VIERDE HOOFDSTUK.

Aan tafel.

Ik heb u reeds verteld, hoe 't mij den eersten dag aan 't ontbijt was

gegaan; natuurlijk waren er bij 't middagmaal ook verscheidene dingen,

die ik niet behoorlijk deed: want thuis was de kleine bende luidruchtige

kinderen oorzaak dat papa en mama op mij niet konden letten. 't Bewaren

van de rust toch was bij ons de eerste en eenige eisch; al 't andere

bleef genoegzaam geheel en al aan ons eigen goeddunken overgelaten.

De maaltijden bij Tante Betsy geleken in den regel vrijwel op elkander;

toch heerschte er een opgeruimde en prettige geest: want Tante kruidde

het maal met een aangenaam onderhoud, waarin haar vermaningen als groote

uitroepteekens van tijd tot tijd de redeneering afbraken.

„Gebruik toch je servet, kindlief!” was eens een der geboden uit haar

welvoeglijkheidsformulier. „Alleen daar waar geen servetten groeien,

veegt men zich den mond met de handen af.”

Ik greep terstond naar het door mij zoo veronachtzaamde voorwerp.

„O, jij kleine lekkerbek!” heette het toen weer. „Je slurpt je soep met

al de eigenschappen van een kenster, juist zooals een echte wijnproever

het druivenvocht keurt. Je wilt zeker eens proeven, hoeveel pond

rundvleesch er noodig is geweest, om zulk een krachtigen bouillon te

trekken. En wat zit je daar op je gemak. Eten bij u thuis de ellebogen

ook mee?”

„De poort is te klein voor zulk een hoog voer hooi,” werd er kort daarop

lachend aangemerkt, toen ik zooveel eten te gelijk op mijn vork had

genomen, dat ik het bijna niet in den mond kon krijgen. Toen ik nu met

dien vollen mond wilde antwoorden, wenkte Tante mij dat ik zou zwijgen.

„Men spreekt nooit, als men den mond vol heeft,” zeide zij. „Dat is zeer

onfatsoenlijk.”

Allerlei onhandigheden beging ik, waarover ik moest terechtgewezen

worden. Nu eens kwamen mijn vingers in aanraking met hetgeen op mijn

bord lag, dan gebruikte ik mijn mes in plaats van mijn vork, of legde de

beenderen van het vleesch niet op den rand van mijn bord, maar op het

tafellaken.

„Lieve Margot, denk toch dat die arme Philax nog graag een vezeltje

vleesch aan de beenderen vindt,” was het dan weer als ik de kluifjes van

hoenders of duiven bijna geheel opat en alle beenderen zoo schoon

afkloof of uitkauwde, dat er niets meer aanbleef.

„Papa zegt altijd, dat in de beenderen de meeste kracht zit, Tante,”

antwoordde ik. Toen echter op zekeren dag het vet van mijn vingers droop

onder 't afkluiven van een hoenderboutje, zeide Tante glimlachend:

„Hoor eens, kindlief. Morgen zijn we, zooals gij weet, bij de Donkers

ten eten gevraagd. Wees dan zoo wijs, geen jong hoen in de handen te

nemen. Hier bij mij kan ik het door de vingers zien. Maar het gebruik

eischt, dat men met mes en vork het vleesch van de beenderen doet; 't is

nu eenmaal zoo en niet anders.”

„Heel goed, lieve Tante,” antwoordde ik verwonderd; want tot hiertoe had

ik nog nooit gevogelte naar den mond gebracht dan met mijn vingers.

't Was voor de eerste maal, dat ik met Tante uit eten ging en mijn hart

klopte als een hamer van angst dat ik weer bok op bok zou schieten. Tot

mijn geluk kreeg ik Marie naast mij aan tafel en zoo was ik in geval van

nood gedekt. Aan mijn andere zijde zat een dikke, vriendelijke heer, die

er uitzag, als bestond zijn grootste genot in lekker eten en drinken.

