leven kent en fijne aristokratiese mensenkennis, komt rein en schoon in
deze kleine berijmde vertelling voor den dag, die nog heden ten dage
geleefd en gedicht had kunnen worden.
XXI.
HET EINDE DER RIDDERROMANTIEK.
Gelijk de glanstijd van de ridderadel, duurde ook de bloeitijd van de
ridderromantiek slechts zeer kort. In het laatst der middeleeuwen was
het de kerk, de universiteit en de burgergeest die het geestesleven
zouden beheersen. Deze drie machten waren het die in de 14de en 15de
eeuw de dood van de ridderromantiek veroorzaakten.
In de latere Graalromans zagen wij haar in de dienst treden van de
kristelike mystiek en ascetiese monnikengeest. Lancelot en Guenievre
doen ten slotte boete in cel en kluis; Perceval ligt »bevend als een
blad" aan de zijde van zijn vrouw die hij voor God en de mensen getrouwd
heeft, van pure vrees de vreugde des hemels te missen, als hij zich
aan vleselike lust overgeeft; heilige mirakelen en de valstrikken des
duivels omgeven de maagdelike Galaad bij zijn zoeken naar de Graal; en
in het Duitse gedicht »De jonge Titurel" worden de Graal-tempel en de
Graal-dienst tot een mysties symboliese idealisering van het nieuwe
Gotiese kerkgebouw en de kristelike godsdienst. Handige geesteliken
beginnen over het algemeen de wereldlikheid tot de Ere Gods te wenden,
door de ridderromans en de minneliederen of de »ars amandi" te
»moraliseren" en te »spiritualiseren" en ze tot geestelike allegorieën
te maken; er worden »geestelike toernooien" en ridderromans geschreven
over de reis naar de Hel en het Paradijs. Menig ridderlik dichter kreeg
zelf scrupules: zowel Chrestien de Troyes als Hartmann von Aue schreven
legenden als boetedoening voor hun ridderromans en meer dan een
minnezanger eindigde op een kruistocht of in het klooster. In het
gedicht van Konrath von Würzburg, »'s Werelds loon", krijgt een
ridderlik minnezanger bezoek van »Frau Welt" die hij steeds gediend
heeft, haar schoonheid en beminnelikheid betoveren hem volkomen, maar
als zij zich omkeert, ziet hij hoe haar rug geheel opgegeten is door
vergiftige slangen, en vol walging maakt hij zich nu van haar af en
neemt het kruis.
Nog werkzamer middelen dan allegorieën en waarschuwingen werden tegen
de verwilderde kinderen der wereld gebruikt. De 13de eeuw is die van
Innocentius III en Lodewijk de Heilige, van de orden der bedelmonniken
en van de Inquisitie; de 14de eeuw is die der mystiek, van de zwarte
dood, en van de geselbroeders en noch in de ogen van Lodewijk de
Heilige, noch in die van Bonaventura, zou de roman van Lancelot genade
kunnen vinden die Paolo en Francesca tot »de zoete zonde" verleidde.
Vooral was het de schone jolige ridderkultuur van geheel Zuid-Frankrijk
die vertrapt werd, toen het kruisleger van Simon de Montfort als een
gesel Gods zich over de ketterse steden en het land der troubadourhoven
stortte. »Ik was gewoon aan zang en vrolikheid, aan ridderlikheid en
vriendelikheid, klaagt de troubadour,--de wereld was vrolik en de
vrouwen mooi en lief en een ieder legde zich slechts toe op wat edel was
en schoon. Maar nu is alles veranderd, ik word gelaakt en veroordeeld
voor alles waar ik vroeger voor geprezen werd en nu zegt men dat gulden
stoffen niet voor vrouwen passen en dat men de genade Gods vinden
zal door witte pijen en zwarte kleêren." Zeer plotseling verstomde
de rijke fijne zangkunst of moest zich voor moraliserende leerdichten
laten gebruiken, slechts een paar troubadours waren er voor te
vinden om de liefdelyriek te gebruiken voor de verkondiging van
een platonies-kristelike, mysties-spiritualistiese godsdienst der
liefde,--zoals die zich later verder ontwikkelde uit de Italiaanse
renaissance-lyriek, in Dantes »Vita nuova" en Petrarca's »Canzoniere".
