HELMONDSCHE NAMEN UIT DE MIDDELEEUWEN.

Met blijdschap mocht ik, op mijn verzoek, van den heer Aug. Sassen, den

welgeleerden en volijverigen Archivaris van Helmond, eene lijst

ontvangen van namen der Helmondsche burgerij uit de veertiende en de

vijftiende eeuw. Die namen, door den Heer Sassen met veel

zorgvuldigheid uit oude Helmondsche oorkonden en geschriften, vooral

ook uit de Helmondsche Schepenacten bijeen verzameld, waren mij, in

menig opzicht, voor mijne navorschingen op ’t gebied der namenkunde van

groot belang. Zij hebben mij dan ook aanleiding gegeven tot het

opstellen van de volgende verhandeling.

Deze namen van ingezetenen der stede Helmond in de twee laatste

middeleeuwen, ten getale van ruim twee-honderd, leveren in de groote

verscheidenheid en in de zeer verschillende vormen waar in ze ons in

geschrifte zijn overgeleverd geworden, een spiegelbeeld op van den

toestand der persoonsbenamingen, gelijk die toen ten tijde in de

hoofdplaats van het Peelland bestond. Die Helmondsche toestand mag men

wel achten in hoofdzaak eveneens van geldigheid te zijn voor al de

Brabantsche gewesten en gouwen van die tijden, met name wat het

platteland en de kleine steden aangaat; minder misschien wat de groote

steden, vooral Brussel en Leuven, wellicht ook ’s-Hertogenbosch en

Breda betreft.

Die toestand der benamingen was in de verschillende Nederlandsche

gewesten en in de verschillende eeuwen steeds zeer ongelijk; tot dat de

invoering van den zoogenoemden „Burgerlijken Stand”, en de wetgevingen

op de benamingen der ingezetenen, ten jare 1811 in ons vaderland

ingevoerd, in die zaak eene gewenschte eenheid bracht. Deze zaak der

persoonsbenamingen levert een belangrijk en merkwaardig hoofdstuk op in

het boek van de geschiedenis der beschaving onzes volks. Vormen van

benamingen die wij, volgens onze naamlijst, te Helmond en zekerlijk ook

elders in Brabant, in de vijftiende eeuw nog wel in zwang vinden, maar

die sedert dien tijd daar volkomen buiten gebruik geraakt en verdwenen

zijn, bestonden twee eeuwen later nog ten volsten in Holland en

Zeeland, en bleven in onze Friesche gewesten (Friesland, Groningerland,

Drente, noordwestelijk Overijssel en Noord-Holland) nog tot in het

begin dezer eeuw heerschen. Geslachtsnamen, gelijk wij allen die thans

dragen, waren in de zuidelijke gewesten, in Vlaanderen en Brabant reeds

in de dertiende en veertiende eeuw bij de aanzienlijke maagschappen in

zwang, en later ook algemeen bij de burgerij in de steden en bij de

landzaten daar buiten, toen men in Holland nog een paar eeuwen lang

enkel den doopnaam met den naam des vaders als patronymicum voerde, en

terwijl in Friesland het gros der bevolking met deze wijze van

naamsvoering nog stand hield tot in het laatst der vorige eeuw. Ja, nog

heden laat men in de Friesche gewesten die oude, eenvoudige naamsvormen

niet varen, ook al hebben zij, in geijkten zin, geen geldigheid meer.

Al die verschillende naamsvormen, eenvoudige en zeer samengestelde,

oude en nieuwere en nieuwste, komen in onze Helmondsche namenlijst

voor. Wij willen ze een voor een nader beschouwen.

In de oudste tijden, en bij alle volkeren, hadden de menschen maar

eenen enkelen naam: den naam, dien men thans, in Christelijken zin

doopnaam, in burgerlijken zin vóórnaam noemt. En die enkele naam was

voldoende. Later, bij vermeerdering en uitbreiding van het menschelijke

geslacht, bij vermeerderd en levendiger verkeer der lieden onderling,

was die eene, enkele naam wel oorzaak van verwarring—omdat, bij het wel

zeer groote, maar daarom toch niet onbeperkte getal namen, dat de

lieden te hunner beschikking hadden, verschillende personen wel eenen

gelijken, wel den zelfden naam droegen. Zoo werd men wel genoodzaakt,

om die gelijknamige personen van elkanderen te kunnen onderscheiden,

hen bij hunnen eigentlijken naam nog eenen tweeden naam, als bijnaam of

toenaam te geven. Zulken tweeden naam vond men het gereedste in de

namen van de vaders dier gelijknamige lieden. Deze vadersnamen of

patronymica, oorspronkelijk voluit met het woord zoon, in de

onderscheidene talen, daarachter, en dus natuurlijk in den tweeden

naamval geplaatst, zijn bij alle Germaansche volken in zwang geweest,

en zijn tot op den dag van heden bij de Friezen nog in gebruik

gebleven. Vele patronymica zijn in verloop der tijden langzamerhand van

steeds wisselende, enkel voor de kinderen van eenen en den zelfden

vader geldende namen, geworden tot vaste, onveranderlijke

maagschapsnamen, en als zoodanig nu aan zeer vele maagschappen, ook

hier in de Nederlanden, eigen.

In het midden der veertiende eeuw, ten jare 1348, het oudste jaar dat

in onze naamlijst voorkomt, waren er te Helmond geene personen meer die

nog op dien alleroudsten en eenvoudigsten trap der benaming stonden,

waar bij de lieden slechts eenen enkelen naam, en geenen toenaam, in

welken vorm dan ook, hadden. Althans onze lijst vermeldt zulke

benamingen niet. Achter alle doopnamen, daarin vermeld, staat een

andere naam als toenaam; een vadersnaam veelal, of anders een

plaatsnaam, of ook ’t eene of andere algemeene woord, als bijnaam, aan

het bedrijf van den man of van diens vader, of aan de eene of andere

bijzondere geestelijke of lichamelijke eigenschap ontleend.

De oudste vorm der patronymicale benamingen, volledig, met het woord

zoon (in dit geval soen) daar achter, is in onze naamlijst

vertegenwoordigd in de namen van Henric Roefssoen (1389) [23], Godart

Lyzensoen (1401), Ghevart Lutensoen (1401), Jan Colensoen (1419),

Anchem Goeswijnssoen (1424), Bruysten Yseboutssoen (1426), Godart

Vrankensoen (1439), enz. Dat is: Henric soen van Roef of Hendrik zoon

van Roef (Rodfred); Godart zoon van Lyse (een vrouwennaam? Elizabeth?);

Ghevart of Gevaart zoon van Lute (Hlodo); Jan zoon van Colen

(Nicolaas); Anchem (Anselm?) zoon van Goeswijn (Gosewijn, Godswin);

Bruysten zoon van Ysebout (Isbold, Idisbald); Godart (Gothard) zoon van

Vranke (Franco, Frank) [24].

