ZESDE HOOFDSTUK.

In gezelschap.

Tante ontving niet alleen dikwerf gasten, maar ging zelve ook dikwijls

uit, en daar zij mij altijd meenam, maakten die gezellige avondjes, die

wij bij anderen doorbrachten, het mij in den beginne angstig genoeg en

gaven mijn goede Tante vrijwat aanleiding om zich over mij te ergeren.

Vooral één avond is mij onvergetelijk gebleven, die zoo rijk aan

gebeurtenissen was, dat ik ze u vertellen moet, daar hij in zijn

gevolgen invloed op mijn leven had, zonder dat ik het toenmaals

vermoeden kon.

Wij waren op een soirée bij den President der rechtbank, den Heer Van

Doren. Als gewoonlijk stond ik naast mijne vriendin Marie, die mij hier

als overal een redster in den nood was; want ik kende in 't geheele

talrijke gezelschap geen enkel persoon. Met tamelijke verveling keek ik

de zaal rond en monsterde de élegante menigte. Eensklaps echter kwam er

een glans van vreugde op mijn gelaat.

„Kijk eens, Marie, daar staat warempel Dokter Huisman uit Arnhem. Die

heeft Papa nog eerst onlangs een bezoek gebracht. Ik moet hem goeden dag

gaan zeggen. Wat zal hij verwonderd zijn, mij hier te zien!” en ik wees

met den vinger naar een grooten blonden heer, die midden onder andere

gasten stond.

Snel wilde ik van Marie wegijlen en op Dokter Huisman toeloopen, toen

mijne vriendin haastig haar arm op den mijnen legde.

„Blijf hier, Margot,” riep zij zacht, terwijl zij mij terugtrok.

„Vooreerst, wijs toch om 's Hemels wil niet naar iemand. Dat is

vreeselijk onfatsoenlijk, en dan moet ik je zeggen, dat het in 't geheel

niet welvoeglijk is om Dokter Huisman thans aan te spreken, terwijl hij

midden onder andere heeren staat. Om tot hem te komen, zoudt gij er

doorheen moeten dringen.”

„Ach! dat is waar; daaraan had ik niet gedacht,” zeide ik verlegen.

„Daarenboven,” ging Marie voort, „kent ge dien heer zoo van nabij, dat

gij hem het eerst begroeten wilt? Hij is zeker een goed vriend van je

familie.”

„Neen, ik heb hem slechts eens bij ons aan huis gezien; hij kwam bij

Papa voor zaken en bleef dien achtermiddag bij ons,” antwoordde ik min

of meer verlegen. „Maar daar ik hier de menschen zoo weinig ken, vond ik

het zoo prettig, dat ik met hem over Brondaal kon spreken; daarom voel

ik mij veel meer naar hem heengetrokken dan naar de andere heeren, die

noch Papa noch iemand thuis kennen.”

„Hoor eens, Margot, als je hem niet nader kent, wacht dan tot hij je

aanspreekt,” zeide Marie. „Dat behoort zoo. Want al boezemt hij je ook

nog zooveel belangstelling in omdat hij je familie kent, schijnt gij hem

niet erg te interesseeren; anders zou hij je wel aangesproken hebben.”

Hoezeer ik Marie ook gelijk moest geven speet het mij toch geweldig dat

ik door den jongenheer, in wien ik zulk een levendig belang stelde, in

't geheel niet werd opgemerkt. Doch spoedig was mijn knorrigheid over;

want het heerengesprek was uit en de blonde dokter wachtte geen

oogenblik om regelrecht op mij af te komen.

„Hé, juffrouw Zuidhof!” riep hij vroolijk uit. „Vind ik u hier? Een

aardige verrassing! Eerst nu zie ik u, anders had ik mij reeds gehaast

u vroeger mijn compliment te maken. Hoe gaat het u?”

Ik had het wel gedacht! Hij was er ook over in zijn schik, dat hij eene

bekende onder al die vreemden zag; en dat had hij mij niet vroeger

kunnen zeggen, daar hij mij nu eerst opgemerkt had. Gij begrijpt,

hoe prettig ik dat vond, en vroolijk praatte ik nu met hem over al

mijn dierbaren te huis, en Dr. Huisman scheen in alles wat ik hem

voorbabbelde zooveel belang te stellen, dat ik mijn geheele omgeving

vergat en hem openhartig terstond allerlei dingen vertelde. Nadat we een

tijdlang zoo met elkander gepraat hadden, zag ik Tante Betsy eensklaps

dicht bij mij en het scheen mij toe, als zag zij mij onderzoekend en

verrast aan. Ik begreep, dat het haar genoegen zou doen, Dokter Huisman

te leeren kennen, en zoo stond ik snel op en zeide, dat ik mijn Tante

wilde roepen. De dokter volgde mij op den voet en verzocht mij dat

ik hem liever bij Tante zou brengen, opdat hij zich aan haar mocht

voorstellen. Daarbij glimlachte hij zoo zonderling, dat ik vreesde weer

iets doms uitgevoerd te hebben en hoog blozend voor hem uit tot bij

Tante Betsy ijlde, aan wie ik met een paar woorden mijn bekende

voorstelde.

