Het is de uitverkorene van haar nichtje op wie zij in stilte verliefd
wordt. Zij heeft hem helpen oppassen en aan zijn ridderdracht naaien
en »zolang heeft zij nu naar zijn ogen en zijn gezicht gekeken, en
zijn handen en zijn lichaam dat het haar wee begint te doen." De ridder
ziet dat wel, maar vindt dat het haar alleen maar goed kan doen iets
van hartsverdriet te leren kennen. Zij is er altijd bij om hem zijn
wapenrusting aan te helpen trekken; hoe zwaar het haar ook valt, is het
haar toch aangenaam met iets van hem bezig te zijn. Hoe meer het huwelik
nadert, des te dieper wordt de stille smart van het meisje; zonder iets
te zeggen legt zij haar zuster's hand op haar hart, opdat zij merken zal
hoe haar het harte klopt. Maar de ridder heeft toch goed gezien, het
was alleen maar een »proefpijltje" dat Amor op haar afgezonden had om
haar kinderhart te wekken. Wanneer een arme maar uitstekende ridder even
daarna om haar komt met de klacht dat hij haar helaas geen rijkdom heeft
aan te bieden, antwoordt zij: »Mijn liefde hangt niet aan goed of geld,
maar behoort een ridder even beminnelik als dapper." Terwijl zij dit
zegt,--waarschuwt nu de dichter--denkt zij nog aan haar aangebeden
ridder, maar meer en meer gaan haar gedachten toch naar de ander. En het
duurt niet lang voor die haar hand en hart gewonnen heeft (Parthenopaeus
van Blois).
En tegenover het heel jong meisje staat de even jeugdige knaap, de
page,--»le valet" of »das Kind". Het is als de verliefdheid van een
student en een jong meisje in onze tijd--die schuchtere liefde tussen
Alexander en Soredamor, waar bij een moederlike vriendin ze te hulp moet
komen. Zij is de hofdame van de koningin en hij een vreemde vorstenzoon,
op bezoek aan 't hof; zij zijn beiden--voor de eerste maal--verliefd,
tot over de oren, maar ze generen zich gruwelik voor elkaar. Op een
avond in gezelschap zitten ze bij elkaar, maar hij houdt zijn hand onder
zijn gezicht en zegt niets, en zij wou graag tegen hem spreken, maar
hoe zal zij hem noemen? Hoe zoet zou het niet zijn als zij hem »vriend"
durfde noemen--maar heeft ze daar recht op? een ding weet zij wel, dat
als hij haar »vriendin" noemde, dit geen onwaarheid zou zijn. Maar
waarom hem niet bij de naam noemen? Maar die heeft zo veel en zulke
zware lettergrepen, zij voelt dat zij in haar bedeesdheid er midden in
zou blijven steken. Als zij dat gemakkelik en liever »mon doux ami" er
maar uit kon krijgen... De koningin krijgt dikwels bezoek van de prins
en daar mag Soredamor dan bij zijn; de koningin heeft hem een met goud
gestikt kleed ten geschenke gegeven en daar heeft Soredamor aan helpen
borduren zonder te weten voor wie het bestemd was. Uit de aardigheid
heeft het jonge meisje van haar eigen guldenhaar tussen het gouddraad
ingewerkt en wanneer zij eens op een dag met z'n drieën bij elkaar
zitten en de koningin naar Alexanders kleed kijkt, ontdekt zij het
gouden haar; het gouddraad er naast wordt geheel door de glans er van
overtroffen. Glimlachend roept zij het jonge meisje er bij, alle twee
worden om beurten rood en wit en weten uit puur geluk dat ze zo dicht
bij elkaar zijn niet hoe ze zich zullen houden en de koningin die dit
ziet, begrijpt nu alles en vertelt hun wat hun scheelt. »Kijk eens naar
dat kleed," zegt zij, »en vertel wie daar aan gewerkt heeft en of zij
er niet iets van haar zelf bij gegeven heeft." En Soredamor is tegelijk
verrukt en ongelukkig dat ze nu met de verklaring voor den dag moet
komen, maar Alexander kan zich nauweliks inhouden om het gouden haar
niet, waar zij beiden bij zijn, te kussen (Chrestien: »Cligès").
