten, kunt
ge wel begrijpen; want de invloed van haar vader was te gering, om
zijn kind voor allen nadeeligen invloed van den kant harer stiefmoeder
te bewaren. Eugenie is opgegroeid als een talentvol meisje, schoon en
bevallig; doch ze mist alles wat het schoonste sieraad is der vrouw.
Reeds dikwerf heb ik mijn zwager aangeboden haar eenigen tijd bij mij te
nemen—de arme man kon er echter niet toe besluiten, de eenige vreugde
zijns levens van zich te laten gaan, en zoo bleven de zaken zooals zij
waren. Nu kreeg ik van morgen de tijding dat Adolf benoemd is bij een
buitenlandsche ambassade en noch vrouw noch dochter kan medenemen. Daar
hij Eugenie niet gaarne onder de hoede harer lichtzinnige stiefmoeder
wil laten, verzoekt hij mij vriendelijk zijne dochter, zoolang als hij
uitlandig zal zijn, in mijn huis op te nemen. Ik heb hem terstond
geantwoord dat ik daartoe bereid ben, en verwacht Eugenie dus heel
spoedig. Omdat nu deze verandering in ons huisgezin ook u betreft, moest
ik je een gedeelte van die treurige familiezaken mededeelen, waarvan ik
nog nooit een woord tegen iemand gerept heb. Ik vertrouw dat je geduld
zult hebben met de gebreken van Eugenie, waarvan de omgeving, waarin zij
geleefd heeft, de oorzaak is. Ook mijn taak zal niet gemakkelijk zijn.
En daarom willen we beiden met moed en liefde onze Eugenie verwachten.”
Zonder nog te antwoorden keek ik Tante aan. Ik begon mij hier zoo geheel
en al thuis te gevoelen, en zag er nu tegen op eene nieuwe huisgenoot,
en nog wel zulk eene, te ontvangen. Tante scheen mijne gedachten te
raden.
„Vrees niets, lief kind,” zeide zij. „Onze nieuwe huisgenoot zal u niet
benadeelen. Waar ze 't je te lastig mocht maken, zal ik je beschermen.
Vertrouw op mij en wees goedsmoeds.”
Eenige weken na dit gesprek kwam de verwachte nicht op zekeren namiddag
aan. Tante was naar 't station gereden om Eugenie te ontvangen, en ik
verwachtte beiden met de dampende koffie, waarmede ik de reizigster
dacht te zullen verkwikken. Daar kwam de vigilante voor, en door een
reet van 't gordijn zag ik naast Tante Betsy eene statige, slanke jonge
dame uit het rijtuig stappen, die met vluggen tred naar de huisdeur
ging; terwijl zij de zorg voor haar talrijke reisbenoodigdheden aan een
jong meisje overliet, dat zich daarmede tot aan de kin belaadde. Ik
snelde de aankomenden te gemoet en werd door Tante Betsy aan Eugenie als
haar lieve nichtje Margot voorgesteld.
„Zoo! Is dat de boerendeern, waarvan gij mij vroeger wel eens verhaald
hebt? Nog geheel en al tusschen mal en dwaas, naar 't mij voorkomt,”
zeide Eugenie, terwijl ze mij nauwelijks met een blik verwaardigde. Toch
reikte ze mij even de toppen harer vingers, die in fijne lichtgrijze
glacéhandschoenen staken; wendde zich tot Tante en zei op snibbigen
toon:
„'t Schijnt dat ge voornemens zijt, Tante, om een
jonge-juffrouwenkostschool te beginnen; daar ge de eene jonge dame na
de andere laat komen.”
„Ik hoop dat mijn Margot een lieve zuster voor je zal wezen, Eugenie,”
antwoordde Tante, zonder op de hatelijke opmerking van haar nichtje te
letten. Eugenie wendde zich lachend tot mij en zeide:
„Tot hiertoe heb ik 't best zonder een zuster kunnen stellen; maar ik
heb er niets tegen, dat we goede vriendinnen worden, cousientje.”
En, eer ik 't vermoedde, naderde zij mij snel en drukte mij een
hartelijken kus op den mond. Maar even snel wendde zij zich tot het
zwaarbeladen jonge meisje, dat juist in de kamer trad, en riep:
„Lizette, leg dien rommel maar eventjes op den grond neer en haal mij
een glas water. Ik stik van warmte en dorst.”
Eer nog Lizette 't haar bevolene had kunnen verrichten, wierp haar
meesteres zich op een stoel, strekte één voet uit en riep:
„Trek mij toch die afschuwelijke pelslaarzen van de voeten, waarmede ik
er uitzie als een Laplandsche, en geef mij mijn lichte pantoffels aan.”
Lizette deed wat haar bevolen was, knielde voor Eugenie neder, en deze
had er pleizier in de losgemaakte en versmade pelslaarzen over 't hoofd
harer kamenier in den tegenovergestelden hoek der kamer te slingeren.
Ik stond geheel en al verbluft. Wat een zonderling meisje was dit!
Trotsch en daarbij hartelijk, despotisch en tevens kinderlijk, en
bovenal zoo onbegrijpelijk op haar gemak en ongegeneerd, als woonde
ze reeds jaren bij Tante Betsy in huis. Deze scheen echter op 't
zonderlinge gedrag van de nieuwaangekomene geen acht te slaan; want toen
zij sjaal en hoed had afgedaan, zette zij zich gemakkelijk in 't hoekje
van haar sofa neder en zei opgeruimd:
„Nu, Margot; ik hoop dat je voor een lekker kopje koffie gezorgd hebt;
dat zal ons goed doen. Haast je, Eugenie; anders blijft er niets voor je
over.”
„Koffie! De Hemel beware mij! Die drink ik nooit,” antwoordde Eugenie;
terwijl ze haar bruinen krullebol schudde en een paar lichtblauwe,
keurig gevoerde pantoffels aan haar nette voetjes trok. „Koffie! Een
akelige drank, die iemands teint bederft en sproeten veroorzaakt.”