Intussen kwam de kerk zelf ook met een literatuur voor den dag die het
publiek interesseerde. Van de ridderromans wendde men zich tot de
»Legenda Aurea", Bonaventura's »Beschouwingen", Jacques de Vitry's
verzameling van stichtelike »exempelen" en door de boetpredikanten
die uit het volk voorkwamen en vóor het volk spraken, zowel als door
de grote mysteries werd het kermispubliek toch meer en meer van de
speellieden en de »conteors" afgetrokken.
Maar tegelijkertijd kreeg de ridderromantiek het hard te verantwoorden
op de Universiteit,--door de geleerdheid en de scholastiek. Een
geografiese en natuurwetenschappelike literatuur in de volkstaal zou
weldra de ridderromans geheel overtreffen door haar verhalen over
alle merkwaardige landen en volkeren, van alle wonderbare planten en
dieren en mirakuleuze stenen. De romantiese fantasiehonger had zich
langzamerhand ontwikkeld tot een werkelike dorst naar wetenschap en tot
een ontwakende drang naar onderzoek, en allerlei soort »Mappemondes",
»Miroirs du monde", bestiarieën en lapidarieën of de reisbeschrijvingen
van een Marco Polo en Mandeville trokken weldra de belangstelling
sterker tot zich dan de merkwaardigheden van de Alexanderromans of de
Parzivalgedichten. Op dezelfde manier leidden de ridderromans tot een
historiese literatuur die meer en meer de belangstelling van die romans
af, en tot zich trok. Reeds de schrijver van »de roman van Troje" begon
op zijn ouden dag een kroniek der Normandiese Hertogen te schrijven, en
gebruikte de kleuren der ridderromantiek om te beschrijven hoe hertog
Richard tot ridder geslagen werd of de liefdegeschiedenis te vertellen
van Robert van Normandië en het schone burgermeisje dat hij aan de
was had zien staan. In Villehardouin, in de werken van de Minstreel
uit Rheims, en later in de kronieken van Froissart ontwikkelt zich
een ridderlik romantiese kunst om de geschiedenis te schrijven, met
schitterende beschrijvingen van de feesten der Bourgondiese hertogen
en het hofleven der Engelse Plantagenets of van de heldenfeiten en de
Oosterse lust naar avonturen op de kruistocht naar Konstantinopel. De
overgang van roman naar historie komt duidelik aan den dag in een werk
als de »Roman de Hem" van een Sarrasijn in de 13de eeuw. Feitelik is
dit niet anders dan een uitvoerige beschrijving van een toernooi,
dat de dichter bijgewoond heeft, hij beschrijft alle deelnemers
onder hun werkelike namen, ofschoon in een gril zijner fantasie een
paar Arthurridders er bij gehaald worden. In zijn inleiding prijst de
schrijver ook bizonder die dame op wier bevel het gedicht geschreven
werd, omdat zij niet is gelijk die dames die zich allerlei leugens »bij
elkaar laten lappen die de geest alleen maar bederven", maar die zulke
»romans d'aventure" als »Cligès" en »Parcival" versmaden.
Maar het was toch vooral de didaktiek en de scholastiek die van de
Universiteit komende, de ridderromantiek zouden verstikken. Er was,
zoals wij al gezien hebben, reeds vroeg een scholasties element in de
minnepoëzie der troubadours gekomen en in zelfstandige leerdichten
zowel als overal in de ridderromans waren er stukken te vinden waar
men een lesje in de ridderlikheid en de hoofsheid kon krijgen. Meer en
meer verdroogt nu echter dat frisse gevoel in de lyriek en verdwijnt
de levende fantasie uit de romans en in plaats daarvan komen morele
allegorieën en een spitsvondige dialektiek in die lyriek, in de
romans en nog meer in de zelfstandige leerdichten. Reeds in de jongste
klassiciteit floreerden erotiese en morele allegorieën--het slot van
Venus en de rechtbank van Venus, vrouw Philosophia die Boethius in zijn
gevangenis komt troosten, of de bruiloft van Philologia en Mercurius
bij Martianus Capella--en meer en meer ziet men die allegorieën in de
theologie der middeleeuwen verschijnen, en daaruit dringt nu de zin om
eigenschappen te personifieren en abstrakte begrippen af te beelden in
de wereldlike ridderpoëzie door, in Noord- en Zuid-Frankrijk zo ook
als in Duitschland. De Godin der Liefde zit in haar paleis omgeven
door Vreugde, Schaamte, Hoop enz. en houdt een leerrijke voordracht
voor hen. De dichter ontmoet op zijn wandeling allerlei allegoriese
personen en heeft leerrijke gesprekken met hen. Of wel wordt de
belegering van »de Burcht der Liefde" in alle stadia geschilderd. Het
is vooral in Noord-Frankrijk--Parijs was immers de hoofdzetel van de
Scholastiek--dat wij de moraal der ridderlikheid aanschouwelijk zagen
maken door de allegorie, of het wezen der liefde in zijn bestanddeelen
zagen oplossen die alle allegories gekleed waren. En wij zagen ook hoe
in het leerboek over de »gepaste" liefde »De arte honeste amandi" van
de Kapellaan Andreas, de regels van de ridderlikheid en de ridderliefde
gesistematiseerd waren, als wetten werden geformuleerd en subtiel
in scholasties-juridiese geest vertolkt; in een gedicht als »het
Dierenboek der Liefde" van Richard de Fournival, maakt de minnaar van
alle berichten uit de bestiaria over merkwaardige dieren gebruik om
allegories de merkwaardige eigenschappen van de liefde en de aangebedene
te beschrijven en zij antwoordt door nog weer andere morele vertolkingen
van die dierenverhalen te citeren!