Alles lokte ook tot liefde,--de gehele atmosfeer van de ridderhoven was
vol van liefde. Op alle muren en wandtapijten trof het oog scènes uit
Ovidius of uit »Tristan en Isolde",--een Duits gedicht »Het Gordijn"
behandelt een hele serie van dergelijke liefdegeschiedenissen die op een
bedgordijn afgebeeld waren. Op ivoren kammen en toiletdozen vond men
zoetige, kleine Amorbeeldjes, op drinkbekers stond te lezen: »Liebes
langer Mangel--das ist der Herzen Angel", op gespen kon men (antieke?)
stenen vinden met Amor en Venus er in uitgesneden; verzen over de »zoete
moeite van de liefde" waren met kralen op de klederen der ridders en hun
dames geborduurd. Om liefde speelt men en van liefde zingt men, en de
romans zijn het meest geliefde tijdverdrijf voor allen. Menige ridder
gaat het als de Heer van Gravenberg van wie het heet dat hij de gehele
dag op zijn kamer romans zit te lezen over avonturen en liefde, en
iedereen is het er over eens dat het lezen van romans de beste opvoeding
voor de jeugd is en de ouderen van dagen van alle »vilainie" afhoudt.
»Men mint beter als men over liefde hoort zingen en lezen" en het is
door die roman dat de jonge knaap leert dat het nu tijd voor hem is om
er op uit te trekken en een »voorwerp" te zoeken. Romans en leerdichten
vertellen van de verschillende soorten van liefde: »twingende minne"--de
woeste passie der zinnen, die »glibberig als ijs" is en de »hohe minne",
die van het hart. Van de lage liefde die aan het verlangen naar geld
te danken is, de grote die door de goede naam der dame ontstaat, en de
allerbeste liefde,--dat is de »goedwil" (bonne volonté) die plotseling
uit het diepste van het hart opwelt. Van de verschillende stadiën van de
liefde: het ontwaken er van, het dieper worden er van, door de zekerheid
dat men weder bemind wordt en de consumatie er van wanneer men gekomen
is tot »le baiser et l'accoler". Hoe een man merken kan of een dame hem
liefheeft; zij durft zich natuurlik niet het eerst uitspreken, maar als
zij met het oog half toe geloken, ietwat knipogend hem een blik van
helderste zonnestralen toezendt, is dit een zeker teken. Ook de dame
krijgt allerlei lessen hoe zij haar aanbidder op de proef kan stellen,
hoe zij hem geleidelik hoop mag geven--welke kleine geschenken zij,
zonder zich te compromitteren kan aannemen--hoe zij, in geval van
geheime correspondentie met bleke inkt moet schrijven en alleen op
kleine wassen tafelen waar het schrift onduidelik is, evenals zij
altijd van zich zelf als _hij_ en van haar minnaar als _zij_ moet
spreken,--hoeveel van haar lichaam zij haar aanbidder mag laten zien
en aanraken; ook allerlei intieme voorschriften voor de verschillende
stadia van haar overgave en de aestethiek van het eroties genot.
Met alle mogelike variaties is het referein dat »de jonge man die
niet lief heeft, verspilt zijn tijd", en »de dame die niet iets of wat
zondigt, waar zou die later wanneer ze ouder geworden is, berouw over
hebben?"--Bovendien: is liefde zonde, dan brengt die zonde toch zoveel
goeds met zich, dat God die licht vergeeft. »Pitié" is het de plicht
van alle Kristenen, vooral van de vrouwen aan den dag te leggen, het
is tegen de natuur dat een vrouw zich hard en ongevoelig zou tonen, het
is niets minder dan doodslag om een aanbidder tot wanhoop en zelfmoord
te brengen door zijn smeekbede niet te verhoren. Hoe was het niet dat
een oude vrouw (in de »Gesta Romanorum") een al te ongevoelig meisje
een doodsschrik op het lijf joeg door haar een hond te laten zien die
niemand anders was dan haar eigen dochter, die God in een hond veranderd
had tot straf dat het meisje haar aanbidder zelfmoord had doen plegen!
Zo had ook een ridder eens buiten een schare vrouwen gezien, die, in
lompen gehuld met gewonde, nakende voeten op uitgehongerde, zwarte
paarden door het bos reden,--dat waren vrouwen die gedurende hun leven
niet hadden willen liefhebben en die nu zo gestraft werden, terwijl er
een andere schare aan kwam rijden, schoon versierd met rozenkrans en op
krachtige witte paarden, elk in een zoet gesprek met een vriend; dat
waren zij die zo beloond werden voor een leven, gewijd aan fijne
ridderlike liefde.