„Maar wat drink je dan in plaats van koffie, kindlief?” vroeg Tante.
„'s Morgens chocolaad, 's namiddags in 't geheel niets, of thee,”
antwoordde Eugenie; terwijl ze zich, zoo lui zij kon, in Tantes
gemakkelijken leunstoel uitstrekte en met de lichtblauwe voetjes op en
neer wipte.
Ik kreeg een kleur van verontwaardiging, toen ik 't moest aanzien, dat
Eugenie zich zoo maar onverschillig in den leunstoel neervlijde, waarop
ik 't niet zou gewaagd hebben te gaan zitten. Zoo iets echter behoefde
ik bij die jonge prinses niet te verwachten; haar scheen 't beste
nauwelijks goed genoeg. Tante liet haar ook rustig begaan en wendde zich
tot mij, met het verzoek wat thee voor Eugenie te zetten, daar een warme
drank haar goed zou doen. Toen deze er niets tegen inbracht, deed ik wat
Tante mij bevolen had.
Intusschen had het jonge meisje een borstel uit den zak gehaald en
poetste daarmede de lange nagels harer sierlijk witte handen, als ware
zij alleen in de kamer. Toen sprong ze van haar stoel op, krulde haar
kastanjebruine lokken voor den spiegel op, en ging daarop in de kamer en
in Tantes boudoir eens rond, om met een vluchtig oog de schilderijen,
boeken en sieraden te beschouwen.
„Wat is alles vreeselijk ouderwetsch bij u, Tante!” riep zij daarop
lachend uit. „Die oude prullen heeft Mama al sedert lang naar den
uitdrager gestuurd. Alle twee jaren hebben wij een geheel nieuw
ameublement.”
Ik stond verbaasd over die opmerking! Deze schoone, solide, kostbare
meubelen noemde Eugenie oude prullen! Die meubelen, waartusschen ik
mij in de eerste dagen van mijn verblijf alhier ter nauwernood durfde
bewegen uit hoogschatting van die kostbare dingen, ouderwetsche prullen!
Dat was toch al te erg, en met een angstigen blik keek ik Tante aan, om
te hooren wat deze daarop zou antwoorden.
Zij bloosde even en beet zich op de lippen. Toen echter antwoordde zij
kalm:
„Aan deze oude meubelen zijn voor mij liefelijke herinneringen
verbonden, Eugenie. Zij zijn getuigen geweest van mijn schoonste dagen
en zijn met mij oud geworden. Ik zou er niet gaarne een enkel stuk van
missen of tegen een nieuw verruilen; want we zijn zoo langzamerhand aan
elkander gewoon geworden. Wie zich steeds in een nieuwe omgeving
beweegt, denkt niet gaarne terug aan vroegere dagen; hij heeft een
wereldsch, rusteloos gemoed, waarvoor slechts het nieuwe bekoorlijkheid
en waarde bezit.”
Met een zonderlingen blik zag Eugenie Tante aan, half glimlachend, half
ernstig.
„Wat hebt ge toch allerliefste ideeën, Tante,” zeide zij onbeschroomd.
„Die passen zoo precies bij die oude meubelen; want ze zijn even
eerwaardig en ouderwetsch. Maar gij hebt gelijk. Wat gij daar zeidet,
heb ik nog nooit zoo ingezien.”
„Je hebt waarschijnlijk nog zooveel niet begrepen, wat waar en goed is,
kind!” antwoordde Tante vriendelijk. „Ik hoop dat je dat nu zult
leeren.”
Eugenie ging zwijgend in haar stoel zitten; ze scheen een weinig op haar
teenen te zijn getrapt. Ik bracht haar een kopje thee.
„Ik lust geen thee; ik heb 't warm genoeg,” zeide zij knorrig en duwde
het kopje zoo hard weg, dat de thee over mijn japon vloog. Ik keerde mij
schielijk om; want ik ergerde mij over het wispelturige meisje. Tante
zeide echter zeer bepaald, maar kalm:
„Dit kopje zul je uitdrinken, Eugenie; want vooreerst is 't goed na de
reis, en ten tweede heeft Margot alleen te uwen gevalle thee gezet. Als
je vooraf hadt geweten, dat je ze niet gebruiken zoudt, dan hadt je
Margot de moeite moeten sparen om ze te zetten.”
Eugenie keek haar verbaasd aan en werd zoo rood als een kalkoensche
haan. Ze zat eenige oogenblikken als een bedorven kind in haar stoel en
bekeek haar witte nageltjes; toen richtte zij zich eensklaps op, trok
het kopje thee naar zich toe, deed er melk en suiker in, dronk het
vocht in één teug op en schoof mij 't ledige kopje toe. „Nog een,
Margot!” zei ze gebiedend. Ik schonk haar weder in, en nu dronk ze ook
dit weer even snel uit, mij 't leege kopje toeschuivende. „Nog een!”
riep zij.
Ik keek Tante vragend aan: want blijkbaar was Eugenie koppig en wilde
zij Tante boos maken. Deze antwoordde echter doodbedaard: „Neen, Margot,
schenk geen thee meer. 't Zou Eugenie kwaad doen.”
Mijn eigenzinnig nichtje zeide niets, maar bitter boos zat ze daar in
den leunstoel en trommelde zenuwachtig met haar blauwe pantoffels op het
tapijt. Eindelijk riep ze, terwijl ze 't hoofd achterover in den stoel
wierp:
„Zeg eens, Margot. Ben jij hier óók in 't verbeterhuis?”
„Maar, Eugenie!” riep ik bevend uit; verder was 't mij niet mogelijk,
één enkel woord te uiten.
