„Gaudete, charissimi Frisonides, quia Nomina vestra in
hoc libro reducta sunt ad originalem typum. Imo potius
gaudete, si Nomina vestra scripta sunt in coelis.”
Regnerus Boegherman, De Nominibus Frisonum.
Het Friesche volk heeft zich, van ouds her en tot op den dag van heden,
door vele eigenaardigheden in taal, zeden, kleeding, enz., steeds
bijzonder onderscheiden van andere, naburige en stamverwante
Germaansche volken. De bijzondere namen der Friezen, zoowel hunne
vóórnamen als hunne geslachts- en plaatsnamen, die grootendeels van de
vóórnamen zijn afgeleid, nemen onder die eigenaardigheden almede eene
eerste plaats in.
Veel van ’t gene in den tegenwoordigen tijd voor bijzonder en
eigenaardig Friesch geldt, is dit van ouds niet steeds geweest. In
tegendeel, veel van die zaken was oudtijds zoowel Sassisch en Frankisch
als Friesch, was algemeen Germaansch eigendom. Voor tien en vijftien
eeuwen, bij voorbeeld, was er tusschen de taal der Friezen en die der
Sassen bij lange na niet dat groote onderscheid ’t welk thans bestaat
tusschen het hedendaagsche Friesch en de Sassische gouwspraken van
Twente en den Gelderschen Achterhoek, van Westfalen en andere gouwen in
noordwestelijk Duitschland. Ook het Angelsassisch, de moedertaal van
het hedendaagsche Engelsch, stond in die eeuwen, in hoofdzaak, vrij
nabij het toenmalige Friesch.
Iets soortgelijks valt ook bij de kleeding op te merken. Immers de
vrouwen der Angelsassen en van andere Neder-Germaansche volken en
stammen droegen algemeen het oorijzer (natuurlijk in andere, min of
meer gewijzigde, en altijd zeer smalle vormen), gelijk de Friezinnen en
alle vrouwen die in de Nederlanden van Frieschen stam zijn, nog heden
doen. [31] Ook vele zeden en gebruiken, die thans als bijzonder Friesch
gelden, waren oudtijds allen Neder-Germaanschen volken gemeen. Maar bij
de Friezen bleven al zulke oude zaken in stand, terwijl ze bij de
verwante volken en stammen, gedeeltelijk reeds sedert de invoering van
het Christendom, gedeeltelijk gedurende den loop der middeleeuwen, ten
deele ook nog bij, en kort na de kerkhervorming verdwenen, somtijds
zelfs met geweld werden uitgeroeid. De Friezen hebben zich daar steeds
tegen verzet. Zij bleven, zoo veel maar immer mogelijk was, aan het
oude en volkseigene, dat door hunne voorouders hun overgeleverd was
(voor zoo verre het ook goed was), „hou ende trou” en in liefde
gehecht. Dit is hun eene eere!
En zoo is het ook met de bijzonder Friesche mans- en vrouwen-vóórnamen.
Veel van wat thans in deze zaak als eigenaardig Friesch geldt, is van
ouds algemeen Germaansch geweest. Oorspronkelijk toch hebben de Friezen
geen afzonderlijke, slechts uitsluitend aan hen eigene namen gehad. De
namen, die de oude Friezen droegen, hadden zij gemeen met de
stamverwante volken. Maar bij de Friezen hebben deze namen, zoo in
hunnen volledigen vorm, als in uiterst talrijke vervormingen, stand
gehouden tot op den dag van heden. Bij de andere Nederlanders, bij de
Engelschen en bij de Nederduitschers, hebben zij grootendeels plaats
gemaakt voor namen van Bijbelschen en Kerkelijken oorsprong, en
voornamen uit allerlei vreemde talen overgenomen. Ook dit vasthouden
aan de oude, schoone en eervolle namen hunner roemruchtige voorouders
strekt den Friezen tot eere, en is een bewijs van hunnen alouden
Germaanschen adeldom.
De Friesche namen hebben, sedert de 16de eeuw, veelvuldig de aandacht
getrokken en de belangstelling gewekt van geleerden en van navorschers
op het gebied der taal- en volkenkunde. Sommigen van dezen hebben min
of meer uitvoerige, maar toch in geenen deele ook maar eenigermate
volledige lijsten van die namen samengesteld. Maar die lijsten zijn
slechts dorre opsommingen van namen; meer niet. Ze zijn zonder nadere
aanduidingen, en zonder veel oordeel samengebracht, waarbij dan ook de
oorsprong der namen, hunne oorspronkelijke, volledige vormen, hunne
vlei- en verkleinvormen, hunne afleidingen tot geslachts- en
plaatsnamen, het onderlinge verband dat er tusschen de verschillende
namengroepen bestaat of ook niet bestaat, volstrekt niet in het licht
gesteld wordt, noch tot gelding komt. Eerst in deze eeuw verscheen een
eerste werkje, dat op eenigermate wetenschappelijke wijze, zij het dan
ook nog slechts uiterst oppervlakkig, de Friesche namen behandelt. Het
is opgesteld door Prof. Ev. Wassenbergh, hoogleeraar te Franeker, en
komt voor, onder den titel Verhandeling over de Eigennamen der Friezen,
in de Taalkundige Bijdragen tot den Frieschen tongval, Leeuwarden,
1802. In deze verhandeling worden ook de Friesche naamlijsten uit
vorige eeuwen, die van Ubbo Emmius, van Hundius, van Boegherman,
vermeld, overgenomen, en nader besproken.
Verder zijn in de verschillende jaargangen van het tijdschrift De
Navorscher en ook in die van den Frieschen Volksalmanak onderscheidene
kleine opstellen over sommige bijzondere Friesche namen opgenomen, die
grootendeels door mij zelven geschreven zijn. Eenigszins uitvoeriger
zijn in het tijdschrift De Vrije Fries, deel XIII en XIV, sommige
Friesche namen, vooral geslachtsnamen, behandeld, in een opstel van
mijne hand, Een en ander over Friesche Eigennamen. Ook vindt men in
mijn werk De Nederlandsche Geslachtsnamen, Haarlem, 1885, vele zaken
vermeld en behandeld, die in het bijzonder op Friesche namen
rechtstreeks betrekking hebben. Dit is eveneens het geval met het voor
Friesche namenvorschers allerbelangrijkste hoofdstuk over Zaansche
Eigennamen, voorkomende in het werk van Dr. G. J. Boekenoogen, De
Zaansche Volkstaal, Leiden, 1897. Eindelijk bevat het werk Nomina
geographica Neerlandica, Amsterdam, 1882 en vervolgens, nog eenige
opstellen, door mij geschreven, over Friesche plaatsnamen, en in het
bijzonder eene uitvoerige, en leerrijk toegelichte lijst van oude
Friesche plaatsnamen, tegelijk eene bijdrage tot de oude aardrijkskunde
van Friesland, geschreven door Dr. F. Buitenrust Hettema. Het laatst
verschenen werk op Friesch naamkundig gebied is mijne Friesche
Naamlijst (Onomasticon frisicum) Leeuwarden, 1898, eene volledige,
stelselmatig geordende en beredeneerde lijst van Friesche eigennamen,
zoo mans- en vrouwen-vóórnamen als geslachts- en plaatsnamen, in hunnen
onderlingen samenhang en met toelichtingen voorgesteld.
Ook mogen hier niet onvermeld blijven drie werken van Oost- en
Wezer-Friezen; namelijk een van Bernh. Brons Jr., Friesische Namen und
Mittheilungen darüber, Emden, 1877, dat uitvoerige lijsten van Friesche
eigennamen bevat, hoofdzakelijk uit Oost-Friesland; een van Dr. Karl
Strackerjan, Die Jeverländischen Personennamen mit Berücksichtigung der
Ortsnamen, Jever, 1864, ’t welk van groote geleerdheid en
navorschingsijver getuigt. En eindelijk een opstel van Aug. Lübben,
Einiges über Friesische Namen, voorkomende in Haupt’s Zeitschrift für
Deutsches Alterthum, 1856.
Ten slotte moet hier nog genoemd worden een boek, waarin ook de
Friesche namen en naamsvormen bijzonderlijk behandeld worden (in het
hoofdstuk Ueber besondere Friesische Namensformen und Verkürzungen);
namelijk Dr. Franz Stark, Die Kosenamen der Germanen, Weenen, 1868. In
dit werk worden de eigenaardige algemeen Germaansche en bijzonder
Friesche vleivormen der oorspronkelijk volledige namen duidelijk in het
licht gesteld.
Evenmin als de Friesche taal, oudtijds geenszins, en ook heden ten dage
nog niet, uitsluitend eigen was en is aan Friesland tusschen Flie en
Lauwers, zoo min zijn ook de Friesche eigennamen, uit die taal
voortgesproten, uitsluitend beperkt tot dat hedendaagsche Nederlandsche
gewest Friesland. Integendeel. Immers komen ze eveneens voor, zij het
dan soms ook in min of meer gewijzigde vormen, in de andere
Oud-Friesche gouwen, dus in West-Friesland (noordelijk Noord-Holland),
Groningerland, Oost-Friesland, Wezer-Friesland, Noord-Friesland, enz.
Evenwel, gelijk de Friesche taal in het Nederlandsche gewest Friesland
nog heden, als van ouds, hare grootste ontwikkeling, ook hare grootste
zuiverheid, eigenheid en waarde, en tevens hare grootste verbreiding
heeft, meer dan in de andere gouwen, zoo zijn ook in dat Nederlandsche
Friesland de Friesche eigennamen het menigvuldigst en het bijzonderst
in hunne vormen, ook het meest verspreid en het meest in gebruik, van
ouds her en nog heden ten dage.
Oudtijds, toen de Friesche taal in hare eigenheden, in hare eigene
klanken en eigene vormen, en in de eigene plaats die zij inneemt
tusschen de talen der andere volken, weinig of ook in het geheel niet
bekend was bij de geleerden buiten Friesland, en veel minder nog bij de
ongeleerden, heeft men wel gemeend, en dit ook verkondigd, dat de
bijzonderheden der Friesche namen slechts te verklaren waren door aan
te nemen dat die namen van Hebreeuwschen, van Trojaanschen, van
Griekschen of van Romeinschen oorsprong moesten wezen. Dit behoeft
heden ten dage geene wederlegging meer. Maar dat de Friesche namen
zuiver Germaansch zijn, en in hun oorspronkelijk wezen niet verschillen
van de namen der andere Germaansche volken, dit is nog geenszins van
algemeene, en nog geenszins van voldoende bekendheid. De waarheid
echter dezer stelling blijkt ruimschoots, en wel in de eerste plaats
uit die Friesche mans- en vrouwenvóórnamen, die nog hunne volledige, of
anders slechts weinig ingekorte, slechts weinig versletene,
oorspronkelijke vormen vertoonen; bij voorbeeld, de mansnamen Adger
(voluit Aldgar), Adser, Aeldert, in Nederlandsche spelling Aaldert,
oorspronkelijk voluit Adelhart [32], enz. allen nog hedendaags
gebruikelijke namen. Uit de oude en verouderde, hedendaags bij de
Friezen reeds uitgestorvene namen blijkt dit eveneens; bij voorbeeld,
uit Adelbald (in versleten vorm Albad, Albet), Adelbric, Adeldag,
Adelric, Aldgrim [33], enz. En niet minder uit de vrouwennamen, zoo
hedendaagsche (Aeltsje, in Nederlandsche spelling Aaltje, de ingekorte
en verkleinvorm van Aelheyt of Adelheid)—Aelmoed, in Nederlandsche
spelling Aalmoed, oorspronkelijk voluit Adelmod,—Aerland, in
Nederlandsche spelling Aarland [34]; als verouderde (Adelgarde,
Adelburg, Adelharda) [35], enz.