Het kwam wel voor, dat twee personen niet slechts den zelfden doopnaam

hadden, maar ook den zelfden vadersnaam voerden, omdat toevalliger

wijze ook hunne vaders beiden den zelfden naam hadden gedragen. Dan was

nog eene andere toevoeging achter hun patronymicum noodig, om die twee

personen van elkanderen te kunnen onderscheiden. Of ook, bij

bijzondere, belangrijke aangelegenheden, zoo als die, welke het

opstellen van oorkonden (uiterste wilsbeschikkingen, koopbrieven, of

andere overeenkomsten) ten gevolge hadden, was eene zeer nauwkeurige

aanduiding der verschillende personen noodig, en voegde men daarom nog

eene nadere onderscheiding achter het patronymicum. Daar toe was de

naam van de plaats (stad of dorp, berg, bosch of heide) waar deze of

gene persoon woonde, of anderszins herkomstig was, bijzonder dienstig.

Zulke namen komen op de naamlijst voor als: Dyrc Cnoopsoen van Zoemeren

(1389); Jan Claeussoen van Lancheze (1401); Lambrecht Stevenssoen van

Milheze (1401); Didderic Janssoen van den Broeke (1402); Ayen

Hermanssoen van Eyndhouts (1407); Roef Alartssoen uten Vehuse, dat is

Roef of Rodfred, de zoon van Alart of Adelhart uit den veehuize, uit

het veehuis (dus de man die in een huis woont, waar in het bijzonder

vee gehouden of gestald wordt?). Verder Lodewich Lodewichssoen van

Loeffen (1418). Deze zelfde man komt in eene vroegere oorkonde van den

jare 1410 eenvoudig voor, met ingekorten doopnaam, als Lodeken van

Lofen; waarschijnlijk moet deze plaatsnaam Loeffen of Lofen wel den

naam der stad Leuven voorstellen. Eindelijk nog Vrientken Vrients van

Doernen (Deurne) (1423); Jan Ywaenssoen van den Berghe (1423); Rymbout

Henrixsoen van den Berge (1444), enz.

Jongelingen en jonge mannen die nog bij hunne vaders in huis woonden,

wier vaders dus, nog in de volle kracht huns levens, meer en beter

bekend waren in hunne omgeving als die jonge lieden zelven, voerden

slechts hunnen doopnaam, met den volledigen naam hunner vaders,

voorzien van dier mannen patronymicale of andere toenamen, ter

verduidelijking daar achter gevoegd. Voorbeelden van deze benamingen

vinden wij in Hubrecht soen Happen Smolners (1435), dat is: Hubrecht,

zoon van Happe Molner, van Happe den molenaar (smolners = des

molenaars). Verder in Willem soen Jan Touwers (1460), Willem zoon van

Jan Touwer; Jan soen Aert Alaerts (1481) en Jan soen wilen Jans van der

Capellen (1407.) Bij deze laatste benaming voerde de zoon Jan nog den

vollen naam van zijnen vader, niettegenstaande deze laatste niet meer

in leven was. Jan was toen zekerlijk nog een jongeling; anders toch

hadde hem, als man, zijnen eigenen naam Jan Janssoen beter gevoegd.

Omslachtiger nog werd deze soort van benaming, als een man achter

zijnen eigenen vollen vóórnaam en toenaam, ook nog den vollen naam

zijns vaders voerde, met diens patronymicum nog daar bij. Bij

voorbeeld: Art van den Loe Henrics Metten soens soen (1403), dat is:

Art van den Loe (Arnold van den Loo) zoon van Henric Mettensoen, met

andere woorden: zoon van Henric, die een zoon was van Mette. Uit zulken

naam blijkt dan niet slechts de naam van den vader, maar ook die van

den grootvader des mans, die den naam draagt. Voor het dagelijksche

leven zijn die namen te omslachtig; maar in geschrevene stukken laten

zij aan duidelijkheid weinig te wenschen over. De personen die ze

voeren, worden er duidelijk door aangewezen, schier omschreven. Of

zulke omschrijvende benamingen ook nog heden bij het Brabantsche volk

in het dagelijksche leven gebruikelijk zijn, weet ik niet. Maar ik

betwijfel het. Bij het Friesche volk echter, zoo gehecht aan zijne

eigene oude zaken en vormen, vooral op taalkundig gebied, komen zulke

samengestelde benamingen (natuurlijk in sterk afgekorte vormen) nog

heden wel voor. Zoo leefde daar in de eerste helft dezer eeuw op het

eiland Ameland een man, die in het dagelijksche leven Betse-Rinse-Piet

genoemd werd; dat is Pieter, zoon van Rins (Rins of Rinske is een

Friesche vrouwennaam), dochter van Betje. Eene Friezin op het eiland

Sylt ten jare 1766 voerde in de wandeling de benaming van

Moiken-Manne-Jens-Eben; dat is: Moiken, de dochter van Ebe, de zoon van

Jens, de zoon van Manne. Deze vrouw torste dus nog den naam van haren

overgrootvader. Zij werd echter in deze zaak nog overtroffen door eenen

man op ’t eiland Marken, omtrent het midden dezer eeuw levende. Deze

toch werd genoemd: Sijmen van Neele-Kee’n-Pieters-Dirk; dat is: Sijmen,

zoon van Dirk, die een zoon was van Pieter, die een zoon was van Kee

(Cornelis), die een zoon was van Neeltje (Cornelia).

Nevens dien eenen naam, hierboven reeds genoemd, komen in onze

Helmondsche namenlijst nog andere zulke omslachtige benamingen in

gelijken vorm voor. Het zijn: Roef Gheryt Janssoens soen van Boerdonc

(1395), dat is: Roef van Boerdonc, zoon van Gheryt, zoon van Jan.

Verder Jan Kerman Henrics Robben soens soen = Jan (de karreman? de

karrevoerder?) de zoon van Hendrik, de zoon van Robbe (Robbert,

Rodbrecht); Dirc Dieric Guelden soens soen (1414) en Roever Godart

Meeussoens soen (1419).

De dubbele vermelding van het woord soen of zoon in bovenstaande

benamingen was toch op den duur in ’t dagelijksche spraak- en

schrijfgebruik te lastig. Men liet dus dat tweede woord soen achter

wege, waardoor de benaming toch niet van hare duidelijkheid inboette.

