Aeltsje (Aaltje), Adela, in vleivorm Aeye (Aaye).
Aukje, ” ” Akke.
Barteltsje (Barteltje), ” ” Bakke
Baukje, ” ” Baeye, (Baaye).
Dirkje, Durkje, ” ” Dukke, Duye, Dye, Didde,
Dirre.
Eelkje, ” ” Eke, Eekje.
Fokeltsje (Fokeltje), ” ” Po.
Froukje, ” ” Poai, Poi.
Hylkje, ” ” Hike.
Hiltsje (Hiltje), ” ” Hikke.
Jeltsje (Jeltje), ” ” Jei, Jeye; weer verkleind
tot Jeike.
Rinske, ” ” Kinge.
Romkje, ” ” Pomme.
Sibbeltsje (Sibbeltje), ” ” Pibbe.
Sibrechtje of Sibrichje, ” ” Pibe.
Sjoukje, ” ” Koai, Koi.
Tsjeardtsje (Tjeerdje) en
Geartsje (Geertje), ” ” Kekke.
Tjetske, ” ” Jekke.
Tjitske, ” ” Jikke.
Uulkje, ” ” Uke en Oeke.
Wytske, ” ” Wike.
Willemke, ” ” Wim, Wimke, Pimke.
Elisabeth, ” ” Lyske, Like, Lite.
Grytsje (Grietje), Margaretha, ” ” Kike.
Jurjentsje (van Jurjen =
Georgius afgeleid), ” ” Jui of Juike.
Maria, Maryke, ” ” Maeike (Maaike).
Pytsje (Pietje) (van Pieter =
Petrus), ” ” Pike.
Tryntsje (Trijntje), Catharina, in vleivorm Nynke en Nine. In de
steden ook Tine en Tynke.
Johanna, in vleivorm Hanne, Kanne en Kanke.
Te Leeuwarden, en misschien ook elders in Friesland, komen nog onder de
ingezetenen, van ouds, de vreemde vrouwennamen Beatrix en Deborah voor,
die als vleivormen Baetsje (Baatje) en Deetsje (Deetje) hebben.
Onder de bovengenoemde vleinamen zijn er eenigen, die enkel maar in
mondeling gebruik zijn, maar nooit geschreven worden, en nooit als
geijkte namen voorkomen. Dat zijn bij voorbeeld Koai en Poai, Pomme en
Pibbe, Kinge en Bakke bij de vrouwennamen; Kei en Kaeye en Panne bij de
mansnamen. Dezen, en eenige anderen, zijn nog heden louter als echte
vleivormen, louter als noemnamen (sit venia verbo), en niet als
schrijfnamen in gebruik. Maar Akke en Baeye (Baaye), Eke en Uke, Hike
en Jikke, al zijn ze den volke nog genoegzaam als vleivormen van Aukje
en Baukje, enz. bekend, komen toch ook wel als geijkte namen voor in
doopboek en register van den burgerlijken stand, op de wijze als dit
hier voren, bij Aeltsje en Aeye is aangetoond. En dat de mansnamen
Pibe, Jeye, Duye eigenlijk slechts vleivormen zijn van Sibren, Jelle en
Durk of Dirk (om van Jan = Johannes, Pieter = Petrus, Klaas = Nicolaas
niet te gewagen)—dit is maar weinigen bekend, omdat deze namen even
menigvuldig als de ware en oorspronkelijke namen, in geijkten zin,
voorkomen.
Slechts zeer kortelijk en zeer oppervlakkig, slechts als ter loops heb
ik de zaak der Friesche vleinamen hier te berde gebracht, ofschoon er
juist van dit onderwerp zoo oneindig veel ter verklaring van de
eigenheden en bijzonderheden der Friesche namen in het algemeen, te
zeggen valt. Ik heb slechts voorloopig willen aanduiden, dat vele
Friesche mans- en vrouwenvóórnamen anders niet zijn dan zulke
vleivormen, afgeleid of verbasterd van volledige, oorspronkelijke
namen, die de Friezen met andere Germaansche volken gemeen hebben of
hadden. (Zie ook bl. 205). Pibe bij voorbeeld is reeds sedert vele
eeuwen onder de Friezen in gebruik in geijkten zin, dus schijnbaar als
een echte, een volslagene mansvóórnaam; en toch is deze naam
ontwijfelbaar een vleivorm van Sybren (Sigbern), en anders niet;
evenals Jeye en Reye slechts vleivormen zijn van Jelle en Reitse, Pim
en Kei van Willem en Gerrit, enz. Die dit niet weet, moet Pibe wel
houden voor eenen onverklaarbaren, geheel bijzonder Frieschen naam, die
zijn weêrga bij andere Germaansche volken niet heeft. En zoo moet hij
ook denken over dat zeer groote aantal Friesche namen, die reeds sedert
eeuwen en eeuwen, en nog heden ten dage, onder ons in zwang zijn, en
die, evenals Pibe, onder de Germaansche namen geheel op zich zelven
schijnen te staan, geheel bijzonder Friesch schijnen te wezen. Toch is
niets minder waar, dan dit. Honderden Friesche namen zijn eigenlijk
slechts zulke vleivormen van volledige, algemeen Germaansche namen.