Dit zijn allen echt Germaansche namen, die in de zelfde of in nagenoeg
gelijke vormen aan alle andere Germaansche volken ook eigen zijn. Wel
vertoonen enkelen dezer namen sommige bijzonder-Friesche
eigenaardigheden, maar hun karakter van algemeen-Germaansche namen gaat
daardoor geenszins verloren. Sommigen van deze namen, Albert, Evert,
Folkert, Lammert, Willem zijn evenzeer algemeen-Nederlandsch als
bijzonder-Friesch eigendom. Opmerkelijk is het betrekkelijk veelvuldig
voorkomen van namen met bern samengesteld, bij de mannen: Bernolf,
Bernlef, Gerbern, Hellingbern, Herbern, Liobbren (Hliodbern), Olbren,
Reinbern, Ricbern, Rodbern, Sybren (Sigbern), Ulbern, Wybren (Wigbern),
enz.; bij de vrouwen, met land en ou samengesteld: Aland en Eland,
Gerland, Yslant, Ublant—Bernou, Edou, Ferdou, Folkou, Gadou, Jildou,
Meinou, Reinou, Rikou, enz. Sommigen van deze volledige namen zijn door
afslijting en inkorting bijna onkenbaar geworden. Als zoodanigen zijn
hier voren reeds vermeld Alem, Freark, Gelf, Grealt, Hattem, Jelmer,
Jorrit, Tsjalf, enz. Andere soortgelijken zijn nog Sjoerd (Sigurd),
Sierk of Sjirk (Sigrik), Tsjerk (Thiadrik, Theodorik,—Volkrijk—de
zelfde naam als Dietrich in ’t Hoogduitsch, Diederik of Dirk in ’t
Nederduitsch), Tsjaerd, Tsjeard, Searp, Worp, Merk, Murk, Sjuk, Jarich,
Gjalt, Tsjerne, Ork, enz. Deze soort van namen heeft almede aan de
Friesche namen in ’t algemeen dien eigenen stempel verleend, waardoor
ze zoo bijzonder, schijnbaar zoo geheel eenig zijn onder de namen der
andere Germaansche volken.
De vleivormen der namen, zoo overrijk onder de Friesche namen
vertegenwoordigd, hebben almede eenen zeer bijzonderen stempel op die
namen gedrukt. Die vleinamen worden verder in deze verhandeling nader
behandeld en verklaard.
De Friesche vrouwennamen—behalve die welke reeds op de vorige bladzijde
zijn vermeld, en nog een honderdtal andere dergelijken—de Friesche
vrouwennamen zijn in den regel rechtstreeks van de mansnamen afgeleid,
door achtervoeging van verkleinende uitgangen. Het vormen, het
afleiden, op deze wijze, van vrouwennamen uit mansnamen, ofschoon ook
bij andere Germaansche volken voorkomende, is toch bij geen van dezen
zoo algemeen in gebruik als bij de Friezen. Het grootste gedeelte der
Friesche vrouwennamen bestaat dus eigenlijk uit mansnamen in
verkleinvorm, soms in eigenaardigen verkleinvorm. Zoo komen van de
mansnamen Aldert, Douwe, Minne en Offe, door achtervoeging der
verkleinende aanhangsels je, tse of tsen, tsje (tje) en ke, de
vrouwennamen Aldertsje (Aldertje), Douwtsen, Mintsje (Mintje) en Ofke.
Evenzeer als van den volledigen, zij het dan ook ingekorten en
eenigermate verbasterden naam Aldert (Adelhart), van Douwe, en van de
vleinamen Minne en Offe, zoo zijn ook van de verkleinnamen die reeds
als mansnamen dienst doen, bij voorbeeld van Bauke, Ibele, Oepke,
Rinse, Wytse, door achtervoeging van weêr andere verkleinvormen
vrouwennamen gemaakt: Baukje, Jbeltsje (Ybeltje), Oepkje, Rinske,
Wytske. Deze namen zijn dus oneigenlijk gevormd, bij tautologie, door
dubbele verkleiningsachtervoegsels. Zulk eene opeenhooping van
verkleinvormen komt zelfs wel voor als samenkoppeling van drie
achtervoegsels; bij voorbeeld: de vrouwennaam Reinskje, die ontleed
wordt in Rein (dat is de mansnaam Rein, inkorting van den eenen of
anderen met Rein, Regin samengestelden volledigen naam—Reinger of
Regingar, Reindert of Reginhart), in se, ke en je, alle drie
verkleiningsuitgangen, dus Rein-se-ke-je.
Deze liefhebberij der Friezen voor verkleinvormen achter hunne namen
komt ook aan ’t licht bij die vrouwennamen, die uit eenen
oorspronkelijken, volledigen naam bestaan, met een geheel overtollig,
de schoonheid des naams schadend verkleiningsachtervoegsel; bij
voorbeeld: Gerlandtsje (Gerlandje) nevens Gerland, Sibrichje nevens
Sibrich (Sigburg), Welmoedtsje (in Nederlandsche spelling Welmoedje)
nevens Welmoed, enz.
De namen der menschen staan geworteld in hunne taal. De oude
Israëlieten droegen Hebreeuwsche namen, de oude Grieken en Romeinen
Grieksche en Latijnsche, de oude Germanen Germaansche namen. Anders
gezegd: zij droegen namen die samengesteld waren uit woorden, welke
oorspronkelijk in hunne volkstalen eene beteekenis hadden, iets
beduidden. De Hebreeuwsche naam Abraham beteekent: vader der menigte,
dus stamvader. De Grieksche naam Andreas beduidt: de mannelijke, de
manhafte. De Latijnsche naam Victor beteekent: overwinnaar. Zoo ook
beduiden de Germaansche namen Everhart (Everaart of Evert), Wybren
(Wiberen, Wibern, Wigbern), en Godsschalk (Gosse): de man die een hart
of een aard (’t is het zelfde) heeft als een ever of wild zwijn, het
kind des gevechts, en Gods knecht.
De eigenaardigheden van de Friesche taal spiegelen zich af in de
bijzonderheden der Friesche eigennamen. Anders uitgedrukt: de
bijzonderheden der Friesche namen zijn ontstaan uit de bijzonderheden
der Friesche taal. Sierk of Sjirk bij voorbeeld is een hedendaagsche
Friesche mansvóórnaam, die wel algemeen voor een bijzondere,
eigenaardig Friesche naam zal worden gehouden. Nogtans is Sierk van
ouds een algemeen Germaansche naam, zij het dan ook in Frieschen vorm.
Sierk immers is eene verbastering, bij uitslijting of inkrimping, een
versletene vorm dus, van den oorspronkelijken, vollen vorm Sigerik. Dit
Sigerik is een samengestelde naam, bestaande uit de Oud-Friesche,
tevens algemeen Oud-Germaansche woorden sige, overwinning; en rîk of
ryk, rijk. Dus is Sigerik in hedendaagsch Nederlandsch overgezet: rijk
door overwinning. De naam is al oud; immers reeds in de vijfde eeuw na
Christus droeg hem een koning der Goten. Dit Oud-Friesche woord sige
hadden de oude Hollanders als zege, nog gebruikelijk in de uitdrukking
de zege behalen, en deel vormende van de woorden zegepraal en
zegevieren. Den Oud-Frieschen mansnaam Sigerik hadden de oude
Hollanders als Segerik (Zegerijk) in gebruik, en de oude Hoogduitschers
als Siegrich. Mannen die Zegerik of Siegrich heeten, treft men onder de
hedendaagsche Hollanders en Hoogduitschers uiterst weinig of in het
geheel niet meer aan. Maar in den samengetrokken vorm Sierk is het
Oud-Friesche Sigerik nog heden bij de Friezen in volle gebruik
gebleven. Zal men nu beweren: Sierk is een geheel eigenaardige Friesche
mansvóórnaam? Wel neen! Men moet zeggen: Sierk is de hedendaagsche
versletene vorm van den vollen, algemeen Oud-Germaanschen mansnaam
Sigerik, Segerik, Siegrich.
De hedendaagsche Friesche mansnaam Freerk (in Friesche uitspraak Frjerk
of Frjeark) verkeert in het zelfde geval als Sjirk of Sierk. Immers
Freerk is eene samentrekking van den vollen vorm Frederik. Opmerkelijk
is het dat de Hollanders met de andere Nederlanders in het algemeen,
met Franschen, Engelschen, Denen, enz. juist den Frieschen vorm van
dezen naam als Frederik, Fréderic, Fredrik in gebruik hebben. Want in
goed Hollandsch moest de naam Frederik als Vrederijk luiden en gespeld
worden, omdat hij vrede-rijk, rijk aan of door vrede beduidt. De oude
Hollanders uit de 17e eeuw schreven dezen naam dan ook wel, juist
overeenkomstig hun taaleigen, als Vreerijck. En de Hoogduitschers
hebben dezen zelfden naam, ook in overeenstemming met hun taaleigen,
als Friedrich. De oude Hollanders hadden den geheel ingekrompen vorm
Freerk ook wel in gebruik. In zuidelijk Holland en in Zeeland gaat men
met verkorten nog wat verder. Die aldaar Frederik heet wordt in het
dagelijksche leven veelal Freek genoemd. Maar dien vorm Freek heeft men
dáár niet als schrijfnaam in gebruik genomen, gelijk de
Friezen—eigenlijk ten onrechte—hun vorm Freerk zoo wel schrijven als
noemen.—Zal men nu echter zeggen: Freerk is een bijzondere Friesche
naam? Neen! Freerk is zoo min eigen en afzonderlijk Friesch, als Sierk
het is, en als Gosse, Bartele, Sjaerd, Tsjerk, Eelke, met Aafke,
Reintsje en Meintsje, Sjoerdtsje en Wytske het zijn. Alle deze namen en
nog honderden anderen, zijn oorspronkelijk algemeen Oud-Germaansche
eigennamen, maar in bijzonder Friesche vormen, afkortingen,
verbasteringen.
Honderden bijzondere namen zijn als mans- en vrouwenvóórnamen heden ten
dage bij de Friezen, zoo wel bij de Nederlandsche Friezen als bij de
Duitsche en Deensche (Oost- en Noord-Friezen), als ook bij de
Friso-sassische mengelstammen van Groningerland, Drente, Oldenburg en
vele andere gouwen in noordwestelijk Duitschland in gebruik. En al die
namen, die men bij al de andere volksstammen van de lage landen aan de
Noordzee te vergeefs zoekt, zijn oorspronkelijk algemeen Germaansche
namen. De oorsprong van deze namen kan nog heden bij velen duidelijk
worden aangetoond. Maar ook bij velen van deze namen ligt de
oorspronkelijke vorm niet zoo klaarblijkelijk voor de hand, ja schijnt
bij een groot aantal in het geheel niet meer aangewezen te kunnen
worden. Nader onderzoek echter, uitgaande van eenen man die de
Oud-Friesche taal kent en verstaat, die welbelezen en welervaren is in
middeleeuwsche geschriften en oorkonden, kan hier nog veel licht
verspreiden en tot verrassende ontdekkingen leiden.
Wat zoudt Gij, mijn waarde Lezer! wel maken van den mansnaam Sjoerd?
een naam die algemeen bij de Friezen in gebruik is, en die heden ten
dage als een bijzonder Friesche naam geldt. Dezen naam immers, of eenen
naam die er op gelijkt, vindt men bij geen enkel ander volk in
gebruik—meent Gij? Hij moet dus wel bijzonder en eigen Friesch
zijn!—Toch is dit niet het geval. Wel is de hedendaagsche vorm slechts
den Friezen eigen, maar d’oorspronkelijke vorm van dezen naam is
algemeen Germaansch. Het Friesche Sjoerd is toch volkomen een en de
zelfde naam als het Hoogduitsche Siegfried, als het Oud-Hollandsche
Sievert of Sieuwert, ’t welk een versletene vorm is van Siegfert,
Segevert. Onder den vorm Sievert en Sieuwert komt deze naam nog heden
wel in noordelijk Noord-Holland voor. Daar zijn ook de geslachtsnamen
Sieuwertsz en Siewerts inheemsch, die zoon van Sievert beteekenen.