Eugenie verwachtte ook geen antwoord, maar knipte met duim en vinger en
begon wat te neuriën. Tante stond op en ging zwijgend naar haar boudoir;
toen zij de deur achter zich toedeed, waren wij beiden alleen.
„Maar, lieve Eugenie; hoe kon je Tante zoo krenken?” vroeg ik met tranen
in de oogen over 't geen het meisje mijn goede Tante had aangedaan.
Eugenie neuriede voort en gaf mij geen antwoord.
„Je weet niet hoe goed Tante is, Eugenie,” hervatte ik. „Je moet
wezenlijk liever voor haar zijn; zij verdient je liefde en achting ten
volle. Je kent haar niet; maar ik ben al zoo lang hier, dat ik haar
hooge waarde weet te schatten. Zij meent het met iedereen zoo goed.”
Hier werd ik in de rede gevallen door een duchtig geeuwen. Eugenie hield
haar beide ooren dicht.
„Hemelsche goedheid! Je lijkt wel zoo'n vervelende schoolmamsel!” riep
zij uit.—„Och, och! Hoe zal ik, arme heidin, 't onder al die heiligen
uithouden!”
Daarbij zette ze zulk een komiek gezicht en keek mij zoo guitig aan, dat
ik mij op de lippen moest bijten om niet te lachen.
„Zeg eens, klein wijsneusje, hoe oud ben je toch wel, dat je je vermeet
om mij lessen te geven?” vroeg ze, terwijl ze mij met balletjes wierp,
die ze van haar broodje kneedde. „Ben je het domme vierendeeljaars al te
boven? Eigenlijk schijn je me toe nog tusschen mal en dwaas te zijn. Ben
je al veertien jaar en zeven weken?”
„O, ja, die heb ik gelukkig achter den rug, al is het dan ook nog niet
lang,” antwoordde ik glimlachend en wierp haar 't mij toegeworpen
broodballetje in 't gezicht.
„Maar hoe kun je je dan Margot laten noemen?” vroeg Eugenie. „Margot wil
eigenlijk zeggen Grietje, en dat is een boerennaam; zoo noemden ze je
zeker thuis op het boerendorp. Ik kan dien naam niet uitstaan en zal je
Margareta noemen of liever madeliefje[1]; dat is toch juist hetzelfde.”
[1] Marguérite is Margareta en madeliefje.
„Zeer veel eer voor een kind, dat nog tusschen mal en dwaas is,”
antwoordde ik bits; want ik gevoelde zeer goed, dat ze mij wat in de
hoogte stak.
„Nu, al ben je ook wat onnoozel, dom ben je waarlijk niet.”
„Niet zoo dom als ik er wel uitzie,” zeide ik lachend.
„En wie zegt dat je er dom uitziet?” riep Eugenie snel. „Ik niet; want
ik vind je nog al tamelijk knap.”
„Ja, ja, zoo'n knapheid van zestien jaren, als ieder meisje nog tenger
is en een frissche blozende kleur heeft,” antwoordde ik spottend.
„Laat twisten met u, wie er lust in heeft! Je bent een heks!” riep
Eugenie; terwijl ze me haar heele broodje op den rug wierp, dien ik haar
juist toekeerde.
„Ga toch niet zoo onbezonnen met het kostelijke eten om, Eugenie,” zeide
ik verwijtend, terwijl ik het broodje weer op tafel legde. „Tante kan
niet dulden dat men met brood speelt.”
„Nu, dan zal ik het maar laten,” riep Eugenie uit, terwijl ze deed alsof
ze heel verschrikt was. „Anders zou ik nog al het brood moeten opeten,
waarvan ik eerst kogels en figuren gedraaid heb; evenals ik daar straks
je afschuwelijke thee moest opdrinken, die me nog als vuur in de keel
brandt.”
„Omdat je daarbij zoo dom waart die in eens uit te drinken,” zeide ik,
terwijl ik het theegoed in elkander zette.
„Ik moet toch eens zien, of Tante weer lust heeft om mij op te eten,
zooals straks,” zeide Eugenie ondeugend en ging naar de deur van Tantes
kamer, en nog eer ik haar verschrikt kon terughouden, was de deur al
open en zij er achter verdwenen.
„Lieve Hemel! Is me dat een meisje!” riep ik uit, terwijl ik haar
angstig nastaarde; want nooit zou ik 't gewaagd hebben Tante te storen,
als zij naar haar kamer was gegaan. En zij durfde het te doen, nadat zij
haar boos gemaakt had! Ik luisterde oplettend of ik geen hevige
woordenwisseling zou vernemen; maar het duurde niet lang, of daar klonk
Eugenie's kinderlijk gelach, de deur ging open en arm in arm kwamen
Tante en nicht aan.
„Je behoeft je niet te verbeelden, dat jij de verzoening bewerkt hebt,
heilige Margareta,” zeide Eugenie; maar een vriendelijke blik van Tante
Betsy zeide mij, dat zulks wel het geval was. Nu, wat mij aangaat, het
verheugde mij dat ik Tante weer zoo vroolijk zag, wie er dan ook de
oorzaak van mocht wezen.
„Kom thans naar je kamer, kindlief,” zeide Tante; en zij bracht Eugenie
naar een klein vriendelijk kamertje, dat aan onze slaapkamer grensde.
Ik was al bang geweest, dat Tante mij met Eugenie in dezelfde kamer had
willen inkwartieren, 't geen mij veel leed zou gedaan hebben, omdat onze
slaapkamer mij zoo lief was geworden. Maar mijn ledikant met de witte
gordijnen stond nog op zijn oude plaats en er was dus geen quaestie van
verandering.
't Kamertje van Eugenie was, hoe eenvoudig ook, toch sierlijk ingericht
en maakte blijkbaar een aangenamen indruk op 't verwende kind; want ze
dartelde neuriënd van 't eene voorwerp naar 't andere.
