a. die, welke op den Oud-Frieschen patronymicalen vorm inga uitgaan.
Dit inga komt ook in versletenen vorm als enga voor, en in
Oost-Friesland, door Hoogduitschen invloed, als unga. Voorbeelden hier
van zijn de geslachtsnamen: Bottinga en Bottenga (van den mansnaam
Botte), Sibinga en Sybenga (van Sibe, vleivorm van Sibrand, Sigbrand),
Boyenga, Booyenga, Booienga, in Oost-Friesland Boyunga (van den
mansnaam Boaye, Boye, Booye). Zoo beteekent dan Bottinga, Sibinga,
Boyenga zoon of afstammeling van eenen man, van eenen stamvader, die
Botte, Sibe of Boaye heette.
b. die, welke op ia eindigen. Dit ia is een vorm die uit inga is
samengetrokken, volgens eene kenmerkende bijzonderheid van het Friesche
taaleigen. Zoo is bij voorbeeld de geslachtsnaam Sinia oorspronkelijk
voluit Sininga, en beteekent zoon of afstammeling van Sine, van den
man, den stamvader, die den naam Sine droeg. Andere zulke namen zijn
nog (Van) Bothnia, voluit Bottinga, van Botte; Unia, voluit Uninga, van
Une of Oene, enz.
c. die op eene enkele a, een Oud-Frieschen tweede-naamvalsvorm uitgaan.
Bij voorbeeld: Alberda en Albarda, dat is: Alberts, Albert’s zoon, de
zoon van den man, den stamvader, die Albert (Adelbrecht) heette. Verder
Andela, van Andele; Tsjaerda (in Nederlandsche spelling Tjaarda), zoon
van Tsjaerd (Tjaard).
d. die op het aanhangsel ma (man) eindigen, op den ouden,
oorspronkelijken vorm, of op sma, eenen daaruit ontstanen vorm, van
jongere dagteekening (samengesteld uit den tweeden naamvals-vorm s, en
uit ma). Bij voorbeeld, Minnema, Popma, Sytsema, of Sytsma, zoon,
afstammeling of hoorige van Minne, van Poppe, van Sytse. En Tjeerdsma,
Meindersma, Wigersma, van Tsjeard (in Nederlandsche spelling Tjeerd),
Meinder en Wiger (Thiedhart, Meginher en Wigher).
e. die op na en sna uitgaan (in de zelfde verhouding tot elkanderen
staande als ma en sma, onder letter d hierboven vermeld). Dit zijn
eigenlijk Oost-Friesche vormen, die echter ook wel eene enkele maal in
ons Friesland voorkomen. Bij voorbeeld: Frankena en Jorna, zoon van
Frank en zoon van Jorre. Intusschen, men kan met evenveel recht
aannemen, dat deze twee geslachtsnamen tot de onder letter c hier voren
vermelde groep (op enkele a eindigende) behooren, en dus moeten ontleed
worden als Franken-a en Jorn-a; dat is dan: zoon van Franken of
Frankwin, en zoon van Jorn, dat is Everwin.
f. die op den nieuweren, algemeen geijkt Nederlandschen
tweeden-naamvalsvorm op s uitgaan, of op den verouderden, nog slechts
hier en daar (ook in Holland) in den volksmond levenden
tweeden-naamvalsvorm op en, n. Bij voorbeeld Ypes, Goslings, Jelles,
Heeres, Romkes, en Poppen, Yben, Kampen, namen die voor iedereen die de
Friesche mansvóórnamen Ipe of Ype, Goasling of Gosling, enz. kent,
duidelijk en verstaanbaar zijn.
De tweede hoofd-afdeeling van oorbeeldige Friesche geslachtsnamen is
niet uit mansvóórnamen, maar uit plaatsnamen gevormd, en komt overeen
met de geslachtsnamen, samengesteld uit het voorzetsel van en eenen
plaatsnaam (van Velsen, van Assen), die in de andere Nederlandsche
gewesten zoo menigvuldig voorkomen. Deze afdeeling vervalt nader in
twee groepen:
a. Geslachtsnamen die slechts eene enkele a achter den plaatsnaam
hebben; bij voorbeeld: Ferwerda, Holwerda, Rauwerda, Salverda, afgeleid
van de plaatsnamen Ferwerd, Holwerd, Rauwerd, Friesche dorpen, en van
den plaatsnaam Salwerd, eigen aan een gehucht bij Franeker.
b. Namen, die op stra eindigen: Lemstra, Dragstra (eigenlijk voluit
Drachtstra), Joustra, Balkstra, Troelstra, van de plaatsnamen de
Lemmer, Drachten, de Joure, Balk en Ter-Oele, aan Friesche vlekken en
dorpen eigen. Hier bij komen nog de talrijke geslachtsnamen, die
bestaan uit het achtervoegsel stra en een woord van
algemeen-aardrijkskundigen aard, dat als ’t ware staat in de plaats van
eenen echten plaatsnaam. B.v. dyk, syl, terp, die aan de geslachtsnamen
Dijkstra (eigenlijk Dykstra), Zijlstra (eigenlijk Sylstra) en Terpstra
ten grondslag liggen.