Sievert of Siegfried beteekent zege-vrede, overwinning door vrede, een
naam van schoone beteekenis. In het Oud-Friesch, tevens in het
Oud-Noorsch luidt deze naam Sigurd, dat is: sige, zege of overwinning,
en urd, vrede. Dat hier urd = vrede is, bevreemdt hem niet, die weet
dat de letter v oorspronkelijk anders niet is als eene u, namelijk de u
die een woord of lettergreep opent. De Ouden verwisselden zoo wel in
geschrifte als in uitspraak de u en de v. Men schreef wt, en sprak uut;
de w is eene dubbele v of dubbele u. Van vrede, urede, tot urde, urd is
de stap uiterst klein, en niet grooter dan van het Nederlandsche avond
(evond, e-u-ond, i-u-ond) tot het Friesche joun of jond (i-u-ond). In
dit oude woord urd = vrede sprak men de u natuurlijk op de
Oud-Friesche, de Hoogduitsche, de algemeen Oud-Germaansche wijze uit,
als de hedendaagsche Hollandsche oe in het woord boer. Dus Sigoerd. De
g is eene letter die de oude Friezen veelvuldig als j uitspraken, en de
hedendaagsche Friezen met de hedendaagsche Engelschen doen dit nog in
sommige woorden. Het Nederlandsche woord gift of gave luidt in het
Oud-Friesch als jeftha, in het hedendaagsche Friesch als jefte, jeft;
b.v. in het woord sketjeft. Het Nederlandsche woord garen luidt in het
Friesch als jern (jen), in het Engelsch als yarn; het Nederlandsche
gister in ’t Friesch als jister of juster, in ’t Engelsch als yester
(day). Een kromme hoek van het oude Jacobiner-kerkhof te Leeuwarden
heet: „het kromme Gat.” Maar de oude Leeuwarders spreken dezen naam nog
heden uit als: „’t kroeme jat.” De hedendaagsche Berlijners, al zijn ze
zoo min Friezen als Engelschen, zeggen ook Jott in plaats van Gott, en
jans in stede van gans. Zoo zeiden ook de oude Friezen Si-joerd voor
Sigurd (Si-goerd). Bij vlugge uitspraak in het dagelijksche leven werd
Si-joerd al spoedig tot Sjoerd. Het onderscheid is geheel onwezenlijk
en ter nauwer nood hoorbaar.
Zoo is van het oorspronkelijke Sigurd der oude Friezen en Noren het
hedendaagsche Sjoerd gekomen, bij de Friezen; en het hedendaagsche
Sjûrd (ook als Sjoerd uitgesproken) bij de bewoners van de Färör, een
Oud-Noorsche volksstam. De letter r is in dezen naam, volgens de gewone
uitspraak der Friezen, zeer zwak en nauwelijks hoorbaar, en slijt er
gemakkelijk uit tot Sjoe’d, Sjoed, gelijk men gemeenlijk spreekt. De
Oost-Friezen en de Friezen die verder oostwaarts op aan de monden van
Wezer, Elve en Eider wonen, hebben die r niet enkel in uitspraak, maar
ook in geschrifte volkomen verwaarloosd, maar de oorspronkelijke u (in
Hoogduitsche uitspraak) hebben ze behouden in dezen naam. Van daar dat
bij hen de volle oude naam Sigurd heden ten dage, in uitspraak en
geschrifte, als Siut voorkomt; in patronymicalen vorm, als
geslachtsnaam, Siudtz en Siutz. Het Oost-Friesche Siut luidt volkomen
zoo als het Sjoe’d der Nederlandsche Friezen, en de geslachtsnamen
Siudtz en Siutz als Sjoerds ten onzent.
Het schijnt dat de Friezen van de 16e en 17e eeuw, die, zoo zij
geestelijken, leeraars of anderszins geleerden waren, hunne namen zoo
graag vergriekschten en verlatijnschten, nog min of meer duidelijk den
ouden vollen vorm en de beteekenis van den naam Sjoerd kenden. Althans
zij, die van Hette maakten Hector, van Douwe Dominicus, van Tsjibbe
Tiberius, van Sibbeltsje Sybilla, enz., maakten Suffridus van Sjoerd.
In Suffridus, Suffried is nog eene aanduiding van Siegfried = Sigurd te
herkennen. Nog heden is deze in schijnbaar Latijnschen vorm verdraaide
naam Suffridus in sommige Friesche maagschappen in gebruik.
De vrouwelijke vorm, eigenlijk de verkleinvorm of zoogenoemde
kleengedaante, van den naam Sjoerd is Sjoerdtsje (Sjoerdtje, ook wel
Sjoerdje en Sjoertje in Nederlandsche spelling). Daar zijn er genoeg
Friezinnen die Sjoerdtsje heeten, maar weinigen die zoo genoemd worden.
De Friezen zijn groote liefhebbers om hunne namen te verkorten, te
verdraaien en te verknoeien. Zoo maken zij ook, in ’t dagelijksche
leven, Sjutte, Sjutsje of beter Sjuttsje, en zelfs Sjute van den naam
Sjoerdtsje. Zulke verdraaide namen zijn in der daad leelijk, en het is
waarlijk geen wonder dat menige schoone Friesche maagd zich niet graag
aldus hoort noemen, of dat zij op lateren leeftijd, misschien als
grootmoeder, er zich tegen verzet dat haar kleindochterke of haar
nichtje dien naam gegeven worde. Zoo gaan er wel, door onverstand,
schoone oude namen te loor, die men zekerlijk niet zoude verwaarloosd
hebben, zoo men den ouden, vollen vorm en de dikwijls schoone, altijd
eervolle en eerbare beteekenis daar van gekend hadde. Dat dan de man
die niet meer Sjoerd, en de vrouw die niet meer Sjoerdtsje of Sjutte
wil heeten, noch ook deze namen aan hunne kinderen geven willen, niet
tot de opgesmukte namen van vreemden vervallen, of hunne namen op
belachelijke wijze verdraaien (van Sjoerdtsje bij voorbeeld Sjoerdina
maken, of van Romkje Romelia)! Dat men liever de oude, schoone vormen
herstelle, Sjoerd weêr tot Sigurd terug brenge, en Sjoerdtsje als
Sigurda in gebruik houde! (Men lette er op de u op Oud-Friesche of
Hoogduitsche wijze uit te spreken, en den vollen klemtoon op de
lettergreep gurd te laten vallen.) Zoo blijft men Friesch, ook in zijne
namen; zoo houdt men de schoone, beteekenisvolle namen der edele
voorouders in eere en in gebruik, gelijk het waren Stand-Friezen past.
Dat de schoone naam Sigurd bij de oude Friezen in eere en veelvuldig in
gebruik was, even als bij de Skandinavische volken, blijkt ook hieruit,
dat er nog heden zoo vele Friezen zijn die Sjoerd heeten. Die algemeene
verspreiding blijkt ook uit het groote aantal geslachtsnamen, nog heden
onder de Friezen voorkomende, die van den mansnaam Sjoerd afgeleid
zijn. Dat zijn Sjoerda en ook Sjoorda, Sjoerdinga, Sjoerdema,
Sjoerdsma, Sjoerds, enz. Behalven de maagschapsnamen Sieuwertsz en
Siewerts, Siudts en Siutz bovengenoemd, nog Siewertz, Sieverts,
Sievertsz, Siewertsen, Siewertsz in noordelijk Holland, het aloude
Friesland bewesten Flie, en Sivertz, Siurtz, Siuts in de Friesche
gouwen beoosten Eems. De Hollanders die een looden pijp en een gouden
ketting ’n looie peip en ’n chouwe ketting noemen, laten veelvuldig,
gelijk deze voorbeelden reeds aantoonen, de d uit de woorden slijten.
Zoo doende is de geslachtsnaam Sjoerds buiten Friesland tot Sjoers
geworden. De letter r, die bij de Friezen zoo los in den zadel zit,
hebben de Hollanders in dezen patronymicalen geslachtsnaam behouden,
maar de d hebben zij verwaarloosd.
In oude oorkonden uit de jaren der 15e en het begin der 16e eeuw, toen
men de Friesche taal in Friesland ook nog in ambtelijke geschriften
bezigde, komt de naam der maagschap Sjoerdsma gewoonlijk als Siwrdisma
en Siwrdesma, ook wel als Siuwrdsma voor. Bij deze spelling Siwrd, voor
Sjoerd, komt de samenhang met den Oud-Hollandschen vorm Siwert
bijzonder aan ’t licht. En tevens blijkt uit deze oude spelwijzen dat
men toenmaals de u, de v en de w als onze hedendaagsche oeklank in ’t
woord boer uitsprak.
Al de bovenstaande geslachtsnamen zijn patronymica of vadersnamen. Zij
zijn allen éérst gevoerd geworden door mannen wier vaders den vóórnaam
Sjoerd droegen; zij beteekenen allen, zonder onderscheid, zoon van
Sjoerd, van Sigurd, van Siegfried.
Uit al het bovenstaande blijkt hoe veel er van eenen enkelen Frieschen
naam kan gezegd worden. Zulk eene beschouwing van alle hedendaagsche
Friesche personennamen zoude ongetwijfeld zeer veel belangrijke en
merkwaardige zaken op het gebied van taalkunde, geschiedenis en
oudheidkunde aan het licht brengen. Maar een schat van tijd en een
schat van vlijt en toewijding is daar toe noodig! Wie heeft zulke
schatten steeds te zijner beschikking?
Reeds is in dit opstel met een enkel woord vermeld dat van ouds her bij
de Friezen het gebruik bijzonder sterk in zwang was om de namen te
verkorten, te verdraaien, te verknoeien. Aan den eenen kant zekere
gemakzucht van de tonge, waardoor men lange namen schuwde, en namen van
twee of drie volle lettergrepen reeds te lang vond—en aan den anderen
kant de neiging der menschen, vooral van vrouwen in ’t algemeen en van
moeders in het bijzonder, om aan de voorwerpen hunner liefde kleine,
mooie, zoete, lieve naamkes te geven (poppenammen, zoo als de Friezen,
kepnamen, zoo als de West-Vlamingen, kosenamen, gelijk de Duitschers
zeggen), dit zijn de oorzaken van het ontstaan dezer misvormde namen.
Trouwens deze neiging is niet slechts den Friezen eigen, maar algemeen
onder de volken van Germaanschen bloede verspreid. De Hollanders die
Kees maken van den volledigen vorm Cornelis, Klaas van Nicolaas en Mie
van Maria, de Vlamingen en Brabanders die Sefke maken van Josef, Cies
van Franciscus en Treeske van Theresia, de Engelschen die Bob maken van
Robert, Dick van Richard, James van Jacob en Bess van Elisabeth, de
Duitschers eindelijk die Fritz maken van Friedrich, Kuntz van Konrad en
Meta van Margaretha, die allen handelen in deze zaak juist zoo als de
Friezen die Gosse maken van Godsskalk, Kei van Gerrit (Gerhard), en
Gertje of in de wandeling Gjet, van Gerharda of van Gertruda. Gelijk
ook Sibe van Sibrand (Sigebrand), Wobbe van Wolbrecht, Pibbe van
Sibbeltsje, enz. Maar Hollanders, Vlamingen, Engelschen en Duitschers
gebruiken zulke verkorte en verdraaide namen in den regel slechts in de
dagelijksche spreektaal, en geenszins in geschrifte. Zij weten in allen
gevalle wat de volle, oorspronkelijke vormen van die verbasterde namen
zijn. De Friezen in tegendeel hebben die poppenammen ook in hunne
schrijftaal overgenomen. Bij hen hebben die vleinaamkes geheel de
plaats der volle, oude vormen ingenomen, en de oorspronkelijke
beteekenis dier namen is bijna volkomen verloren gegaan, althans uit de
gedachtenis en herinnering des volks, ten eenen male verdwenen.
Dit is in der daad de hoofdoorzaak van de hedendaagsche bijzonderheid
en eigenaardigheid der Friesche namen.
Zie hier een algemeen overzicht van de vleivormen en van de
verkleinvormen der namen, zoo als die bij het Friesche volk in gebruik
zijn.
De vleivormen zijn wel te onderscheiden van de samengetrokkene en
ingekorte naamsvormen, zoo als bij voorbeeld Geart en Freark of Frjerk
(in Nederlandsche spelling Geert en Freerk), dat samengetrokkene vormen
zijn van Gerhard en Frederik; nevens Hille en Brand, dat ingekorte
vormen zijn, eigenlijk slechts halve namen, van den volledigen en
oorspronkelijken mansnaam Hillebrand (Hildebrand).
De vleivormen zijn bij alle Germaansche volken in gebruik. Op de vorige
bladzijde zijn, als voorbeelden, eenige van die vleivormen opgenoemd.
Anderen zijn nog bij de Duitschers Ede voor Eduard, Hans voor Johannes,
bij de Hollanders Koos voor Jacob, Ari en Aai voor Adriaan, Hein en
Henk voor Hendrik, Keetje voor Cornelia, bij de Engelschen Bill voor
William, Fanny voor Francisca, enz. De Engelsche naam John is, even als
de Nederlandsche naam Jan, de Fransche naam Jean, de Spaansche naam
Juan, enz. op zijn beurt eigenlijk ook maar een vleivorm van den
volledigen Bijbelschen naam Johannes.