Van zulke ingekorte namen, die toch nog achter den doopnaam van den

drager, met of zonder zijnen toenaam, den naam van zijnen vader en

grootvader vermelden, levert onze naamlijst vele voorbeelden. Zie hier

eenigen daarvan: Hoegard wilen Jans Godartssoens van Bruheze (1423);

dat is Hoegard de zoon van wijlen Jan, die een zoon was van Godart van

Bruheze, of anders gezeid Hoegard van Bruheze, zoon van Jan, enz.

Lambrecht Alairts Salensoen van Bakel (1416); Art Peter Meeussoen

(1418); dat is Art de zoon van Peter, de zoon van Meeus (Bartholomeus).

Een zoon van dezen Art droeg weêr naar zijnen grootvader den naam van

Peter; hij komt in eene oorkonde van den jare 1439 voor als Peter Art

Peter Meeussoens soen [25]. De toenamen van Bruheze, van Bakel, enz.

achter deze namen, aan plaatsnamen ontleend, zijn geenszins als vaste

geslachtsnamen te beschouwen, maar wijzen enkel aan, duidelijkheids

halven, dat de dragers dier namen in die plaatsen wonen of van daar

herkomstig zijn.

Leverden de namen van Peter Art Peter Meeussoenssoen en vele anderen

bovengenoemd, reeds voorbeelden op van zeer omslachtige naamsvormen,

nog langer, nog samengestelder zijn sommige namen, almede op onze

naamlijst voorkomende. Het zijn in der daad ware omschrijvingen van de

maagschapsverhoudingen der personen die zulke monsters van namen hebben

getorst: Jan soen Jan Lemmenssoens van Milheze (1401); Heynken Heynen

Diddekens Tsweertssoens soen (1431) = Heynken (kleine Hendrik) zoon van

Heyn, die een zoon was van Diddeken (kleine Dirk, Diederik) den Weerd.

Verder nog Willem Ghevarts Luten Medemanssoen soen (1401) = Willem,

zoon van Ghevart, zoon van Lute Medemans, zoon dus van Lute die een

zoon was van eenen man dien men om de eene of andere reden de Medeman

had genoemd. De vader van dezen langnamigen Willem komt in eene

oorkonde van den jare 1401 voor als Ghevart Lutensoen Willems vader;

hier dient dus, omgekeerd als gewoonlijk het geval is, de naam van den

zoon tot verduidelijking van dien des vaders. Al deze lange benamingen

worden nog overtroffen door dien van Jacopsoen wilen Jans geheyten van

den Bomen Godartssoen van Bruheze (1449), dat is Jacob, zoon van wijlen

Jan van den Bomen die een zoon was van Godart van Bruheze.

Maar zulke monsterachtige, als ’t ware op elkanderen gestapelde

naamsvormen konden op den duur onmogelijk in stand en in gebruik

blijven. Hunne langheid en ongeschiktheid bracht eenen tegenslag in de

zaak der persoonsbenamingen te weeg, waardoor men weêr tot de

eenvoudigste benaming terug keerde, te weten tot die van den enkelen

doopnaam des mans, met den naam van zijnen vader als patronymicum daar

achter. Op bladzijden 173 en 174 hiervoren zijn deze namen, nog met het

oorspronkelijke woord soen daarachter, reeds vermeld. Maar men liet dit

woordje soen, dat eigentlijk ook overtollig was, ook nog achter wege,

en behield dan, als patronymicale toenaam, enkel den vadersnaam in den

tweeden naamval. Daar mede was men weêr aangeland bij eene eenvoudige

en doelmatige wijze van naamsvorming, die nog heden onder de bevolking

in alle Friesche gewesten en gouwen, West en Oost en Noord,

gebruikelijk is. Voorbeelden van dezen naamsvorm vinden wij in onze

naamlijst als: Peter Michiels (1471) = Peter (zoon) van Michiel; Jan

Reyners (1460), in 1467 Jan Reyniers genoemd, enz. [26].

Het bleek echter op nieuw dat deze korte benamingen niet in alle

gevallen voldoende waren. Indien het toch geviel dat daar in ééne

plaats twee personen waren die beiden niet enkel den zelfden doopnaam

maar ook den zelfden vadersnaam droegen, dan was men wel genoodzaakt,

zoo men die twee lieden nauwkeurig van elkanderen onderscheiden wilde,

weêr de toevlucht te nemen tot allerlei toe- en bijnamen. De cirkelgang

der benamingen, die weêr moest uitloopen op eene opéénhooping van

allerlei naamsvormen, was hier mede weêr een nieuw tijdperk ingetreden.

Die toe- en bijnamen werden weêr op allerlei verschillende wijzen

gezocht en gevonden. Bij voorbeeld in de maagschapsbetrekkingen der

menschen: Henneken Roeselmans Melys brueder (1439); Jan van den Loe

(desselfs) Arts oem, de oom van Art van den Loe Henric Mettensoens

soen, op bladzijde 175 reeds vermeld. Misschien behooren hier ook toe

Jan Neve (1348) en Jan Loden Neefssoen (1424), Jan zoon van Lode

(Lodewijk) Neef (of van Neef-Lode?).

Omslachtiger, omschrijvender, werden die namen al weêr in benamingen

als de volgenden: Jan Scherpen van Tyel (1400), dat is: Jan, zoon van

Scherp van Tiel (Scherp, Scharp, Scarp kwam in de middeleeuwen als

doopnaam voor), of Jan van Tiel, zoon van Scherp; Willem ende Arnt

wilen Noyen kinderen van Doernen (1423); Rabout heeren Rabouts soen van

Vloedorp (1425); Gherit van der Schaut Jordens soen van der Schaut

(1433). Deze vader en zoon droegen hunnen toenaam naar den naam van

eene plaats (eene hoeve, of een landgoed of iets van dien aard), hun

toebehoorende. Immers in de oorkonde is er sprake dat Gherit eikenhout

verkoopt „staende te Schaut.” [27].

Ook de bovenstaande namen leden al weêr aan het gewone euvel dezer

willekeurige benamingen—zij waren door al die toe- en bijvoegsels te

lang, te ongeschikt geworden voor het dagelijksche leven. Men zag in

dat men, door iemand slechts met zijnen doopnaam en met eenen enkelen

bij- of toenaam te noemen, eene betere, dat is kortere en duidelijkere

benaming voor zulken persoon had, dan wanneer men ook nog al die

patronymicale benamingen daar bij voegde. Te meer, omdat die

vadersnamen toch gelijkluidend waren voor al de kinderen van eenen en

den zelfden vader; terwijl een bij- of toenaam veelal slechts voor

eenen enkelen man gold, dus geheel persoonlijk was. Zulke benamingen

dan hadden volkomen het voorkomen onzer hedendaagsche eenvoudigste

namen: één vóórnaam en een maagschapsnaam. Toch moet men deze toenamen

achter den enkelen vóórnaam geenszins als onze hedendaagsche vaste en

overervende maagschapsnamen beschouwen. Integendeel, zij golden

dikwijls slechts voor eenen enkelen man, en gingen veelal niet op diens

kinderen over. Voorbeelden van zulke benamingen biedt onze Helmondsche

namenlijst in menigte. De toenamen zijn aan allerlei verschillende

zaken ontleend; aan plaatsnamen, beroepsnamen, spotnamen zelfs, enz.