De Friesche taalgeleerde, Prof. Everwyn Wassenbergh, die in het begin
dezer eeuw Hoogleeraar was aan de Hoogeschool te Franeker, zegt in
zijne „Verhandeling over de Eigennamen der Friezen” (voorkomende in
zijne „Taalkundige Bijdragen”, Leeuwarden, 1802), waar hij spreekt van
de Friesche geslachtsnamen, zooals die in het laatst der achttiende
eeuw veelvuldig bij de eenvoudige burgerlieden, bij de neringdoenden en
de handwerkslieden, en ook wel bij de boeren (voor zoo verre ze geen
eigenerfden waren), in Friesland in zwang kwamen, het volgende:
„Een bakker noemde zich Baksma; een slager Bijlsma of Schraagsma; een
timmerman Latsma of Schaafsma; een mandemaker Tiensma; een bleeker
Osinga. Hiertoe behooren nog Smedema, Hoornsma, Ratsma, Hammersma,
Draadsma, Ramkama, Pompsma, Pekelsma”.
Deze woorden bevatten waarheid. Maar volledig waar, in alle opzichten
waar—dat zijn ze niet. Zoo men deze uitspraak niet cum grano salis
opvat, zoo men haar niet met onderscheiding en met goed verstand
aanneemt, maar integendeel haar houdt voor slechtweg waar, voor ten
volsten waar in alle opzichten, dan komt men, in zake de verklaring van
vele Friesche geslachtsnamen, op een dwaalspoor.
In der daad hebben sommige Friezen in de vorige eeuw zich van
geslachtsnamen voorzien, op zulk eene onredelijke, willekeurige en
zonderlinge wijze, als Professor Wassenbergh mededeelt in zijne
bovenaangehaalde woorden. En nu, honderd en meer jaren nadat die
eigenaardige soort van geslachtsnamen zijn opgekomen, meenen sommige
Friezen, dat juist die wijze om geslachtsnamen te vormen, de
regelmatige manier was, de wijze die schier uitsluitend, althans zeer
menigvuldig, gevolgd werd. Zij meenen dat het werkelijk een timmerman
moet geweest zijn, die zich het eerst Latsma, Hammersma of Borenga
noemde; werkelijk een bleeker die den naam Osinga eerst aannam; of een
slachter die zich zelven den naam Lamkema of Ramkema toelegde. Dit nu
is niet waar. Het moge misschien waar zijn van sommigen der
geslachtsnamen, door Professor Wassenbergh opgenoemd; bij voorbeeld van
Schraagsma, Schaafsma, Draadsma, Pompsma, Pekelsma. Maar van al die
opgenoemde namen geldt dit niet.
Men versta mij wel. Ik wil niet ontkennen dat er een timmerman geweest
kan zijn, die zich zelven eerst den naam Latsma of Borenga of Hammersma
toeëigende, of een bleeker die zich Osinga, een bakker die zich Bollema
noemde. Maar zelf bedacht, zelf gevormd heeft die timmerman, die
bleeker, die bakker die namen niet. Die namen bestonden reeds, waren
reeds eeuwen lang door Friesche maagschappen gedragen geworden; door
maagschappen, die volstrekt niet eenen timmerman, noch eenen slachter
of bakker tot stamvader hadden. Die namen waren, althans ten deele,
toenmaals nog het eigendom van oude, veelal adellijke of eigenerfde,
nog bestaande geslachten. Of anders, zoo die namen werkelijk reeds
uitgestorven waren met de geslachten, waaraan ze van ouds her hadden
toebehoord, dan bestonden nog wel de staten en de saten van die
geslachten, die hunne oorspronkelijke, aloude woonsteden, hunne
stamzetels waren geweest (bij voorbeeld Osinga-state, Latsma-sate); en
zoo waren die geslachtsnamen den volke nog bekend en mondsgemeen.