Bij geen enkel Germaansch volk echter zijn de vleivormen der namen zoo
veelvuldig, zoo algemeen in gebruik als bij de Friezen. Hier komt nog
bij dat die vleivormen bij de Friezen volle burgerrecht hebben
verkregen als geijkte namen, zoo wel bij de doopvont, als in de
registers van den burgerlijken stand; terwijl bij de andere Germaansche
volken die vleivormen (immers bijna zonder uitzondering) slechts in
hunne oorspronkelijke kracht van bestaan in gebruik zijn, slechts als
vriendelijke namen in den huiselijken kring, maar geenszins als geijkte
namen in het openbare leven. De vleivormen der namen zijn bij de
Friezen zoo menigvuldig en zoo algemeen in volle gebruik gekomen en
genomen, dat zij de oorspronkelijke, volledige vormen der namen, in
menige gevallen, schier volkomen uit het gebruik hebben verdrongen. In
zulker voegen, dat van verre weg de meesten dezer thans als geijkt
geldende vleivormen de oorspronkelijke, de werkelijk volledige vormen
niet meer bekend zijn; of althans, dat de samenhang is verloren gegaan,
dat men niet meer weet van welken oorspronkelijken, volledigen naam
deze of gene hedendaags als volledige naam geldende vleivorm eigenlijk
is afgeleid. Van sommigen weet men het wel; van Wobbe (om maar een
enkele te noemen) kan men aantoonen dat deze hedendaags als geijkt en
volledig geldende naam slechts een vleivorm is van den
oorspronkelijken, volledigen naam Wolbrecht; van Pibe, dat deze naam
oorspronkelijk voluit Sybren is, even als Tolle komt van Folkert; Benno
en Binne van Bernhard, Ekke van Egbert, Ale en Ele van den eenen of
anderen met den naamsstam adel of edel samengestelden naam, bij
voorbeeld Adelbrecht, Edelmar, enz. Maar bij andere vleinamen kan men
er hedendaags slechts met meer of minder goed geluk naar raden, van
welke oorspronkelijke en volledige namen ze zijn afgeleid. Als
voorbeelden uit deze overgroote afdeeling van Friesche mansvóórnamen
kunnen dienen: Abbe, Abe, Adde, Age, Agge, Ale, Alle, Ame, Amme, Ane,
Atte, Bauwe, Benne en Binne, Boaye (in Nederlandsche spelling Booye en
Boye), Boele, Bokke, Bonne, Bote, Botte, Bouwe, Dedde, Djoere of
Djurre, Doaye (naar Nederlandsche spelwijze Dooye), Doede, Douwe, Eabe,
Eade, Eage, Eale, Eauwe (in Nederlandsche spelling Eeuwe), Ebe, Ede,
Egge, Ekke, Ele, Enne en Enno, Eppe, Fedde, Feye, Fekke, Foeke, Fokke,
Foppe, Gabbe, Gabe, Gale, Goaye (naar Nederlandsche spelwijze Gooye,
Goye), Goffe, Gosse, Gurbe, Haeye (in Nederlandsche spelling Haaye of
Hayo), Halbe, Harre, Hemme, Henne, Heppe, Here, Herre, Hette, Hidde,
Hobbe, Holle, Ibe of Ybe en Iebe, Ide en Iede, Ime en Ieme (deze drie
laatste, op het oog eenzelvige namen en naamsvormen, zijn volgens
hunnen oorsprong, en volgens de Friesche wijze van uitspraak, geheel
verschillende namen). Inne, Ipe of Ype, Iwe of Ivo of Jou (dit is, hoe
vreemd het ook schijne, geheel één en de zelfde naam), Jelle, Jisse,
Jolle, Keimpe, Lieuwe, Lolle, Melle, Menno en Minne, Molle, Nanne,
Obbe, Oege, Oene, Offe, Okke, Onne, Otte, Pabe, Pibe, Poppe, Sjolle,
Tamme, Tiede, Tiete, Tsjalle, Tsjamme, Tsjebbe, Tsjitte (in
Nederlandsche spelling Tjalle, Tjamme, Tjebbe, Tjitte), Walle en Wobbe
en nog vele anderen meer, van gelijksoortigen oorsprong en vorm. Van
alle deze op eene toonlooze e uitgaande namen valt op te merken, dat
zij eveneens, maar minder algemeen, voorkomen met eene o op het einde:
Abbo, Deddo, Hero en Heero, Hiddo, enz. zoo als trouwens bij een paar
dezer namen in bovenstaand lijstje reeds is aangegeven.
De bovenstaande vleivormen van oorspronkelijk volledige namen hebben op
hun beurt weêr het aanschijn gegeven aan verkleinvormen, die dan ook
weêr bij de Friezen als geijkte namen gelden en dienst doen. En wijl
deze verkleinnamen gevormd zijn door het aanbrengen van verschillende
verkleinende achtervoegsels (namelijk se, te, le, tse, ke en tsje, dat
is in Nederlandsche spelling tje) achter deze vleivormen of vleinamen,
zoo is hierdoor het reeds bestaande overgroote aantal namen nog
aanmerkelijk vermeerderd, ja wel verdriedubbeld ten minste. Door
verwantschappelijke en vriendschappelijke genegenheid gedreven, hebben
de Friezen van alle eeuwen steeds gaarne zulke verkleinende aanhangsels
achter de volledige namen hunner bloedverwanten en vrienden gevoegd; en
zij doen dit nog heden ten dage, al kunnen die hedendaags ontstane en
in gebruik genomene verkleinvormen nu niet meer, gelijk vroeger, als
geijkte namen opkomen, noch ook geijkte geldigheid erlangen.
De bovenvermelde verkleinende achtervoegsels se, te, le, tse, ke en
tsje (tje) zijn in de Friesche taal gegrondvest, zijn anders niet dan
Friesche taalvormen. Maar de drie eerstgenoemden zijn in de taal
volkomen verouderd, uit de spreek- en schrijftaal geheel verloren
gegaan; de vierde is in deze eeuw sterk verouderende, reeds nagenoeg
uitgestorven; terwijl de beide laatste achtervoegsels ook nog in de
levende taal, in haren hedendaagschen vorm bestaan.
Om de zaak den onfrieschen lezer duidelijker te maken stellen wij hier
dat de algemeen-Nederlandsche vleivormen in verkleinvorm Keesje,
Koosje, Heintje voor jongetjes die eigenlijk in de boeken van den
burgerlijken stand Cornelis, Jacob(us) en Hendrik heeten, en Kaatje,
Keetje, Jansje voor meisjes die eigenlijk als Catharina, Cornelia,
Johanna te boek staan, ook de Duitsche namen Fritzchen en Lieschen, in
stede van Friedrich en Elisabeth, geheel overeenkomen met Friesche
namen als Binse en Ynse, Jelte en Hoaite (Hooite), Andele en Likele,
Atse en Feitse, Auke en Doeke, Bontsje en Eeltsje (Bontje en Eeltje),
enz. Onder dit voorbehoud, dat de bovengenoemde algemeen-Nederlandsche
vleivormen in verkleinvorm slechts gelden in ’t dagelijksche leven en
in den huiselijken kring, terwijl de soortgelijke Friesche namen
volkomen geijkte geldigheid hebben, ook in het openbare leven.
Als voorbeelden van zulke Friesche mans- en vrouwen-vóórnamen, die
eigenlijk slechts vleinamen in verkleinvorm zijn, vermeld ik hier de
volgende namen:
1º. Op se eindigende, waar nevens ook de vorm op sen (slechts een
bijvorm) voorkomt: Aelse en Aelsen (in Nederlandsche spelling Aalse en
Aalsen), Aise of Aiso, Alse, Amse, Bense met Binse, Biense en Bjinse,
Bodse, Bonsen, Eadse, Ealse, Edse, Eelse, Eidse, Eise, Haeise (volgens
Nederlandsche spelwijze Haaise), Hense, Inse, Ynse en Ynsen, Linse,
Mense, Menso en Minse, Oense, Rinse, en vele dergelijken meer.
2º. Op te (oudtijds ook ta) eindigende: Aite, Alte, Bente en Binte,
Boaite (in Nederlandsche spelling Booite en Boite), Boete, Bolte,
Bonte, Doaite (volgens Nederlandsche spelwijze Dooite), Eente en Eento,
Eite, Ente en Inte, Feite, Heite, Hente, Ynte, Jelte, Joute, Monte,
Haeite (in Nederlandsche spelling Haaite), Hoaite (volgens
Nederlandsche spelwijze Hooite), enz. enz.
3º. Op le eindigende: Amele, Andele, Bartele of Bartle, Bessele,
Doekele, Eabele, Eagele, Ebbele, Fokkele, Heabele, Hebbele, Hebele,
Hessel, Ibele of Yble, Igle, Ikele, Imele, Jakkele, Jisle, Lykele of
Lykle, Nammele, Oebele, Okele, Redle, Ringele, Sibbele of Sibble,
Teakele, Wessel, Wiggele, Wobbele, en nog anderen desgelijks.
4º. Op tse of tsen uitgaande: Aetse (in Nederlandsche spelling Aatse),
Aitse, Atse, Beintse, Beitse, Betse, Bientse, Bintse en Bintsen,
Bjintsen; Boaitse en Boaitsen (in Nederlandsche spelling Booitse,
Boitse en Booitsen), Doaitse (volgens Nederlandsche spelwijze Dooitse),
Douwtsen, Ealtse, Eatse, Eeltse, Eitse, Feitse, Fetse, Gatse, Gertse en
Gertsen, Goaitse en Goaitsen (in Nederlandsche spelling Gooitse en
Gooitsen), Haeitse (volgens Nederlandsche spelwijze Haaitse), Hentse,
Hertse en Hertsen, Hoaitse (in Nederlandsche spelling Hooitse), Hoatse
(volgens Nederlandsche spelwijze Hotse), Yntse en Yntsen, Ytsen, Jeltse
en Jeltsen, Jetse, Jitse, Lútsen (in Nederlandsche spelling Luitsen),
Mintse, Oentse, Reitse, Sytse (eigenlijk Syttse, Syt-tse, dat is: de
verkleinvorm tse achter den vleivorm Site, Syt), Sweitse, Tsjitse
(volgens Nederlandsche spelwijze Tjitse), Watse, Wytse, (Wyt-tse; zie
bij Sytse, en ook Tsjitse, hierboven); en vele anderen van deze soort.
5º. Op ke (of op eene enkele k) uitgaande: Amke, Auke, Bauke, Binke,
Boaike (in Nederlandsche spelling Booike en Boike), Bolke, Bouke,
Doaike (volgens Nederlandsche spelwijze Dooike), Doeke of Duco, Ealke,
Ebke, Eelke of Eelco, Epke, Feike, Fopke, Galke, Gerke of Gerk, Haeike
(in Nederlandsche spelling Haaike), Harke of Hark, Heerke, Hemke,
Hepke, Herke, Jelke, Jisk, Jouke, Lolke, Menke of Menco, Oepke, Popke,
Rinke, Rouke, Sjouke, Solke of Solco, Tsjalke (volgens Nederlandsche
spelwijze Tjalke), Tsjepke (in Nederlandsche spelling Tjepke), en nog
een groot aantal soortgelijken.
6º. Op tsje (in Nederlandsche spelling tje) uitgaande: Atsje (volgens
Nederlandsche spelwijze Atje), Bintsje, Boaitsje, Boeltsje, Bontsje,
Ealtsje, Eeltsje, Galtsje, Goaitsje, Haeitsje, Jeltsje, Mintsje,
Oentsje (in Nederlandsche spelling Bintje, Booitje, Gooitje, Haaitje,
Oentje, enz.), en vele dergelijken meer.
