VIII.

Zachte Maria trad in de fabriek.

De zaal was lang. Honderden weefgetouwen

stonden nog stil, diep in het bleeke licht.

En daartusschen de honderden poppen

van menschen, pratend en lachend. Zij ging

tusschen ze door en voelde een hartwarmte.

Ze ging op haar plaatsje tusschen de andren,

en wachtte op het weefgetouw nabij haar.

Daar ging een fluit, en de machinist in

zijn groote eenzame machinekamer

koppelde den dynamo. En daar ging

de wonderbare stroom in de magneten,

die trokken en stietten. Het rad begon

majestueuzen hoogen cirkelgang.

En al de raadren en al de riemschijven,

eerst daar verweg en toen ook in de zaal,

begonnen te leven, het leven vloog door

de fabriek, en de krukken en de boomen

en de spoelen begonnen hunnen dans.

In eens was de zaal vol rumoer. En alle

menschen begonnen hun stille beweging.

In eens was de zaal vol van gaande lijven.

In eens was de zaal vol bukkende lijven.

In eens was de zaal vol zachte aandacht.

In eens was de zaal vol teedere gangen

van levend vleesch en donkere kleeren

en helle jurke'. In eens was de zaal vol

van weefsels en van inslag en van schering.

Maria keek op gloeiend rooden boom,

en lette op den spoel en regelde

den gang. Haar helpsters gingen zacht naast haar.

En zoo begon de groote lange dag.

De zon zond zijnen butidel stralen door

een grijzen glans. De ijzeren assen

draaiden boven, de drijfriemen snelden,

de wielen liepen en de houten armen

rukten met schokken, dat de spoel klettrend vloog.

Maria stil en lieflijk in haar werk,

zooals een bloem tusschen het ijzer. En

haar handen waren fijn, en hare oogen

keken zoo lieflijk als druppelen water.

En zacht stond ze te denken aan de mannen

en vrouwen om haar, en de kleine kindren

vertoonden zich om haar aan haar neerblikken

ter zijde naast haar. En als zij uitkeek

zag zij de lieve gezichten der mannen

met hunne knevels en baarden, de helle

gezichten der vrouwen toonden zich bloot.

Schemering was om haar, want in haar hart

voelde zij de liefde voor den arbeid.

En in haar handen die werkten was warmte.

Daar trad op eenmaal een man dicht naar haar

toe van het naaste weefgetouw, en in

het dreunen en dondren van de machines

het klettren des staals en de schoten van

de spoelen sprak hij, zoo dat ze hem toch hoorde:

"Zullen we verder over 't socialisme

spreken of niet?" En zij keek stil uit hare

warmte naar hem op en zei: "Ja heel graag."

Toen begon hij, hij was een bleeke man

met donkre knevels, zijn gelaat blonk vochtig.

"Nu zal ik je nog eens vertellen hoe

het kapitaal wordt in de groote wereld

waarin wij wonen: onze maatschappij.

Laten wij stil voortwerken en toch praten,

onder ons werken socialisten zijn."

En hij dacht een poosje als in een zoeken,

dat de wind doet; voor hij tot een storm wordt.

Men ziet hem met de kleine bladen spelen,

ze jagen, wervelen, 't is of hij kijkt

ernstig op den grond waar hij zal beginnen.

"Zie eens Maria, zie eens deze draden,

hun verf, dit staal, deze machine, dit

huis met al zijne lederen riemen

tot aan het dak. Zie eens uw boezelaar.

Denk eens aan al de huizen in de stad.

Denk eens aan al de dingen in ons land

en in de landen hieromheen, de boomen,

den grond, al wat er op is....

Wat zijn het

behalve natuurdingen?--het zijn _waren_.

_Koopwaren voor den mensch_.

Zie eens, elk ding heeft waarde.

Wat is die waarde, wat is de ruilwaarde?

Het is de Arbeid, gemeten door den tijd.

Onze arbeid, van u en mij, schept waarde.

En de bezitters ruilen waarde tegen

waarde. Maar hoe ontstaat het kapitaal?

Hoe komt het dat er altijd meer komt in

d' handen van hem die kapitaal bezit?

Hoe schept bezit bezit, geld geld, waar waarde?

Hoe komt uit ruilen altijd meer, meer voort?

Dat komt, Maria, omdat onder de waren

die geruild worden er ook menschen zijn!

Dat komt omdat wij, gij en ik, zijn onder

de ruilwaarden, en wij, wij kunnen meer

waarde maken dan wij waard zijn.--

Ons bloed kan meer doen dan het kost, ons eten,

de kleeding die wij dragen, de kamers

die wij bewonen en de brandstof die

wij verbranden,

op een dag, in een maand, of in een jaar,

is minder waard, heeft minder waarde, wordt

om 't duidlijker te zeggen, in korter

tijdsduur gemaakt dan wat wij zelve maken

hier in de fabriek in een jaar, een maand,

of op een dag.--

We ontvangen voortbrengsel

van zes uur misschien, wij geven van twaalf.

En dat meerdere, die meerdere waarde,

dat nieuwe werk aan grondstof toegevoegd,

neemt de eigenaar der fabriek, en wij gaan

iedere week met net genoeg naar huis

om van te leven schamel en karig.

Begrijp je 't Maria, het kapitaal?"

Maria knikte.

En de werkman zei:

"En zoo gaat 't overal op heel de wereld

waar 't kapitalisme is. Iederen dag

scheppen de millioenen loonarbeiders

meer dan zij krijgen. Het kapitaal groeit,

het wordt een eeuwig groote gouden berg."

Ze dreven ieder hunne handen door

de draden, grepen hier en grepen daar,

met hun gedachten half en met hun handen

heel in het werk. Het werk schoot op, het werd

grooter, er kwamen meer draden des inslags.