[Illustratie]
„Maar dat landschap moet weg!” riep ze eensklaps uit; terwijl ze
voor een prachtige gravure naar Koekkoek bleef staan, die voor den
schoorsteen hing. „Hier komt mijn lieve papaatje te hangen; ofschoon
de slechte man eigenlijk niet verdient dat ik hem nog aanzie, sedert hij
mij zoo trouweloos verlaten en aan de wreede handen van een zekere Tante
Betsy heeft overgegeven. Gauw, Lizette! Uitgepakt! opdat ik mijn papa
eindelijk weer eens onder de oogen krijg; hij toch kent mij 't best van
allen en weet wel, dat ik zoo slecht niet ben als sommige menschen wel
denken.”
Dit zeggende rukte zij ongeduldig aan de touwen en papieren, waarin een
schilderij gepakt was, zooeven door Lizette uit een der vele koffers
genomen. Maar ondanks haar drift gelukte het haar toch niet het omhulsel
los te krijgen, totdat ik haar te hulp kwam.
„Je bent te driftig, Eugenie; zoo gaat het niet,” zeide ik; terwijl ik
den knoop voorzichtig trachtte los te maken.
„Ja, neem jij 't maar; ik doe alles zoo verkeerd,” riep zij uit; maar nu
stond zij ongeduldig naast mij, en liet mij ter nauwernood den tijd om
het schilderij te voorschijn te halen. Eindelijk was 't laatste stuk
papier er af, en met een luiden jubelkreet greep Eugenie 't beeld van
haar vader, omvatte het met beide armen, drukte het hartstochtelijk aan
haar borst en bedekte het met duizend kussen, waarbij haar de tranen
over de wangen rolden.
„Papaatje! Mijn eenig, lief Papaatje!” riep ze met bewogen stem uit. „Nu
heb ik u toch, al zijt ge ook ver van uwe arme, vroolijke Eugenie en al
wilt ge ook niets meer van haar weten, gij, stoute, stoute, lieve Papa!”
Het was werkelijk een aandoenlijk gezicht, het zonderlinge meisje 't
beeld van den waardigen man met zulk een kinderlijke teederheid te zien
liefkozen, en alle knorrigheid, door haar vreemd gedrag in mij pas
opgewekt, verdween bij den aanblik van dit tooneel. Ze had een goed,
liefdevol hart, dat toonde zij duidelijk; maar hoezeer was dat goud in
't ruwe erts verborgen! Zwijgend stond ik naast Tante Betsy, die evenals
ik getroffen naar haar stond te kijken, en in wier oog een traan blonk.
Zij trad op Eugenie toe, drukte haar aan haar hart en hield haar lang
zwijgend omarmd. Ook Eugenie was innig getroffen. Ze was er echter
't meisje niet naar, om lang aan een weemoedig gevoel toe te geven.
Eensklaps rukte zij zich van Tante los, schudde de verwarde lokken van
't voorhoofd, droogde de oogen af en riep weer ondeugend uit:
„'t Is waarlijk wat te zeggen! Daar heeft die stoute papa mij waarlijk
weer aan 't schreien gemaakt, en ik had gezworen niet meer aan hem te
denken, nadat ik hem met den trein had zien wegrijden. Gauw aan den
spijker met den zondaar, die mij zoo week gemaakt heeft.”
Dit zeggende klom ze op een stoel en hing het portret aan den spijker.
Toen knikte zij het guitig toe, kuste het nog eenmaal en sprong vlug van
den stoel af.
De avond ging om met uitpakken, schikken, vertellen en babbelen, en
Eugenie was zoo alleraardigst en mengde zoo het gevoelige met het
grappige, het geestige met het dwaze, dat men zich onweerstaanbaar tot
haar aangetrokken gevoelde. Toen we naar bed gingen, kuste ze mij
hartelijk. „Toch ben je een kleine heks!” zei ze, en huppelde zingend
haar kamenier achterna, die haar voorlichtte, en nog een heele poos
hoorden wij haar vroolijk babbelen en lachen.
Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, stond Tante reeds voor mijn bed.
„O, lange slaapster,” zeide zij vriendelijk. „Wat heb je lekkertjes
geslapen. Ofschoon 't reeds laat is, wilde ik je echter niet storen. Je
scheen heel aangenaam te droomen; want je lachte in je slaap als een
kind.”
„Ik heb van onze nieuwe huisgenoot gedroomd, Tante,” zeide ik, mij in
mijn bed oprichtend. „Ze voerde daar juist zoo'n dolle grap uit. Begrijp
eens, ze had onzen ouden poedel haar fijnen kanten kraag om den hals
gebonden en hem haar lichtblauwe pantoffeltjes aangetrokken. Ze wilde
hem juist nog een voile over den kop doen, dan zou het toilet der jonge
dame klaar zijn, zeide ze; toen ik ontwaakte. Hoe iemand toch zoo dwaas
kan droomen!”
„Nu, onze wonderlijke Eugenie zou wel in staat zijn om zoo iets te
doen,” antwoordde Tante lachend.
„Ik zal maar gauw opstaan; anders verrast ze me nog in mijn bed; zij is
misschien gewoon vroeg op te staan.”
„Wat dat aangaat, Margot,” antwoordde Tante, terwijl zij op den zijkant
van mijn legerstede ging zitten, „daarvoor behoeft ge u niet zoo erg te
haasten. Eugenie ligt nog even goed in de veeren als jij; ik ben zooeven
in haar kamer geweest. Ze sliep echter niet meer en lag met open oogen
in haar bed. Ze scheen gelezen te hebben en nog geen lust te hebben om
op te staan. Ze is geheel en al een verwend kind, dat slechts doet wat
haar belieft. In den eersten tijd wil ik haar maar rustig haar eigen
hoofdje laten volgen, hoe moeilijk mij dat ook zal vallen; ik reken op
haar gezond verstand en goed hart, die haar mettertijd wel op den goeden
weg zullen brengen. Uw voorbeeld, lieve Margot, zal mij in de opvoeding
van Eugenie ondersteunen; want in den omgang met u, goed meisje, zal zij
spoedig inzien, wie van u beiden op den rechten weg is om een bruikbaar
mensch te worden.”