Zie hier eenigen van die benamingen: Willem van der Rijt (1467); Henric

Mortel (1389); Lambrecht van Liessel (1401); Jan die Kremer (1418);

Daenel van Bruheze ende Art Staemelaertsynsoen [28].

Deze zeer eenvoudige namen konden op hunne beurt ook al weêr niet het

gewone lot ontkomen van de persoonsbenamingen in de tijden, toen deze

zaak nog niet wettelijk geregeld was; zij waren aan wisseling en

verandering onderhevig, en, bij de zonen der mannen die deze benamingen

eerst gevoerd hadden, aan patronymicale vervormingen. Werd bij

voorbeeld een man die bij doopname eenvoudig Jan heette, en die geenen

afzonderlijken toe- of bijnaam voerde, in zijne dagelijksche omgeving

gemeenlijk Jan de Timmerman genoemd, omdat hij een timmerman was van

zijn handwerk—zijn zoon Willem, in zoo verre deze zijn rechtmatig

patronymicum Janssoen of Jansen niet voerde, en evenmin zich-zelven nog

geenen eigenen bij- of toenaam, van welken aard dan ook, verworven

had,—zijn zoon Willem kreeg, ter onderscheiding, den vaderlijken

toenaam als een oneigenlijk patronymicum, natuurlijk in den tweeden

naamval; men noemde hem Willem Timmermans, d.i. Willem, de zoon van den

timmerman, van Jan den Timmerman. Droeg de vader den bijnaam van

Breughelman omdat hij, te Helmond wonende, uit den dorpe Breugel

herkomstig was, zijn zoon heette Breughelmans. Zulke oneigenlijke

patronymicale benamingen—oneigenlijk, omdat zij niet van den

vaderlijken doopnaam, maar van den vaderlijken toe- of bijnaam afgeleid

zijn—komen almede op onze Helmondsche naamlijst voor. Hier zijn ze: Jan

Berbiers (1439), de zoon van den barbier, van den man die, naar zijn

bedrijf, Peter of Henric Berbier genoemd werd; Johannes Roeselmanssoen

(1400), d.i. Johannes zoon van Roeselman, van iemand die Roeselman

genoemd werd, omdat hij uit den dorpe Roesel, Reusel, afkomstig was;

Wouter Stox (1439), Willem Stox (1389) en Henric Stocs, zonen (of

anderszins nakomelingen) van eenen man die om d’eene of andere reden

den bijnaam van Stok had gedragen [29].

Tot nog toe hebben wij slechts mansnamen vermeld en verklaard, die op

onze naamlijst voorkomen. Die lijst bevat echter ook evenzeer sommige

vrouwennamen, al is het dan, uit den aard der zake, in geringer aantal.

Die benamingen van vrouwen zijn samengesteld volgens de zelfde regelen

die voor de mansbenamingen gelden, en zij komen, even als dezen, in

allerlei verschillende vormen voor, van de eenvoudigsten tot de meest

samengestelden. Toch zijn de toenamen dezer Oud-Helmondsche vrouwen

bijna zonder uitzondering ware vadersnamen. Voor de vrouw, die slechts

zelden zelfstandig optreedt in het dagelijksche leven, die zich dus

niet zoo lichtelijk eenen toe- of bijnaam aan bedrijf of herkomst of

eenige andere zaak ontleend, verwerven kan, ligt deze soort van

benaming dan ook nog nader voor de hand, als voor den man. Zulke

vrouwennamen zijn die van Marie Wouters (1460), d.i. eenvoudig Maria,

de dochter van Wouter; Lysbeth ende Hille dochteren Arts Stippelmans,

dochters van Art Stippelman of Stippelmans; Ermgarde Jan Belien soens

dochter (1401), dat is: Ermgarde, de dochter van Jan Beliensoen, van

Jan die een zoon was van Beli of Bely, van de vrouw die den doopnaam

Bely droeg. Immers Bely is een vrouwennaam, en niet een mansnaam, die

ook wel als Bele en Belitje voorkomt, en eene verkorting is van den

vollen vorm Mabelia. In de laatste middeleeuwen, en zelfs nog in de 17e

eeuw was deze naam geenszins zeldzaam in gebruik; ook in Holland. Zelfs

heden ten dage is hij nog niet uit het gebruik verdwenen. Behalve in

bovengenoemde benaming, komt hij in onze Helmondsche naamlijst nog voor

als Bele Henrix Scillinxdochter (1389) en als Maebely dochter wilen

Emonts van der Straeten (1446) [30]. Behalve alle deze patronymicale

benamingen, vinden wij bij de oud-Helmondsche vrouwen slechts eene die

eenen eigenen toenaam draagt: Jutte van Rijthoven (1416). En eene die

geenen vadersnaam, noch ook eenen eigenen toenaam voert, maar genoemd

wordt naar den naam van haren man, dat is Lysbet Jan Bynts wijff

(1449). Waarschijnlijk was deze Lysbet geen Helmondsche, maar eene

vreemde, die eerst na haar huwelijk met Jan Bynt, te Helmond, in de

stad van haren man was komen wonen. De Helmondsche burgerij, die dus

haren vader niet, maar haren man zeer wel kende, onderscheidde haar

dien ten gevolge zeer gereedelijk; niet, als gewoonlijk, met den naam

van haren vader, maar met dien van haren man.

