VII.

Anna en Fransje, Clara en Maria

gingen te samen om naar haar te hooren,

die op de weide op den eersten Mei

vertellen zou den strijd der arbeidsters.

Zacht scheen de lucht en de zon wimpelde,

het water stroomde hun buiten de poort

temoet--en iets van de toekomstige dage

was daar. Hun hart proefde het en hun lip.

Statig wapperde uit de blauwe lucht

boven het weiland, en roode banieren

hingen er zwaar in neder als muziek.

Scharen van vrouwen kwamen, als donkre

kleurwolken door een herfstbosch--jonge meisjes

als zwanen trokken, heldre oogen schoten

pijlen omhoog, en stille harten klopten

als kleine werktuigjes. Zacht als een zon

kwam daar de spreekster over het tapijt.

Zij was in 't teeder bruin gekleed en zacht

leek ze--de zon omwikkelde haar gestalt',

maar hare oogen straalden uit dat zachte

envelop heen naar al de gloeiende

wezens die rondom haar diepkleurig gingen,

en zacht kwam ze in haar bruine japon

en met haar hoofd als van een hert.

Zij boog

zich zacht voorover naar de menschen toe.

De hemel omvatte in wijde stilte

dat stuk der aarde waar ze stonden. Zij

begon met zoete klinkende stem te spreken.

Maria's hart hing, en haar mond was open.

Zij hing naar haar toe, een peer naar zijn boom.

"D' achturendag.--Wij vragen hem omdat

de vrouwen niet sterk genoeg zijn, en omdat

de eeuwge krachtsinspanning in fabriek

ons, vrouwen, sloopt. Daar zitten wij 't eentonig

werk doende, onze teedre zenuwen

verstompen door den blik op de machine.

De hersens worden stomp als botte messen--

wij denken niet meer,--onze hand doet maar.

Onze ziel druppelt uit ons lichaam weg.

Wij vragen den achturendag, omdat

wij gezond willen zijn, zooals de boomen,

zooals de dieren, als deez' gouden zon

wier schijn ik hier in mijne vingren heb.

Wij vragen den achturendag, omdat

wij vrouwen bergen willen zijn van gezondheid.

Wij vragen hem omdat wij willen

golven zijn van rijp vleesch en helder bloed.

Wij vragen den achturendag, omdat

ons lichaam anders is, dat iedre maand

bloed stort en vrucht draagt. Als wij niet beschermd

worden, dan stort het nieuw geslacht uit ons

zwak en bouwvallig, en groeit niet vast op

tot rijke, rijpe, rijzige gebouwen.

Wij vragen den achturendag omdat

wij meisjes, maagden, moeders zijn. Daarom

vragen, ja eischen wij d' achturendag.

Wij vragen den achturendag, omdat

het kind beschermd moet worden, dat in ons

leeft, hier in onzen schoot. Als dit lichaam,

deez' armen, dit bovenlijf, deze beenen,

en dit hoofd niet zacht gaan, en aan het kind

denken--dan wordt de stoot, hier gestooten,

voortgeplant op het kind. En als mijn hoofd

niet denkt voortdurend aan mijn kleine kind,

en als mijn hoofd niet rijp verstandig denkt

in mijne zwangerschap, dan wordt mijn kind

dom of dof of arrem, zooals zoovelen.

Wij vragen den achturendag, omdat

het zacht gebabbel van het kleine kind

door ons gehoord moet worden. Wij willen niet

heengaan van de aarde zonder dat gehoord

te hebben, dat zachte beekvalletje

door ons huis heen. Als wij in de andre kamer

zijn, dan spreekt het daar verre stil, zijn ziel

beweegt, gaat open, en klankt open als

een bloem. Zouden wij geen tijd hebben om

dat te hooren? O geeft ons dan den dag

van acht uur, dat er een stuk voor

ons over is om naar ons kind te luistren.

Wij willen onzen jongen tot een man

zien worden--de eerste manlijke gedachten

zien over zijn gelaat, de eerste taal

van mannelijke daad hooren, zijn bleeke

wangen onder zijn donkerbruine haren

bespieden, en weten wanneer de liefde

de eerste klop doet in zijn slaap, daar hoog

aan zijn gezicht, laag in zijn hart. Wij willen

aan ons meisje vertellen, wat de liefde

is, wat de man. Wij willen bij haar zijn

totdat zij vrouw is, als haar eigen zuster.

Wij willen bij onzen man zijn opdat

wij onze liefde voor hem, o, doorproeven.

Tot aan zijn dood of onzen dood. En omdat

onze kinderen moeten zien wat of

een huwlijk is. Daarom d' achturendag,

want zonder dien bestaat daarvoor geen tijd.