Maar de beroemdste en fijnste, meest poëtiese scholastisering van de
ridderromantiek is toch de »Roman de la Rose" die een jonge geestelik
opgevoede edelman uit Orleans omstreeks het jaar 1240 geschreven had.
Daarin lezen we, hoe de dichter--in zijn droom--vrolik en met liefde
in het hart, de stad uitwandelt om van het gezang der vogelen en het
voorjaar te genieten, en bij een tuin komt die door een hoge muur
omgeven is zodat men er niet in kan komen. Buiten op de muur zijn de
ondeugden afgebeeld die er buiten moeten blijven: haat en laagheid,
gierigheid en afgunst, droefenis en ouderdom; want dit is het rijk
van de ridderlik-hoofse liefde, dat slechts open staat voor de edel
geborenen, rijken, welopgevoeden en jongen. »Dame Oiseuse" is de
portierster, d. w. z. dat alleen een leven in lediggang als dat van de
hogere klassen daar toegang verschaft. Zij vraagt de dichter vriendelik
de tuin in ogenschouw te willen nemen; het is haar zuster »Déduit" die
hem heeft aangelegd. In de tuin gekomen, vindt hij zich weldra omringd
door een uitgelezen gezelschap van spelende en dansende Dames en Heren,
»Juffrouw Beleefdheid", »Rijkdom", die zijn vriendin »Vrolikheid" bij
de hand geleidt, »Vrijgevigheid", die als een ridder van Arthur's
Tafelronde gekleed is, »Jeugd", een lief klein meisje van 12 jaar dat
argeloos-onschuldig haar minnaar voor aller ogen kust, en eindelik
»Amor" zelf, een jong ridder in een kleed met bloemen, die door zijn
page »Zoete Blik" begeleid is en met »Vrouwe Schoonheid" danst, die
prachtig is als de maneschijn, onstoffelik als de dauw, eerbaar als een
bruid en wit als een lelie. Terwijl de dichter een roos achter een heg
staat te bewonderen, schiet Amor een pijl op hem af die hem in zijn hart
wondt, en knielend moet de dichter nu de Liefdegod als zijn leenheer
huldigen. Om volkomen zeker te zijn, zet die bovendien nog een slot
op zijn hart en steekt de sleutel in zijn zak, waarop hij zijn vazal
een reeks voorschriften geeft, hoe hij zich bij de liefde gedragen
moet,--vele er van kinderachtig, maar enkele toch ook fijn en schoon--,
en om hem te troosten krijgt hij »Zoete Gedachte", »Zoete Woorden" en
»Zoete Blik" bij zich. Gewond sleept de dichter zich nu naar de roos en
vergeet zijn wonde door daar op te blijven zitten staren en er de geur
van op te snuiven; een vriendelike man (Bel-accueil) biedt aan hem te
helpen als hij beloven kan de roos niet te plukken maar alleen zich met
de aanblik en de geur er van tevreden te stellen, maar hij kan aan de
verleiding geen weerstand bieden en wil over de heg springen,--als
de »bewaker" (Dangier) te voorschijn komt en hem overvalt, met
behulp van »Kwade tongen", »Schrik" en »Schuchterheid"... Een hele
liefde-geschiedenis, zoals men ziet, en een soort psychologie der
verliefdheid in een allegorie ingekleed; de fijnste essens der
riddererotiek, die zonder de geur te verliezen in de verschillende
samenstellende delen ontleed is en op flessen gezet.
