ZEVENDE HOOFDSTUK.

De gevolgen van mijn dwaasheid.

Den volgenden morgen kwam Marie reeds vroeg bij mij om te vernemen

hoe mijn avonturen van den vorigen avond mij bekomen waren. Zij hield

mij op zulk een vroolijke manier voor den gek en was zoo uitgelaten

en schalksch, dat haar vroolijkheid spoedig aanstekelijk voor mij was

en wij beiden om 't hardst om mijn verovering lachten. Waarschijnlijk

gedroegen wij ons geducht kinderachtig; want Tante, die anders gaarne

met ons schertste, deelde ditmaal niet in onze vroolijkheid. Ik had haar

den vorigen avond, eer wij naar bed gingen, in ons vertrouwelijk groen

kamertje alles eerlijk opgebiecht en ofschoon zij mij waarschuwde, om

voortaan niet meer dergelijke onbezonnenheden te begaan, moest zij toch

hartelijk over de geheele ontmoeting lachen: eindelijk was zij ernstig

en nadenkend geworden en sprak ze niet meer van de zaak.

„Hoort eens, kinderen,” zeide zij nu, terwijl wij zaten te babbelen en

te lachen. „Uw gedrag bevalt mij in 't geheel niet. Wel heeft de baron

zich belachelijk aangesteld; maar het is volstrekt geen teeken van een

goed hart, alleen oog te hebben voor de komische zijde van het voorval.

't Kan immers zijn dat de menschenschuwe man, werkelijk innig getroffen

is door de vriendelijkheid van zulk een jong meisje? Alleen en verlaten

in een gezelschap te staan is hard, en verdient medelijden, geen

spotternij.”

„Maar, lieve Mevrouw,” zeide Marie. „We lachen niet om het linksche

gedrag van den baron, maar om Margots naïf gedrag en 't geen daarmee

in verband staat. En wat het alleen staan van den baron aangaat, dat

is geheel en al zijn eigen schuld. Waarom zondert hij zich ook zoo van

anderen af? Hij heeft alles wat hij wenscht, en waardoor hij zichzelf

en anderen gelukkig zou kunnen maken; rijkdom, een geëerden naam, een

onafhankelijken staat, een gezond lichaam, en toch leeft hij als een

kluizenaar, ziet nooit iemand bij zich en legt evenmin ooit bezoeken af.

Den een of ander op zijn landgoed te noodigen, dat is nog nooit in zijn

brein opgerezen; en neemt hij soms eens het besluit om uit zijn kluis te

voorschijn te komen, dan ziet hij er zoo schuw en ongelukkig uit, dat

niemand zich aan hem waagt. Zelfs zijn beste vrienden kunnen niets met

hem aanvangen, zooals Eduard zelf zegt. Er is nu eenmaal niets aan hem

te doen; hij is een zonderling.”

„Toch is hij te beklagen,” zeide Tante zacht; „want, ondanks zijn

aardsche goederen, ontbreekt het hem aan 't ware geluk. Hij weet het

leven niet te genieten door voor zich en anderen nuttig te zijn, en

zulke menschen wekken altijd mijn medelijden op.”

„Nu, lieve Tante,” zeide ik, „we zullen niet meer om hem lachen. Ik

erken dat het kinderachtig van mij was. Hij heeft mij gisteravond

werkelijk goed onderhouden en ik heb van hem geleerd. Jammer, dat het

zulk een innerlijk beschaafd mensch aan uiterlijke vormen ontbreekt.”

Juist op dit oogenblik kwam de meid zeggen, dat Dr. Huisman ons een

bezoek kwam brengen. Bij dien naam kreeg ik weer een kleur als bloed.

Des te meer verraste het mij, dat Tante zeide:

„Nu, daar ben ik zeer verheugd over. Laat den dokter binnenkomen.”

Vriendelijk werd hij door haar ontvangen. Hij begroette haar, Marie en

mij zoo ongedwongen en vriendelijk, dat ik minder schroomvallig werd;

want ik begreep er uit, dat hij mijn gedrag niet bespottelijk had

gevonden. Ik mengde mij dus in 't gesprek, om, als 't mogelijk ware, te

verbeteren wat ik den vorigen avond verkeerd gedaan had. Tante had er

den slag van, zulke dingen ter sprake te brengen waarover ik meepraten

kon, en zijn bezoek was inderdaad zoo aangenaam, dat ik, toen hij

wegging, geheel en al over mijzelf tevreden was.