Ook bij al deze namen in verkleinvorm wordt de toonlooze e op het einde
eveneens wel door eene volklinkende o vervangen, zoo als in sommige
gevallen reeds in bovenstaande lijstjes aangetoond is. De namen worden
hierdoor in der daad klankrijker en schooner, en verliezen niets van
hunne zuiverheid; integendeel, zij winnen er bij. Maar de namen op tsje
eindigende, op den jongsten verkleinvorm, die voortspruit uit eenen nog
hedendaags geldenden taalvorm, maken hierop, althans in Friesland
tusschen Flie en Lauwers, eene uitzondering. Die krijgen nooit eene o
achter zich, in de plaats van de toonlooze e. Dit zoude dan ook al te
sterk indruischen tegen het fijn ontwikkelde taalverstand en
taalgevoel, den echten Friezen in den regel eigen. Maar
Groningerlanders en Oost-Friezen vervormen ook wel die toonlooze e van
hunne verkleinnamen op tje in eene o. Namen als Altjo, Eltjo, Entjo,
Reltjo, Rentjo zijn bij hen niet zeldzaam.
De vleinamen, die aan alle deze verkleinnamen ten grondslag liggen (bij
voorbeeld Ale bij Aelse [Aalse], Aye bij Aite, Age bij Agele, Binne bij
Bintse, Abbe bij Abbeke, Atte bij Atsje) zijn gemakkelijk te herkennen,
en staven dan mijn bovenvermeld inzicht aangaande de vorming en den
oorsprong dezer namen. Van sommige vleinamen zijn verkleinnamen
afgeleid in alle of schier alle boven vermelde verkleinvormen. Van den
vleinaam Hayo, bij voorbeeld, zijn afgeleid de verkleinnamen Haeise,
Haeite, Haeitse, Haeike en Haeitsje (in Nederlandsche spelling Haaise,
enz.); van Boaye (Boye) komen Boaite, Boaitse, Boaike, Boaitsje
(volgens Nederlandsche spelwijze Boite, enz.); van Jelle zijn afgeleid
Jelse, Jelte, Jeltse, Jelke, Jeltsje, enz.
Nog een andere naamsvorm is van de vleinamen afgeleid; te weten: de
patronymicale vorm op ing eindigende. Deze vorm, het echte, het ware
Oud-Germaansche patronymicum aanduidende, kan dus van oorsprongswegen
geene eigenlijke mansvóórnamen in ’t leven roepen; hij duidt veeleer
een maagschapsnaam aan, en is dan ook, als inga, ink of ing, veelvuldig
bij de Friesche, de Sassische en de Frankische volksstammen, die
gezamenlijk het Nederlandsche volk uitmaken, als uitgang van
maagschaps- of geslachtsnamen in gebruik. Niettemin, sommigen van deze
patronymicale, op ing eindigende namen zijn heden ten dage, als bij
misverstand (’t welk in dezen zin ook bij andere Germaansche volken
voorkomt), nog bij de Friezen als mansvóórnamen in volle geijkt
gebruik. Als zoodanigen mogen hier vermeld worden: Aling, Ameling,
Asing en Asinga, Baling, Balling, Boaying (Booying), Ebbing, Eling,
Haring, Hemsing, Henning, Nanning, Tsjalling (Tjalling), Waling en nog
enkele anderen.
De hedendaagsche Friezen hebben de gewoonte hunner voorouders om de
mans- en vrouwenvóórnamen te verminken en te vervormen door vleivormen
en verkleiningsvormen (overigens geenszins eene navolgenswaardige
gewoonte), getrouwelijk aangehouden. Zij breiden dit gebruik zelfs nog
meer uit. Niet enkel dat zij die verkorte en verknoeide namen hunner
voorvaders trouw in gebruik houden, als of die wannamen heel wat eigens
en bijzonders waren, maar zij blijven ook nog steeds voortgaan met dit
verknoeien hunner namen in vlei- en verkleinvormen. Vele reeds zeer
verkorte en verdraaide namen, vooral vrouwennamen, mishandelen zij
rustig verder, zoo dat die namen ten langen leste gansch onkenbaar
worden. Van de volledige namen Catharina en Margaretha, beiden van
Griekschen oorsprong en beiden van schoone beteekenis (te weten: „de
reine” en „de perel”), was bij de Friezen in den loop der eeuwen reeds
Tryntsje en Grytsje (Trijntje en Grietje) geworden. Maar het schijnt
als of voor de hedendaagsche Friezen die namen nog niet genoeg verkort
en verbasterd waren. Immers maken zij in het dagelijksche leven de
wannamen Tine of Tynke en Nine of Nynke van Tryntsje of Catharina, en
Kike van Grytsje of Margaretha. Even zoo verknoeit men Dirk of Durk
(voluit Diederik) wel tot Duye, de vrouwennamen Dirkje (beter
Diederika) tot Dukke, Sibbeltsje tot Pibbe, Jelle wel tot Jeye, Jeltsje
tot Jei of Jeike, Aeltsje (Aaltje) en Baukje tot Aeye en Baeye, Aukje
en Barteltsje tot Akke en Bakke, Hylkje en Hiltsje tot Hike en Hikke,
Eelkje tot Eke; Tsjeardtsje (Tjeerdtje) tot Kekke, Lutske tot Lukke of
Lokke, Jitske tot Jikke, Romkje tot Pomme, Froukje tot Poi,
(Sjoerdtsje) tot Sjutte, enz., enz. Deze nieuwerwetsche en leelijke
naamsmisvormingen van den laatsten tijd worden thans in den regel niet
meer in de schrijftaal opgenomen, ofschoon Akke, Baeye (Baaye) en Jeike
ook al een enkele maal in de boeken van den burgerlijken stand vermeld
staan. Intusschen—ware ’t honderd of twee-honderd jaren vroeger
opgekomen om Romkje te mismaken tot Pomme en Sibbeltsje tot Pibbe,
licht hadden wij thans ook Friezinnen die als Pomme en Pibbe in het
kerkelijke doopregister en bij den burgerlijken stand te boek stonden.
En de geleerden, die honderd jaren na ons zullen leven, zouden zich dan
mogen inspannen zoo veel ze wilden en navorschen wat ze wilden, de
oorsprong en de beteekenis van de namen Pomme en Pibbe en Poi, dan
zekerlijk als zeer eigenaardig Friesch vermeld, zoude hun een raadsel
moeten blijven.
Nemen wij als een enkel voorbeeld om aan te toonen hoe zeer de oude,
volledige namen heden ten dage in Friesland verbasterd zijn, den naam
Eke in behandeling. Eke, zoo heeten eenige mij bekende Friezinnen,
althans zoo worden zij in het dagelijksche leven genoemd. Eene enkele
staat ook werkelijk in de kerk en ten gemeentehuize als Eke geboekt. In
den regel echter, die Eke genoemd worden, staan als Eelkje te boek.
Eke! korter kan het niet! Want dat ke is slechts een aanhangsel dat den
verkleinvorm maakt; lam of laem, bij voorbeeld, wordt lamke, lammetje,
in het Friesch. Neemt men dat aangehangene ke weg, dan blijft er van
den naam Eke anders niet over als eene enkele E. Is dat nu een naam,
een eigene Friesche naam? Wel neen! Eke is een vleivorm, een poppenamme
van Eelkje, dat weet men nog. En de naam Eelkje is op zijn beurt weêr
een verkleinvorm, door achtervoeging van het aanhangsel je, van den
mansnaam Eelke. Zoo maakt men, door ze den verkleinvorm te geven,
vrouwennamen van mansnamen: Pyttsje, (Pietje) van Piet (Pieter,
Petrus), Baukje van Bauke (Bavo), enz. Met Eelke zijn wij intusschen
nog lang niet waar wij wezen moeten. Immers de mansnaam Eelke is op
zich zelven ook weêr een verkleinvorm, door achtervoeging van ke
gemaakt. De Friezen toch, hierin onderscheiden van andere Germaansche
volken, die slechts hunnen knapen, zoo lang ze nog kleine kinderkens
zijn, met verkleinnamen noemen—de Friezen hielden en houden die namen
in verkleinvormen ook in gebruik als de kinderen tot knapen en
jongelingen, zelfs tot mannen zijn opgegroeid. Nevens Eelke staat
Eeltje, het eerste met den Frieschen, het laatste met den Hollandschen
verkleinvorm; beide mansnamen beteekenen het zelfde, beiden zijn het
verkleiningsvormen van Ele. In der daad worden zij, die Eelke of Eeltje
heeten, in den dagelijkschen omgang dan ook wel Ele, genoemd. Maar met
Ele zijn wij ook nog niet tot den oorspronkelijken vorm des naams
gekomen. Ook Ele is weêr een verkorte, een versletene vorm. Ele staat
in de plaats van Edele, en is door zeer gewone uitslijting van de d
(de) ontstaan. Ook in het Hollandsch zegt men wel eêl voor edel,
vereêlen voor veredelen, vooral in dichterlijken stijl. Edele is de
volle vorm van dezen naam, die onder ons nog in zoo menigen
verschillenden verklein- en vleivorm voorkomt. Edele is een naam die
eene beteekenis heeft, die eenen zin te kennen geeft. Immers de naam
Edel of Edele beteekent in der daad de edele, de edele man. Edel of
Edele is de nieuwere vorm van den Oud-Frieschen mansnaam Athal, dat is
Adel. Zoo heette, volgens de overlevering, de tweede Prins van
Friesland, de zoon van den eersten, van Friso, en hij leefde 245 jaren
voor Christus’ geboorte. En Athal of Adel, dien naam hebben vele oude
Friezen gedragen. Ook is de naam van het roemruchtige Oud-Friesche
geslacht Adelen er van afgeleid, en niets als een patronymikum van
Adel. [36] De vrouwelijke vorm van Athal of Adel is Athala of Adela, en
dezen naam hebben zekerlijk vele Friezinnen in den ouden tijd gedragen.
Welke vader gaf niet gaarne zulken schoonen naam, schoon in beteekenis
en schoon in klank, aan zijn dochterke? Ook was deze naam niet alleen
bij de Friezen, maar bij alle Oud-Germaansche volken in gebruik. Ook
bij de oude Franken, die gedeeltelijk de Germaansche voorouders der
hedendaags geheel verwaalschte Franschen geweest zijn. De naam Adela
der Frankische vrouwen is nog als Adèle bij de hedendaagsche Fransche
dames in gebruik. Andere volken, niet het minst ook de Hollanders,
hebben ook hier in, als in zoo menige andere zaak, de Franschen
nagevolgd, en zoo is nu Adèle vrij wel een kosmopolitische naam
geworden.
De Friezen echter, trouw gehecht aan hunnen Germaanschen volksaard,
hebben zich steeds te edel geacht om zulke en andere Fransche en
verfranschte namen en naamsvormen te dragen. Zij hebben ze steeds, met
betamelijke minachting, van zich gewezen. Maar zoo er nu eene Friezin
is, wier verknoeide naam Eke haar verdriet, of zoo er eene Friesche
moeder of grootmoeder is, die er iets op tegen heeft dat haar kind of
kleinkind Eelke of Eeltje zal heeten zoo het een knaap is, of Eelkje
als het een meiske is—wel nu—met die, en met honderden andere
soortgelijke verkorte en verknoeide namen staat of valt haar Friesdom
niet. Dat men dan de volle, onverbasterde, oude en schoone namen Adel
en Adela, vol beteekenis, weêr in gebruik neme en in eere herstelle!
Bij dien vrouwennaam hoede men zich echter wel dat men er geen Fransche
Adèle van make! Men late, bij ’t uitspreken, den klemtoon of de
stemsate rusten op de eerste en op de derde lettergreep, op A en a. Zoo
draagt men eenen echten Frieschen naam, in volledigen, schoonen vorm.
Bij ’t verknoeien en verbasteren van de oude, oorspronkelijke Friesche
mans- en vrouwennamen spelen de verkleinvormen eene zeer groote rol.
Wij hebben boven reeds gezien dat de namen Eelke en Eeltje, Eelkje en
Eke alle vier verkleinvormen vertoonen door de aanhangsels ke, tje, en
je, en deze vormen vinden wij terug in een zeer groot aantal
hedendaagsche namen, zoo wel van mannen als van vrouwen. Bij voorbeeld
in Auke en Bauke, in Epke, Harke en Yke, in Wilke en Uulke (Uilke), in
Folke en Tsjepke (Tjepke), in Sipke en Wopke; dan in Haentsje (Haantje)
en Hantsje, in Jentsje en Yntsje, in Luutsje, Rintsje en Wiltsje,
(Hantje, enz.) allen mansnamen. En in Aukje en Baukje, Ymkje en
Sjoukje, Froukje en Houkje, Feikje, Foekje en Fokje, Hiskje en Liskje,
Hylkje en Lieuwkje, Lolkje en Namkje met Ofke en Oedske, Maeike en
Minke, Riemke en Rinske, Sytske en Wytske, Saepke (Saapke) en Swobkje,
Teatske en Yfke, allen vrouwennamen. Deze en soortgelijke namen erkent
nog iedereen als verkleinvormen, omdat de aanhangsels ke, tje en je nog
heden zoowel in de schrijf- als in de spreektaal in volle gebruik zijn.