In de middeleeuwen heerschte in de Nederlandsche gewesten de

zonderlinge gewoonte om sommige vrouwennamen in den mannelijken vorm te

noemen en zelfs te schrijven. Vooral bij zulke vrouwennamen die van

eenen oorspronkelijk mannelijken naam waren afgeleid, was dit

gebruikelijk; bij voorbeeld bij Willemine van Willem, bij Hendrika van

Hendrik. Zoo wordt Vrouw Jacoba van Beieren, de Hollandsche Gravinne,

in middeleeuwsche Hollandsche chronyken wel als Vrou Jacob vermeld. Nog

heden heerscht deze gewoonte wel in Friesland, in de dagelijksche

volksspreektaal, waar men de vrouwennamen Rinske, Wytske, Sjoukje,

Jeltje wel als Rins, Wyts, Sjouk, Jel noemt, dat eigentlijk mannelijke

naamsvormen zijn, of namen met een mannelijk voorkomen. Vooral te

Hindeloopen en elders in den Zuidwesthoek van Friesland is deze

zonderlinge naamsvervorming zeer gebruikelijk, zelfs in geschrifte en

in geijkten zin, als Rink, Aalk, Rem, Tem, Fod, in stede van Rinske,

Aaltje, Remmmertje, Tamkje, Fedtje, zoo als deze vrouwennamen

eigentlijk luiden. Deze zelfde zede vinden wij ook onder de

middeleeuwsche Helmondsche vrouwen. Onze lijst vermeldt toch eene

Aelbert Lemken Ruelkensdochter (1418), dat is Aelbertje of Aelbertken

of Adelbertha (Albertina in wanvorm), de dochter van Lemke die een zoon

was van Ruelken. En Peter Corstken Lemmens dochter (1496), met andere

woorden Peterken of Pietertje, Pietje (Petronella), de dochter van

Corst (Corstiaen, Christiaan) die een zoon was van Lem of Lemmen

(Willem).

Reeds een en ander maal hebben wij in deze verhandeling benamingen

ontmoet en verklaard, waar bij de naam van de moeder, en niet die van

den vader, den zoon tot toenaam diende. Dit verschijnsel is geenszins

zeldzaam en kwam oudtijds ook evenzeer in de andere Nederlandsche

gewesten voor. Ja, nog heden wordt deze wijze van naamsvorming wel in

de Friesche gewesten toegepast, in het dagelijksche leven; zij strekt

dan gemeenlijk den benoemde tot spot of schande. Immers meestal hebben

deze moedernamen of metronymica, aldus genoemd in tegenstelling met de

gewone patronymica of vadersnamen, hunnen oorsprong te danken aan de

omstandigheid dat de moeder geenen wettigen man, en dus het kind geenen

wettigen vader heeft, uit wiens naam voor hem een patronymicum als

toenaam konde gemaakt worden. Even als de duizenden van patronymica,

zoo komen ook wel enkele metronymica nog heden als vaste geslachtsnamen

voor; bij voorbeeld Geertruyen, Lysebetten, Agneessens, Trynes,

Vergrietens (de zoon van Ver of Vrouw Griete), enz. Gevallen van zulke

moedernamen levert de Helmondsche naamlijst op in de benamingen van

Roverke Juttensoen van Bakel (1385) en Goeswyn Heilwighensoen van

Gherwen (1389). Deze benamingen zijn ontwijfelachtige moedernamen,

omdat Jutte en Heilwig zeer zeker vrouwennamen en geen mansnamen zijn.

Eenigszins twijfelachtig zijn de benamingen van Henric Trudensoen

(1401); waarschijnlijk de zelfde man die in andere oorkonden, van de

jaren 1423 en 1460 als Heyn Truyen beschreven wordt, en van Arnt Lysen

Lyskenssoen (1392); omdat Trude (Truye) zoo wel mansnaam kan zijn als

vrouwennaam, zoo wel Trudo als Truda (Truida, als verkorting van

Geertruida of Gertrudis, of van Hiltrude). En eveneens Lyse, Liso, met

den verkleinvorm Lysken, is zoo wel een Oud-Germaansche mansnaam, als

een vrouwennaam, ook als verkorting van den vreemden vrouwennaam

Elisabeth. Of dus Henric Truden en Arnt Lysen Lyskenssoen een

patronymicum of een metronymicum als toenaam achter hunnen doopnaam

voerden, hebben die mannen zelven en hunne tijdgenooten te Helmond zeer

wel geweten, maar blijft voor ons eene twijfelachtige zaak.

Dat zoogenoemde „onwettige” geboorten, „onechte” of „natuurlijke”

kinderen bij de middeleeuwsche burgerij van Helmond, ook onder de

aanzienlijke standen der maatschappij, geenszins eene zeldzaamheid

waren, mogen wij, op goede gronden, reeds vermoeden en afleiden uit het

voorkomen van metronymicale benamingen op onzen naamlijst—met zekerheid

wordt deze zaak bevestigd, blijkens sommige andere benamingen, welke

uit oude oorkonden op die naamlijst zijn vermeld. In onze dagen wordt

zulk eene geboorte buiten huwelijk der ouders zooveel mogelijk

verbloemd, bemanteld en verzwegen; althans nooit zonder dringende

noodzaak vrijwillig openlijk erkend. Maar oudtijds dacht men daar

anders over; men was oprecht en ongekunsteld genoeg om zulk eene zaak

in eenen omschrijvenden toenaam te vermelden, en zulken toenaam, ter

verduidelijking, achter den eigenen doopnaam te voeren of in geschrifte

te stellen. Zoo vinden wij op onze naamlijst eenen Jan van Rixtel

natuerlyke soen Jan Kemerlinx (1421), dat is: van Jan Kemerlink of

Kamerling. Ook eenen Gherit natuerlic soen heeren Daem Duysschen

(1420), en eene Bele naturlyke dochter Arnts van Rypelberch (1441).

Verder Godert natuerlyc soen Goderts wilen Aleiten soens van Stiphout

(1389); hier was Godert, de vader van den eerstgenoemden Godert,

waarschijnlijk ook, als zijn zoon, een „natuurlijk” kind, omdat hij

slechts een metronymicum, slechts den naam van zijne moeder, van Aleit

van Stiphout voert, en niet zijn vadersnaam. Dan nog Jan van Berlaer

natuerlike soen wilen Maes Shogen die hi hadde van Juffrouw Margrieten

van Berlaer (1419), waar nevens den naam van den vader ook nog dien van

de moeder vermeld wordt. Dit is ook het geval bij de benaming van Jutte

dochter Meys van Herzel die dieselve natuerlic gewonnen hadde Corstine

van de Goer (1446), enz.