„Nu, Margot,” zeide Tante. „Ik geloof dat die dokter Huisman beter is,

dan ik gisteravond vermoedde.”

„Zeker, Tante, dat heb ik u wel terstond gezegd. Doch waarom denkt u

vandaag beter over hem dan gisteren.”

„Omdat hij zich anders zeker niet zou hebben gehaast ons met een bezoek

te vereeren. Ware hij onverschillig geweest of had hij den spot met je

gedreven, dan zou hij niet gekomen zijn. Zijn bezoek van heden echter

toont mij, dat hij je kinderlijke vertrouwelijkheid als een verstandig

man heeft beoordeeld, en dat bevalt mij in hem. Hij is een beschaafd

man, die fijn gevoelt, en zulke menschen zie ik gaarne bij mij.”

Dat oordeel van Tante verheugde mij; want het stelde mij gerust over

mijn gedrag van den vorigen avond. De dokter had mij niet uitgelachen,

dat was de hoofdzaak, en de andere lieden hadden wel wat anders te doen

gehad, dan over mij, arm kind, dat nog tusschen mal en dwaas was, lang

te denken en met mijn domheden den spot te drijven.

't Was voor Marie een heele triomf, dat zij zich in de gelaatstrekken

van mijn vriend niet vergist had. En zoo namen wij opgeruimd afscheid

van elkander, toen Marie naar huis ging.

Denzelfden dag moest ik eenige boodschappen voor Tante doen, en ik

maakte mij na den eten gereed om uit te gaan, toen ik door 't bezoek van

eenige jonge meisjes werd opgehouden. Tante was bij eene oude vriendin

thee gaan drinken en ik was dus verplicht de honneurs waar te nemen. 't

Was daardoor al tamelijk laat geworden, eer ik de deur uit kon komen,

dus ook laat, eer ik mijn boodschappen verricht had. Toen ik naar huis

ging was het gaslicht der stadslantaarns en in de winkels al opgestoken.

Dat was voor mij wat nieuws. Bij dag had ik die fraaie winkels dikwijls

genoeg gezien; maar hoe geheel anders, hoeveel schitterender zagen zij

er nu bij dat heldere gaslicht uit! Was 't wonder, dat ik, eenvoudig

dorpskind, bij al die pracht er niet over nadacht dat het al laat werd

en hier en daar bij een winkel bleef staan, om de uitgestalde

fraaiigheden te bewonderen?

Vooral de plaatwinkels trokken mijn aandacht. In een daarvan zag ik in

't voorbijgaan enkele van de platen, die ik den dag te voren met baron

Van der Land beschouwd had en wier groote waarde hij mij had leeren

kennen. Bijna onwillekeurig trad ik voor de spiegelruit en beschouwde

die kunstwerken nogmaals, evenzeer als de rijke verzameling van

gravures, die daarnaast hingen of voor de glazen lagen. Geheel en al in

mijn kunstgenot verdiept, bemerkte ik niet, hoe een jong heer mij al

sedert geruimen tijd opnam, vóór hij mij op een zeer in 't oogvallende

manier nadertrad en mij onder den hoed keek. Verschrikt wendde ik mij

van hem af, in de hoop dat hij zich zou verwijderen: ik wist echter

niet, dat mijn vertoeven voor de spiegelruit van den winkel, en dat in

den avond, zeer ongepast was voor een jong meisje, en dat daarom die

jonge heer zich deze brutale vrijheid veroorloofde. Het duurde niet lang

of hij sprak mij op een zeer laffe manier aan, en dat verschrikte mij

geducht. Ik sprong snel van de stoep af en ging met verhaaste schreden

de straat door, om dat jonge mensch te ontvluchten; doch ik bemerkte,

dat hij mij vlak op de hielen volgde en hoorde maar al te goed de

onbehoorlijke woorden, die hij mij toevoegde. Ik had nog een heel eind

af te leggen voor ik thuis was, en door mijn haast en verwarring liep ik

verkeerd en wist weldra geen weg of steg meer. Dat ik slechts bij een

stalhouder had in te loopen en daar een vigilante had te nemen om mij

naar huis te brengen, kwam mij door den angst niet in de gedachte; ik

hoorde maar altijd mijn lastigen vervolger achter mij en stormde

vooruit; want ik was bang, dat hij mij zou beetpakken, daar hij hoe

langer hoe dichter achter mij aankwam.