"Wat is nu de drijfkracht van dit alles",

zoo ging hij voort, "hoe komt het dat altijd

meer komt, waarom gaat 't overschot niet op

of blijft gelijk? Dat moet ik je ook nog zeggen,

opdat je een goeie socialiste wordt.

In de eerste plaats zijn Wij dus de drijfkracht.

Wij maken altijd meer, en zooveel meer

dat elk jaar overblijft, en ieder jaar

wordt gevoegd het surplus bij 't kapitaal.

Maar in de tweede plaats is deze het,

dit trouwe dier, dat altijd meer meer werkt."

Hij legde zijne hand als op een paard

op de machine, op het breede juk

dat het weefgetouw boven samen hield.

"Hij doet het, hij, met zijn metalen kracht.

Want zie je, kind, alle machines worden

altijd beter gemaakt door de geleerden,

die zitte' in stille kamers ver van ons.

Die maken dat het werktuig altijd beter

en sneller en machtiger werkt, en in

denzelfden tijd en met minder menscharbeid

rijker oogst baart. En daardoor worden dan

de dingen die wij noodig hebben, lager

in waarde, de tijd die gebruikt wordt om

ons onderhoud te maken, korter, de

tijd dien wij dus voor niets voor onzen heer

werken, langer, en zijn winst altijd grooter."

Hij zweeg en werkte, en om hen henen werkten

de andren, in het ruischende stooten

werden zij niet gehoord, zij gingen in

het licht en schaduw, even snel gezien.

Maria zweeg, en hare liefde werd

in haar grooter, de verontwaardiging

liefde vlamde, het bloed van haar hart sloeg

in den bloesem van haar lijf uit, terwijl

ze zacht keek en met hare handen werkte.

Lang was het stil tusschen hen tweeën, hij

keek hoe hij het verdere nu zou zeggen.

Zij dacht en leefde en soesde en groeide.

Daar begon hij weer, en een groot visioen

begon te stijgen in de stille lucht

der fabriek. Hij leek wel een zanger die

in de oude tijd zong van de helden en

hun daden, voor de koningen der landen.

"Wij zijn het dus, de machine en wij,

gij en ik en die daar, die 't geheel drijven,

en maken dat de ontwikkeling komt. Want wij

maken het kapitaal, en 't kapitaal,

altijd grooter, drijft de ontwikkling voort.

Zie hier, buig u met mij in het werk neder,

leg uwe handen in de draden van

het weefsel, drijf ze er door, beweeg

die zachte bloemen door het roode weefsel.

Sla uw hand aan den hefboom, ruk hem over,

glij uw oog langs den boom, en zie of in

de juiste draden de spoel inschiet, wees

met uw lijf zacht gaande zooals een droom,

wees, vrouw, in 't werk, laat ik u zien als in

machine gaan, en gij, zie gij naar mij,

hoe ik één met mijne machine ben.

Zien wij naar elkaar. Hoe wij werken, werken.

Wij maken 't kapitaal. En aldoor meer!

De rijkdom der wereld wordt aldoor grooter.

Wij doen het. O zie naar me, ik zie naar u."

De mannen en de vrouwen der nabuurge

machines, die hem zagen en wisten

dat hij over het socialisme sprak,

waren nader gekomen en scholen

te zamen met hun hoofden zooals kindren

bij den meester, en kleine kindren als

Chineesjes stonden onder hun boez'laren

tegen het staal der weefgetouwen aan

met hun hals en hun kin, naar hem te kijken,

en luisterden goed hoe de wereld werd.

Maria werd zacht door hen ingesloten.

En hij ging verder, klaar klinkend van stem:

"Het kapitaal gaat van ons uit, een stroom

van goud hier van uit onze handen.

Werkt handen dus, gij drijft de wereld voort.

Maria werk, werk, ik, wij drijven samen

het kapitaal naar buiten de fabriek.

Het kapitaal van buiten de fabriek

werpt aldoor meer arbeiders hier naar binnen.

Dus handen werkt, maakt het weefsel toch voort.

Werk, werk, Maria, machine werk voort,

vermeerder het kapitaal, en vermeerder

het leger der arbeiders. Onze handen,

maakt kapitaal en maakt arbeiders snel."

Hij had zich over zijn werk heengebogen,

en sprak als in een droom. Zij luisterde,

en zij luisterde naar zijn droom gebogen.

En dieper boog hij zich op 't rood stramien,

en sprak heel stil over de schering kijkend,

over den spoel die daarachter heenweervloog:

"Loop spoel en maak het weefsel, o gij weeft

niet hier mijn weefsel alleen, maar het weefsel

der maatschappij hier binnen en daar buiten."

Hij had zijn mond bijna tot op het weefsel

en fluisterde over de draden voort.

Zijn kop rustte op het stramien, de stalen

armen en bouten der machine vlak

voor hem. Zijn hoofd was in grauwe schaduw

der machine omvat, als 'n muzikant

in de snaren der piano of harp.--

Zij keek naar hem,--als een bloem in een bloempot.

En hij richtte zich op in 't hooge licht,

en met zijn haar dat stoffig was achterover,

en met den fellen blik diep in

het lichten van de zonnestof gericht,

terwijl de machines van zelve liepen,

sprak hij:

"Loopt spoelen, loopt, en maakt het weefsel,

gaat handen in den arbeid, maakt het weefsel,

schept, arbeiders, uw strijd met 't kapitaal,

den arbeid hier, het kapitaal daar,--binnen

de arbeiders met den arbeid, daarbuiten

de bezitters met het bezit.

O strijd

tusschen beiden, kom, o kom, en word sterker.

O Vrijheid kom, wij kunnen niet meer zonder.--

Een klein heldendicht · 第 17 / 19 题