Tante begroette den dokter wel is waar op de vriendelijke manier, waarop

zij voor alle menschen zoo engelachtig goed was; ik vond echter dat zij

hem vrij koel en afgemeten ontving. Dat hinderde mij geducht! Doch hoe

was ik verwonderd, toen Tante, nadat de dokter zich verwijderd had, met

een tamelijk onvriendelijk gezicht mij wenkte om haar naar een donker

vensterkozijn te volgen, waar men ons niet kon opmerken.

„Je spraakt daar al vrij vertrouwelijk met dien jongen heer!” zeide zij.

„Is die dokter Huisman bij u zulk een vertrouwd vriend des huizes? Daar

wist ik niets van.”

„Een vriend des huizes? Dat nu juist niet,” antwoordde ik eenigermate

bedremmeld. „Ik was echter zoo blij dat ik hem zag, omdat ik hier

genoegzaam geen mensch ken.”

„En in je blijdschap heb je geheel vergeten wat een jong meisje past,

kindlief!” zeide Tante zacht.

„Ik, Tante?” riep ik verschrikt uit; want daarvan had ik in 't geheel

geen vermoeden.

„Ja, jij,” antwoordde Tante. „In de drukte van je gesprek heb je niet

opgemerkt, hoeveel verwonderde blikken zich op je vestigden; want je

praatte zoo luid met dien jongen man, dat allen, die er omheen stonden,

verstaan konden wat je zeide. Dan lachte je tusschenbeide ook zoo hard,

sperde den mond zoo wijd open en leunde met den rug in je stoel,

dat ik mij over je schaamde. En 't ergste van alles nog was, dat je

tusschenbeide met den jongen heer fluisterde, alsof gij de intiemste

vrienden waart. Hoe kwam dat toch? Je bent anders zoo schuchter en

bedeesd.”

„Ach, Tante, ik vertelde hem eenige mijner domme streken, en die mochten

anderen toch niet hooren; ik bemerkte ook niet, dat andere gasten naar

ons gesprek luisterden,” zeide ik.

„En heb je hem die verteld? Dat is al heel vertrouwelijk jegens zulk een

vreemden heer. Ken je hem dan zoo goed, om te weten, dat hij in zijn

hart niet den spot drijft met die vertrouwelijkheid?”

„O, dat zal hij niet doen, lieve Tante,” riep ik blozend uit. „Hij

stelde zulk een groot belang in alles wat ik hem van mijn familie en

mijn dorp verhaalde, en dat zou hij toch niet gedaan hebben, als hij zoo

slecht was.”

„Natuurlijk scheen dit u zoo toe; want hij kon toch zoo onbeleefd niet

zijn om weg te loopen, als een jonge dame haar hart voor hem

uitstortte,” zei Tante Betsy glimlachend.

„Ach, Tante!” zeide ik, terwijl mij 't huilen nader stond dan 't lachen.

„'t Is mijn schuld niet, dat je deze kleine strafpredikatie moet

aanhooren, opdat je voortaan voorzichtiger wordt,” ging mijn

onverbiddelijke Tante voort. „Wie weet, of je vriend niet op ditzelfde

oogenblik bezig is aan een anderen jongen man te vertellen, welk een

dwaas kind juffrouw Zuidhof is, en hoe beiden zich ten uwen koste

vroolijk maken.”

„Ach! lieve Tante! zeg dat toch niet!” smeekte ik haar, terwijl de

tranen mij langs de wangen rolden.

„Nu, we zullen er het beste van hopen; troost je dus maar,” hernam

Tante, terwijl zij 't haar uit mijn gloeiend gezicht streek. „Doch ik

moet je waarschuwen om voortaan voorzichtiger en verstandiger te zijn,

en niet zoo aan je gevoelens den vrijen loop te laten. Pas nu op; maak

door een ingetogen, fatsoenlijk gedrag weer goed, wat gij in de oogen

van zoovelen misdaan hebt en bovenal zet een kalm, vriendelijk gelaat:

want het is niet raadzaam om door zijn gelaatstrekken zijn gevoelens en

de bewegingen van zijn hart te verraden; vooral in gezelschap. Daar komt

Marie; zij zal je beter kunnen troosten dan ik.”