Het angstzweet parelde mij op 't voorhoofd en de tranen stonden mij

in de oogen. Juist was ik van plan een winkel binnen te gaan en daar

bescherming en hulp te zoeken, toen ik een bekend gezicht op mij zag

afkomen. 't Was dat van baron Van der Land, mijn nieuwen kennis van den

vorigen avond. Ik liep hem met vreugd te gemoet, greep zijn hand zooals

een kind zou gedaan hebben en riep hem smeekend toe: „O, mijnheer de

Baron, bescherm mij als 't u belieft, en wees zoo goed mij huiswaarts

te geleiden, want ik ben verdwaald!”

De baron keek mij verwonderd aan; want ik beefde over mijn geheele lijf

van angst en opgewondenheid; terstond echter bood hij mij den arm en

zeide, terwijl hij een strengen blik op mijn vervolger wierp:

„Met genoegen, lieve juffrouw. Maak u verder maar niet ongerust; ik zal

u wel beschermen.”

Thans eerst kwam 't mij in de gedachte, hoe zonderling mijn gedrag

tegenover den baron was; doch hij kon van mij geen kwaad denken, daar

hij wel zag in welk een radeloozen toestand ik mij bevonden had toen ik

hem om bescherming verzocht, en natuurlijk vertelde ik hem nu in alle

bijzonderheden, hoe ik in die moeilijkheid geraakt was. De edele jonge

man gaf mij onverholen te kennen, hoe 't hem verheugde dat hij mij

van dienst kon zijn. Hij was zoo hartelijk en eerbiedig jegens mij

en herhaalde mij hoe gelukkig hij zich gevoelde, dewijl ik zooveel

vertrouwen in hem gesteld had, dat ik weer vroolijk en gerust werd en

den goeden baron als een kind innig dankbaar aankeek, toen wij eindelijk

ons huis bereikt hadden. Hij zag mij daarbij zoo verwonderlijk ernstig

met zijne donkere, zwaarmoedige oogen aan, dat ik niet recht wist wat ik

er van denken moest; ik had hem echter als een zonderling leeren kennen

en dacht er niet verder over na. Bij 't afscheidnemen gaf hij mij de

hand en drukte die zoo hartelijk, als ik het van dien stijven,

onbeholpen man nooit zou verwacht hebben.

„En ge zult mij wel willen veroorloven morgen naar uw welstand te komen

vernemen, juffrouw Zuidhof?” vroeg hij op uiterst beleefden toon.

„'t Zal mij hoogst vereeren, mijnheer de Baron,” antwoordde ik, en wipte

in huis, terstond naar Tante Betsy ijlende, aan wie ik, recht vergenoegd

over den afloop, mijn avontuur en 't aanstaand bezoek van den baron

mededeelde.

Tante beknorde mij braaf over mijn onvoorzichtigheid en verbood mij

streng in 't vervolg weer lang voor een winkel te staan kijken, 't geen

overdag voor een meisje al heel weinig past, maar 's avonds bepaald

onfatsoenlijk is. Verder beval zij mij, om, wanneer 't weer mocht

gebeuren dat ik door de duisternis overvallen werd, terstond een

vigilante te nemen, om mij naar huis te laten brengen. Mijn ontmoeting

met den baron scheen haar ook al weinig te bevallen; kortom, ik gevoelde

wel, dat ik alweer heel dom geweest was en ging ontevreden op mijzelf

aan mijn naaiwerk.

Den volgenden morgen verscheen het verwachte bezoek werkelijk, en liet

de baron Van der Land zich aandienen. Tante Betsy ontving hem op haar

beschaafde, vriendelijke manier. Toch vond ik haar meer teruggetrokken

dan anders, en daar de baron, misschien wel hierdoor, ook uiterst

verlegen en stijf was, liep het bezoek al heel koel af. Ik had inderdaad

hartelijk medelijden met den armen schuwen jonkman, en deed wat in mijn

vermogen was, om door vriendelijke tegemoetkoming en kinderlijke

ongekunsteldheid zijn toestand gemakkelijker te maken.

Ik was blij dat hij spoedig vertrok; want Tante Betsy was onbegrijpelijk

koel en stroef. Dat kon ik niet overeenbrengen met het liefdevolle

oordeel, door haar den vorigen dag over den baron uitgesproken. Ik zeide

haar dat onbewimpeld.