Het kan niet anders—waar de onwettige geboorten zoo menigvuldig

voorkwamen, en waar die zaak zelfs vermeld werd en genoemd in de

benamingen die de kinderen, uit zulk eene geboorte voortgesproten, te

dragen hadden, daar moesten de lieden van wettige geboorte er prijs op

stellen dat ook deze zaak blijken kon uit de benamingen die zij

voerden. Zoo vinden wij dan ook in de Helmondsche oorkonden met name

genoemd eenen Jan van den Grave wittige soen wilen Jans Comans van

Helmont (1428). Bijzonderlijk, als een man zoo wel wettige kinderen had

als onwettige, zullen de eerstgenoemden de wettigheid hunner geboorte

gaarne opzettelijk bij hunnen naam vermeld hebben, in onderscheiding

van de namen hunner halve broeders en zusters van onechten bedde. Maes

Shoghen (d.i. Thomas des Hoogen, de zoon van den man, die, om de eene

of andere reden den toenaam van de Hooge of Hoog gevoerd had)—Maes

Shoghen verkeerde in dit geval; hij had eenen wettigen en eenen

natuurlijken zoon. De volle benaming van den laatsten, van Jan van

Berlaer, hebben wij reeds hierboven op deze bladzijde medegedeeld. Die

van den eerstvermelden, den wettigen zoon, was Art van Gheel, wittige

soen wilen Maes Shoeghen (1419).

Bijzonder belangrijk en merkwaardig is de Helmondsche naamlijst nog

wegens een groot aantal schoone, ja edele, oude, volledige,

volkseigen-Germaansche namen die daar op vermeld staan: namen, die ten

deele nog wel onder de hedendaagsche Nederlanders voorkomen, vooral in

de Friesche gewesten, maar die voor een ander deel ook geheel verouderd

zijn en bij het tegenwoordige geslacht niet meer in gebruik. Namen, die

heden ten dage door allerlei onredelijke en leelijke, voor Nederlanders

geheel onvoegzame, Fransche en Engelsche namen en naamsvormen

verdrongen zijn, zeer tot schande onzer volkseigene zake. Zulke oude en

edele namen, die wij den hedendaagschen Helmondenaren, en den

Brabanderen in het algemeen, voorhouden en aanbevelen om weêr in

gebruik genomen en in hun eere hersteld te worden (immers onder de

Brabanders in het bijzonder zijn vreemde, Fransche namen veelvuldig in

zwang)—zulke namen dan zijn:

Gosewyn, voluit Godeswin, beteekenende: Godsvriend. Deze naam komt in

verschillende vormen en verkortingen voor, als Goeswyn (Goeswyn)

Heilwighen soen van Gherwen (1389), en Goeswyn Schuermans (1419); als

Goswyn (Goswyn) Wevers (1402); samengetrokken als Goessen, heden ten

dage Goossen: Goessen Scorten (1460).

Godart, voluit Godhard (Godhart). Deze naam komt op de naamlijst zeer

menigvuldig voor. In zijnen vollen vorm is hij heden ten dage nagenoeg

uitgestorven onder ons volk; slechts in sommige oud-adellijke

geslachten is hij, ook in den vorm Godert, nog erfelijk. Buitendien

komt hij, in samengetrokken vorm, en met gewijzigden klank, als Geurt,

dat is Gö(d)ert, en Guurt nog hier en daar ten platten lande voor. In

Noord-Holland is de vrouwelijke vorm Guurtje (Godeharda) niet

zeldzaam.—Godart Vrancken (1418), in 1439 Godart Vrankensoen genoemd;

Godart van der Capellen (1460); Roever Godart Meussoenssoen (1419);

Godert van Bistervelt (1348); Godert Bants (1435).

Alaert, ook Alairt geschreven; voluit Adelaart, Adelhart, Athalhard, in

de Friesche gewesten nog heden als Allard en Allert, ook Aldert,

geenszins zeldzaam.—Jansoen Aert Alaerts (1481), dat is: Jan

(Johannes), zoon van Aert (Arnout), die een zoon was van Alaert

(Adelhard); Lambrecht Alairts Salensoen van Bakel (1416).

Ghevart, dat is Gevart of Geevaert, Hoogduitsch Gebhard.—Ghevart

Lutensoen (1401).

Ysbout, Isbald.—Ysbout Dirx Snoexsoen van der Zantvoert (1416).

Reyner, voluit Raginheri, ook als Reinier voorkomende, en in de

Friesche gewesten nog heden als Reiner en Reinder.—Reyner van den

Wintmoelen (1348) en Reynier Haengreve (1389).

Vranck, in betere spelling Frank, een schoone, Oud-Nederlandsche naam,

zóó, en als Franke, nog heden bij de Friezen in gebruik, even als

oudtijds ook bij Hollanders en Zeeuwen (Frank van Borsselen).—Vranck

van den Dijck (1462) en Vranc Thuyns (1435).

Rabout, voluit Radbout, Radbold of Redbald.—Met eenige verwondering,

maar tevens met veel genoegen vinden wij dezen schoonen, tamelijk

zeldzamen, Oud-Frieschen koningsnaam nog in de 15e eeuw in Brabant (of

in Limburg? Neder-Rijnland?) in gebruik: Rabout heeren Rabouts soen van

Vloedorp (1425). Dit Vloedorp is toch zeker het hedendaagsche Vlodorp

of Vlodrop in Limburg, bij Roermond, op de grens van Neder-Rijnland.

Rymbout, waarschijnlijk eene misschrijving voor Reynbout, voluit

Reginbold of Raginbald, eveneens een schoone Oud-Germaansche

mansnaam.—Rymbout Henrixsoen van den Berge (1444).

Nevens deze en meer andere merkwaardige mansnamen levert de Helmondsche

namenlijst ons ook eenige bijzondere vrouwennamen op, die eveneens

heden ten dage volkomen of geheel buiten gebruik zijn geraakt, maar die

ook eveneens als schoone, volledige Oud-Germaansche namen onze

belangstelling ten volsten waardig zijn. Ook deze namen worden

bijzonderlijk den hedendaagschen Brabanderen voorgesteld en aanbevolen

om daar hunne jonggeborene dochterkens, in oud-vaderlandschen, in

oud-volkseigenen geest mede te noemen.

Ermgarde, ook Ermgaert, Irmingard; zóó heetten, onder anderen,

Boergondische koninginnen in de 9de en 11de eeuw.—Ermgarde Jan

Beliensoens dochter (1401), dat is: Ermgarde, dochter van Jan, die een

zoon was van Belie (zie bladzijde 183 hiervoren).

Aleyt, Aleida, voluit Adelheid, ook een naam die oudtijds door

Germaansche koningsvrouwen en dochters gedragen is, en dien de

Franschen tot Adelaïde hebben verknoeid. Aleit, Aleida was ook in de

middeleeuwen in Holland geenszins zeldzaam (Aleyt van Poelgeest).—Te

Helmond Aleyt Moerkens (1395) en Aleyt Arts Creppendochter (1427).

Luytgart of Luytgaerde, Lutgardis, een welluidende en liefelijke naam,

de naam van Sinte-Luutgaarde van Tongeren, bij de Roomsch-Catholyken

bijzonderlijk als Beschermheilige der Nederlandsche (Dietsche,

Vlaamsche) taal vereerd, wier gedenkdag op den 16den Juni valt.