Van een dergelijke liefde berichten de romans en de berijmde verhalen
uit die tijd in het oneindige. De motieven worden midden uit het leven
van »de hogere kringen" genomen en dikwels worden de verhalen door
bekende met name genoemde personen verteld; veel van de verhalen uit
Provence geven zich gewoon uit voor biografieën van troubadours en vele
geschiedenissen worden ook aan de naam van adelike Noordfranse of Duitse
minnezangers vastgeknoopt. Soms zijn het niets dan anekdoten van een
stukje courtoisie, een geestig antwoord of een galant idee. Bijvoorbeeld
een verhaal van een liaison tussen een troubadour, Guillaume van
Cabestaing en de Gravin van Roussillon en hoe haar zuster zo goed de
schijn op zich laadt dat zij de geliefde van de troubadour is, dat
haar zuster feitelik jaloers wordt. Hoe een ridder, vermoeid van een
toernooi, zich verslaapt en daardoor een geheime ontmoeting met een dame
mist, maar hoe galant en spirituëel hij haar zijne verontschuldiging
aanbiedt, zodat alleen zij verstaat wat hij bedoelt en hem vergiffenis
schenkt. Een soort »Proverbe", als van de Musset, heeft men in de kleine
»lai de l'ombre". De dame heeft aan een ridder die haar sterk het hof
maakt, weerstand kunnen bieden, maar nu heeft hij, zonder dat zij het
weet onder menig een »bel mot plaisant et poli" zijn ring aan haar
vinger weten te schuiven. Dat ontdekt zij later en eist dat hij die
terug zal nemen. Zij zitten op de rand van de put in de burchttuin, als
hij genoodzaakt wordt de compromitterende ring aan te nemen; »die is er
niet zwarter op geworden door aan zulk een schone vinger te zitten,"
zegt hij droevig glimlachend en als hij haar beeld zich op de bodem
van de put in het water ziet spiegelen, voegt hij er bij dat hij die
nu ook niet meer dragen wil, maar dat zijn lieve vriendin de ring nu
moet hebben, zij, die hij, na haar, het liefste heeft. De dame is ietwat
vertoornd er over dat hij zo een ander op de achtergrond schijnt te
hebben, maar op hetzelfde ogenblik werpt hij de ring in het water voor
haar beeld. »Zie, nu mijn dame de ring niet wil hebben, is die voor
haar daarginds", »Welk een gelukkige inval," zegt de dichter, »was die
galanterie niet!" De dame kijkt naar beneden in de put en wordt geroerd:
»Uwe zoete woorden en uw grappig idee en het geschenk dat gij mijn beeld
geschonken hebt, doen mij geheel anders hierover denken; daar hebt gij
mijn ring: ik veronderstel dat gij er niet minder op gesteld zult zijn,
al is die ook minder fraai dan die welke gij opgeofferd hebt."
Een werkelike echtbreuk-roman is de Provençaalse »Flamenca". De jonge
Guillaume de Nevers heeft zo veel horen spreken van Flamenca, de vrome,
jonge echtgenote van de brutale Seigneur de Bourbon, dat hij het besluit
neemt de ongeziene Schone lief te hebben. Hij neemt een kamer in een
herberg vlak tegenover de burchttoren, waarin zij opgesloten gehouden
wordt, en geïnspireerd door de nabijheid der geliefde, groeit zijn
romantiese liefde voor haar aan tot dweperij van de zelfde telepatiese
aard als die wij bij Tristan tegen zijn gekomen. Wanneer hij vanuit zijn
venster naar haar toren kijkt, valt hij in een soort bezwijming en in
die tijd is zijn ziel bij haar in de toren en houdt haar in de armen
zonder dat zij 't zelf vermoedt. Slechts na enkele ogenblikken ziet zijn
bekommerde dienaar een glimlach over het bewusteloze gezicht spelen en
de geest er langzamerhand weer in terugkeren, met een weerspiegeling
over zich van het geluk dat die genoten heeft. Om met de dame in
verbinding te komen weet hij van een gewillige priester de toelating te
verkrijgen de koordienst in de kerk te verrichten waar zij de mis hoort,
en dat hij het werk van de geestelike op zich mag nemen die rondgaat en
de gemeente het brevier laat kussen. Bij dat werk heeft hij allerlei
ogenblikken van verrukking. Wanneer hij het zonnelicht op Flamenca's
haar ziet vallen, jubelt hij met zijn schone stem dubbel mede in het
koorgezang. Wanneer zij haar hand ontbloot om het teken des kruises te
maken, dan loopt het de minnaar als ijs langs de rug »alsof men in al te
koud water baadt". Nu waagt hij het een eigenaardig soort van gesprek in
te leiden, wanneer hij haar het brevier tot kussen aanbiedt. De eerste
keer zucht hij alleen maar diep, en thuis gekomen vertelt Flamenca haar
maagden van die schone geestelike en zijn zuchten, waarop de meisjes
dadelik gereed staan met hun raad: de volgende maal moet zij vragen
waarom hij zo zucht. En zo ontwikkelt zich het gesprek, elke keer dat
zij in de kerk komt slechts een paar woorden van een der beide partijen
en telkens wordt er thuis in het vrouwenvertrek ijverig gedebatteerd,
wat de geestelike gezegd heeft en hoeveel aanmoediging hun meesteres
hem de volgende keer in haar antwoord geven mag, totdat zij elkaar
langzamerhand beginnen te begrijpen en afspreken hoe de echtgenoot het
best bedrogen zal kunnen worden.