„Mijn voorbeeld, Tante!” riep ik verwonderd uit. „Hoe kan ik,
onbeschaafd boerenkind, een voorbeeld voor de fijnbeschaafde Eugenie
zijn? Dat meent ge immers toch niet ernstig?”
„Ik meen het in vollen ernst, Margot,” hervatte Tante. „Gij zijt een
natuurlijk, eenvoudig meisje, dat wel nog weinig maatschappelijke
beschaving bezit en nog vele dingen moet leeren, eer je opvoeding
voltooid is; maar je bescheidenheid en je eenvoudigheid kunnen de
hooghartige Eugenie, ondanks al haar fijne beschaving en haar uiterlijke
élégance best toonen wat haar ontbreekt en wie van u beiden een grootere
innerlijke waarde bezit. Bij alle uiterlijke vormen mist Eugenie toch de
ware beschaving: ik bedoel de beschaving des harten en deze, hoop ik,
zal zij mettertijd bij ons erlangen. Het arme kind heeft tot hiertoe
weinig gelegenheid gehad om zich hierin te oefenen. God geve dat het er
nog niet te laat toe is en we aan het rijkbegaafde meisje kunnen
schenken wat haar nu nog ontbreekt.”
Liefdevol drukte Tante mij aan haar hart, terwijl ik zwijgend en vol
ootmoed mijn gloeiend gelaat aan haar borst verborg. O, ik was zoo
onuitsprekelijk gelukkig over de woorden van mijn lieve Tante! Wel had
zij mij reeds dikwijls door een woord van tevredenheid of een blik
getoond dat zij niet onvoldaan over mij was, en dat ik, ondanks mijn
menigvuldige dwaasheden, toch haar liefde en vertrouwen bezat; maar
zóóveel lof had ik nog niet uit haar mond vernomen. Ik zou er bijna
trotsch en ijdel door hebben kunnen worden; doch Tante kende mij genoeg,
om te weten dat haar woorden bij mij dat gevolg niet zouden hebben: want
ik gevoelde wel, hoe zij mij door haar lof slechts eenige meerdere
vastheid en zelfstandigheid tegenover Eugenie wilde schenken. Openhartig
bekende ik haar deze gedachte.
„Je bent een kleine schalk, Margot,” zeide zij opgeruimd. „Zoo geheel en
al heb je de zaak niet mis; ik zou inderdaad heel gaarne zien, dat je je
heel stevig in den zadel zette, om er in den strijd met Eugenie niet te
worden uitgelicht, hetgeen haar overmoedigheid zeer zou vermeerderen. Ik
hoop echter, dat het wel gaan zal; gisteren ten minste liet Eugenie zich
tegen mij eenige woorden ontvallen, die mij deden bemerken, dat je haar
grillen moedig het hoofd hebt geboden. Daarmede heb je reeds een goed
deel van het terrein veroverd, en dat deed mij een groot pleizier.”
Ik vertelde Tante nu in hoofdzaak 't gesprek, dat ik met Eugenie gehad
had.
„Ja, ja, men moet met dat meisje op zijn tellen passen,” hernam zij;
„want ziet men bij haar eens wat door de vingers, dan heeft men zijn
spel verloren. Houd je dus maar dapper. Ook voor u zal er uit den omgang
met haar veel goeds voortspruiten. Doch ga je nu kleeden; anders mocht
Eugenie je ten laatste nog en profond négligé verrassen.”
Met behulp van Tante was ik spoedig aangekleed, en had het genoegen dat
ze mij prees, daar ik nu alles wat tot het toilet behoort, netjes en
ordelijk verrichtte.
„Herinner je je nog wel dien eersten morgen, Margot,” vroeg zij
schertsend. „Weet je nog wel, hoe er geen eind was aan op- en
aanmerkingen? Hoe je met bloote voeten het bed uitkwam en daar in je
hemd op den grond ging zitten? Hoe je je eerst zonder water wou
wasschen en daarna een geheelen zondvloed om je heen verwekte?”
„O, stil toch, Tante! Hoe zou ik dat ooit kunnen vergeten!” riep ik uit,
terwijl ik mijn hand op haar mond hield. „Toen dacht ik niet dat ik ooit
iets goeds zou kunnen doen; dat durf ik u thans eerlijk bekennen. Later
heb ik echter de hoop opgevat dat er uit mij, domme boerendeern, nog een
verstandig mensch kan worden.”
„Dat zal mettertijd wel gaan,” antwoordde Tante. „Ga nu echter eens
kijken, of Eugenie nog niet klaar is; anders moeten we zonder haar
ontbijten. Mijn maag heeft door 't lang slapen van mijn huisgenootjes
toch al lang genoeg gevast.”
Ik snelde naar Eugenie's kamer, om haar mee naar beneden te nemen. Doch
hoe stond ik te kijken, toen ik de jonge dame nog in haar bed vond,
juist op het punt om haar chocolaad te gebruiken, die Lizette haar
gebracht had.
„Zoo, goeden morgen, madeliefje!” riep zij mij vroolijk te gemoet, en
gebood haar kamenier, het ontbijt maar bij haar ledikant te zetten. „Wat
heb je hier toch een bocht van chocolaad in huis! 't Heeft veel weg van
gruttenbrij met wat suiker er in! Foei! is dat een kost! Mama moet mij
terstond wat van onze vanillechocolade zenden, hoor je, Lizette? Schrijf
het terstond op 't bestelbriefje. Maar, lieve Hemel! heilige Margareta!