Nemen wij als voorbeeld den naam Osinga (met zijne bijvormen, slechts
in spelwijze daarvan verschillende, Osenga, Ozinga, Ozenga, oudtijds
ook Oesinga en Oesingha geschreven)—een zeer oude naam, eigen aan eene
wijd vertakte maagschap van eigenerfde Friezen, die ook nog heden
bestaat, en door menige loot uit den ouden stam gedragen wordt. Ook
Osinga-staten zijn er in aanmerkelijken getale over het geheele
Friesche land verspreid: te Kimswerd, te Hallum, te Langweer, op
Sottrum onder Schettens, te Grouw, te Dronrijp. Buitendien is er nog
een Osinga-hûs onder Oosterend, terwijl een gehucht onder Heeg den naam
van Osinga-huzen draagt. De naam Osinga is een zoogenoemd patronymicum
of vadersnaam; dat is: hij is, door achtervoeging van den uitgang inga
(die kindschap of afkomst van zekeren stamvader aanduidt), afgeleid
van, ontleend aan eenen mansnaam; in dit geval aan den Oud-Frieschen
mansnaam Ose of Osi (Osinga van Ose, gelijk Wybinga van Wibe, Eisinga
van Eise, Idsinga van Ids, Scheltinga van Schelte). Of anders (deze
zaak is niet volkomen zeker), is Osinga een versletene, verbasterde
vorm van den oorspronkelijken, volledigen vorm Oedsinga, afgeleid van
den mansnaam Oeds. In oude geschriften toch vindt men den naam van het
gehucht Osinga-huzen, boven vermeld, geschreven als Oessingahuyssen en
Oedsyngahuysen. Ook de oude schrijfwijzen Oesinga en Oesingha, in
plaats van Osinga, wettigen dit vermoeden. Maar hoe dit ook zij, de een
of andere bleeker, in het laatst der vorige eeuw levende, en eenvoudig
Wibren Sjoerds heetende, (naar zijnen vader Sjoerd Wibrens), maar eenen
geslachtsnaam begeerende te bezitten, dacht aan een deel van zijn
dagelijksch werk, te weten aan het ozen, dat is: het water uit de
slooten rondom zijn bleekveld, niet lange en langgesteelde oosfetten
(hoosvaten) over het te bleeken liggende lijnwaad spreiden en sproeien.
Hij dacht, in zijn onverstand, en zoo op den klank af oordeelende, dat
dit woord ozen deel uitmaakte van den ouden, hem welbekenden
geslachtsnaam Osinga, en vond nu niets gereeder, niets geschikter, dan
zich eenvoudig Osinga te noemen, dan dien reeds sedert eeuwen
bestaanden geslachtsnaam zich maar toe te eigenen. Maar zelf dien naam
bedacht en uitgevonden, dat had hij niet. Evenmin als bij voorbeeld de
boer, die zich Boschma noemde, omdat hij op de Boschplaats (bij
voorbeeld op de Boskpleats (Minia-Roorda-sate) te Grouw, of op de
Boskpleats (Thetinga-sate) te Wieuwert) woonde; of die anderen die zich
Tillema, Bruggema, Pollema, Statema, Zijlma noemden, omdat ze bij eene
tille of eene brug, op eene pôlle (klein eilandje of klein heuveltje),
op eene state of bij eene syl of sluis woonden. Immers ook die namen,
en honderd andere dergelijken, bestonden reeds eeuwen vóór dien tijd,
dat de eene of andere in de vorige of in ’t begin dezer eeuw ze zich
wederrechtelijk toeëigende. Het zijn patronymicale, van mansnamen
afgeleide maagschapsnamen; zoo goed, en zoo zeker, als Osinga,
Hammersma, Latsma dat zijn.
De geslachtsnamen, die, evenals Osinga, schijnbaar aan het eene of
andere bedrijf, aan het eene of andere werktuig, aan de eene of andere
werkzaamheid, daartoe behoorende, herinneren, komen zeer menigvuldig,
bij honderden in getale, onder de Friezen voor. Inderdaad, de
handwerkslieden en de neringdoenden onder hen, en ook de boeren,
schippers, enz., die in de vorige, en in het begin van deze eeuw zich
eenen geslachtsnaam, toepasselijk op hun bedrijf, wilden toeëigenen,
hadden die namen maar voor het uitzoeken, maar voor het grijpen. En
velen onder hen misbruikten dan ook op die wijze sommige oude, reeds
eeuwen bestaande, van mansnamen afgeleide, zoogenoemde patronymicale
geslachtsnamen. Zoo kon een visscher zich Aalsma noemen of Vissia; een
brouwer Bierma, een bakker Bollema of Boltjes, een scheepstimmerman
Bootsma of Scheepma, een boekhandelaar Boekema, een landbouwer Boerma
of Boersma, een kleermaker Broeksma of Buisma, een houtkoopman Houtsma
of Balkema, een stalhouder of rijtuigverhuurder Stallinga, een
varkensslachter Bargsma, een verwer Ferwerda, een wolkammer Cammenga
(oorspronkelijk Cammingha), die aan eene brug of aan eenen dijk woonde
Bruggema of Brugsma, Dijkema of Dijksma noemen. Inderdaad, het kost
weinig moeite zulk soort van namen nog bij honderdtallen hier aan te
voeren, ter uitbreiding van het lijstje, dat Professor Wassenbergh
heeft gegeven, en dat aan het hoofd van dit opstel is medegedeeld. Ook
kost het weinig moeite om aan te toonen, om te bewijzen, dat alle deze
namen oorspronkelijk niets met den visscher noch met den bloemkweeker,
met den bakker noch met den brouwer, met den kleêrmaker noch met den
boekhandelaar te maken hebben, noch ook met den man die op eene state
of op eene pôlle of op eene boskpleats, aan eene tille of eene brug, of
bij eene syl of eenen dyk woonde, iets hebben uit te staan.