Dit was inderdaad het geval; doch het welbehagen, waarmede hij slurpte

en smakte, de onsmakelijke manier, waarop hij evenveel langs zijn breede

lippen als daartusschen bracht, en eindelijk het snuffelen, dat hij

onder dien gewichtigen arbeid deed, bedierven mijn eetlust. Nu schoten

mij Tantes woorden van gisteren te binnen: dat het alleronaangenaamst

is aan tafel naast iemand te zitten die slechte gewoonten heeft. En al

mochten nu die slechte gewoonten aan een ouden heer eer te vergeven zijn

dan aan een jong meisje: ik begreep toch ten volle, hoezeer ikzelve op

goede manieren te letten had, om geen ergernis te geven.

Na de soep werd er een gerecht rondgediend, dat ik nog nooit gegeten

had: het was een zwartachtig moes en om de korreligheid hield ik het

voor vla van moerbeziën of bramen, waarvan ik een groote liefhebster

ben. Daar nu de oude heer naast mij braaf toetastte, nam ik er ook een

goede portie van op mijn bord en begon die te verorberen.

Maar hoe verschrikte ik, toen ik in plaats van de heerlijke moerbeivla

een zout, slijmerig goed op mijn tong kreeg. Ik was niet in staat er een

tweede vork van te nemen en keek verwonderd naar mijn buurman, die dat

zwarte korrelige goed op geroosterde sneedjes brood streek, er dan

citroensap op liet druppelen en al wat hij op zijn bord had genomen

spoedig naar binnen gewerkt had.

Juist wilde ik Marie vragen, wat voor goed dit eigenlijk was, toen zich

de oude heer nog kauwend en genietend tot mij wendde.

„Delicieuse kaviaar!” zeide hij. „Ook een liefhebster van dat heerlijke

Russische product, jonge dame?”

Dus was het kaviaar. De naam was mij wel bekend, maar ik had het goed

nooit gezien; daar er nooit een korreltje van naar ons dorp verdwaald

was.

„O, neen, mijnheer, ik.... ik was in gedachte, toen ik er van nam,”

stotterde ik, terwijl ik een kleur kreeg, en mijn onwetendheid dwaas

genoeg onder een leugen verborg.

„O, dat is niet mogelijk! Proef 't nog maar eens, 't is heerlijk, dat

kan ik u verzekeren, en ik.... ik heb verstand van wat goed smaakt,”

verzekerde de dikkert met nadruk, en hoezeer ik van de waarheid

zijner bewering overtuigd was, waagde ik het toch niet, om aan zijn

uitnoodiging gehoor te geven en had er vermaak in te zien, met welke

verlangende blikken mijn buurman de door mij versmade lekkernij nakeek,

waarvan de knecht mij eindelijk bevrijdde.

Eenige volgende gerechten gingen zonder verder ongeval voorbij; slechts

toen ik Marie om zout gevraagd had en zooals ik gewoon was, met de

vingers in 't zoutvaatje wilde komen, zeide zij zacht: „Met het mes,

Margot.”

Beschaamd deed ik wat zij zeide, ofschoon ik werkelijk zeer verwonderd

was: want tot nu toe had ik mij altijd van mijn vinger en duim bediend,

om zout te nemen.

Nu kwam het gevogelte op tafel, werkelijk jonge hoenders, juist zooals

Tante Betsy gedacht had. Ik herinnerde mij gelukkig de ontvangen

vermaning en beproefde het vleesch met mes en vork los te maken,

in plaats van zooals anders de teedere beentjes met mijn tanden te

bearbeiden. 't Was echter een ondankbare arbeid, het beste bleef daarbij

aan de beenderen zitten en het deed mij groot verdriet, dat ik die

heerlijke overblijfselen moest laten wegnemen. Met de confituren, die

bij 't gevogelte werden gepresenteerd, was ik ditmaal niet bedrogen: die

waren zoet en frisch, zooals ik ze gaarne lustte en niet zoo onaangenaam

zout als de kaviaar. Ik gebruikte die confituren met niet minder

welbehagen dan mijn dikke buurman zijn steurkuit en verheugde mij reeds

op 't genot van de gesmolten suiker, waarin de vruchten op mijn bord

lagen te zwemmen. Daar ik die suiker met geen vork kon machtig worden en

er geen lepel onder mijn bereik was, lichtte ik mijn bordje op en wilde

het aan mijn lippen brengen, om, zooals ik thuis altijd deed, het sap er

van af te slurpen. Reeds zweefde het bordje in de lucht en was het dicht

bij mijn mond, toen ik mij eensklaps bij den arm voelde vatten, en met

een snellen ruk stond het bord weer op zijn plaats.