Reeds van top tot teen gekleed!” riep ze toen uit, terwijl ze mij van 't
hoofd tot de voeten opnam. „Welke groote plannen heb je? Ga je straks op
reis, dat je al zoo vroeg gekleed en gereed zijt?”
„O, neen; dat doe ik altijd, Eugenie,” antwoordde ik bedaard. „Tante
ziet niet graag dat jonge meisjes in négligé loopen, zij noemt dit
verwend en achteloos.”
„Nu, dan zal zij er zich bij mij maar aan moeten gewennen,” antwoordde
Eugenie snibbig, en streek de fijne kanten lubben van haar nachtjak
glad. „Ik ben geen burgermeisje, dat dadelijk van 't bed de straat op
moet en laat mij in mijn dagelijksche gewoonten niet storen.”
„Gij moet het weten, nichtjelief,” antwoordde ik; terwijl ik de
schouders ophaalde. „Ik heb 't mij nu eenmaal tot plicht gesteld alles
te doen wat Tante gaarne heeft, en dat doe ik, ofschoon ik evengoed als
jij thuis gewoon was den geheelen morgen in négligé te loopen. Nu vind
ik 't juist heel pleizierig vroeg in de kleeren te zijn: men wint er
vrij wat tijd mee uit.”
„Ba! Tijd! Wat heb ik aan tijd?” riep Eugenie spottend uit. „De tijd
duurt mij toch al lang genoeg.”
„Nu, ik wou dat hij tweemaal zoolang duurde,” antwoordde ik. „Mij gaat
de tijd altoos veel te gauw om.”
„Je bent een zottin, madeliefje,” riep Eugenie knorrig uit. „Maar wat
doe je hier eigenlijk: kom je weer om me een sermoen te houden? 't
Begint er ten minste wel weer zoo wat naar te gelijken.”
„Ik ben met dat onderwerp niet begonnen, Eugenie,” zeide ik kortaf. „Ik
kwam je slechts aan 't ontbijt roepen. Daar je echter plan hebt om
alleen te ontbijten, heb ik hier niets meer te doen.”
Dit zeggende ging ik naar de deur om heen te gaan. Een schaterend gelach
deed mij onwillekeurig omkijken.
„Je bent een vinnig katje, madeliefje!” riep zij vroolijk uit. „Nu ga je
op hooge beenen naar onze veelgeliefde en hoogvereerde Tante, en brengt
haar in al zijn kleuren alles over, wat er tusschen ons is voorgevallen,
en hoe ik den verheven toorn der heilige Margareta heb opgewekt. En dan
gaat gij beiden, exempelen van deugd, over elkander zitten en weent
heete tranen over het bonte schaap, dat in de witgewolde kudde geslopen
is.”
„Praat toch zulk een onzin niet, Eugenie!” riep ik uit; terwijl ik mijns
ondanks moest lachen. Daar Tante echter op mij wachtte, snelde ik de
deur uit, en een pantoffeltje, dat het wonderlijke meisje mij nawierp,
vloog mij tegen den rug aan.
Tante schudde het hoofd, toen ik haar van dit morgenbezoek verhaalde en
wij gebruikten tamelijk stil en ernstig ons ontbijt. Doch we hadden nog
niet gedaan, toen de deur openging en Eugenie's bloeiend gezichtje naar
binnenkeek.
„Daar is zij toch!” riep ik met vroolijke verrassing. Ook Tante stond
op, om der binnenkomende de hand te reiken. Eugenie echter stapte deftig
naar ons toe en zeide zalvend: „Waar twee of drie vergaderd zijn in
mijnen Naam, daar ben ik midden onder hen!”
Ik verschrikte over deze profanie, als had ik zelf de zonde begaan;
Tante keek snel op, een donkere gloed kleurde haar gelaat en ze zag
Eugenie met een blik aan, zooals ik nog nooit van haar gezien had.
„Onbezonnen kind!” zeide zij streng. „Laat mij nooit weer zoo iets uit
je mond hooren! Lichtzinnigheid kan ik je vergeven; maar den spot te
drijven met wat heilig is, dat duld ik niet. Ik hoop dat je inziet, hoe
onverantwoordelijk je gehandeld hebt en 't je van harte spijt.”
Eugenie stond doodelijk verschrikt voor de toornige Tante en had haar
stoutmoedigheid geheel en al verloren. Wel herstelde zij zich spoedig
weder, doch de ernstige blik, dien Tante op haar wierp, deed elke
tegenspraak op haar lippen verstommen, en zonder een woord te spreken,
zetten wij ons ontbijt verder voort. Geen wonder dat Eugenie zich
daarbij in 't geheel niet op haar gemak gevoelde; ze stond dan ook heel
gauw op en liep in de kamer op en neer. Eindelijk deed ze de piano open
en liet haar vinger over de toetsen glijden, wel los en onsamenhangend,
maar toch zoo kunstvaardig, dat ik verbaasd naar haar luisterde.
„Speel ons eens iets voor, lieve,” zeide Tante Betsy vriendelijk; en
hartelijk verblijd, dat ze door deze welwillende toespraak uit den
neteligen toestand bevrijd werd, waarin zij zich bevond, ging Eugenie
voor de piano zitten en liet haar vingers snel over de toetsen gaan. Het
was inderdaad een genot haar te hooren spelen; want aanslag, vlugheid en
voordracht, alles was zoo prachtig, als ik 't maar zelden gehoord had.
Hierop begon zij te zingen en de heldere, zuivere sopraanstem en 't
onmiskenbare gevoel waarmede zij zong, verrukten mij nog meer. Ook
Tantes ernstig gelaat klaarde hoe langer hoe meer op; de muziek is de
beste bemiddelaarster, troosteres en helpster in zoo menige treurige
omstandigheid des levens en ook hier verdreef zij den onaangenamen
toestand, waarin de dwaasheid van Eugenie ons gebracht had; want toen
zij van de piano opstond, reikte Tante haar vriendelijk de hand en prees
haar muzikaal talent.