Anders is het met de Friesche namen die uitgaan op verkleinende
aanhangsels welke in de hedendaagsche spreek- en schrijftaal niet meer
voorkomen. Slechts de man die de Oud-Friesche taalkunde in het
bijzonder heeft beoefend, verstaat dat er verkleinvormen schuilen in de
namen Atse en Watse, Sytse en Wytse, Reitse, Weitse en Sweitse, Doaitse
en Hoaitse, Hoatse en Haitse, Fetse en Jetse, Tjitse en Ritse, in
Rients, Bients en Graets, in Uultsen en Luutsen, in Ytsen en Montsen,
in Douwtsen, Jeltsen en Martsen; verder in Abele en Heabele, Andele en
Bartele, Eabele en Doekele, Lykle en Rykle, Seakele en Sibble, Jakkele,
Nammele en Oebele. En toch is dit het geval. Het aanhangsel tse (ts,
tsen) is een Oud-Friesche verkleinvorm, en le eveneens. Dit blijkt ook
hier uit dat velen dezer namen nog heden ook in onverkleinde vormen bij
ons in gebruik zijn. Bij voorbeeld: Atte (de vrouwelijke verkleinvorm
Atsje is vooral niet zeldzaam), Feite, Haite en Hoaite, Tjitte of
Tiete, Monte, Abe, Eabe, Bart, Doeke, Nammen (uit den verkleinvorm
Nammele is de n van den oorspronkelijken vorm Nammen gesleten, omdat de
n en de l te veel op elkanderen stooten), Oebe (Obbe of Ubbo), enz. Het
Oud-Friesche verkleinende aanhangsel ts is volkomen een en het zelfde
als het Nieuw-Friesche aanhangsel ke. Immers zijn k en ts of tsj
wisselletters in het Friesch. De ts of tsj neemt in het Friesch en
Engelsch dikwijls de plaats in van de k in de verwante Germaansche
talen. Men denke aan tsjerke en church tegenover kerk en kirche, aan
tsjiis en cheese tegenover kaas en käse.
De hedendaagsche Friesche uitspraak van het Hollandsche verkleinende
aanhangsel tje als tsje, bij voorbeeld bytsje voor beetje, potsje voor
potje, Pytsje voor Pietje, enz. is eigenlijk en oorspronkelijk tjse,
tse, of ke. Zoo dat men eigenlijk byttsje (byt-tsje = bytke) moest
schrijven, met Pyttsje, pottsje, enz. Immers de woorden byt, pot, Pyt
eindigen uit zich zelven reeds op t, en ’t aanhangsel tje of tse of
tjse begint er mede. Even eens moest men Attse (At-tse = At-ke = At-tje
= de kleine Atto) schrijven, met Tsjittse, Luuttsen, enz., in plaats
van Atse, Tsjitse, Luutsen. Die aangaande deze ts = k, en tse of tjse =
ke als verkleinend aanhangsel iets naders weten wil, leze eene zeer
belangrijke aanteekening van onzen taalgeleerde J. H. Halbertsma, bij
zijn verhaal De treemter fen it Sint-Antoni-Gasthuws.
Ook een zeer oud verkleinend aanhangsel is le, dat achter namen als
Eabele, Doekele, Nammele geplaatst is. Oorspronkelijk is het volkomen
een en het zelfde als het verkleinende achtervoegsel lyn bij de oude
Hollanders en Vlamingen, als lein bij de hedendaagsche Hoogduitschers,
in de woorden maegdelyn, oogelyn, vogellyn (niet vogelijn), en
blümlein, röslein, äuglein.
Achter den verkleinvorm ke eischt de Oud-Hollandsche, alsook de
Hoogduitsche uitspraak eene n (b.v. roosken, meisken, en röschen,
mädchen), waar de Friesche uitspraak die n achterwege laat: roaske,
fanke. En zoo is het ook met den uitgang lyn of lein, die in het
Friesch, zonder n, als le luidt. Zoo als de oude Friezen in deze zaak
deden, spreken nog heden de Zwaben in Opper-Duitschland, die rösle,
mädle zeggen; terwijl de Zwitsers in hun röseli, maidli de i nog laten
hooren, maar de n ook niet.
Eene bijzondere oorzaak van het verval der Friesche namen is gelegen in
het onverstand van allerlei vreemde, onfriesche predikanten en
pastoors, schoolmeesters, notarissen, ambtenaren van den burgerlijken
stand, enz. in Friesland. Van ouds schreven de Friezen natuurlijk hunne
Friesche namen volgens de Friesche spelling en niet volgens de
Hollandsche of eene andere. Trouwens, eene andere schrijfwijze is ook
niet mogelijk, ten zij men er niet om geve zoo men onzin voor den dag
brengt. Die Friesche spelling van Friesche namen en woorden is de eenig
goede, en is door alle Friezen, die slechts een weinig gevoel voor
taalzuiverheid, slechts een weinig kennis van spelling en letterwaarde
hebben, dan ook steeds gevolgd tot in deze eeuw. Sedert de helft dezer
eeuw zijn er al meer en meer vreemde, onfriesche, meest Hollandsche
onderwijzers, predikanten, pastoors en ambtenaren in de Friesche
gewesten aangesteld geworden. Sommigen van deze vreemdelingen, ja bijna
allen, geven den Friesche taal geenszins de eere die haar toekomt,
waardeeren haar niet of minachten haar, omdat zij haar niet kennen,
omdat zij haar dwazelijk uit der hoogte aanzien voor een verbasterd en
leelijk volksdialect. Anderen zelfs haten haar, haten de Friesche taal
omdat zij hun moeielijkheden in den weg legt in hun verkeer met het
Friesche volk, haten haar omdat de Friesche taal hen dwingt zich in te
spannen en nog wat te leeren—een zware eisch voor waanwijze betweters.
Die willen dan wel het Friesch schoeien op de Hollandsche leest, het
Friesch dwingen in het Hollandsche spoor, met andere woorden: zij
willen Friesche namen en woorden schrijven volgens Hollandsche
spelregels en—begaan dan domheden, waar mede zij den waren Friezen
ergeren. Deze schadelijke invloed van vreemdelingen op de Friesche
taal, waartegen de Stand-Friezen dienen te waken en zich krachtig te
verzetten, blijkt ook uit de dwaze spelling waarin heden ten dage
sommige Friesche namen in nieuwsbladen en andere openbare geschriften
voor ’t licht komen. Daar vindt men wel Sietsche en Wietsche, Jetsche
en Vetje met Vokeltje en Vrouwkje, Zwopkje en Zweitse, Rinze en Binze,
Taeke en Taetsche, Zijtze en Volkert geschreven, in plaats van Sytske
en Wytske, Jetske en Fetsje (Fetje), Fokeltsje (Fokeltje) en Froukje,
Swobkje, Sweitse, Rinse, Binse, Teake, Teatske, Sytse en Folkert.
Die tweeklank ie in plaats van den enkelen klank dien de Friezen met y
afbeelden, die ie waarmede de Hollanders meenen de Friesche zuivere,
lange i (y of î) te kunnen weêrgeven, is in namen als Sietse en Wiebren
in het geheel niet op zijne plaats. De ie is in het Friesch immers
duidelijk een tweeklank, gelijk zij oorspronkelijk in het Hollandsch
ook was, en nog heet. De Friezen laten in hunne uitspraak dan ook zeer
te recht nog duidelijk hooren dat de ie een tweeklank is, in
tegenoverstelling met de Hollanders die deze oude en zuivere uitspraak
verloren hebben, en geen onderscheid meer kennen tusschen ie en i of y.
Immers in het woord wiet (nat) laten de Friezen eenen gants anderen
klank hooren als in Wyt(ske), een onderscheid dat het verstompte gehoor
der Hollanders niet meer schijnt te kunnen vatten.—De sch in woorden
als school, schoen, schip, visch, wasschen wordt in het Friesch, even
als in de Noordsche talen, als sk uitgesproken: skoale, skoe, skip,
fisk, waskje. Door deze Friesche uitspraak in de war gebracht, meenen
sommige waanwijze vreemdelingen ook de sk in de namen Wytske, Gelske,
Anske, enz. als sche te moeten verhollandschen, en er Wietsche,
Gelsche, Ausche van te moeten maken. Intusschen, de sk in Wytske,
Gelske, Anske komt geenszins overeen met de Hollandsche sch. O neen!
Immers in deze en soortgelijke namen is sk slechts eene toevallige
samenvoeging van letters. Hier staan de s en de k slechts bij toeval
naast elkanderen, en vormen geenszins eene bijzondere letterverbinding.
Hier behoort de s aan de lettergrepen Wyts, Gels en Ans (Anso), en de k
is de eerste letter van het verkleinende aanhangsel ke. Dus Wyts-ke
(Wyts-ke, de kleine—of vrouwelijke—Wytse), en niet Wyt-ske, Wyt-sche of
Wiet-sche.—De Friesche taal kent geen letter ij, zooals de Hollandsche
tongval en het hedendaagsche geijkte Nederlandsch. Men kan, of liever
mag dus niet Wijtse, Sijtse, Wijbren, Sijbout schrijven. Wytse, Sytse,
Wybren, Sybout of Sibout moet het wezen. Ook kent de Friesche taal niet
de letters v en z. Die halve, verloopene, vloeiende en suizende
medeklinkers zijn te flauw en te zwevende voor de Friesche tonge; zij
worden in het Friesch door f en s vervangen. Dat men dus niet Zijtze,
Binze, Zweitze en Zwopkje, noch ook Vetje, Vrank, Vedde, Volkert of
Volmer schrijve, maar Fetsje (Fetje), Frank, Fedde, Folkert, Folmer met
Sytse, Binse, Sweitse en Swobkje. Even min schrijve men de bijzondere
Friesche en Engelsche tweeklank ea (in de woorden brea of bread, dea of
dead), waar deze klank in Friesche persoonsnamen voorkomt, als ae, als
of het een Oud-Hollandsche lange a ware. Dus niet Aebe, Taeke,
Taetsche, Aede, Paezens gelijk men heden ten dage wel doet, maar Eabe,
Teake, Teatske, Eade (of Æbe, Æde) en Peasens.
Mogen zulke misvormde namen nooit meer worden geschreven! Dat de
Friezen zich niet door allerlei vreemdelingen allerlei knollen voor
citroenen in de handen laten stoppen. Maar dat zij zuiver Friesch mogen
blijven, ook in de goede Friesche spelling hunner Friesche namen!
Immers, men kan geen Friesche woorden en namen, geen Friesche klanken
met Hollandsche letterteekens afbeelden. Die dit nochtans doet, die
Wietsche schrijft en Zijtze, Taeke en Vetje, handelt even dwaas als de
man die Engelsche, Duitsche en Fransche namen met Hollandsche klanken
en letterverbindingen afbeeldt—die dus Dzjeems, Loedwieg en Zjaak, of
Swensie, Karrelsroe en Bordo schrijven zoude, in stede van James,
Ludwig, Jacques, Swansea, Karlsruhe en Bordeaux.
Alles wisselt, verandert, verslijt, teert uit, sterft af, in ’t
ondermaansche. Alles! Ook de bijzonderheden in zeden, taal en kleeding
der Friezen, al hoe trouw anders de Friezen in den regel ook gehecht
zijn aan de eigenaardigheden, door hunne edele en roemrijke voorouders
hen overgeleverd. In deze zaken toch zijn de hedendaagsche Friezen
geenszins meer de zelfden, die ze van ouds geweest zijn, die ze nog
voor honderd en voor vijftig jaren waren. Zelfs kan de opmerkzame veel
korter tijdsbestek noemen, om veranderingen aan te toonen. Ook in de
Friesche mans- en vrouwennamen doet zich deze wisseling en verslijting,
dit afsterven of buiten gebruik raken bemerken—al is dit ook
betrekkelijk gering en weinig, veel minder dan bij onze stamverwante
volken met hunne volkseigene namen geschiedt. Maar toch droeg deze en
gene onder onze voorouders in de middeleeuwen en later eenen naam die
thans onder ons niet meer gehoord wordt. Ja zelfs in de vorige eeuw nog
kwamen onder de Friezen sommige namen, goed Oud-Friesche namen voor,
die men thans slechts uiterst zeldzaam of in het geheel niet meer aan
kinderen geeft, ’t en zij dan in veranderden vorm, als Richje voor
Rixta, Lutske voor Luxta, Jeltsje voor Jildou, Reintsje voor Reinou.