Luytgaert Houben (1394), wier naam in den jare 1400 als Luytgart

Hubendochter voorkomt.

Engel, in Friesland nog als Engeltje (veelal uitgesproken Ingeltsje),

en elders in Noord-Nederland in den wansmakelijk-opgesmukten vorm

Engelina voorkomende.—Engel van den Doren Peters dochter van den Vehuse

(1419).

Wandel, ook Wendel, Wendela.—Wandel Jan Embrechts dochter (1419).

Heilwig.—Heilwig dochter wilen Hermans Dircs Guedelen soens (1443). De

oude naam Guedele, Goedela, Gudula, in deze benaming voorkomende als

eigen aan de grootmoeder of overgrootmoeder van Heilwig, is mede een

Oud-Nederlandsche naam, te Brussel welbekend.

Den bijzondersten en merkwaardigsten naam van de Oud-Helmondsche

benamingen hebben wij voor het lest bewaard. Het is die van Swenelt

wilen Henrics Mortelsdochter (1436); Swenelt, verloopen in vorm en

klank uit den ouden, volledigen vorm Swanhilde, een welluidende en

overschoone naam, die zoo menige herinnering aan den Oud-Germaanschen

sagen- en heldentijd onzes volks opwekt.

Zeer ongewoon, ten deele ook mij onverklaarbaar, ofschoon niet

onbekend, zijn nog enkele andere namen van onze lijst. Bij voorbeeld

die van Udeman van Thefelen (1439); (Udeman is een bijvorm van den

bekenden mansnaam Udo, in Friesland nog heden ten dage in verkleinvorm

Oedtsen, Oeds, Oets); van Bruysten Yseboutssoen (1426) en van Dyrc

Cnoopsoen van Zoemeren (1389.) De namen Bruysten, Brusten of Brustyn en

Cnoop komen ook elders in de Nederlanden voor, in de middeleeuwen en

later nog. Den laatstgenoemden naam, ook als Knoop, treft men nog heden

als maagschapsnaam aan; ook in patronymicalen vorm: Knoops, Cnoops, en

verlatijnscht als Cnopius.

Halve, ingekorte, samengetrokkene, vervloeide en versletene

naamsvormen, als zoogenoemde vleinamen ontstaan en bekend, komen ook

menigvuldig en in allerlei gedaanten in de Helmondsche lijst voor.

Sommigen daarvan hebben wij reeds medegedeeld en verklaard: Maes,

voluit Thomas; Roef en Roverke = Rovert, Rodfred, Rodfried, enz. Verder

vermelden wij hier nog Henneken = Johannes, voorkomende in de

benamingen van Henneken Jan Deynensoen (1478); Henneken Roeselmans

Melys brueder (1439); en Henneke Gerrit Celen soen (1460). Ruelken, in

de Friesche gewesten nog wel, zonder den verkleinvorm, voorkomende als

Roel, een verkorte of afgekapte naamsvorm van Roelof, Rolof, Rodlof of

Rodolf (bij letterkeer), Rudolf, Hrodolf; wij vinden dezen naamsvorm

bij Ruelken die Scoemeker Lambrecht Ruelkenssoen (1401). Lemmen, bij

Lemmen van de Laer (1416), geldt heden ten dage in de Vlaamsche gouwen

voor eene verbastering van Willem, Wilhelm; in de Friesche gewesten,

waar Lem en Lemke ook voorkomen, heeft deze vleinaam waarschijnlijk

eenen anderen oorsprong. Eene andere verbastering van Willem of van

eenigen anderen met den naamsstam wil samengestelden naam (Wilbald of

Willebout, Wilmar, Wilbrecht) is Willeken, zoo als Willeken van Ghemert

(1410) heette. Dat op gelijke wijze de naam Lodeken, de dagelijksche

benaming van Lodeken van Lofen (1410), eene verkorting in verkleinvorm

is van den naam Lodewijk, blijkt hieruit dat bovengenoemde Lodeken acht

jaren later in eene oorkonde van 1418 voorkomt als Lodewich

Lodewichssoen van Loeffen. Ook nog van eene andere verkorting en

vleivorm geeft onze naamlijst eene oplossing. Te weten van Aernout,

Arnold, Arnwald, een naam die in de laatste middeleeuwen veelvuldig in

gebruik was. Deze naam, in Holland en andere Noord-Nederlandsche

gewesten gemeenlijk tot Arend en ook nog wel korter tot Aart versleten

(in Friesland zelfs wel tot Aan), was onder de Helmondsche burgerij in

den regel tot Arnt en Art ingekort. Bij voorbeeld bij Art Peter

Meeussoen (1418); Art van den Paependonck (1439); Art van Gheel (1419);

Arnt Lysen Lyskenssoen (1392); Arnt Ebben (1395) enz. Van deze reeds

ingekorte en saamgetrokkene naamsvormen Arnt en Art had men oudtijds te

Helmond nog den vleinaam Aye of Ayen gemaakt. Dit wordt ons bewezen uit

de benamingen van Art geheyten Ayen naturlike soen Hermans van

Eyndhouts (1418). Het schijnt in der daad als of deze man, dien wij nog

in eene oorkonde van den jare 1420 ontmoeten als Arnt geheyten Ayen

Hermans natuerlic soen van Eyndhouts (1420), en in eene andere van 1421

als Arnt geheyten Aye natuerlic soen wilen Hermans van Eyndhouts, bij

zijne tijdgenooten schier uitsluitend en vast algemeen als Ayen of Aye

bekend was, zoo dat deswegen die omslachtige omschrijving van zijn

persoon in zijne benaming noodzakelijk was.

Dat ook de vrouwennamen alzoo verbasterd werden leert ons de namenlijst

in de benamingen van Heyle van den Put (1394), van Jutte van Rijthoven

(1416) en van Jutte Gobbels (1436). Heyle is een vleinaam van den eenen

of anderen volledigen, met den naamsstam heil samengestelden

vrouwennaam—van Heilwig waarschijnlijk. Als Heiltje is deze naamsvorm

nog heden ten dage in de Friesche gewesten geenszins zeldzaam. En Jutte

is een zonderlinge vleivorm van den naam Johanna. In de middeleeuwen

kwam deze naam Jutte ook in Holland en in andere onzer gewesten voor;

thans is hij, voor zoo verre mij bekend is, ganschelijk bij ons volk

buiten gebruik geraakt.