Natuurlijk gaat het niet aan, zoude het veel te veel van de beperkte
ruimte in dit boek innemen, wilde ik den waren oorsprong van al deze
geslachtsnamen hier nader ontvouwen en aantoonen. De opmerkzame vindt
dien oorsprong, vindt dien oorspronkelijken samenhang dezer
geslachtsnamen met oude Friesche mansvóórnamen, vindt menigmaal ook het
bewijs hunner aloudheid in mijne Friesche Naamlijst (Leeuwarden, Meyer
en Schaafsma, 1898). Toch wil ik mij zelven het genoegen gunnen (en,
zoo ik hoop, daar mede den lezer niet ongevallig zijn), een paar dezer
namen te ontleden. Nemen wij Latsma en Hammersma; die door Professor
Wassenbergh als timmermansnamen worden voorgesteld.
Latsma,—wel verre van in de vorige eeuw door eenen timmerman eerst te
zijn bedacht (al blijft het mogelijk dat een timmerman dien naam zich
toenmaals opzettelijk, maar wederrechtelijk heeft toegeëigend)—Latsma
is een zeer oude, reeds eeuwen en eeuwen bestaande geslachtsnaam, die
samengesteld is uit den mansnaam Latse, en het bekende, veelvuldig in
Friesche geslachtsnamen voorkomende achtervoegsel ma (even als Wytsma
en Sytsma, Rinsma en Binsma van Wytse en Sytse, van Rinse en Binse
ontleend zijn). Latse is een zoogenoemde verkleinvorm, even als Wytse
en Sytse, Rinse en Binse dit ook zijn. Neemt men het verkleinende
achtervoegsel se achter Latse weg, dan blijft er de oorspronkelijke
vorm Latte over, even als Site en Wite, Rinne en Binne overblijven van
Sytse en Wytse, Rinse en Binse. Site en Wite, Rinne en Binne komen nog
wel als mansnamen onder de Friezen voor; zij het dan ook zeldzaam,
vooral de drie eerstgenoemden. Maar Latte is mij nooit te voren
gekomen, als mansnaam, ’t zij dan nieuw noch oud, en zoo min geschreven
als gesproken. Toch is zonder twijfel Latte in ouden tijd een mansnaam
bij de Friezen geweest, even als Wite en Site, Rinne en Binne (nevens
Wytse en Sytse, Rinse en Binse) dit nu nog heden zijn. Dat de naam
Latte bestaan heeft, wordt onomstootelijk bewezen door den verkleinvorm
Latse, en tevens door den nog heden onder de nakomelingen der oude
Friezen beoosten Lauwere, onder de hedendaagsche Groningerlanders
levenden geslachtsnaam Latma. (Latma van Latte, even als Bouma van
Bouwe, Alma van Alle, Popma van Poppe ontleend is.) De verkleinvorm
Latse zelve schijnt ook onder de hedendaagsche Friezen buiten gebruik
geraakt te zijn. In deze eeuw althans is mij deze mansnaam nooit te
voren gekomen. Maar oude geschriften uit vorige eeuwen vermelden hem
niet zeldzaam, ook in verouderde spelling, als Lattzie, Lattie, Lattia.
De geslachtsnaam Latsma bestaat nog heden; in oude oorkonden is hij mij
voorgekomen als Latzema en Lattziema. Buitendien bestaat nog te
Siksbierum de eeuwenoude, aanzienlijke Latsma-sate, de stamsate van het
geslacht der eigenerfde Friezen die dezen naam droegen, in herinnering
aan hunnen stamvader Latse. En deze sate strekt tot een onomstootbaar
bewijs, dat het geenszins een achttiende-eeuwsche timmerman was die
zich eerst Latsma noemde; al blijft het mogelijk dat zulk een man dien
alouden geslachtsnaam aannam, in geestelooze toespeling op de latten,
die hij bij zijn dagelijksch bedrijf gebruikte.
De hamer, een werktuig dat hedendaags slechts voor vreedzame doeleinden
in gebruik is, was oudtijds ook al een wapen, een oorlogstuig.