„Dat heb ik gedaan,” antwoordde zij ernstig, „als tegenwicht voor de

al te groote vriendelijkheid van mijn nichtje. Ik moet je verzoeken,

kindlief, bij al je ongekunstelde hartelijkheid, waarmede je den baron

in zijn verlegenheid poogt voort te helpen, toch wat meer ingetogen te

zijn. Je weet niet of zulk een gedrag wel zoo beoordeeld wordt als gij

't in je onschuld denkt. Een andere uitlegging zou je toch zeker zeer

kwetsen.”

„Een andere uitlegging, Tante?” vroeg ik verwonderd. „En waarvoor zou

men mijn vriendelijkheid dan kunnen houden?”

„Voor behaagzucht, coquetterie, kindlief,” hernam Tante, terwijl zij hoe

langer hoe ernstiger werd.

„Maar, Tante! Hoe komt u dat in de gedachten!” riep ik uit. „Behaagzucht

is toch waarlijk mijn zwak niet. Wat heb ik toch misdaan, dat hij zoo

iets van mij zou kunnen denken! O, als hij dat deed, zou 't al heel

slecht van hem zijn!”

„Ik hoop en geloof dat wij zoo iets van baron Van der Land niet te

vreezen hebben,” antwoordde Tante vriendelijk. „Toch moet gij je van hem

terugtrekken, kindlief; want al moge hij je ook niet voor coquet houden,

hij kon zich toch wel eens verbeelden, dat je levendiger belang in hem

stelt, dan ik vermoed dat het geval bij je is.”

„Maar, lieve Tante, hoe kunt gij nu zoo iets zeggen!” riep ik uit,

terwijl ik tot achter de ooren rood werd. „Gij meent, dat hij zou kunnen

denken, dat ik.... o, Tante!”

Dit denkbeeld vond ik zoo grappig, dat ik, ondanks Tantes ernstig

gezicht, in een hartelijk gelach uitbarstte. Ik op den baron verliefd!

Ik een dartel, jong, onbeschaafd dorpskind! En hij, die ernstige,

voorname, stijve baron, die mij, hoe jong hij ook ware, als een oud

heer, iemand voor wien ik eerbied moest koesteren, voorkwam en aan wien

ik mij als een onergdenkend kind had toevertrouwd! Iets zonderlingers

kon wel niet uitgedacht worden; Tante had dan toch vreemde invallen!

Toen ons gesprek deze vroolijke wending genomen had, want ook Tante

moest bij die gedachte glimlachen, was 't mij weer lichter om 't hart

geworden en ging ik zingend en opgeruimd als gewoonlijk aan mijn

bezigheden. Des namiddags kwam Marie mij een bezoek brengen, en ik

snelde vol verrukking mijn lieve vriendin te gemoet.

„Nu, dat is heerlijk, dat je eens komt,” riep ik uit. „Maar wat scheelt

er aan? je kijkt zoo vreemd!” voegde ik er terstond bij; terwijl ik haar

uitvorschend in de blauwe oogen zag, die mij nu eens zoo guitig, dan

weer zoo ernstig aankeken.

„Ik weet zelf niet, of ik moet weenen dan of ik moet lachen, Margot,”

antwoordde Marie, die, tegen haar gewoonte, erg opgewonden was. „Doch

eerst moet je me zeggen, welke domme streken je nu weer begaan hebt. Heb

je bijgeval den baron Van der Land gisteren ook gesproken?”

„Baron Van der Land? Welzeker. Gisteren en van daag,” zeide ik blozend;

want ik begreep niet, wat Marie met haar vraag bedoelde. „Ik brand van

verlangen, om je alles te vertellen.”

„O, dan laat het zich verklaren,” hervatte Marie nadenkend. „Maar voor

u, lieve Margot, is 't een alleronaangenaamste historie.”

„Maar wat is er dan van die onaangename historie, Marie?” riep ik

ongeduldig uit. „Spreek toch duidelijk. Wat is er toch gebeurd?”

„Ga mee naar je Tante; die moet de zaak te gelijk met u vernemen,”

antwoordde Marie, mij voorgaande naar Tantes kamer.

„Wat is er gebeurd, kinderen?” vroeg Tante, toen wij binnentraden.