„Gij moet mijn leermeesters prijzen, niet mij, Tante!” antwoordde
Eugenie, die zich achteloos op de sofa geworpen had. „Ze hebben er mij
genoeg mee geplaagd, meer dan die beuzeling waard is.”
„Nu, dan moogt ge er hun wel dankbaar voor zijn,” hernam Tante. „Want
door de moeite, die zij zich gegeven hebben, zijt ge in 't bezit van een
schoon talent gekomen.”
Deze vermaning beantwoordde Eugenie op haar gewone beminnelijke manier:
ze geeuwde—en Tante ging met een lichten zucht de kamer uit.
Eenigen tijd later kwam ik met het notitieboekje van de meid uit
de keuken terug en droeg voorzichtig een menigte klein geld dat ik
ingewisseld had, op den omslag van 't boek. Neuriënd ging Eugenie mij
voorbij, en eer ik er op verdacht was, gaf zij een tik tegen den
onderkant van het boekje, zoodat het in de hoogte vloog en al de
kwartjes, dubbeltjes en centen door de kamer stoven. Als een dol kind
lachte zij over haar moedwilligen streek; terwijl ik mij verschrikt op
de knieën liet vallen om 't verspreide geld weer op te rapen.
Juist kwam Tante, die alles uit haar kabinetje gezien had, de kamer
binnen.
„Sta op, Margot,” zeide zij ernstig. „En jij, Eugenie! zoek het geld
weer bij elkaar.”
Deze wierp het hoofd trotsch in den nek, ging naar de deur en riep:
„Lizette!”
De kamenier kwam.
„Raap dat geld eens op, Lizette!” beval zij, en deze knielde reeds neder
om het bevel harer meesteres te gehoorzamen, toen Tante haar gebood:
„Sta op, Lizette, en ga heen.”
Toen nu de kamenier 't vertrek verlaten had, gelastte zij Eugenie kalm
maar heel ernstig, dat zij den trotschen rug zou buigen en zelf
verbeteren, wat ze in haar dwaasheid misdreven had.
Eugenie wist niet of ze haar ooren zou vertrouwen; maar de kalme ernst
van Tante imponeerde haar toch: zonder verdere tegenspraak begon ze het
moeilijke werk en kroop steunend en brommend over den grond; nauwelijks
echter had zij een handvol klein geld opgeraapt, of ze wierp het
knorrig weer over haar hoofd heen en zoo zou ze wel nooit gedaan hebben
gekregen, als ik mij niet eindelijk over haar erbarmd en haar geholpen
had.
„O, mijn voeten! mijn lendenen!” riep zij uit, toen we klaar waren. „Ik
ben als geradbraakt! 't Zal mijn dood zijn!”
Ik liet haar stil klagen en ging aan mijn huiselijken arbeid. Maar toen
ik weer in de kamer kwam vond ik haar niet meer, en omdat ik meende
dat ze zich aan 't kleeden was, ging ik naar haar kamer om te zien
of ik haar ook helpen kon. Hoe schrikte ik echter toen ik haar te bed
vond liggen. Toen ze mij zag, overlaadde zij mij met scheldwoorden en
klachten: ze werd hier als een galeiboef behandeld, 't zou echter haar
dood zijn, want ze gevoelde zich zoo ziek en zoo akelig!
Verschrikt snelde ik naar Tante Betsy, om haar den toestand van Eugenie
mede te deelen; deze begon echter over mijn bezorgdheid te lachen en
zeide bedaard:
„Laat haar maar stil liggen, Margot. Eugenie zal wel weer van zelf beter
worden. Maar niet naar haar toegaan, hoor! We moeten haar aan zichzelve
overlaten.”
Niet lang daarna kwam Marie om de nieuwaangekomene te begroeten. Daar
Eugenie nog maar niet voor den dag kwam, hadden we tijd in overvloed om
over haar te babbelen.
Juist wilde Marie vertrekken, toen 't onderwerp van ons gesprek
eensklaps in de deur der kamer verscheen. Zij was keurig gekleed en
trotsch en voornaam in manieren en houding. Ik stelde haar mijne
vriendin voor, zij ging echter op haar doode gemak op de sofa zitten,
verwaardigde Marie slechts met een genadig knikje en scheen verder
geen acht op haar te slaan. Kort daarop verwijderde Marie zich, zeer
gekrenkt over de behandeling van Eugenie; ik poogde onze logée bij
haar te verontschuldigen; doch mijn verzekering, dat zij buitengemeen
beminnelijk kon zijn, vond bij mijn beleedigde vriendin geen gehoor.
Ik zette mij stil aan den arbeid, terwijl mijn nicht weer zoo lui als ze
maar kon op de sofa zat. Eensklaps stoorde haar schaterende lach mij in
mijn bezigheid: ik keek verwonderd op. „Is ze altijd zoo blauw en
blond?” vroeg zij vroolijk.
„Wie meen je?”
„Wel uw Castor, mijn Pollux.”
„Ja, zij is evengoed altijd blond als ik zwart ben. Doch blauw draagt ze
veel; ik zie 't haar graag aanhebben. En hoe bevalt zij u, Eugenie?”
„Mij? O, heel goed! Er ontbreekt maar een doodshoofd en een Bijbel aan,
en de boetende Magdalena is klaar.”
Ik was boos. Mijne Marie, mijn afgodisch beminde, lieve vriendin zoo te
hoonen! 't Was afschuwelijk! Ik wilde juist eenige niet zeer
vriendelijke woorden tot antwoord geven, toen ik mij eensklaps door
Eugenie's armen omklemd voelde en haar schelmsch gezicht mij in de reeds
vochtige oogen blikte.
