VIJFDE HOOFDSTUK.

Onder ons.

Elken Maandag kreeg Tante bezoek van eenige kennissen, die thee

bij haar dronken en zich met praten, voorlezen of ook wel eens met

kaartspel vermaakten. Mij werd op die avonden de post opgedragen, om

thee te schenken en den kleinen kring te bedienen, daar Tante niet graag

de meid in de kamer zag. Dat was mij, nadat ik de eerste moeilijkheden

had overwonnen, zeer aangenaam: want huiselijke bezigheden vond ik

heel prettig: ik ontging daardoor het best de verlegenheid, om onder

die oudere heeren en dames fatsoenlijk stil te moeten zitten of ook

wel soms aan hun gesprekken deel te nemen, waarvoor ik nog veel te

weinig algemeene kennis en beschaving bezat. Ik kon immers evengoed

toeluisteren en had tevens wat te doen. Maar in den beginne waren er

natuurlijk verscheidene dingen, die ik eerst moest leeren.

Zoo vulde ik de kopjes altijd hoog tot aan den rand, wat Tante mij reeds

den eersten morgen verboden had; doch dat ik maar niet scheen te kunnen

onthouden. Het kwam mij altijd voor, als zouden de menschen denken, dat

ik 't hun niet gunde, wanneer ik zoo weinig in de kopjes schonk. Verder

liep ik met den trekpot de kamer rond, om terstond de kopjes op de

plaats waar ze stonden, te vullen; totdat Tante mij zacht terugtrok en

mij de kopjes aan de schenktafel bracht, om ze daar weder vol te

schenken.

Wanneer dan de een of andere gast bedankte, hield ik 't voor mijn

plicht zoolang bij hem aan te dringen, tot ik mijn thee of mijn banket

aan den man gebracht had. Tante verbood mij dat. „Dat opdringen,” zeide

zij, „mogen de menschen op uw dorp hartelijk vinden, tot den goeden

toon behoort het echter niet, al is het dan ook juist geen kwaad.

Ook moet je wel opletten, dat je de gasten altijd aan hun linkerhand

iets presenteert en nooit aan hun rechterzijde; anders hebben zij de

rechterhand niet vrij om 't gepresenteerde aan te nemen.”

Vooral was Tante er zeer op gesteld, dat ik alles wat ik deed stil en

zonder veel gedruisch ten uitvoer bracht, „opdat de gasten,” zeide zij,

„het knarsen der raderen, waardoor de huishouding loopt, niet bemerken.

Ik ten minste vind het altijd onpleizierig, wanneer ik iemand een bezoek

breng en ik zie, hoeveel stoornis mijn tegenwoordigheid veroorzaakt.

Dan wordt er gerend en geroepen, deuren en kasten worden open- en

toegeworpen, en dat alles om mij misschien een stukje taart op een

bordje te presenteeren of de thee klaar te zetten. Maak nooit zooveel

leven om niets, kindlief, in 't lichamelijke, zoomin als in 't

geestelijke.”

Daar op die Maandagen slechts oude heeren en dames kwamen, kon ik mijn

lust voldoen, om zoo voorkomend en attent te zijn, als mij maar mogelijk

was. Waren er jongere personen, vooral jonge heeren, dan bedwong Tante

mij meermalen in mijn dienstvaardigheid, als die, volgens haar,

menigmaal te ver ging. 't Was voor mij iets nieuws, dat men overdreven

dienstvaardig kon zijn; Tante wist het echter beter dan ik. Waren er

bejaarde dames, dan liet ze mij stil mijn gang gaan. Vooral voor die,

welke ik 't liefst mocht lijden, kende mijn dienstijver geen grenzen.

Haar van sjaal of mantel te ontlasten, een gemakkelijken stoel te geven,

voetbankjes of stoven aan te dragen, voor een ruggekussentje te zorgen,

voor haar de steken van haar breiwerk te tellen of ze op te rapen als ze

gevallen waren, naalden in te steken, garen of zijde te winden, fruit te

schillen, kortom, haar op alle mogelijke wijzen te bedienen, was mijn

lust en mijn leven. Mijn oog was dan gedurig in de weer, om ook slechts

den minsten wensch te raden. Haar vriendelijk bedanken was mij een

voldoende belooning.

Ten opzichte van de oude heeren was ik natuurlijk beschroomder; toch

deed ik ook voor hen mijn best, om hun gemakkelijke stoelen te geven,

alles wat op den grond viel op te rapen, fijngedrukt schrift voor te

lezen, brillenglazen af te vegen, of soms rustig en vriendelijk toe te

luisteren bij een vervelende vertelling, waarvoor men geen enkelen

oplettenden toehoorder kon vinden.