„Marie is een sphinx geworden, die in raadsels spreekt, Tante!” riep

ik lachend uit. „Misschien verstaat gij wat zij wil; voor mij, arm

boerenkind, is haar taal te hoog.”

„Ach, mevrouw!” riep Marie half lachend, half weenend uit. „Dat is een

fraaie historie! Wat moeten we nu beginnen?”

„Wat is een fraaie historie?” vroeg Tante. „Je bent opgewonden, Marie.

Ik heb je nooit zoo gezien. Wat heeft je zoo uit je gewone

gemoedsstemming gebracht?”

„Toch niet misschien weer onze goede baron?” vroeg ik luid lachend.

„Ja, ja, lach maar, ondeugend nest!” zeide Marie. „Hij is het juist!”

„De baron? Wat heeft die arme man nu alweer misdaan?” vroeg Tante Betsy,

insgelijks schertsend.

„Och, lieve hemel! Niets minder, dan dat hij..., 't woord moet er

uit.... dan dat hij Margot wil trouwen!” riep Marie uit.

„Trouwen!...” riepen Tante en ik te gelijk uit, en ik begon 't weer uit

te schateren van lachen, evenals dezen morgen bij 't zotte denkbeeld dat

de baron op mij verliefd zou zijn.

„Foei, Marie! kom toch met zulk een onzin niet voor den dag en praat

verstandig,” zeide ik. „Wat je daar zegt, kan niet ernstig gemeend

zijn.”

„En toch is het ernst, Margot, je kunt mij gelooven,” hernam Marie.

„Waarom zou ik anders zoo opgewonden zijn, als 't niet om die fatale

historie was?”

„Maar Marie. Hoe kan 't een mensch met gezonde hersens in de gedachten

komen, om mij, dom schepsel, te willen trouwen?” ging ik vroolijk voort.

„Bedenk eens, ik trouwen! En dan nog wel met een baron!”

Nu kwam ook mijn lieve Marie de zaak zoo grappig voor, dat wij beiden

kinderlijk uitgelaten lachten. In mijn vroolijke luim sloeg ik den arm

om Tante Betsy's hals en keek haar vroolijk in de lieve, zachte oogen,

waarin ik ook vroolijkheid dacht te zullen vinden. Maar de blik, die

mij uit deze oogen aanstaarde, was ernstig en peinzend. Met een licht

hoofdschudden zag ze ons aan.

„Ik begrijp je niet, kinderen,” zeide zij zacht, maar verwijtend. „Reeds

gisteren heeft mij je vroolijkheid over dien braven man gehinderd, en nu

lacht ge weer over hem. Margot, vergeet je dan, wat ik je van morgen

gezegd heb? Had ik dan inderdaad zoo geheel en al ongelijk, toen ik je

zeide dat je vriendelijke voorkomendheid anders kon worden uitgelegd? U

schijnt het denkbeeld heel belachelijk; maar zou dat ook het geval zijn

met hem, dien ge tot dien stap gebracht hebt?”

Deze woorden van Tante waren voor mij een bitter verwijt. Beschaamd

verborg ik mijn gelaat aan haar borst. Eenigen tijd liet zij me zoo

liggen; toen lichtte ze mijn hoofd op en keek mij ernstig en liefderijk

aan.

„Zie je nu wel, kindlief,” zeide zij zacht en vriendelijk, „dat ik geen

ongelijk had, toen ik meende dat de baron meer gevoel had, dan zijn

stijve, wonderlijke figuur en zijn onhandige manieren deden vermoeden?

Het is zoo hard alleen en verlaten door deze wereld te gaan. En mag men

er dan om lachen, wanneer zulk een man iemand meent gevonden te hebben,

die hem liefheeft onder een menigte menschen, die hem onverschillig, ja,

onvriendelijk bejegenen? Is het belachelijk, omdat de arme man daarin

gedwaald heeft, en dat hij dus zijn leven eenzaam en vreugdeloos moet

voortzetten?”

Terwijl Tante Betsy sprak, was mijn lachlust geheel en al verdwenen en

had plaats gemaakt voor een ernstig zelfverwijt, dat mij de tranen in de

oogen bracht.

„Ach, lieve hemel! Tante!” riep ik uit. „Daaraan had ik niet gedacht.

Het was slecht, heel slecht van mij.”