„Om 's hemels wil, Margot! Ben je niet wijs?” fluisterde Marie mij toe.

„Men laat de suiker op zijn bord liggen.”

„Op zijn bord?” vroeg ik, terwijl ik Marie aankeek, die nog altijd mijn

arm vasthield, uit vrees, dat ik de comedie nog eenmaal mocht vertoonen.

„De gesmolten suiker is juist het lekkerste van de confituren; die kan

ik toch niet op mijn bord laten liggen.”

„Doe thuis, wat gij wilt;—in gezelschap gaat dat niet anders,”

fluisterde Marie snel; want juist sprak haar buurman haar aan, en kon

ze zich niet meer met mij bemoeien. Zoo zat ik daar bedroefd tegenover

mijn bord met heerlijke vruchtensuiker, die ik niet gebruiken mocht en

ergerde mij vreeselijk over de zonderlinge wetten der welvoeglijkheid,

die mij eerst geboden hadden het vleesch aan de beenderen te laten

zitten en nu het lekkerste van 't geheele diner op te offeren.

„Wat zou mama wel van deze verkwisting zeggen!” dacht ik knorrig, maar

eensklaps stond ik doodelijk verschrikt van mijn stoel op, en keek om

mij heen, wie daar zoo vlak bij mij een pistool had afgeschoten. Mijn

oude buurman lachte hartelijk over mijn schrik en weldra bemerkte ik,

dat hetgeen ik voor een pistoolschot had gehouden, het knallen van een

champagneflesch was, een geluid dat ik misschien eens in mijn leven

gehoord had. En de wijn zelf: Ik had hem lang geleden thuis eenmaal

geproefd, toen het doopmaal van een mijner zusjes gevierd werd, en nu

stond daar een hoog vol glas voor mij, waarin tallooze kleine paarlen

dansten.

De wijn smaakte mij buitengewoon goed. Dat prikkelen op de tong, dat

vuur, dat zoete zonder flauw te zijn, alles droeg bij, om mij hem lekker

te doen vinden. Mijn dikke buurman had er niet minder smaak in dan ik en

't scheen hem zooveel pleizier te doen, dat de wijn mij zoo beviel, dat

hij mij 't eene glas na 't andere inschonk. Weldra gloeiden mijn wangen

en het werd mij zoo raar voor de oogen; doch ik lette daarop niet, tot

ik eindelijk zoo wonderlijk zat te kijken, dat Marie mij angstig aanzag

en zeide:

„Ben je niet wel, Margot? Wat scheelt je?”

„Ik ben zoo wonderlijk! Alles draait mij voor de oogen,” antwoordde ik

en greep Marie's hand om mij vast te houden.

„Heb je champagne gedronken? Dat is koppig goed! Pas op!” zeide Marie.

„Ja, drie of vier glazen. Mijnheer Martini heeft mij aldoor maar

ingeschonken,” fluisterde ik en hield de oogen toe, om wat tot mijzelf

te komen; want ik wist werkelijk niet waar ik was.

„Hoe kon je dat ook doen? Je hadt al wijn gedronken,” zeide Marie en

schonk mij een groot glas water in dat ik snel leegdronk. Dat hielp

gelukkig, en nu wachtte ik mij wel, nog een enkelen druppel van dien

verraderlijken wijn te drinken, hoe mijn buurman mij ook noodigde en

toeknikte. Hij kon, zooals 't mij toescheen, geducht veel verdragen,

zonder er duizelig van te worden, zooals ik, arme nieuweling, dat

geworden was; want zijn glas was onophoudelijk vol en even spoedig weer

leeg. Ik was recht blij, toen men van tafel opstond om naar den tuin te

gaan, waar de koffie zou gepresenteerd worden. De frissche lucht bracht

mijn verward hoofd weer geheel en al in orde, en alweder rijker aan

ondervinding wandelde ik met Marie den tuin rond. Aan Tante Betsy, die

spoedig bij ons kwam, biechtte ik eerlijk al de domme streken, die ik op

dit eerste diner begaan had en die mij nooit uit het geheugen zullen

gewischt worden, al word ik ook honderd jaar oud.

Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is · 第 12 / 28 题