Maar midden in zijn verhaal was de dichter er uitgescheden, en een
mensenleeftijd later of iets meer, was er een welvarende, geleerde
burger van Parijs, Jean de Meung, die het handschrift in zijn bezit
kreeg en het voortzette. En met hem kwam er een hele nieuwe geest in het
werk, die van een grof verstands-realisme, dat de sierlike rozentuin
lelik zou maken. Want terwijl de minnaar staat te jammeren, komt »Het
Verstand" hem eens de les lezen. Liefde komt slechts uit een »passion
desordonnée" voort en is een soort krankzinnigheid die de man uit
natuurdrift overvalt, terwille van de voortplanting. En als zulk een
natuurdrift moet die gehoorzaamd worden, maar als het niet wegens die
blinde passie was, zou het verstand werkelik geen plezier vinden in die
onbekookte praatjesmaaksters die men vrouwen noemt en die de poëten nog
verheerliken!,--het is alleen maar hun opschik die ons zand in de ogen
strooit, en al de sentimentaliteit waarmede de liefde zich omgeeft,
betekent eigelik niets! Als priester der natuur treedt ook »Genius"
op en verkondigt zijn: »Vermenigvuldigt u". Alle vrouwen zijn voor
alle mannen en het is al te dwaas te geloven dat Robicon voor Mariote
geschapen is of Mariote voor Robicon. Meer en meer brengen de lange
gesprekken die de dichter heeft met »Verstand", met de »Vriend" en
»Valse Schijn", hem uit de atmosfeer van de rozentuin weg, maar op alle
gebied is het romantiek en sentimentaliteit en de gekunsteldheid in
de overspanning der hele ridderkultuur die aangegrepen wordt--alles in
naam van kultuur en verstand, van utiliteit en verlichting en van een
demokratiese burgerlikheid. »Laten wij nu toch eens even verstandig
trachten te zijn!" daar komt het alles op neer. Geen adel en geen
rijkdom,--de mensen zijn van nature gelijk; geen weelde in eten en
klederdracht, geen preutsheid en geen affectatie, geen bederven van de
natuur door opvoeding en konventie, niet al dat blanketten en maskeren
van de naaktheid van het geslachtsleven, niet al die hoogdravendheid en
gekheid van het ridderwezen,--laten wij natuurlik zijn en waar, en de
werkelikheid onder de ogen zien.
En onder talrijke vormen laat de burgerlike geest in de zich
ontwikkelende steden een dergelijke taal tegenover de ridderromantiek
horen. Zeker, de burgers proberen de ridderromantiek zo wel als de
ridderlyriek tot de hunne te maken en die bewust of onbewust te
verburgerliken. De werklieden vormen een zangersgilde te Toulouse,
te Gent en te Neurenberg en maken zo een handwerk op rijm van de
minneliederen der troubadours met moraliserende, spitsburgerlike
inhoud. En de ridderromans werden omgewerkt tot lompe, kinderachtige
volksboeken, tot vermaak van het volk. Maar tegelijkertijd wordt de
poëzie der ridders en hun romantiek voortdurend geparodieerd evenals
de ridderadel met hoon en toorn aangevallen wordt. Van de latere
riddergedichten waren er al vele die in zelf-ironie gespot hadden over
de afstand tussen het hooggespannen ridderlike idealisme en de steeds
meer en meer armer wordende werkelikheid in de ridderwereld. En in
Chaucers nobele Sir Thopas of in de kleine Jean de Saintré in de Franse
roman van de 15de eeuw worden de ronddolende ridders geparodieerd
en gehoond, presies als later in de ridderepopeën der Italiaanse
Renaissance-dichters. In Duitse gedichten willen ridders meê doen aan
de dans met boerendochters, maar ze worden met spot de deur gewezen door
de landelike schoonheden als zij ze het hof willen maken, en lopen een
pak slaag op van de boerenjongens. Alle aanstellerij in de minnepoëzie
der troubadours kan men in de gedichten der Florentijnse burgers
geparodieerd vinden. En hoe meer de adel zelf ekonomies, moreel en
militair in verval kwam, des te meer lachen de burgers ze uit. Het
eclatante fiasco van de Franse adel in de honderdjarige oorlog doet
een stroom van spot op hun hoofden nederdalen,--hoe de Duitse ridders
in het laatste deel der Middeleeuwen eigelik tot gemene struikrovers
gezonken waren, vindt men reeds midden in de 13de eeuw getekend in een
allerliefste kleine novelle »Meier Helmbrecht" waar het eerlike werkzame
leven van de boer in een heldere tegenstelling geplaatst is tot het
vervallen ridderwezen, waar de ridders rijp zijn voor de dood van een
struikrover aan de galg.