(Zie bladzijde 211). Maar dit kan niet altijd en in alle gevallen met
zekerheid worden aangetoond. Integendeel, het is veelal hoogst moeilijk
om het bewijs daarvan te leveren, ja ondoenlijk, uit gebrek aan oude
oorkonden en bescheiden, waar dit uit zoude kunnen blijken. Immers die
vleivormen zijn reeds sedert eeuwen, velen reeds sedert 1000 jaren, in
volle, geijkte gebruik; zij werden reeds in de vroege middeleeuwen,
veelvuldig als zoodanig, en niet in hunne oorspronkelijke, volledige,
onverbasterde vormen geschreven. Bij de Friezen kwam dit zeer
menigvuldig voor, terwijl Sassen en Franken en andere den Friezen
naverwante volken, in geschrifte, in den regel de volledige,
onverbasterde namen hun recht gaven, ook al hadden ze, even als de
Friezen, in het dagelijksche leven vleivormen van die volle namen in
gebruik.
Ik heb eens eene oude oorkonde, een koopbrief, in het Friesch
geschreven, en uit de 15de eeuw dagteekenende, in handen gehad en
gelezen. Dat stuk begon alzoo: „Ick Wolbrecht Hayesin hlye end dwa cond
mei dissen jenwirdigen breve, dat ic in caep jowen habbe”, enz. Verder
op, in dezen koopbrief, noemt de schrijver, die zich in den aanvang
voluit Wolbrecht, de zoon van Haye, had genoemd, zich eenvoudig en plat
weg: Wobbe („Ic Wobbe voersein”). Wobbe geldt dus hier ontwijfelbaar
voor den dagelijkschen noemnaam dezes mans Wolbrecht, en was
ontwijfelbaar de vleivorm zijns naams, die hem nog van moeders schoot
af was bijgebleven. Wobbe was de naamsvorm, waarbij Wolbrecht dagelijks
genoemd werd, en bij iedereen bekend was. Toch wist de man, dat zijn
naam, in volledigen vorm eigenlijk Wolbrecht was, en zóó noemt hij zich
dan ook te recht, in den aanvang van de voor hem gewichtige oorkonde,
die hij schreef.
Evenals wij nu weten, dat de volledige naam Sybren (Sigbern) tot Pibe
en ook (minder verbasterd) tot Sibe geworden is, en dat Wobbe (met den
verkleinvorm Wobke, misschreven als Wopke) als vleivorm van Wolbrecht
is afgeleid, zoo mogen wij met alle waarschijnlijkheid, schier met
zekerheid stellen, dat de Friesche mansnaam Abbe zulk een vleivorm is
van Albert (oudtijds voluit Adelbrecht, Athalbercht). En waar wij nu
weten, dat de oorspronkelijke vorm Adelbrecht niet enkel tot Albrecht,
Albert is geworden, maar (bij de oude Hollanders vooral) evenzeer tot
Aalbert (Aelbrecht); waar ook de oorspronkelijke, volle naam Adelhart
bij de Friezen zoowel tot Aldert als tot Aaldert is vervormd, daar
mogen wij toch wel aannemen, dat ook Abe, zoowel als Abbe, een vleivorm
is van Albert of Aalbert. Abbe nu en Abe behooren al tot de oudst
bekende Friesche mansnamen. Zij komen, al de laatst verloopene acht
eeuwen door, in verschillende schrijfwijzen of spellingen, in oude
geschriften voor, hebben ook aan talrijke geslachtsnamen en plaatsnamen
oorsprong gegeven, en leven nog heden onder ons. Dit alles wordt in
mijne Friesche Naamlijst aangetoond.
Mij zelven is wel nooit, onder het Friesche volk, ter oore gekomen, dat
een knaapke, als Albert gedoopt en ingeschreven, door zijne moeder,
„uit lievigheid” Abbe (of Abke) werd genoemd (ofschoon dit zeer
mogelijk is); maar wel hoorde ik dat eene Hollandsche moeder haar
zoontje, Albert geheeten, liefkoozenderwijze Appi noemde, en dat hare
andere kinderen hun broerke evenzóó heetten. Heden ten dage zal nu
niemand in Holland den naam van dit kind ook als „Appi” schrijven. Maar
de oude Friezen, in dezen hunnen schier al te nuchteren zin voor
huiselijken eenvoud ook in het openbare leven, schreven wel Wobbe als
de man voluit Wolbrecht heette, of Pibe en Sibe voor Sybren, Wibe voor
Wybren (Wigbern), Tjamme voor Tjadmer (Thiadmar), enz.
Dit een en ander is slechts eene vingerwijzing, slechts eene
oppervlakkige aanduiding ter verklaring van zoo vele honderden
bijzondere, bij de verwante Germaansche volkeren niet voorkomende
Friesche namen—namen, die juist door hunne bijzonderheid, velen
taalgeleerden navorschen, oudtijds en nog heden ten dage, zoo veel
hoofdbrekens gekost hebben, en zoo menigmaal tot averechtsche
beschouwingen aanleiding hebben gegeven, en die toch zoo eenvoudig en
geleidelijk als vleivormen van volledige algemeen Germaansche namen
ontleend zijn.