Tante wendde zich nu naar eene oude dame, met wie zij een gesprek

aanknoopte, en liet ons alleen om vertrouwelijk met elkander te spreken.

Gelukkig verborg nog steeds het donker vensterkozijn ons; want ik moest

mijn bezwaren in 't hart van mijn goede Marie uitstorten. Zij troostte

mij en stelde mij gerust.

„Je gedrag is in 't oog gevallen,” zeide zij, „ik kan het niet

ontkennen, en ik had je er zoo gaarne opmerkzaam op gemaakt, dat je

gesprek met dokter Huisman lang genoeg geduurd had. Maar je scheen

het zoo druk te hebben, dat je niet om mij dacht, hoe ik ook om je

heendraaide; en ongeroepen kon ik mij in je gesprek niet mengen, daar ik

je vriend niet kende.”

„Ach! noem hem zoo niet,” smeekte ik. „Wie weet of hij dien naam niet

geheel en al onwaardig is en zich over mij vermaakt.”

„Dat denk ik nu juist niet,” antwoordde Marie. „Daartoe ziet hij er mij

veel te ernstig en te vriendelijk uit, en al lacht hij misschien ook in

zichzelf een beetje over 't meisje, dat in haar eenvoud nog niet weet

hoe zij zich gedragen moet, ik ben er zeker van, dat hij zich niet ten

uwen koste zal vermaken.”

„Denk je dat werkelijk, Marie?” riep ik in verrukking uit. „Tante had er

mij zoo bang voor gemaakt.”

„Ik zou mij al zeer in hem moeten vergissen, als hij het deed,” hervatte

Marie.

„Maar al die menschen, voor wie ik mij zoo gecompromitteerd heb! Ik durf

niet meer uit mijn schuilhoek komen!”

„Kom, dat is ook zoo erg niet als je denkt,” zeide Marie. „Het

ergste, wat ik gehoord heb, was dat men lachte en je voor heel jong

en kinderlijk hield, en dit is toch over 't geheel geen groot gebrek.

Daarenboven is men nu de geheele historie alweer vergeten. Kom dus

gerust maar weer te voorschijn; want langer mogen we hier niet staan.

Zie, daar komt juffrouw Van der Velden; zij is altijd vriendelijk jegens

mij en ik heb haar nog niet gesproken. Nu, tot straks! Wees goedsmoeds

en zet niet langer zoo'n armezondaarsgezicht!”

Vreesachtig mengde ik mij weer onder de overige gasten en zette

mij neder in een kamer naast het salon, waarin men juist begon te

musiceeren. Men presenteerde ijs, waarvan ik zeer veel hield, en zoo

verdreef ik mij een poos lang den tijd, terwijl ik naar de muziek

luisterde en mij 't ijs goed liet smaken. Daarbij sloeg ik mijn omgeving

gade, of er misschien niet nog iemand was, die tegen de regelen der

welvoeglijkheid zondigde, opdat ik toch niet alleen als zoo onhebbelijk

mocht bekend staan. Maar helaas! rondom mij was alles zoo welvoeglijk en

ernstig: men praatte wel, maar om de muziek slechts fluisterend—allen

gedroegen zich zoo, dat ik mij zuchtend van hen afwendde.

Daar viel mijn blik op een heer, die dicht bij mij stond. Jong scheen

hij niet en toch zag hij er in 't oogvallend angstig en verlegen uit.

Blijkbaar was hij geheel onbekend in dezen kring en had in 't geheel den

tact niet om zijn schuchterheid te verbergen, zoodat ik een hartelijke

sympathie voor hem gevoelde.

Eindelijk zweeg de muziek en 't gezelschap bewoog zich weer door

elkander; maar mijn vreemdeling bleef daar alleen staan. Ook ik bleef

stil op mijn stoel zitten; want ik was geducht uit mijn humeur.

Eindelijk stond ik op om mijn ijsschoteltje ergens neer te zetten en zag

daarbij, dat mijn vreemde man het zijne nog in de hand had en er

klaarblijkelijk vreeselijk verlegen mee was, daar hij niet wist, wat hij

er mee zou beginnen.

„Ach,” dacht ik, „die arme schelm is ook nog tusschen mal en dwaas,

evengoed als ik,” en daar ik hem voorbij moest, ontlastte ik hem met een

vriendelijk woord van zijn schoteltje en verloste hem daardoor uit zijn

verlegenheid.