Inderdaad, een zware hamer, door eene krachtvolle vuist omklemd, door
eenen gespierden arm gezwaaid, was geen te verachten wapen, en heeft
zeker menigen vijand den schedel verpletterd. Men denke ook aan den
hamer, het wapen van den Oud-Germaanschen Thor. Evenals de benaming van
ander wapentuig, van den helm, den speer (ger of geer), het schild, het
harnas (bron), zoo was ook het woord hamer, op zich zelven of in
samenstellingen, bij de oude Germanen tot eenen naam geworden, dien men
jonggeborenen knaapkens gaf. Förstemann, in zijn „Altdeutsches
Namenbuch”, geeft eenige voorbeelden van zulke mansnamen op: Hamarard,
Hamerrich, Hamarolf. Ook de oude Friezen, als echte Germanen, volgden
deze zede. Mij is deze naam, in drie vormen, Hamar, Hamer, Hammer,
voorgekomen in oude geschriften, als eigen aan Friesche mannen.
Waarschijnlijk is de hedendaags onder de Friezen nog gebruikelijke
mansnaam Hamke, Hamko, Hamco (met de daarvan afgeleide geslachtsnamen
Hamkema en Hamkes en het verlatijnschte Hamconius, met den
Groningerlandschen geslachtsnaam Hammeka, en den Helgolandschen
geslachtsnaam Hammekens) van dien ouden hamernaam nog wel een vlei- en
verkleinvorm. Dat Hammer of Hamer onder de oude Friezen als
mansvóórnaam in gebruik geweest is, bewijzen voorts nog de van hooge
oudheid getuigende geslachtsnamen Hameringa en Hamringa (samengetrokken
vorm van Hammeringa), in Oost-Friesland nog meer verbasterd tot
Hammerga. Verder de geslachtsnamen Hammersma en Hamersma, met Hammers
en Hamers, die van jongere dagteekening zijn. Ook de Hammerstille, nog
in de vorige eeuw eene brug onder Westergeest, bewijst het voorkomen
van Hammer als mansnaam onder de Friezen; evenals de plaatsnamen
Hammerum (oorspronkelijk Hammer-hem, de omvredigde woonplaats van
Hammer), dorp in Jutland; Hamarithi (thans Hemert), dorp in Gelderland;
Hamareshusun (Hamershusen, thans Hummersen), dorp in Lippe,
Duitschland, dit bewijs leveren bij andere, den Friezen verwante
volken, bij Jutten, Batavers en Sassen.
De geslachtsnamen Hammersma en Hamersma zijn dus reeds eeuwen en eeuwen
oud, en daar behoefde waarlijk geen achttiende-eeuwsche timmerman te
komen, om die namen te bedenken. Maar dat zulk een man, in gezochte
toespeling op een werktuig dat hij dagelijks gebruikte (evenals de
timmerman Schaafsma, die zich naar zijne schaaf zoo noemde), dien ouden
naam zich wederrechtelijk heeft toegeëigend—dit blijft mogelijk, en dit
willen wij, op de bewering van Professor Wassenbergh, gaarne als zeker
aannemen.
Volgens het bovenstaande zijn dus in de achttiende eeuw, en in het
begin van dit nog loopende negentiende jaarhonderd, in Friesland vele
oude, sedert eeuwen reeds bestaande geslachtsnamen aangenomen door
lieden, die daarop geen recht hadden, maar die dit deden wijl ze
meenden, dat in die namen de eene of andere toespeling op hun bedrijf
besloten lag. Het omgekeerde kwam ook voor; namelijk, dat iemand zijnen
ouden, van zijne voorouders overgeërfden geslachtsnaam verwaarloosde en
in onbruik liet geraken, juist omdat hij, ten onrechte alweêr, meende,
dat die naam eene toespeling op de eene of andere levensbijzonderheid,
hem zelven betreffende, inhield. Misverstand en onverstand, waardoor
men de ware beteekenis dier namen niet verstond, hunnen ouden oorsprong
niet kende, speelde een rol, zoowel bij den eenen als bij den anderen.
Het volgende geval is hiervan een voorbeeld, en toont aan hoe
willekeurig men oudtijds wel met de geslachtsnamen handelde.
Een burgerman te Leeuwarden, in de laatste helft der vorige eeuw,
droeg, evenals zijne voorvaderen vóór hem, den geslachtsnaam Bootjema
(in de zestiende en vijftiende eeuw ook Botiema geschreven). Deze naam
is een oorbeeldig Friesche geslachtsnaam, ontleend aan den mansnaam
Bootsje (Bootje), en „zoon van Bootsje” beteekenende. Bootsje is een
verkleinvorm van Bote, een naam die nog heden onder de Friezen in volle
gebruik is. Bootjema, van Bootsje, verkleinvorm van Bote, evenals
Bontjema van Bontsje, verkleinvorm van Bonne, en Boukema van Bouke,
verkleinvorm van Bouwe.