Nu kwam het ernstige, treurige beeld van den baron mij voor de oogen, en

ik kreeg innig medelijden met den armen man. Gaarne had ik hem willen

helpen—doch hoe kon ik dat? Hem te huwen, daaraan toch kon niemand

ernstig denken, ik ten minste niet.

„Ach, lieve Tante!” riep ik schreiend uit. „Het doet mij zooveel leed,

en toch kan ik er niets aan doen. Dat ik ook zoo onbezonnen moest zijn!

Maar wie had dat kunnen denken?”

Tante zweeg en stoorde mij niet in mijn gedachten. Eindelijk zeide

Marie:

„Neen, dat kan ik niet langer bedaard aanzien! Wel was ik voornemens

de zaak niet zoo te vertellen, als zij is; doch thans moet ik 't wel

doen, dat zie ik nu duidelijk in. Gij hadt gelijk, mevrouw, om ons

kinderachtig lachen te berispen; want kinderachtig was het: dat moet ik

bekennen. Doch de zaak is niet zoo ernstig, als gij haar beschouwt. Laat

mij u eerst alles vertellen.”

„Ga je gang, kindlief,” zei Tante.

Marie begon:

„Toen ik een uur of wat geleden van een bezoek thuiskwam, zag ik

den baron voor mij de trap opgaan en in de kamer van mijn broeder

verdwijnen. Hij had mij niet gezien, wat mij zeer aangenaam was. Ik vond

echter, dat hij er zeer opgewonden uitzag en met een ongewone haast de

trappen opstormde. Ik dacht niet verder aan den zonderling, maar hield

mij bezig met eenigen huiselijken arbeid, toen eenigen tijd daarna mijn

broer met een vroolijk gelaat de kamer binnentrad.

„Raad eens, Marie,” zeide hij met een guitigen glimlach, „wie daar bij

mij geweest is?”

„Je vriend, baron Van der Land,” antwoordde ik. „Dat is niet moeilijk te

raden.”

„Doch raad nu eens waarover hij mij kwam spreken, mijn verstandig

zusje,” ging hij lachend voort.

„Wat gaan mij de zaken van je vrienden aan,” zeide ik. „Laat mij

daarover met rust.”

„Zeg dat niet zoo gauw,” hernam hij. „Ze gaan je zeer goed aan. Of is

't je onverschillig, als ze je aardig zwartoogje van een vriendin

betreffen?”

„Hoe zou 't bezoek van dien zonderling Margot aangaan?” vroeg ik. „Maar

dat is niet mogelijk. Wat wil hij dan, lieve Eduard! O, vertel 't mij

toch!”

„Je vroolijke, aardige Margot was het voorwerp van ons gesprek,” hernam

hij.

„En wat wil de baron dan van haar?” vroeg ik.

„Niets meer of minder dan met haar trouwen,” antwoordde Eduard droogweg.

„Ik behoef u niet te zeggen, dat mijn verbazing niet geringer was dan

daar straks de uwe. Toen ik een weinig van de verrassing bekomen was,

deelde Eduard mij het wonderlijke gesprek mede, dat hij met den baron

gehad had en dat ik wil beproeven u zoo trouw mogelijk terug te geven.

„Eduard!” had de baron geroepen, toen mijn broeder zijn zeldzamen gast

vriendelijk begroet had. „Ik heb je een vriendschapsdienst te

verzoeken.”

„Tot je orders,” antwoordde Eduard. „Wat is er? Ge zijt toch niet

voornemens om te duelleeren?”

„Dat nu juist niet; maar iets bijna even gewichtigs. Ik wil trouwen,”

antwoordde de baron ernstig.

„Trouwen! voortreffelijk! En wie is dan de uitverkorene van je hart? En

welke rol moet ik daarbij vervullen? 't Zal toch, hoop ik, geen treurige

rol zijn?” riep Eduard uit.

„Ik bemin juffrouw Margot Zuidhof,” antwoordde de baron, „en daar zij de

vriendin uwer zuster is, verzoek ik je, haar voor mij ten huwelijk te

vragen!”

„Hoe! Heeft die aardige kleine Margot het hart van den menschenhater

getroffen!” riep Eduard verbaasd uit. „Nu, dat is drommels aardig! Maar

hoe komt ge daartoe? Hoe is dat toch in zijn werk gegaan?”

„Omdat ik gemerkt heb, dat zij mij liefheeft,” zeide de baron kort en

droog.