Aangaande de gewone ook hedendaags nog gebruikelijke verkortingen en

verbasteringen van gewone namen, zoo als Jan van Johannes, Klaes, Claus

van Nicolaas, Gerit of Gheryt, Gerrit van Gerhard, Lysbet van

Elisabeth, enz. die ook rijkelijk vertegenwoordigd zijn in de

Helmondsche namenlijst, behoef ik hier wel geen woord ter verklaring te

verspillen.

Heden ten dage komen onder de Nederlanders veel vreemde, vooral

Fransche namen voor, en tevens veel lieden, die met twee, drie, vier,

ja met nog meer vóórnamen zijn opgepronkt. Zóó te doen is eene wanzede.

In de zuidelijke Nederlanden, bij Brabanders en Vlamingen is dit

misbruik juist meest inheemsch. Hoe noordelijker in de Nederlanden, hoe

minder men zulke vreemde namen aantreft. In de Friesche gewesten zijn

ze zeldzaam. Ten platten lande in Friesland komen vreemde namen en

dubbele of veelvoudige namen slechts uiterst zeldzaam, schier nimmer

voor. Deze zelfde Oud-Germaansche reinheid en eenvoud van zeden in de

namen der menschen heerschte in de laatste middeleeuwen ook nog te

Helmond. In onze gansche lange lijst van ruim twee-honderd namen vind

ik slechts één Fransche en één dubbele naam: Louis Orssen (1481), in

1477 voluit Louis Aert Orssen soen genoemd; en Marie Luytgarde des

Visschers dochter (1404).

Als bijzonder opmerkelijk kunnen wij er nog op wijzen, dat twee soorten

van toe- of geslachtsnamen, die nog heden ten dage bijzonder eigen zijn

aan de Brabantsche gewesten, ook in de middeleeuwsche Helmondsche

namenlijst niet ontbreken. Wij bedoelen de geslachtsnamen, die op mans

eindigen, in Brabant ongemeen talrijk vertegenwoordigd; en die, welke

gevormd zijn door eene s, als overblijfsel van het verbogene lidwoord

des, vóór den eigentlijken naam geplaatst. Die zelfde s wordt bij

plaatsnamen zeer te recht nog afzonderlijk geschreven, als ’s, bij

voorbeeld ’s-Gravenhage, ’s-Hertogenbosch, ’s-Heerenberg. Bij de

geslachtsnamen is zij echter reeds onafscheidelijk met den eigentlijken

naam verbonden, in één woord; bij voorbeeld Smulders, eigentlijk

’s-Mulders, des mulders (zoon), de zoon van den molenaar; Smertens, dat

is: ’s-Mertens, des Mertens (zoon), de zoon van den man die Merten,

Marten, Martinus heette; Smeuninckx, de zoon van den monnik, enz.

De namen op mans eindigende, en als Mosmans, Sijstelman, Heuvelmans,

Pellemans, Muyldermans, Borgmans, Roymans, enz. enz. zoo menigvuldig in

Brabant voorkomende, dat zij als ’t ware eenen eigenen stempel drukken

op de Brabantsche namen in het algemeen, zijn echte of ook

oneigentlijke patronymica, afgeleid van doopnamen die reeds op man

eindigen, als Herman, Hartman, Tielman, Udeman, of van bij- of toenamen

met dien uitgang; bij voorbeeld Royman, (de roode, roodharige man, of

de man die aan eene rode [rooi], aan eene uitgerode, van boomen

ontbloote plaats in het bosch woonde), Wielman, Bergman, Schuurman,

enz.

Onze naamlijst vermeldt de namen van Lambrecht Lauwreyzen Tielmanssoen

(1400—Lambrecht, de zoon van Lauwreys [Laurens], die een zoon was van

Tielman); Willem Ghevarts Luten Medemanssoens soen (1401); Johannes

Roeselmanssoen (1400); Claes Claes Wielmanssoen (1418); Lisebeth

Haremansdochter (1388); Lysbeth ende Hilledochteren Arts Stippelmans

(1417). Bij deze vijf eerste namen is het woord soen (zoon) of dochter

nog achter den vadersnaam gehecht gebleven; den oorsprong van deze

namen duidelijk aangevende. Andere mansnamen in onze lijst hebben dat

kenmerk reeds verloren, en onderscheiden zich in niets meer van de

hedendaagsche geijkte maagschapsnamen die op mans eindigen. Dat zijn de

namen van Peter Stippelmans (1460), van Herman Eycmans (1439), Peter

Pedelmans (1416), Goeswyn Schuermans (1419—deze naam, oorspronkelijk

als toenaam dienende voor mannen die een schuur bij hun huis hadden, of

misschien wel in eene schuur woonden, is zeer algemeen, niet alleen in

de Brabantsche, maar ook, meestal als Schuurman en Schuurmans, in alle

andere Nederlandsche gewesten). Verder nog Jan Coffermans (1436),

Henneken Roeselmans (1439—zie bladzijde 182), enz.

Namen met voorgevoegde s vinden wij bij Hubrecht soen Happen Smolners

(1435—Hubrecht zoon van Happe den molner of molenaar); Dirc Udemans

Swolfssoen (1435); Matthys Jan Spapensoen van Zomeren (1417—Matthijs,

zoon van Jan [bijgenaamd Paap? of Paap = Priester?] van Zomeren);

Herman Swevers (1492—des Wevers); Sophie van Geldrop Dircs Sjoncheren

soens dochter (1400). Twee zonen, een wettige en een natuurlijke, van

Maes Hoge of Hoeghe, d.i. van Thomas de Hooge, onder de benamingen Art

van Gheel wittige soen wilen Maes Shoeghen (1419) en Jan van Berlaer

natuerlic soen wilen Maes Shogen (1419); Goessen Scorten, dat is:

Goossen of Gosewyn of Godeswin, zoon van den man die de Corte werd

genoemd, enz. Duidelijk komt deze naamsvorm ook aan het licht in de

benamingen van Willem den Weder wilen Dirc Sweederssoen (1428), met

Dirc die Weder (1481) en Margriet Swedersdochter (1421).

Indien nu door het lezen en betrachten van deze verhandeling over

Oud-Helmondsche namen, deze of gene Brabander (hoe meer hoe beter!)

genoopt werd weêr de schoone en liefelijke, de welluidende en voegzame,

de eerbare en volkseigene Oud-Germaansche namen zijner voorouders in

hunne volledige vormen zijnen kinderkens te geven, hij zoude deswegen

den eerenaam van een kloek en degelijk volks- en vaderlandsgezind man

mogen dragen, en de schrijver van dit opstel zoude zich daarin van

harten verblijden.

V

Studiën in Nederlandsche Namenkunde · 第 18 / 26 题