Onze man nu (wij willen hem voor ’t gemak Pieter Ypes noemen), was een
groot liefhebber van spelevaren en zeilen, evenals zijn vader en zijn
grootvader vóór hem geweest waren, evenals zoovele Leeuwarders vóór
hem, in zijnen tijd, en nu nog heden ten dage. Hij hield er dan ook een
vaartuigje, eene boot op na, om aan die liefhebberij te voldoen. Hij
bracht schier al zijnen vrijen tijd, ter uitspanning, in zijn
vaartuigje door. Dan zeiden zijne buren en stadgenooten dikwijls in
scherts: „Bootsjema sit wer yn syn bootsje”. Dat verveelde den man.
Immers ook hij zelf wist in zijnen naam anders niets te vinden, dan
eene toespeling op zijne liefhebberij, en die van zijnen vader en
grootvader; hij dacht werkelijk dat zijne voorvaders dien naam Bootjema
hadden gekregen wegens hunne liefhebberij in ’t bootjevaren. Dies
verwaarloosde hij opzettelijk zijnen alouden geslachtsnaam, en wilde
niet anders dan Pieter Ypes genoemd worden, als zoon van Ype Pieters.
Ten jare 1811, toen al de geslachtsnamen werden vastgesteld, liet hij
(of zijn zoon of zijn kleinzoon—ik weet het niet nauwkeurig—maar dat
doet er ook niet toe)—liet hij zich dan ook niet als Bootjema in de
Registers van den Burgerlijken Stand inschrijven, maar als Ypes. En de
nakomelingen van dezen man heeten nog heden aldus, terwijl de naam
Bootjema uitgestorven is.
Terwijl dus de een en de ander in die dagen eenen ouden, reeds eeuwen
bestaanden geslachtsnaam (Osinga, Latsma, enz.) zich wederrechtelijk
toeëigende, liet weêr een ander zijnen ouden, hem van rechtswegen
toekomenden naam varen; beiden uit onverstand, wijl ze de ware
beteekenis van die namen niet kenden, of die verkeerd opvatteden.
Al heb ik hier van sommige Friesche geslachtsnamen aangetoond, dat zij
werkelijk reeds van overoude tijden dagteekenen, en aan overoude
Friesche mansnamen ontleend zijn, al schijnt het dan ook dat zij
toespelingen bevatten op allerlei nering en bedrijf, op allerlei
levensomstandigheden der menschen—ik moet, ten slotte, nog betuigen,
dat dit alles geenszins op alle soortgelijke geslachtsnamen
toepasselijk is. Om bij de weinige namen door Professor Wassenbergh
opgesomd, en op bladzijde 237 hiervoren vermeld, te blijven, erken ik
gaarne dat Schraagsma en Schaafsma, Draadsma, Pompsma en Pekelsma
werkelijk namen zijn, eenvoudig bedacht door eenen slachter, eenen
timmerman, eenen wever, eenen pompmaker en eenen inzouter (van
pekelvleesch bij voorbeeld, voor scheepsgebruik), in toespeling op het
bedrijf dezer lieden; en dat deze namen geenszins met Oud-Friesche
mansvóórnamen samenhangen, noch ook daarvan zijn afgeleid.
Deze vijf namen kunnen nog met een zeer groot aantal anderen,
soortgelijken, aangevuld worden, allen nog heden ten dage bij de
Friezen voorkomende. Zie hier eenigen daarvan: Zaagsma, voor eenen
timmerman; Breeuwsma voor eenen schuitmaker; Draaisma voor eenen
pottebakker (naar het pottebakkerswiel, dat de man dagelijks draait);
Koestra of Schaapstra voor eenen veehouder; Grasma voor eenen
greidboer; Ploegsma voor eenen bouwboer; Graansma, Koornstra, Zaadsma
voor eenen graankoopman; Praamsma voor eenen schipper; Schrijfsma voor
eenen klerk; Slotsma voor eenen slotemaker; Pruiksma voor eenen
pruikmaker; Pruimsma voor eenen vruchtenventer; Terpsma voor den man
wiens huis op of nabij eene terp staat; en vele tientallen dergelijken
meer. Immers toen de lieden, die eenen geslachtsnaam wilden of moesten
aannemen, eenmaal op dit dwaalspoor gekomen waren, was er schier geen
einde aan het bedenken van dit soort fantasie-namen.