Ook in deze zaak heerscht — — de mode! Sedert de helft dezer eeuw
vooral schijnt het alsof de Friesche namen sommigen ontaarden Friezen
niet meer goed genoeg zijn. Die verbasterden en verbijsterden tooien
hun kroost, dwaas genoeg! liever met de romantische namen van allerlei
vreemde lui, vooral liefst met Fransche en Engelsche namen, dan met de
eenvoudige en eerlijke namen der eigene voorouders. Hier en daar is er
onder ons eene ijdele moeder en een zwakke vader die aan zoontje of
dochterke niet den Frieschen naam geven van hunnen eigenen vader, van
hunne eigene moeder, gelijk de Friesche zede dit van ouds eischt, maar
eenen vreemden, eenen zoogenoemd mooien naam. Daartoe wordt dan de
Friesche naam, die het kind rechtmatig toekomt, verknoeid en verdraaid,
zoogenoemd verfraaid, maar in der daad misvormd en onkenbaar gemaakt.
Of wel—men bedenkt maar eenen geheel vreemden naam, hoe vreemder en
romantischer, hoe mooier; bij voorbeeld: Aurelia voor Aukje; Ella voor
Jeltsje; Henri voor Harke; Georg voor Gosse; Titus voor Tiete of
Tsjitte, enz. Dwaas, die zoo handelen! Onwaardig, onfriesch, die zoo
doen! Zal men den kinderen de oude en eervolle namen der eigene ouders
en voorouders onthouden, die kenmerken hunner Friesche afstamming, de
edelste onder de Germanen? Zal men ze tooien (?) met de soms
verachtelijke namen van vreemde schurken en schelmen, hoeren en snoeren
misschien? Neen immers! Geen ware Fries, geen Stand-Fries zal aldus
zijn kroost ontadelen.
Behalve deze dwaze en treurige gezindheid, die het vreemde, opgesmukte,
opzichtige, gekunstelde in alle opzichten verkiest boven het eigene,
eenvoudig-schoone, degelijke,—eene gezindheid die gelukkiger wijze
onder de Friezen nog weinig voorkomt, minder dan bij eenig ander
volk—is daar nog eene andere reden die het uitsterven en verbasteren
van Friesche namen ten gevolge heeft. Die reden is gelegen in de
meening welke niet weinigen, overigens goed Frieschen Friezen eigen is,
dat de Friesche namen leelijk zijn, leelijk klinken, dat het slechts
zinlooze klanken zijn, en dat zij den dragers van die namen iets
onbeschaafds, iets weinig gedistingueerds (basterd-woorden passen bij
verbasterde gezindheden) zouden verleenen. En fijn beschaafd en
gepolitoerd (op zijn Fransch, God betere ’t!), ook gedistingueerd (al
is het dan ook valsch) willen er heden ten dage zoo velen zijn!
Nu—ik wil hier ook niet ten eenen male ontkennen dat sommige Friesche
namen, zoo wel van mannen als van vrouwen, in der daad niet schoon van
klank en vorm zijn. Ik kan mij zeer wel voorstellen dat deze of gene,
met een fijn ontwikkeld gehoor en met goeden smaak begaafd, namen als
Sjerp, Nammele, Oege, Oebele, Goaitsen, Durk, Harm, Freark, Olfert,
Hoatse, Jisk, Gouke, Gurbe, Wopke, namen als Eke, Baeye, Akke,
Wobbeltsje, Gatske, Jisseltsje, Nammentsje, Murkje, Jaeike, Sjoerdtsje,
leelijk, zeer leelijk, op den duur ondragelijk vindt. Maar aan deze, in
zich zelven reeds misvormde, verkorte namen is men immers ook niet
gebonden! Men kan die namen in hunnen oorspronkelijken, volledigen,
onverbasterden vorm herstellen. Dan zijn ze niet leelijk, noch zonder
zin. Hier boven hebben wij dit reeds aangetoond bij ’t behandelen der
namen Eke of Eelkje, Eelke of Eeltsje met Sjoerd en Sjoerdtsje, Freark
en Sierk enz. Als eene kleine proeve, hoe men in deze zaak te handelen
hebbe, wil ik aan het einde van deze verhandeling een lijstje geven van
eenige hedendaagsche, verbasterde en verkorte Friesche namen, met hunne
Oud-Friesche, volledige vormen daar achter.
Al geef ik toe dat eenige, zelfs vele hedendaagsch Friesche namen
leelijke, wanklinkende, onbehagelijke vormen vertoonen, dit is toch
geenszins bij allen het geval. De mansnamen Allert, Edsard of Idsert,
Alef, Alger, Ayolt (meest in Groningerland in gebruik), Brucht, Frank,
Jildert, Wybrand, Sybrand en Gerbrand, Onno, Gerlof, Tsjalling, Hayo,
Hillebrand, Hubert, Hero, Ivo, Meinert, Reindert, Taco, Hartger, en de
vrouwennamen Brechtje, Ymkje, Sibrich en Wibrich, Aukje, Minke, Wytske
en Sytske, Wypkje, Rinske, Elske, Geeske zijn namen die, al zijn het
ten deele ook slechts verdraaide en verkorte namen, toch geenszins
leelijk van klank en vorm zijn te noemen. Deze en vele soortgelijke
namen hebben in de mansnamen iets krachtigs, edels, manhaftigs, in de
vrouwennamen iets liefelijks, ongekunstelds, dat Fries en uitman
behaagt. Maar, het zij dat men nu deze namen in deze vormen aanhoude of
afschaffe, het zij men ze tot hunne oorspronkelijke zuivere vormen
terug brenge, men wachte zich wel die namen nog meer te verdraaien, in
de meening ze te verfraaien. Ware misbaksels en monsters van namen zijn
er al, door dat zoogenoemde „mooier maken”, door weinig belezene en
weinig beschaafde, door smakelooze menschen tot stand gebracht. Die
Romkje tot Romelia, Wobkje tot Wobbina, Geeske tot Geziena, Elske tot
Elziena, Aaltje tot Alida, Jeltje tot Jellina, Sjoerdtje tot Sjoerdina,
Fokeltje tot Fokelina, of Doede tot Doederus, Sibble tot Sybillus, Anne
tot Annee, Fedde tot Fedderus, Eabele tot Abelius, Timen tot Timotheus,
Bartele tot Bartholomeus, Jentje tot Gentius, Hessel tot Hesselius,
Jillert tot Jillardus maakt, geeft daar door een bewijs van onverstand
en wansmaak. Gelukkig is deze dwaasheid bij ons Friesche volk tusschen
Flie en Lauwers, dus bij de kern des geheelen Frieschen volks, veel
minder in zwang dan bij de andere Friesche stammen, vooral bij
Groningerlanders en Oost-Friezen. Dezen maken van Roelfke, Swaantje,
Gerkje, Geertje, Lammechien en Lubbechien (in ’t eigenlijke Friesland
Lamkje en Lubkje), van Froukje, enz. Roelfina, Swaantina, Gercolina,
Geertjedina, Lammechiena en Lubbechiena, Froukelina, enz.; de
Oost-Friezen van Haike (de vrouwelijke vorm van Hayo), Hayonetta en
Hayolina, van Geeske, Hilke en Lubke wel Geeskea, Hilkea en Lubkea. Dit
zijn ware monsters van namen, wannamen, die hoe eer hoe liever buiten
gebruik moeten gesteld worden, en die geen waarlijk beschaafd man
zijnen kinderen geven zal. Dan nog maar liever geheel vreemde namen,
zoo als zij doen die eenen knaap, welke naar zijnen grootvader Hette of
Tiete moest heeten, Hector of Titus noemen, of een meiske dat den naam
van hare grootmoeder Aukje of Heiltje toekwam, Aurelia of Helena
noemen—al geeft zulke handelwijze dan ook getuigenis van onfriesche
gezindheid, van weinig gevoel voor de eere van ’t eigene volk, van de
eigene voorouders. Dat men echter oorspronkelijk onfriesche namen als
Klaas, Thijs, Pier, Jan en Kees, als Neeltje, Leentje, Trijntje,
Grietje, Angenietje, Martje, enz., die grootendeels ook bij de
Hollanders en andere Nederlanders in deze vormen voorkomen, terug
brengt tot de oude volle vormen Nicolaas, Mattheus, Petrus, Johannes,
Cornelis, Cornelia, Magdalena, Catharina, Margaretha, Agnes en Martha,
daar kan niemand wat op tegen hebben. Dat druischt niet in tegen den
goeden smaak. In tegendeel, die volle namen zijn verre weg te verkiezen
boven de hier vermelde verdraaide en ingekorte verbasteringen daar van.
Reeds in de vorige eeuw is men begonnen sommige Frieschen mansnamen,
die op eene toonlooze e eindigen (Hobbe, Ynte, Harke), welluidender,
aannemelijker te maken door die e met eene o te verwisselen, en dus van
bovengenoemde namen Hobbo, Into, Harco te maken. Deze namen, op o
eindigende, vertoonen in der daad, volkomen of ten naasten bij, de
Oud-Friesche vormen, waarvan de namen op toonlooze e slechts
verbasteringen, afslijtingen uitmaken. Men handelt dus zeer redelijk
zoo men die oorspronkelijke o weêr in zijn recht herstelt. Ook zijn
deze naamsvormen, op o uitgaande, eigenlijk nooit geheel buiten gebruik
geweest, ook in de zestiende en zeventiende eeuw niet. In sommige
aanzienlijke maagschappen hield men dien vorm op o steeds in gebruik,
al was het dat bij boeren, burgers en geringe lieden de toonlooze e in
plaats van die o getreden was. In Oost-Friesland en Groningerland is
deze o nooit zoo algemeen door de e verdrongen geweest, als in
Friesland bewesten Lauwers. Ook heden nog treft men in die gewesten
meer Friesche namen in hunnen oorspronkelijk op o uitgaanden vorm aan,
dan in ’t eigenlijke Friesland. Men kan veilig de namen, op toonlooze e
eindigende, in beteren vorm herstellen door eene o de plaats van die e
te doen innemen; door bij voorbeeld van Aise en van Sibe, van Halbe en
van Wytse, van Rinse en van Minne, van Atse en van Lykele te maken Aiso
en Sibo, Halbo en Wytso, Rinso en Minno of Menno, Atso en Lyklo. Maar
men doet beter, men handelt in taalkundig opzicht wetenschappelijker,
men bereikt in den regel ook beter zijn doel (te weten het herstellen
der namen in zuiverder en welluidender vormen), zoo men die namen welke
op tse en le uitgaan (Atse, Fetse, Seakele, Lykele, Oebele) en die,
gelijk op bl. 213 en vervolgens reeds is aangetoond, eigenlijk slechts
verkleinvormen zijn—eerst herstelle in den oorspronkelijken,
onverkleinden vorm, en er dan de o achter plaatse. Zoo men dus van Atse
en Fetse (At-tse en Fed-tse, de kleine Atte en de kleine Fedde) maakt
Atto en Feddo; van Seakele en Oebele, Saco en Ubo (men spreke Oebo).
Zie hier, als verdere voorbeelden, eenige Friesche mansnamen in den
hedendaags meest gebruikelijken, versletenen vorm, met den
oorspronkelijken Oud-Frieschen vorm er achter.
Abbe—Abbo.
Abe, Abele, Eabe, Eabele—Abo.
Adde—Addo.
Ade, Eade, Ede—Ado, Edo.
Age—Ago.
Agge, Egge—Aggo, Eggo.
Aike—Aico.
Ailke—Ailco.
Aise, Eise—Aiso, Eiso.
Ale, Alle—Alo, Allo.
Eppe, Epke—Eppo, Epco.
Ate, Atte—Ato, Atto.
Auke—Auco, Avo.
Bauwe, Bauke—Bavo.
Bouwe, Bouke—Buvo.
Bote—Botho.