Wij eischen den achturendag omdat

ons hart brandt. Wij zijn niet de doode menschen

der bourgeoisie, wij zijn de proletaren,

de bloemen der menschheid. In onze harten

brandt een fakkel, wij willen naar hooger

als vlammen. De natuur roept ons.

Ziet ge die blauwe wolken? Daarheen willen

wij, hier onze kleine gestaltetjes.

Wij willen de natuur in, willen schoonheid

zoeken en vinden in het schuim der zee,

wij willen de muziek aanhooren

die opstijgt van het zeevlak, wij willen

liggen aan 't strand en de geheimen van

de schelpen en het zand voor ons uitkijken,

wij willen de vogels zien gaan in 't bosch,

wij willen de bloemen daaruit zien groeien,

wij willen de zon als een broeder voelen,

even vrij als hij zijne stralen zendt

willen wij dat de menschheid ons uitzendt.

Wij willen 's avonds in ons kamertje

gedichten lezen, bliksem door de hersens

voelen van gedachten, en gloed in wel

van ons hart, als de hartstocht in leugen

en schoonheid der fantasie waarheid wordt.

Wij willen in de museums stil gaan

langs de marmeren lijven, en in ons

schoonheid voelen aan de antieken verwant.

Wij willen bij de muziek luisteren

die als een stroom over ons henen komt,

en ons reinigt als een stroom door ons hart.

Wij willen reine wetenschap kennen

want zonder die worden wij nimmer sterk.

Wij eischen den achturendag omdat

hij vastheid geeft.

Wij eischen den achturendag omdat

gij en ik moeten maken lichamen

van menschen, die de bezitters bestrijden.

Gij en ik moeten van onz' lijven stalen

geraamten maken, waar de harde vuist

van den patroon op stuk slaat, als hij ons

aantast.

Gij weefsters en gij naaisters en gij die

spint--ziet gij niet hoe uw heeren maken

verbonden tegen u,--gij, maakt ze ook

en strijdt met hen.

Tijd is noodig, een stukje van den tijd.

Wij moeten 's avonds in dat stukje tijds,

geroofd van 't kapitaal, in ons hoekje

gaan zitten en studeeren wat toch is

de maatschappij en haar groote lichaam.

Wij moeten met gedachten in de hoeken,

waar gewerkt wordt, dringen, en evenals

met 't lijf des daags het kapitaal, zoo 's avonds

met onz' gedachten nog eens 't kapitaal

maken, met ons begrip. Gij moet d' oorzaken

der proletariërsellende doorvroên--

de voorwaarden van bevrijding

naspeuren, en als vrouwen doorzoeken

hoe gij dubbel slaaf zijt, arbeidster-vrouw!

Daarom de achturendag!

Gij moet den politieken strijd doorgronden tot

zijn bodem, onder zijn diepsten bodem.

Gij moet inzien hoe gij met u allen,

hoe wij met ons allen, tot ééne macht

moeten worden, zooals de lucht daarginds

één is. Wij moeten inzien hoe de strijd

niet in het vak slechts, maar tegen den Staat

gevoerd moet worden, dat wij als een storm

kunnen worden, als wij in diepe lucht,

organisatie, alle vrouw saambrengen.

Daarom acht uur.

O komt vogels, komt breede schare van

zwaluwen, heft u op en komt met ons

te zamen de deinzende diepte in

der toekomst. Komt vrouwen, komt zusters,

verheft u uit deez' tijd naar de toekomst.

Uw blanke en bruine kleuren, uw cirkels

en massa's, die daar staat, o komt, o komt!

Wie is de toekomst zoozeer als gij, vrouwen?

Te zamen met den man willen wij vrouwen

ten strijde trekken tegen 't kapitaal.

Te zamen met den man willen we onze scharen

helkleurig opschiên doen naar d' hooge burcht.

Ziet gij niet hoe daarginds hoog in het zonlicht

het _denkbeeld_ van het socialisme staat?

Welnu--

Wij eischen den achturendag omdat

alleen een geestelijk en zedelijk,

lichamelijk en zielssterk proletaarjaat

het socialisme timmren kan _met daden_."

Maria dacht aan haar man--en zij ging

langzaam en zwaar naar huis om hem te zoeken.

Haar lichaam was zwaar en haar borsten zwaar.

Zij zag haar kameraden langs zich gaan,

zij voelde hoe zij geheel was met hen,

maar hoe zij aan hem diepst van al verknocht.

[Illustratie: "Muurschildering-R.R. Holst"]

Een klein heldendicht · 第 16 / 19 题