Verrast keek de heer op en zag mij zonder een woord te spreken aan;

daarop scheen hij zich te bezinnen en maakte een buiging voor mij, die

tamelijk stijf uitviel. Vervolgens stond hij weer even stil op zijn

plaats en ging ook weer zitten, daar de muziek opnieuw begon.

Ik had eerst gedacht dat de vreemdeling, in wien ik zooveel belang

stelde, niet jong meer was; toen ik hem evenwel wat meer van nabij zag,

bemerkte ik dat ik mij vergist had, en dat zijn onbeholpen gedrag de

oorzaak van die vergissing was. Zoodra ik nu weer zat, nam ik hem nog

eens goed op; eensklaps keek hij mij met zijn donkere, zwaarmoedige

oogen strak en zwijgend een lange poos aan.

Eenigszins gepijnigd door dat aanstaren bepaalde ik mijn aandacht op

mijn handschoenen, waarvan een knoopje was losgesprongen. Toen ik echter

weer even opkeek was 't mij, alsof ik dat gelaat vroeger meer gezien

had. Ik kon den jongen man echter (zooals men 't noemt) maar niet

thuisbrengen, en dat kwelde mij. Natuurlijk keek ik hem daarbij weer

aan; doch hoezeer verschrikte ik, toen ik bemerkte, dat zijn blik nog

altijd op mij rustte. Dat was toch recht lastig! Wat had die vreemde man

aan mij te kijken? Ik voelde dat ik een kleur kreeg; rusteloos draaide

ik mij op mijn stoel heen en weer, en besloot vast, om van plaats te

veranderen, zoodra het zangstuk gedaan was. 't Scheen echter dat er geen

eind aan kwam, en terwijl ik nu tamelijk schuw en verschrikt mijne oogen

voor de blikken van den zonderlingen man neersloeg, gebeurde er weer

iets, dat hem opnieuw verlegen maakte.

Hij hield namelijk, zooals alle heeren, zijn hoed onder den arm, maar

zóó links, dat ik al bang geweest was, dat hij hem zou laten vallen. En

inderdaad! Plats, daar lag de ongelukkige hoed eindelijk, en wel vlak

voor mijn voeten. De vreemde was nu in de hoogste verlegenheid en waagde

het nauwelijks er de hand naar uit te strekken. Onwillekeurig bukte ik

snel, greep naar den hoed en reikte dien, natuurlijk nogmaals hoog

kleurend, aan den eigenaar, die hem met een stijve buiging uit mijn hand

ontving. Doch hierbij verloor hij nu zijn handschoen, dien hij in de

hand hield, en eer hij nog zijn stijven rug gebogen had, gaf ik hem ook

dit verloren kleedingstuk terug.

Wederom maakte hij met doodelijke verlegenheid een buiging, en nu stond

hij daar vlak voor mij, zonder te weten of hij zou spreken of zijn

stomme rol verder voortspelen. Om hem en mijzelve uit onzen pijnlijken

toestand te verlossen, nam ik een album in de hand, dat vlak bij mij

opengeslagen lag, en deed alsof ik mij in de beschouwing der platen

ernstig verdiepte.

't Zij de fraaie gravures de opmerkzaamheid van den jongen heer trokken,

of dat hij meende mij eenige oplettendheid te moeten bewijzen—hoe 't

zij, met uitgerekten hals en wijdgeopende oogen keek hij naar het album

dat ik doorbladerde, doch bleef op zulk een eerbiedigen afstand, dat ik

mij nauwelijks van lachen kon onthouden over het dwaze figuur dat hij

maakte. Om zijn vervelend meekijken te beletten, reikte ik hem 't eene

blad na 't andere toe, opdat hij dat kon bezien, zonder het mij lastig

te maken. 't Scheen, dat deze nieuwe attentie den dam zijner

verlegenheid doorbrak.

„Mejuffrouw!” zeide hij stotterend en zacht, terwijl hij zich naast mij

neerzette. „Ik dank u, o, ik dank u!” Daarop vroeg hij mij of ik veel

van de beeldende kunst hield. Ik antwoordde bevestigend, maar bekende

tevens, dat ik er weinig verstand van had. Toen begon hij mij zoo zacht,

dat zijn stem de muziek niet hinderde, over de meesters te praten, wier

werken zich in dat album bevonden: Koekkoek, Schotel, Ten Kate, ook

van Duitsche en Italiaansche meesters. Eerst was ik wel wat angstig en

herinnerde ik mij, hoe Tante mij verboden had om met andere heeren te

spreken dan met degenen, die mij waren voorgesteld; maar spoedig vergat

ik mijn angst voor de levendige belangstelling, die zijn woorden in mij

verwekten. Hij was blijkbaar een groot kunstkenner, en wist niet alleen

van de werken der meesters, maar ook van hun leven op een zeer aangename

wijs wat te zeggen.