En dit verval van de adel, ekonomies, militair, politiek en moreel,
brengt ook van zelf dat van de ridderromantiek mede. Wel is waar schoot
die eerst nog veel meer en meer eksentriese loten. Zo overtrof b.v.
de Duitse ridder Ulrich von Lichtenstein alle vroegere minnedichters
in dwaasheid, toen hij een lid van zijn vinger afhakte en dat zijn
aangebedene zond, of als »Vrouw Venus" verkleed, geheel Duitsland
doortrok en bij alle toernooien ter ere van zijn dame streed--gelijk hij
dit alles zelf in zijn autobiografiese roman »Vrouwendienst" verhaald
heeft. De eindeloze Franse roman »Perceforest" uit de 14de eeuw en
de Spaans-Portugese Amadis romans uit de 15de eeuw gaven nog eens
en wel in de meest paradoxale ten spits gedreven vorm alle idealen
van de ridderromantiek bij elkaar en alle lievelingsmotieven uit
de ridderromans. Aan het Bourgondiese hertogelike hof trachtte men
evenzo in de 15de eeuw de ridderlike glansperiode van de Tafelronde
te doen herleven door prachtige toernooien, kunstmatige hoflyriek en
ridderlike »voeux du faisan" over de kruistochten tegen de Turken. En
toch,--evenals het niet de ridderlike politiek der Bourgondiese hertogen
was die de zegepraal zou behalen, maar de zeer burgerlike politiek van
Lodewijk XI, zo waren het niet de laatste verwaterde ridderromans en
minnedichten in de stijl der troubadours, maar de burgerlike realistiese
farce of novelle of Villon's burgerlik-realistiese lyriek waaruit de
levende ziel van de 15de eeuw sprak. Terwijl de ridderromantiek zich
over de andere landen van Europa uitbreidde en nog in de 15de eeuw
nieuwe zelfstandige loten schoot, in de Scandinaviese ridderballaden,
in Spaanse romances van de Cid, in de Engelse Arturroman van Malory,
allerlei spruiten van de ridderromantiek die wij hier niet verder kunnen
vervolgen,--waren hun sappen uitgedroogd in de landen zelf waar zij
thuis hoort, de leidende landen wat de kultuur der middeleeuwen betreft:
Frankrijk en Duitsland.
Zo nauw was de Ridderromantiek aan een bepaald maatschappelik
en geestelik leven der middeleeuwen verbonden, dat die in haar
oorspronkelike vormen met de middeleeuwen ten grave _moest_ dalen.
Maar in die romantiek, en verborgen onder wat daarvan aan plaats en
tijd gebonden was, lagen algemene dichterlike kultuurwaarden die altijd
tot het levende eigendom der mensheid zouden blijven behoren. Meer en
meer is men toch ook van de opvatting teruggekomen dat de renaissance
een volkomen breken met de Middeleeuwen zou betekenen. Evenals het
middeleeuwse kristendom en de stedelike kultuur, maakt ook de ridderlike
vorming een deel van de moderne kultuur uit. Indien men de inslag van de
ridderlikheid door de schering van het maatschappelike geestesleven van
een latere tijd of die van de ridderromantiek in haar latere literaire
ontwikkeling heen wilde nagaan, zou dit betekenen dat een aanzienlik
deel van de geschiedenis der moderne kultuur geschreven was. Het
ridderlike krijgsmansideaal en het ridderlike begrip van eer zijn
niet alleen nu nog springlevend in de militaire stand, maar maakt een
vrij essentieel deel uit van onze burgerlike mannelike moraal en de
middeleeuwse begrippen »Chevalier" en »gentilhomme" met de bijsmaak
van eer en hoofsheid die deze woorden hebben, zijn langzamerhand tot
het »cavalier" en »gentleman" van onze tijd geworden. En zo zijn, van
een zuiver literair standpunt uit, de ridders van Ariosto, Tasso en
Spenser, die de wereld rondtrekken en ter ere van hun Angelica, Armida
of Gloriana strijden, de direkte afstammelingen van de ridders van
Chrestien en Wolfram, maar ook de galante Alexander de Grote van Mlle de
Scudéry, de Cid van Corneille, ja zelfs Hernani van Victor Hugo en Don