„Wat men al niet beleeft!” riep Eduard lachend uit. „Je bent een

toovenaar. Maar weet je ook zeker, dat ze u bemint? Heeft ze 't je dan

gezegd?”

„Niet in woorden; doch meer dan dat, door haar blikken en handelingen,”

hernam de baron.

„Dus heeft de kleine Margot de coquette met je gespeeld. Wel drommels,

dat had ik van dat frissche mosroosje niet gedacht!” riep Eduard

vroolijk uit; want hij bemerkte wel, dat alles hier niet geheel en al

was zooals 't behoorde en dat de wonderlijke baron meer vermoed had te

zien, dan er werkelijk gebeurd kan zijn.

„Van coquetterie kan hier geen sprake zijn,” zeide de baron beleedigd.

„Het jonge meisje heeft, zonder dat zij 't vermoedde, getoond, dat ik

haar niet onverschillig ben, en daarom wensch ik het roosje te plukken,

dat zich voor mij in al zijn liefelijkheid ontsluit.”

„Je wordt poëtisch, vriend,” riep Eduard uit. „Dus uit ridderlijke

opoffering verheft ge het meisje tot je gemalin! Hebt gij haar ook zoo

lief, als je vermoedt dat zij u heeft?”

„Eduard,” hernam de baron, „ge weet, hoe mijn familie er op aandringt

dat ik mij in 't huwelijk zal begeven. Ze heeft mij reeds allerlei

voorstellen gedaan, mij de rijkste en aanzienlijkste meisjes

aangeprezen; maar geen van allen bevallen ze mij; ik kan dat trotsche

vrouwvolk niet uitstaan. Lachen en spotten ze niet allen over mijn

stijf, ernstig voorkomen? houden ze mij niet allen voor den gek? toonen

ze niet duidelijk, dat ze mij niet lijden mogen, en zouden ze mij niet

allen hare hand alleen daarom willen geven, dewijl ik rijk en van ouden

adel ben? Voor zulk een huwelijk bedank ik hartelijk. Daarom had ik

reeds besloten om niet te trouwen. Doch Margot Zuidhof heeft mij tot

andere gedachten gebracht. Zij is het eerste vrouwelijke wezen, dat mij

achting en vertrouwen getoond heeft, in plaats van mij te bespotten; dat

heb ik duidelijk in haar oogen gelezen en daarom wil ik haar huwen.”

„Je mededeeling verbaast mij,” hernam Eduard, nadenkend geworden. „Maar

nog eens: wat zegt je hart van dit besluit? Is het slechts medelijden

met het bevallige kind, dat je aanzet om haar je hand te schenken?”

„Ik leid een zeer eenzaam leven, vriend,” antwoordde de baron. „De

liefde van zulk een jong, lief wezen kan mij niet onverschillig doen

blijven, en wat er aan mijn liefde ontbreekt, zal wel komen, als ze eens

mijn vrouw is.”

„Maar, vriendlief! Bedenk toch! Zulk een jong kind!” waarschuwde Eduard

hem, terwijl hij 't hoofd schudde. „Ze is ter nauwernood zestien jaren.”

„Jeugd is geen gebrek,” antwoordde de baron.

„Maar zij is van burgerlijke afkomst en uw familie van ouden adel. Wat

zullen uwe bloedverwanten zeggen?”

„Dat gaat mij niet aan,” hernam de baron. „Ik ben mijn eigen meester en

aan niemand rekenschap verschuldigd. Zeg mij eenvoudig, of je in mijn

naam 't aanzoek doen wilt. Mij ontbreekt het ten eenenmale daartoe aan

tact.”

„Met genoegen. Doch wijt het mij niet, wanneer 't antwoord anders

uitvalt, dan je verwacht,” hervatte Eduard, terwijl hij den baron de

hand reikte.

„Wees daarover niet bekommerd, en wees verzekerd, dat, hoe de zaak ook

afloopt, ik je steeds dankbaar zal zijn.”

„Met deze woorden was de baron heengegaan, en Eduard terstond bij mij

gekomen, om mij het nieuws mede te deelen, en mij in den arm te nemen,

om voor hem het aanzoek te doen. Nu weet je de geheele geschiedenis en

ik geloof dat je lieve Tante de zaak niet meer uit zulk een tragisch

oogpunt beschouwt als daar straks. Want daar Margots hart niet in zulk

een hopeloozen toestand verkeert als de goede baron denkt, en dit,

zooals hij duidelijk heeft te kennen gegeven, de groote reden van zijn

aanzoek is, valt de geheele zaak van zelf in duigen, en we behoeven er

ons niet over te verontrusten dat een weigering 't hart van den baron

zal breken.”