Thans echter zweeg de muziek weder en werd het levendig rondom ons. Ik

begon mij weer te beangstigen, dat ik met den wonderlijken vreemdeling

zoo alleen in een hoekje zat; hij scheen het echter niet te bemerken,

maar ging bedaard met spreken voort. Eindelijk zag ik Marie's blauwe

japon in de nabijheid; snel opstaande, zeide ik eensklaps:

„Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Ik geloof dat mijne vriendin mij

zoekt.”

Reeds kwam Marie naar mij toe. Zij was zeer verwonderd, dat zij mij zoo

vertrouwelijk met den vreemdeling zag spreken, maakte een lichte buiging

voor hem en zeide:

„Ha, baron! Zien wij u ook eens hier! Wel, dat is goed.”

Ik fluisterde Marie snel in 't oor, mij aan den jongen baron voor te

stellen, daar zij hem kende. Zij keek mij verbaasd aan; want zij dacht

natuurlijk dat de man, met wien ik in zulk een vertrouwelijk gesprek

gewikkeld was geweest, dat zelf reeds gedaan had; ze wendde zich echter

vriendelijk tot ons en zeide:

„Lieve Margot, veroorloof mij dat ik je een vriend van mijn broeder

voorstel, mijnheer den Baron Van der Land. En dit, mijnheer de Baron,

is mijn lieve vriendin, Mejuffrouw Margot Zuidhof.”

Toen Marie zich bij ons gevoegd had, werd Baron Van der Land

weer even onbeholpen en stijf als straks; 't geen bleek uit

de weinige afgebroken woorden, die hij uitstiet als: „Veel

genoegen—juffrouw—allervriendelijkst,” die hem met veel moeite van

de lippen rolden.

Om aan zijn verlegenheid een einde te maken, bogen we voor hem en

begaven ons naar een anderen kant van de kamer. Daar ik echter met

innig medelijden bemerkte, hoe treurig de jonge baron ons nastaarde,

was 't mijn schuld niet, dat mijn goed hart mij aandreef hem nog een

heel vriendelijken blik toe te werpen.

„Lieve hemel! Wat doe je toch, Margot? Wat bega je toch een dwaasheden

van avond!” riep Marie uit, toen ze mijn groet bemerkte. „Eerst zoo

vertrouwelijk met Dr. Huisman, en nu reeds één hart en één ziel met den

menschenschuwen Baron Van der Land? Nu doet het mij inderdaad leed, dat

ik je daar straks gestoord heb in het interessant tête à tête, waarin je

met den zonderlingen jonkman gewikkeld waart. Voortaan behoef je me niet

meer wijs te maken, dat je bloo bent. Een meisje, dat Baron Van der Land

aan het praten kan krijgen, is de medaille van verdienste waard.”

„Zwijg toch met dien belachelijken onzin, en laat mij je vertellen, hoe

dat alles in zijn werk is gegaan,” riep ik uit en verhaalde haar nu, hoe

de vork in den steel zat.

„Gelukkig dat het de verlegen baron is,” gaf zij ten antwoord. „Ieder

ander heer zou je oplettendheid geheel anders hebben uitgelegd. Wat ik

je echter raad, bespaar je gedienstigheid voor oudere lieden; jonge

heeren ontvangen niet gaarne ongevraagd diensten van jonge dames. Dat is

nu eenmaal zoo en niet anders. Maar op den jongen baron hebben je zwarte

oogen een sterken indruk gemaakt; want zie slechts, daar staat hij weer

als een zoutpilaar aan de deur en kijkt smachtend naar onzen kant.”

Marie had gelijk. Hij stond daar en keek ons met zijn groote oogen zoo

zonderling aan, dat mij de kleur weer in 't gezicht sloeg en ik mij

angstig aan Marie's arm klemde; waarbij ik haar smeekte, dat zij mij

niet weer verlaten zou, daar ik anders vreesde nog meer dwaasheden te

zullen begaan.

Toen we naar huis gingen, fluisterde Marie mij schalks in 't oor:

„Geluk met je verovering! Slaap lekker, Margot.”

Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is · 第 14 / 28 题