Veelal, wanneer er op deze prettige avondjes niet gespeeld werd, las de

een of andere van 't gezelschap een mooi boek voor. 't Liefst hoorde ik

Tante Betsy lezen, die niet alleen een mooie stem had, maar ook op elk

woord zoo den juisten klemtoon wist te leggen, dat ik toen eerst goed

begreep welk een schoon talent het is, als men goed kan voorlezen.

Trouwens voorlezen viel mij meermalen ten deel, en opdat ook ik mij in

die kunst zou oefenen, nam Tante dikwijls de moeite om iets met mij te

lezen. In den beginne durfde ik bij zulk een begaafde lezeres nauwelijks

mijn lippen openen; doch zij wist mij vriendelijk aan te moedigen, liet

mij dikwerf regel voor regel naspreken, denzelfden volzin drie- of

viermalen nazeggen, totdat ik den rechten toon gevat had, en dat alles

met zooveel geduld en volharding, dat ik die niet genoeg roemen kan. Zij

had dan ook de voldoening, dat ik langzamerhand eene zeer goede

voorlezeres werd.

Maar wanneer Tante voorlas mocht ik nooit met de handen over elkander

zitten. Altijd moest ik mij met een of ander vrouwelijk handwerk

bezighouden.

„Als jonge meisjes niet wat doen, weten zij geen raad met haar handen en

zitten dikwijls in de alleronbehagelijkste houding.” De mijne, al zeg ik

't zelf, liet vrijwat te wenschen over; mijn rug zocht onophoudelijk de

leuning van mijn stoel, waarschijnlijk omdat ik zoo'n lange slungel was

en mijn ruggegraat daarom een steun verlangde.

„Kijk, ik ben oud, en zit veel rechter dan jij, jonge meid,” zeide Tante

Betsy menigwerf tegen mij. En inderdaad, wat zij zeide, was waar; want

zij zat altijd zoo recht als een kaars, zonder dit te doen, alsof zij

een boonenstaak had ingeslikt.

„'t Is maar gewoonte, kind,” placht zij te zeggen als ik haar daarover

bewonderde. „Wie krom zit, groeit krom. Het boompje, dat jong goed

geleid wordt, geeft bij 't opwassen een flinken, statigen stam. Jong

geleerd, oud gedaan. Wie b. v. zooals mijn lieve Margot, reeds op

zestienjarigen leeftijd zijn voeten zoover vooruitsteekt, met de handen

zulke vechtende bewegingen maakt en overluid in zichzelf spreekt, die

zal op zijn zestigste jaar zich nog even dwaas aanstellen.”

En dan schoof Tante een voetbank onder mijn schommelende, trappelende

voeten. Had ik voor mijn tien vingers ook maar zulk een steunpunt gehad

en die eenvoudig en rustig, zooals 't behoort, in mijn schoot laten

liggen, dan zou 't zeker heel goed geweest zijn; maar dat was voor mij

een al te zware taak.

„Je moet het echter leeren, meidlief,” zei Tante. „Onder 't gesprek

behoort een jong meisje haar vingers stil te houden en niet verlegen aan

haar japon of mantel te plukken; dat staat vreeselijk onbeholpen.

Wanneer je eens wist hoe zulk een beweeglijkheid anderen hindert, dan

zou je er meer aan denken om daartegen te waken.”

„O, Tante, 't is mij zoo moeilijk aan al die dingen te denken,” klaagde

ik soms moedeloos.

„Kom, kom, dat leert men wel, en dan kan men later niet anders,”

hervatte Tante. „Ik verzeker je, dat je 't vroeger zult leeren dan je

wel denkt, kindlief. Ik zie dat je er moeite toe doet, en al knor ik ook

dikwijls, ik ben toch zeer tevreden over je. Slechts geduld, kindlief,

en alles zal wel terecht komen.”

Dit was de eerste keer, dat Tante mij te dien aanzien prees. Hoe

gelukkig maakte mij die lof, en hoe werd ik er door bemoedigd!

Tante ging nu naar haar boekenkast en kreeg „Onze Buurt” voor mij, om

daarin te lezen, terwijl zij haar middagdutje deed. Spoedig beviel mij

dit boek zóó, dat Tante mij moest roepen om thee te zetten. Ik schrikte;

want zoodanig was ik in de lectuur verdiept geweest, dat ik mijn werk

geheel vergeten had.

„Eerst de plicht en dan de uitspanning,” zeide Tante vriendelijk. En zij

had gelijk: ik had eerst voor de thee moeten zorgen en dan gaan lezen.

Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is · 第 13 / 28 题