Bruin—Bruno.
Doede—Dodo.
Doeke, Doekele—Duco, in zuiverder, onverkleinden vorm echter Dodo.
Ede—Edo.
Eelke, Eeltje—Eelco; in zuiverder, onverkleinden vorm echter Adel.
Feye, Feike—Feyo, Feico.
Fokke, Foeke—Focco, Fucco.
Folke—Fulco.
Haye, Haike, Haite, Haitse—Hayo, Haico; de laatste vorm is niet te
verkiezen.
Here, Heere, Heare, Hjerre—Hero.
Oeds—Odo, Udo (spreek Oedo).
Oene—Onno, Uno (spreek Oeno).
Poppe, Popke—Poppo, Popco; de laatste vorm is niet te verkiezen.
Sake, Sakele, Sekele, Seakele—Saco.
Take, Teake, Teke, Tekele, Teakele—Taco.
Schelte—Scelto.
Solke—Solco.
Tade, Teade—Tado.
Tiede, Tiete, Tjitte, Tjitse—Thiedo of Theodo.
Sibe, Sibbe, Sippe, Sipke, Sibbele—Sibo, Sibbo.
Wibe—Wibo.
Uilke, Uiltje, Uiltzen—Ulo.
Wite, Witte, Wytse—Wito.
Wobbe, Wop, Wopke—Wubbo.
Van deze soort van eenvoudige, zoogenoemde stamnamen zijn Hayo, Hugo,
Onno, Otto, Menno, Benno, enz. steeds in gebruik geweest, ook bij de
andere volksstammen in de Nederlanden en Duitschland.
Geheel in overeenstemming met de bovengenoemde mansnamen kan men de
toonlooze e, waarop vele hedendaagsch Friesche vrouwennamen eindigen,
veranderen in eene a. Die namen herkrijgen daar door veelal hunnen
ouden, oorspronkelijken vorm, en worden tevens welluidender en
aannemelijker. Zoo kan men van Tet, Tette of Tetsje maken Tetta, van
Ath of Atsje Atta, en Minna van Minke of Mintsje.
De Friesche vrouwennamen komen heden ten dage meest in verkleinvormen
voor; gaan dus veelal op je, tje, kje, ke uit. Zoo men deze onnoodige,
meestal leelijke verkleinvormen eerst van de namen afneemt, en dan eene
a voegt achter den overblijvenden naamsstam, dan verkrijgt men in den
regel den oorspronkelijken vorm van den naam. Zoo men dus van Ytsje of
Itsje (eigenlijk Id-tje of Yd-tje) den verkleinvorm tje wegneemt, en
achter den overblijvenden naamsstam Id of Yd eene a voegt, is de naam
in zijnen oorspronkelijken en schoonen vorm Ida hersteld.
Zie hier, als verdere voorbeelden, eenige Friesche vrouwennamen in den
hedendaags meest gebruikelijken vorm, met den oorspronkelijken
Oud-Frieschen vorm daar achter.
Detje—Dedda.
Elske, Elsje—Elsa.
Froukje—Frouwa, Frowa; de laatste is de beste vorm.
Heiltje—Heila.
Hiltje, Hikke, Hyltje, Hylkje, Hike—Hilda.
Houkje, Holkje—Holda.
Ynskje—Ina.
Jeltje, Jeike—Jella.
Bontje—Bonna.
Botje—Botha.
Meintje—Meina; in den alleroudsten vorm Megina of Magina.
Fetje, (Fed-tje)—Fedda.
Fokje, Foekje, Fokeltje—Focca, Fucca, Foca.
Ymkje, Imkje, Emkje—Ima, Imma, Emma.
Eadske, Atje—Ada.
Reintje—Reina; in den alleroudsten vorm Regina of Ragina, waarbij men
echter niet aan het Latijnsche woord regina (koningin) te denken hebbe.
Geesje, Geeske—Gesa. De meer bijzonder Oud-Duitsche vorm Gisela (ook
een verkleinvorm), kan ook zeer wel in de plaats van Geeske genomen
worden.
Epkje, Epje—Eppa.
Aafke—Ava.
Doetje (d.i. Doed-tje), Doekje, Doekeltje—Doda.
Doutje, Douwtsen—Duva.
Dieuwke, Dieuwertje—Diuva, Dietwara, Thiadware.
Haitske, Haikje, Haitje—Haya.
Geeltje, Gealtje—Gela.
Hitje (Hid-tje)—Hidda.
Tietje—Thieda of Theoda.
De namen Ada, Emma, Ida zijn van ouds her ook bij andere Germaansche
volken buiten Friesland in gebruik gebleven. De meeste overigen hebben
alleen de Friezen behouden.
Ten slotte nog geef ik hier eene lijst van Friesche persoonsnamen in
hunnen hedendaagschen, verbasterden en verkleinden vorm, met de oude,
oorspronkelijke, volle vormen daar achter. De letters m en v achter de
namen duiden aan of zij mans- of vrouwennamen zijn.
Aart, Arent, Aan m.—Arn of ook Arnold.
Alger. m.—Adelgar.
Allert. m.—Adelhart.
Andele. m.—Ando.
Aafje, Aafke. v.—Ava of ook Aba.
Aaltje. v.—Adela.
Anske. m.—Anso.
Auke. m.—Audo, Auco of Avo.
Aukje. v.—Auda of Ava.
Bean, Baart, Beert, Berend, Barend, m.—Bernhard.
Baartje, Baatje, Berendje (Berendina). v.—Bernharda.
Bauwe. m.—Bavo.
Baukje, Baaie. v.—Bava.
Bartele, Bartle. m.—Bart of Brecht en Barthold.
Barteltje, Bartje, Brechtje, v.—Bartha of Bertha, of Brechta en
Bartholda.
Bouwe. m.—Buvo.
Boukje. v.—Buva.
Binne, Binse, Bente, m.—Benno.
Bentje, Benskje, Bints, Binke, Bintje, Bintske, v.—Benna.
Bennert, Binnert. m.—Bernhard.
Boete, Botte, Bote. m.—Botho.
Boele, m.—Bolo.
Brechtje. v.—Brechta, Bertha.
Eelke, Eeltje. m.—Adel.
Eke, Eelkje. v.—Adela.
Dirk, Durk, Derk, Duye. m.—Diederik of Theodorik of Thiadrik.
Dirkje, Durkje, Derkje, Dukke. v.—Diederica, Theodorica of Thiadrika.
Dedmer. m.—Dethmar, Ditmar, Dietmar.
Evert. m.—Everhart.
Evertje (Everdina). v.—Everharda.
Egbert, Eibert. m.—Egbrecht, Ekbrecht.
Freerk. m.—Frederik.
Freerkje. v.—Frederika.
Gerrit, Geert. m.—Gerhart.
Gerritje, Geertje, Gertje, Getje. v.—Gerharda.
Gerben, Gerbren. m.—Gerbern.
Gerbentje. v.—Gerbern.
Gerbrich. v.—Gerbrechta.
Gelf, Gellif, Gellof, m.—Gerlof of Gerolf.
Gerlt, Gelt. m.—Gerhold.
Gerlske, Gelske. v.—Gerholda.
Govert. m.—Godferth.
Govertje (Goverdina) v.—Godfreda.
Edger. m.—Edgar.
Eilert. m.—Eilhart of Agilhart.
Elger. m.—Adelgar of Athalgar.
Elbrich. v.—Adelbrechta.
Folkert. m.—Folkhart.
Femkje, Femke, Fimke. v.—Femma.
Gosse. m.—Godsschalk of beter Godsskalk.
Greult, Greold, Greelt. m.—Gerhold.
Heine, Heinse. m.—Hagen.
Harm, Harmen. m.—Herman.
Harmke. v.—Hermanna (niet Hermina).
Koen. m.—Kuno (spreek Koeno).
Koert. m.—Koenraad, Kunrad.
Lammert, m.—Landbrecht.
Lambert, m.—Landbrecht.
Lubbert. m.—Ludbrecht.
Lutske. v.—Luda of Lutgarda.
Meine. m.—Magin of Megino.
Meinert, Meindert, Minnert, Mindert, m.—Meinhart of Meginhart.
Hauke. m.—Hauk of Havik.
Hille. m.—Hildo.
Hiltje, Hikke, Hylkje, Hike. v.—Hilda.
Ime. m.—Imo, Immo.
Jorrit. m.—Everhart.
Oege. m.—Ugo (Oego).
Rein. m.—Reino, Regino of Ragin.
Reintje, v.—Reina, Regina.
Reinert, Reindert, Rinnert. m.—Reinhart.
Reintje, Reinske, Reinskje. v.—Reinharda.
Ruurd. m.—Rudhart.
Roelof, m.—Rudolf.
Rommert, Romke. m.—Rombrecht.
Sybren, Sibren. m.—Sigbern.
Sybrand. m.—Sigbrand.
Sjoerd. m.—Sigurd.
Sjoerdtje, Sjutte. v.—Sigurda.
Sybrichje. v.—Sibrechta, Sigbrechta.
Sjaard. m.—Sighart.
Sierk. m.—Sigerik.
Wemeltje. v.—Welmoed, Wolmoed.
Wimer. m.—Wigmar.
Wibren, Wybren. m.—Wigbern.
Wybrand. m.—Wigbrand.
Wytse. m.—Wito.
Wytske, v.—Wita.
Wibrichje. v.—Wigbrechta.
Willem. m.—Wilhelm.
Willemke. v.—Wilhelma (niet Wilhelmina).
Wobbe, Wopke. m.—Wolbrecht.
Wopkje. v.—Wolbrechta.
Wouter, m.—Walther.
Er zijn heden ten dage honderden van bijzondere mans- en vrouwennamen,
in allerlei versletene en verkorte vormen, bij de Friezen in gebruik.
Het gaat natuurlijk niet aan, al die namen hier in hunne
oorspronkelijke vormen te herstellen. Ruimte en tijd laten dat niet
toe. Maar die van andere Friesche namen de oorspronkelijke vormen wil
kennen, kan zeer velen daar van vinden in Dr. Ernst Förstemann’s
Altdeutsches Namenbuch, deel I, Personennamen (Nordhausen, 1856).
Niemand leide uit deze verhandeling, uit deze naamlijsten af, dat ik
het mijne heb willen toebrengen tot het jammerlijke in onbruik stellen
onzer edele en schoone Oud-Friesche mans- en vrouwennamen. O! zulk
streven, den Stand-Fries onwaardig, is verre van mij! Juist het
tegenovergestelde heb ik beoogd. En wat mijzelven persoonlijk aangaat,
mij dunken de Friesche namen ook in hunne hedendaagsche verbasterde
vormen, schooner, althans den waren Fries, der echte Friezinne
passender, in allen gevalle eigenaardiger en volkseigener, als de oude,
oorspronkelijke vormen. Ik voor mij hoor eenen Fries liever Greult en
Frjeark noemen als Gerhold en Frederik, eene Friezinne liever Harmke en
Romkje als Hermanna en Rombrechta, al zijn dan ook de eerstgenoemde
namen slechts verbasterde en verkorte vormen van de laatsten. Maar niet
iedereen denkt aldus. En zoo hoop ik dan met dit opstel te bereiken dat
deze of gene Fries, die zijnen kinderen niet met de oude Friesche namen
zijner eigene ouders en verwanten noemen wil, omdat die namen hem niet
meer behagen in hunne hedendaagsche vormen, dan daarvoor in de plaats
geen vreemde, onfriesche, vaak ongermaansche namen neme, noch ook die
oude namen op dwaze en gansch onredelijke wijze verbastere en verderve,
maar dat die man die namen in hunne oude, oorspronkelijke, volle,
schoone en zinrijke vormen, volgens bovenstaande handleiding,
herstelle.
Een zeer beknopt algemeen overzicht van de Friesche geslachtsnamen, van
de verschillende vormen die de wezenlijke eigenaardigheden der Friesche
geslachtsnamen uitmaken, moge aan de volgende verhandeling voorafgaan,
tot beter verstand en inzicht bij het hier vervolgens behandelde
onderwerp.
Volgens hunnen oorsprong en hunne beteekenis vervallen de eigenaardige
Friesche geslachtsnamen in twee hoofd-afdeelingen; ten eersten, in
geslachtsnamen die van mansvóórnamen zijn afgeleid; ten tweeden, in
zulken die van plaatsnamen afstammen.