VI.

De aarde ontspant zich, en uit de baring

rijzen fijne nieuwe gestalte omhoog.

Maria ging door 't licht met fijnen voet,

zooals een hert slaande den fijnen hoef.

Zij ging naar buiten om aan zich te denken,

daar in de bosschen in den koelen schemer.

Zij was een weefster, hare kameraden

hadden haar pas geleerd den klassestrijd.

Zij wilde er goed over gaan denken, buiten.

Zij holde door het gouden bruine licht,

zooals een schip dat, nieuw, zijn vlosjes hout,

zijn ijzersplintertjes, zijn vlokjes verf

verliest als het snel doorschiet door de zee.

Zooals een paard dat in de weide komt,

en 't verliest zacht 't donkerbruin winterhaar,

doordat het strookt door de fijne landlucht.

Zoo holde zij door 't groene dagelicht.

Tintlend was 't of nu hier dan daar op d' huid

een plekje nieuw ontplook. Was dat de lucht

die 't deed, de wind? of kwam het uit haar zelf?

Was het haar ziel--was het haar nieuwe ziel?

Zooals een meisje in wie de bronnen

opengaan, zoo was 't haar over het lijf.

En zacht bereikte ze de donkre schaduw

van 't oude bosch, donkre eiken, groenzwarte elzen,

en daar, in de waterig natte schaduw,

zette ze zich op eene rott'ge bank,

en begon over haar leven te denken.

Voorbij was het, zooals stille fontein.

Voorbij haar leven, zachte kinderleven,

voorbij de droom, bij moeder zacht geleefd.

Voorbij was het zooals zachte fontein.

Nu zat zij hier, de stille hand hing naast

haar heen, de witte boezelaar

kreukelde en haar hoofd hing stil voorover.--

Hoe zou het zijn als alles nieuw, nieuw werd?

Zij vroeg 't den grond, den vetten natten grond--zij

keek voor zich uit naar de roode huizen,

zij vroeg 't den hemel, grijzig wit en warm.

Zou ze kunnen? zou ze met al de mannen

kunnen uitgaan en strijden en nieuw worden?

Over haar huid viel neer een doffe matheid,

zooals over een jongen valt die man

wordt. 't Is geen zwakheid, het is nieuwheid maar.

En zij liet slap de beide armen hangen

naast haar witte gestrekte boezelaar,

en strekte de beenen en lag te denken.

Zooals een schip dat ergens in de zee

geschommeld wordt door het loodgrijze water.

Het is een wrak, er is geen levend mensch

meer op. Het heeft geen roer, geen mast, geen zeil,

't is maar een klomp hout. En de golven doen

wat zij willen, en doen of 't schip er niet is.

Zoo speelden met haar de groote gedachten,

die evenals de wind nu door de menschen

gaan en hen doen doen en hen doen denken.

De zachte vrouw lag met haar zwarte haren

daar neder, door het denken overmeesterd.

Zal ik gaan, zal ik den strijd mee beginnen?

Zooals voorjaars, als er in alle sprieten

't leven begint over de verre velden

en op de torens en op de kapen

waar 't gele helm hangt bij de warme zee--

begon 't in haar te lachen, helderheid

spreidde zich door haar henen uit haar beenen.

't Was of helderheid door haar heen ging lachen--

en zij verrees en keek over zich henen.

't was of haar kleeren hel waren: 'n wasch.

"Dit ben ik, dacht zij, dit ben ik, ik kan

veel zijn, ik hoef niet altijd zoo te zijn

zooals ik was.--Ik kan ook anders worden.

Ik kan heel anders worden, heel, heel anders.

Ik kan nieuw worden."

Zoo lag ze lang heel stil neder te denken.

Gedachten vlogen door haar hoofd van: Anders.

En telkens prevelde ze stil: O, anders.

En lachend zag ze zich gaan groot en schoon.

Zich zag ze, en ze ging heel vroolijk door

het zwarte pad dat door het natte bosch was.

En toen ze buiten was over den rand

van 't bosch en in de wijdte keek, daar stonden

in zand van duinen weinig boomen ver.

Toen had ze een visioen: Ze zag door de boomen

zeer duidlijk menschen gaan: talrijke vrouwen

en mannen op een langen wijden weg.

Ze dacht niet wie ze waren, had ook niet

de beteeknis van hen in bewustzijn,

hoewel ze heel goed wist wie of ze waren

in 't onbewuste van haar--had alleen

het gevoel dat zij daar die menschen zag.

Zij ging verder, en het visioen verdween,

zooals een gedachte verdwijnt, ze ging

hooger en hooger in de blonde heuvels.

Boven gekomen zag zij verre zee

in klaar-blauw fonkelen.

Zij stond heel stil

als een vrouw uit albast gegoten. Stil

hing haar kleed zwart en wit over haar schouders,

haar kleine hoofdje bleek in vochtig licht.

"Ik moet in deze wereld heel verandren.

Alles verandert, ik moet ook verandren",

dacht ze en stond stil naar de zee te kijken,

zooals een beeld,

zooals een vrouw, een teere zachte vrouw.

Een klein heldendicht · 第 15 / 19 题