En dat inderdaad de grootvaders en overgrootvaders, in het begin dezer
eeuw, zich zulke eigen-bedachte namen, die nooit te voren gehoord, noch
in gebruik geweest waren, hebben toegeëigend, in toespeling op hun
bedrijf of op hunne levensomstandigheden, dat weten nog enkele
nakomelingen van die mannen, heden ten dage, met zekerheid; ’t zij dan
bij mondelinge overlevering, ’t zij uit aanteekening in de
geslachtsregisters op de schutbladen van huisbijbels en kerkboeken. En
te meer nog komen deze bijzonderheden in het licht, als de kleinzonen
nog heden het zelfde bedrijf uitoefenen, als hunne groot- en
overgrootvaders vóór hen gedaan hebben, en dus nog heden die
toepasselijke namen dragen—gelijk wel voorkomt. Zoo is mij een
houthandelaar bekend, die Houtsma heet, evenals zijn grootvader die ook
houthandelaar was, en die zich dien naam toeëigende, ofschoon de toen
reeds oude geslachtsnaam Houtsma van den verouderden mansnaam Houtse,
verkleinvorm van Houte, Hout (Holt) is afgeleid. Zoo weet ik van eenen
boer wiens huis bij eene wier staat, en die Wiersma heet, even als zijn
grootvader, die reeds in dat zelfde huis woonde, en die dien naam had
aangenomen, in toespeling op die omstandigheid (even als zijne
standgenooten Boschma, Statema, Pollema, Zijlsma, enz.); ofschoon
Wiersma (even als Wieringa, Wierema, Wierma) reeds een zeer oude, lang
bestaande geslachtsnaam was, ontleend aan den verouderden, maar
aantoonbaren mansnaam Wier. Verder is mij nog een blauwverwer bekend
geweest, die Blauwstra heette, ofschoon die naam oorspronkelijk
afgeleid is van de sate Blauw onder Sint-Nicolaasga; een wolkammer, die
Cammenga heette, even als zijn grootvader die ook wolkammer geweest
was, en die dezen naam in het laatst der vorige eeuw aannam, ofschoon
Cammmingha juist de oudst bekende Friesche geslachtsnaam is, voor
duizend jaren reeds aan eene adellijke maagschap eigen. Dan nog een
verwer Ferwerda, wiens naam met verwen niets te maken heeft, maar voor
eeuwen en eeuwen reeds is afgeleid van den dorpsnaam Ferwerd, even als
Holwerda van Holwerd, Jorwerda van Jorwerd, Rauwerda van Rauwerd, enz.
De zakelijke inhoud nu van het bovenstaande betoog, in het kort
samengevat, is:
De geslachtsnamen, in de vorige en in het begin dezer eeuw, door
sommige burgers en boeren in Friesland aangenomen, in toespeling op hun
bedrijf of hunne levensomstandigheden, zijn grootendeels Oud-Friesche,
reeds eeuwen lang bestaande, patronymicale (dat is: van vaders-, van
mansnamen afgeleide) geslachtsnamen, die toenmaals ten deele reeds
uitgestorven (ofschoon den volke nog bekend), ten deele ook nog in
leven waren. Een kleiner gedeelte van die eigenmachtig aangenomene
namen is willekeurig bedacht en gevormd, in toespeling op het bedrijf
of de levensomstandigheden dier lieden. In mijne Friesche Naamlijst kan
men nazien welke van deze namen tot de eerste, welke tot de tweede
groep behooren, wijl hun samenhang met Oud-Friesche mansvóórnamen daar
is aangetoond; of anderszins deze geslachtsnamen daar op zich zelven
vermeld staan.
De volgende verhandeling over de vleinamen der Friezen is eene
uitbreiding van ’t gene reeds voorloopig, op bladzijde 211 hiervoren,
van die zaak is vermeld geworden.
Het woord vleinaam (of vleivorm van eenen naam) is door mij bedacht
geworden, en eerst in gebruik genomen, in navolging van het
Hoogduitsche woord Kosename (Koseform eines Namens), waarmede de
Duitschers hetzelfde begrip aanduiden. Ook Kosename is een kunstmatig
gevormd woord, door eenen geleerde bedacht, en niet door de
spraakmakende gemeente; het is niet in den levenden volksmond ontstaan.
Waar Duitschers en Nederlanders dus tot eenen kunstmatigen vorm hunne
toevlucht nemen moeten, om zeker begrip aan te duiden, daar kan de
nooit volprezene Friesche taal, die zoo overrijk is in kernachtige, de
zaken duidelijk en op volksaardige wijze omschrijvende woorden, maar
vrijelijk putten uit haren woordenschat. De Friezen toch gebruiken, om
hetzelfde begrip aan te duiden, dat Duitschers en Nederlanders met
Kosename en vleinaam weêrgeven, het woord poppenamme; afgeleid van
poppe, schootkindje. Dit woord poppenamme is zooveel te kernachtiger,
duidelijker en beter, drukt zooveel te juister uit wat men ermede wil
te kennen geven, als poppe juist niet een schootkindje in het algemeen
en in alle voorkomende gevallen beteekent, maar bepaaldelijk het woord
is waarmede teedere moeders, in moederlijke troetelliefde, hare kleine
kinderen liefkoozenderwijze noemen.