Carlos van Schiller hebben nog het bloed in hun aderen van Arthur's
ridders van de Tafelronde. En verder: de Provençaalse en Franse »Hoven
van Liefde" waar de dames presideerden, werden voortgezet in de hoven
van Margareta van Navarre en de Italiaanse literaire vorstinnen, zowel
als in de Franse salons der 17de en 18de eeuw en de minneliederen der
troubadours weerklinken in het Italiaanse sosiale leven als sonnetten
van Petrarca, evenzeer als de spiritueel-sentimentele liederen van
Charles d'Orléans bij het hof van Blois, en de liefdelyriek van Sidney
en Spenser aan het hof van Elisabeth. Ja, zelfs de minneliederen van de
Musset en Lamartine, van Klopstock en van Heine hebben nog veel in zich
dat aan de »Liefdekunst" der troubadours herinnert. En tenslotte: de
middeleeuwse liefderoman--met zijn sentimentaliteit, zijn romaneske
intrigue-fantasie en zijn belangstelling om de grillige roeringen van
het hart na te sporen--brengt ons tot Boccacio en Ariosto, Chaucer en
Shakespeare, Margareta van Navarre en Racine en daaruit vinden wij
die met zijn motieven en gehele toonscala in talrijke moderne romans,
novellen en drama's terug. De episode van Troïlus en Briseïs in de
roman van Troje werd als voorbeeld van de grillen van de liefde en het
vrouwenhart eerst en veel dieper gebruikt door Boccacio en Chaucer,
en later door Shakespeare; bij diezelfde drie grote dichters der
renaissance werden de onschuldig lijdende en zich liefderijk opofferende
vrouwen heerlik gepoëtiseerd in figuren als Griseldis of Imogen. De
meest sentimentele van Boccacio's novellen en de meest romantiese van
Shakespeare's blijspelen zijn op de Middeleeuwse intrigen gebouwd, maar
met roerender toon en dieper zielestudie,--van Floris en Blanchefleur,
Appollonius van Tyrus, Die Herzmäre en de roman van Lancelot. Ariosto's
van liefde razende Roeland en de heldin Bradamante in panser en
kuras,--Chaucer's »Fair Emily" op een schone Meimorgen, en Spencer's
Britomartis die de wereld doortrekt om een ontvoerde geliefde te
zoeken wier beeld zij in een spiegel gezien heeft,--Tasso's kokette en
ijverzuchtige Armida... aan al dergelijke figuren kunnen wij zien hoe ze
direkt uit middeleeuwse ridderromans stammen en op hun beurt weer leiden
tot Racine's despotiese en jaloerse prinsessen, tot de desperate
minnaars der romantiek en Tennyson's »fair Elaine".
Het moderne geestesleven zou nog verder ten achter gestaan hebben in
morele verfijning en maatschappelike vormen, de moderne poëzie zou heel
wat armer geweest zijn aan sentimentaliteit en een eigenaardig soort
romanfantasie, indien het adelike hofleven der 12de en 13de eeuw niet
geleefd was en de gedichten der troubadours en de ridderromans nooit
geschreven waren. Soms lijkt het zelfs wel eens alsof al onze hang naar
het populaire en natuurlike en over het algemeen onze tijd van »feiten"
en »een gezonde brutaliteit" nog heel wat zou kunnen leren van adel en
ridderlikheid, fijne hoofsheid en zelfopofferende innigheid, van die
oude verhalen van Eer en Liefde ten spijt van alle gezond verstand en
langer dan het leven.
INHOUD.
Bladz.
Inleiding V
Hoofdstuk
I. Van Baron-burcht tot Ridderhof 1
II. Kristelike Gevoelskultuur 9
III. Wereldlike Kultuur 21
IV. Hofkultuur 32
V. »Salon-Poëzie" der Ridderkringen 44
VI. Zuid-Frankrijk 58
VII. De Kunst der Troubadours 69
VIII. Minnekunst 93
IX. Geestelike Romans 110
X. De Romantiek der Kruistochten 121
XI. De Alexander-Romans 132
XII. Romanties-Klassieke Literatuur 143
XIII. Grieks-Oosterse Vertelkunst 171
XIV. Matière de Bretagne 196
XV. Marie de France 208
XVI. Tristan en Isolde 220
XVII. Franse Ridderlikheid 239
XVIII. Bretonse Romans 248
XIX. Duitse Ridderromantiek 285
XX. Ideaal Humanisme 314
XXI. Het Einde der Ridderromantiek 334