„Heel goed! Het onweer zal dadelijk losbreken!” riep zij uit en kuste
mij. „Slinger uw bliksems maar naar mijn berouwvol hoofd, machtige Zeus!
Ik verdien niet beter.”
Nu moest ik weer lachen, waar ik boos wilde zijn; 't was met dat meisje
niet uit te houden.
„Wat doe je daar eigenlijk?” vroeg Eugenie, en nam mij 't werk uit de
handen.
„Iets heel prozaïsch en huiselijks, zooals je ziet,” antwoordde ik. „Ik
maas kousen.”
„Maas je die? Om 's Hemels wil! waarom doe je dat? Dat doet immers geen
fatsoenlijk menschenkind zelf!”
„Waarom niet? ik wist niet dat er iets onfatsoenlijks in zulk een arbeid
stak,” antwoordde ik. „Tante zegt altijd: de beste weg, om zich van
anderen onafhankelijk te maken is, te zorgen dat men hen zoo weinig
mogelijk noodig heeft. Het is een van ouds beproefde weg.”
„Dat is zoo'n dwaze redeneering niet. Maak je nog meer zelf?
Bijvoorbeeld: je kleederen en ondergoed?”
„Het linnen en ander fijn waschgoed, natuurlijk. En Tante heeft mij
beloofd, dat ze mij ook 't knippen zal laten leeren, opdat ik later de
kleeren voor mama en de zusjes kan maken; want dat is op 't land dubbel
aangenaam.”
„En hoe vindt je den tijd tot al dat werk?” vroeg Eugenie. „Ik zou er
geen kans toe zien om zooveel te doen, al had de dag ook duizend uren.”
„Nu zie je eens, waartoe het goed is, dat men 's morgens bijtijds
opstaat en zich terstond aankleedt. Men kan echter geen halve dagen op
de sofa liggen, wanneer men ten minste klaar wil komen.”
„Je bent toch een heks!” riep Eugenie uit, en speelde kietebal met mijn
opgerolde kousen.
„Apropos, hoe gaat het met je, Eugenie?” vroeg ik nu deelnemend. „Ben je
weer geheel beter?”
„Dat moet je wel ten eenenmale onverschillig zijn, want je hebt er tot
nu toe niet naar gevraagd,” zeide zij scherp. „Ik kon wel dood en
begraven zijn, eer iemand zich om mij bekommerde.”
Ik had recht schik in dat antwoord en zag wel in, dat het beste middel
om haar te genezen was, geen notitie van haar kwalen te nemen, zooals
Tante mij geraden had. Wie weet hoe lang ze anders nog kermend en
steunend te bed ware gebleven!
Dien namiddag maakte Tante eenige bezoeken met ons, om haar tweede
pleegkind aan haar vrienden voor te stellen. Ach! welk een onderscheid
was er in Eugenie's verschijning bij haar eerste bezoek, in vergelijking
van het mijne, zooals dat vroeger geweest was! Onwillekeurig vergeleek
ik mij, onhandig, houterig meisje, met den blos der verlegenheid en
schaamte van angst en onbeholpenheid op de wangen, bij die beschaafde,
bevallige, élégante Eugenie. Hoe allerliefst kon ze zijn als zij slechts
wilde! En tegenover vreemden was zij altijd allerinnemendst; vandaar
dat ze ook spoedig aller harten won, en niemand vermoedde hoeveel
verdrietige oogenblikken dat nukkige kind ons in huis kon bezorgen.
Ook Marie werd eenigermate met Eugenie verzoend; wijl dien namiddag
de booze bui geheel en al overgedreven scheen te zijn, en ze weer zoo
vriendelijk en spraakzaam was als altijd. Geen grooter pret had ik, dan
bij een bezoek ten huize van Mevrouw Bredius. Amanda zweefde weer op
haar gewone geaffecteerde manier door de kamer en zette zich in haar
leunstoel, terwijl zij nu eens haar flacon, dan haar waaier of haar
zakdoek gebruikte; van mij nam zij natuurlijk in 't geheel geen notitie,
maar ook Eugenie behandelde zij zoodanig uit de hoogte, dat het mij bang
om 't hart werd.
Tot mijn verbazing scheen dit gedrag Eugenie in 't geheel niet te
hinderen. Ze keek Amanda een poos heel kalm en uitvorschend aan en ik
zag haar lippen van louter ondeugendheid en moedwil trillen. Zachtkens
liet zij zich ook in haar leunstoel neder, nog veel gemakkelijker dan
Amanda, trok snel een voetenbankje naar zich toe, dat de andere juist
naar zich wilde toehalen, bracht eveneens haar flacon en zakdoek in
beweging, en sprak nog matter en geaffecteerder dan haar tegenpartij. En
dat alles was zoo weinig gemaakt en scheen zoo geheel natuurlijk, dat ik
met verbazing de anders zoo ongedwongen Eugenie beschouwde.
Amanda begreep blijkbaar niet wat dat moest beteekenen; onwillekeurig
verhief zij zich wat uit haar gemakkelijke ligging, poogde een gesprek
aan te knoopen en was minder gemaakt. Eugenie echter liet zich niet
storen, gaf wel is waar antwoord, maar altijd op de aanwijzende manier
van Amanda, ja, zij richtte het woord veel meer tot mij dan tot de
élégante dochter des huizes. Toen echter Mevrouw Bredius zelf een
gesprek met haar aanknoopte, gedroeg zij zich zoo beminnelijk als haar
gewoonte was. En Eugenie hield deze houding bij al haar bezoeken vol,
totdat Amanda haar gemaaktheid in haar bijzijn liet varen en toen
nam ook Eugenie haar natuurlijken toon weder aan; zoodat die beide
zonderlinge meisjes langzamerhand recht goed met elkander overweg
konden.