Een vleinaam dan is die vorm van den eenen of anderen vóórnaam, zooals
die door kinderen, welke nog niet goed spreken kunnen, worden
verbasterd, en zooals die dan door moeders, welke hare schootkinders
liefkoozen en vertroetelen, in ’t gebruik worden overgenomen en
behouden. Menig klein meiske van tweejarigen leeftijd kan haren naam
Aeltsje (in Nederlandsche spelling Aaltje) nog niet duidelijk
uitspreken, maar noemt zich-zelve Aeye (in Nederlandsche spelling
Aaye). De moeder, in deze kinderlijke uitspraak behagen vindende, noemt
haar kind, door moederlijke teederheid gedreven, ook Aeye (Aaye). De
vader volgt haar hierin wel na, en de oudere kinderen, met de overige
huisgenooten en de nabestaanden, eveneens. Weldra wordt het kind, ook
al wordt het grooter en grooter, en al kan het al lang ten
duidelijksten Aeltsje (Aaltje) zeggen, in den huiselijken kring, en ook
daar buiten, nooit anders genoemd dan Aeye (Aaye). En als het kind
volwassen geworden is, ook dan nog blijft (in menig geval—niet als
vaste regel, altijd en overal) die vleivorm van haren eigenlijken naam
haar eigen en bij, en uitsluitend in gebruik; en op ’t laatst weet
schier niemand anders, of de maagd, de vrouw, heet werkelijk Aeye
(Aaye), haar heele leven lang.
In oude tijden, toen vele menschen weinig of nooit lazen en schreven,
en velen dit zelfs niet konden doen, hadden de vleivormen nog veel meer
geldigheid dan heden ten dage. Toen gebeurde het wel dat de eene of
andere Aaye, grootmoeder geworden, haren naam in dezen vleivorm (en
niet in zijne oorspronkelijke gedaante, als Aaltje—voluit, van ouds,
Adela) aan haar kleindochterke overerfde, dat de ouders van dat
kleinkind werkelijk de jonggeborene als Aaye, en niet als Aaltje,
lieten doopen, en in het doopboek (in lateren tijd ook in de registers
van den burgerlijken stand) lieten inschrijven. Zoo is het gekomen dat
heden ten dage de eene Aaye als Aaltje te boek staat (dit is de regel),
en dat de andere Aaye werkelijk onder dezen naamsvorm in het doopboek
der Kerk, in de registers van den burgerlijken stand ten gemeentehuize
van hare geboorteplaats, staat ingeschreven.
Zoo als dit hier nu met den vrouwennaam Aaltje, en zijnen vleivorm Aaye
is aangeduid, zoo is het ook gegaan met zoo menigen anderen Frieschen
vóórnaam. Zie hier een lijstje van eenige Friesche vóórnamen, met hunne
vleivormen. Daar zijn er wel meer. Maar velen van die namen hebben meer
het karakter van verkortingen, en van samengetrokkene naamsvormen; ware
vleivormen zijn dat niet. Het onderscheid tusschen deze soorten van
naamsverbasteringen is niet altijd, of in alle gevallen, even
gemakkelijk aan te toonen. Dies heb ik hier slechts enkele, slechts de
meest bekende vleivormen willen opsommen.
Mansnamen.
Eelke. Verkleinvorm van Ele, dat een vervloeide vorm is van Edel,
bijvorm van Adel, in ouder vorm Athal, een samenstellend deel van
volledige namen Athalbercht (Adelbrecht, Albert), Athalbrand, Athalger
(Alger). In vleivorm Eke. Zie bladzijde 218.
Gerrit (Gerhard), in vleivorm Kei.
Dirk, Durk (Diederik, Thiadrik), in vleivorm Duye, Dye, Dukke.
Jelle, in vleivorm Jeye.
Reitse, in vleivorm Reye.
Sibren, in vleivorm Pibe.
Folkert, in vleivorm Tolle.
Willem, in vleivorm Wim of Pim.
Dit zijn alle acht bijzonder Friesche, maar in hunnen oorsprong goed
algemeen Germaansche namen. Onder de mansnamen van vreemden oorsprong,
maar die onder de Friezen burgerrecht verkregen hebben, zijn er ook
enkelen met vleivormen. Te weten:
Johannes, in vleivorm Jan, Hanne en Kanne, weer verkleind tot Jancko
(verouderd) en Hanke.
Frans, in vleivorm Panne.
Cornelis, in vleivorm Kees.
Klaas (samengetrokken en ingekorte vorm van Nicolaas), in vleivorm
Kaeye (Kaaye).
Jurjen (oorspronkelijk Georgius), in vleivorm Jui.
Uit den aard der zaak zijn de vrouwennamen, die in vleivorm voorkomen,
grooter in aantal dan de mansnamen.