„Zoo licht zie ik de zaak niet in, lieve Marie,” antwoordde Tante, nog

steeds ernstig, toen Marie zweeg. „'t Moge nu wel niet uit liefde tot

Margot zijn, dat de baron haar hand vraagt; 't staat echter niet aan ons

te beoordeelen, in hoeverre zijn hart daarbij werkelijk in het spel is.

Ik moet je zeggen, dat het mij in hem bevalt, dat hij zonder eenige

nevenbedoeling een eenvoudig meisje kiest, en het doet mij innig leed,

dat hij zich nu weer tot zijn vroegere eenzaamheid veroordeeld ziet.”

„Maar zijn ijdelheid heeft toch waarlijk deze kleine les wel verdiend,

Mevrouw!” hervatte Marie. „Hij moet zich al voor zeer belangwekkend

houden, om te denken dat zulk een knap meisje als onze lieve Margot zoo

maar in eens tot over de ooren op hem verliefd zou zijn geworden, en dat

alleen omdat zij hem eenige vriendelijkheden bewezen heeft.”

„Ik heb je nog niet kunnen verhalen, onder welke omstandigheden ik

gisteren den baron ontmoet heb, Marie; en die ontmoeting heeft hem zeker

in zijn meening versterkt,” zeide ik beschaamd en vertelde haar het

avontuur van den vorigen avond.

„Dat alles geeft hem toch volstrekt geen recht, om het er voor te houden

dat je verliefd op hem bent,” antwoordde Marie. „Hij mag er ten hoogste

uit opmaken dat je hem hoogacht en vertrouwt. En daarom kan 't

volstrekt geen kwaad, dat mijnheer de baron bij deze gelegenheid eens

ondervindt, dat er nog jonge meisjes in de wereld zijn, die niet zoo

hoog met rijkdom en adelstand loopen, om daarvoor een liefde te

huichelen, die zij niet bezitten.”

„Het zal den armen man nog stijver en schuwer maken dan hij nu reeds

is,” hervatte ik. „Neen, neen, Marie, je oordeelt te hard, en ondanks

alles, wat je hem ten laste legt, doet het mij geducht leed.”

„Welnu, trouw hem dan, schatje!” zeide Marie. „Misschien verricht je een

goed werk en maakt een bruikbaar mensch van hem.”

„Neen, dat kan ik niet doen, hoeveel medelijden ik ook met hem heb,”

antwoordde ik. „Daarenboven vraagt hij mij alleen, omdat hij meent dat

ik hem bemin; ik zou hem dus bedriegen als ik zijn aanzoek aannam. Maar

ik wensch van harte, dat hij spoedig een andere vindt, die hem kan

schenken, wat ik hem niet kan aanbieden.”

„Dat willen we hopen, Margot,” zeide Tante vriendelijk, en kuste mij op

't voorhoofd. „En tevens, dat de zaak hiermede is afgedaan en geen

verdere gevolgen zal hebben. Doch trek uit deze ervaring de ernstige

les, dat een jong meisje tegenover heeren niet voorzichtig en ingetogen

genoeg kan zijn. Zoo menig meisje heeft den naam van coquet gekregen,

alleen doordien haar onbezonnenheid en levendigheid haar verleidden tot

woorden of handelingen, die tegen de eenmaal aangenomen regelen der

welvoeglijkheid indruischen. Dat de baron je, nu je hem weigert, niet

voor een coquette moge houden, wensch ik van harte; van een minder

ernstigen en soliden man dan hij is, zoudt ge nauwelijks een andere

verklaring van je gedrag kunnen verwachten.”

En zoo liep deze zaak af. Eduard nam de taak op zich, den baron mijn

weigering over te brengen. Hij deed dit zoo verschoonend mogelijk; maar

ondanks den tact, waarmede hij zijn vriend den staat van zaken

verklaarde, had die weigering toch ten gevolge, dat de schuchtere baron

zich weer gedurende langen tijd uit alle gezellige kringen verwijderd

hield.

Voor mij was dit voorval een les voor geheel mijn leven.

Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is · 第 15 / 28 题