In Noord-Frankrijk worden de minneliederen van de Heer van Coucy aan de
Vrouwe van Fayel het onderwerp van een hele roman die wij gedeeltelik
terugvinden in de allerliefste »Herzmäre" van Koenraad van Würzburg. Die
eindigt met het barbaarse sage-motief dat men ook in Indiese en Keltiese
en vele andere sprookjes vindt,--dat de echtgenoot zijn vrouw het hart
van haar minnaar te eten geeft en haar dan, als het op is, vertelt
wat voor een lekkernij zij voor zich gehad heeft, waarop zij zweert
van nu af geen voedsel meer tot zich te nemen. Maar afgezien van dit
tragiese slot beweegt de historie zich geheel en al in de vormen van het
geciviliseerde hofleven en schetst de verhouding der twee hoofdpersonen
door alle gewone fases heen, van het eerste bezoek af waar zij, in
de afwezigheid van haar gemaal, het gesprek een andere draai geeft
telkens wanneer zij vrezen moet dat de Heer van Coucy aan tafel met
zijn liefdesverklaring voor den dag zal komen, tot op het ogenblik dat
een andere dame, wier avances de ridder afgewezen heeft, eens met de
scherpzinnigheid van de jalousie de blikken opvangt die de geliefden
elkaar in 't geheim toewerpen en alles aan de echtgenoot verklikt.
Maar liefde die met het huwelik in konflikt komt is nu niet langer
het enige wat interesseert. Men heeft nu het konventionele standpunt
verlaten van het geloof dat de poëtiese ridderlike liefde niet met het
proza van het huwelik samen kan gaan; een fijnere moraal begint zich
aan het halve en het valse in gestolen liefde te stoten en een inniger
opvatting der liefde tracht tot solieder, zekerder huwelikstoestanden
te leiden. Men zal zich herinneren hoe de echtgenote in het gedicht
van Marie de France »Eliduc" haar recht op haar eigen echtgenoot opgaf
ten voordele van de verbinding die hij in 't buitenland aangegaan had,
ofschoon hij wist dat hij elders gebonden was. Op dit gedicht van
Marie schreef Gautier van Arras een roman maar met karakteristieke
veranderingen. Ille verlaat zijn innig geliefde vrouw Galeron uit
wanhoop dat hij bij een toernooi zijn ene oog kwijt is geraakt; hij kan
niet geloven dat zij steeds liefde zal kunnen blijven voelen voor iemand
die zo ontsierd is, en trekt stil weg naar een vreemd land. Een zeer
onhandig idee, dat blijkbaar in verband staat met een oordeel in het
boek van Andreas Capellanus over de »Kunst der Liefde" en ook weer
gevonden wordt in een Duits gedicht: »De getrouwe Echtgenote"; maar er
moest iets zijn om Illes vertrek van zijn huis te verklaren. Ille komt
te Rome en maakt zich zo verdienstelik dat de Paus en de keizer hem een
geschikte partij vinden voor de dochter van de keizer. Maar het is
alleen op de verantwoording van de Paus en na lang Galeron gezocht te
hebben, die intussen ook haar tehuis verlaten heeft, dat Ille in het
nieuwe huwelik toestemt, en wanneer dan Galeron in de St. Pieterskerk
opduikt, juist op het ogenblik dat de bruidsstoet daar aankomt, bedenkt
Ille zich geen ogenblik om de keizerdochter in de steek te laten en met
zijn vrouw naar huis te trekken, niettegenstaande die bereid is hem op
te geven. Eerst na jaren geeft Galeron zich na een gevaarlike bevalling
aan God en wordt non, en nu kan Ille zich met zijn geliefde prinses
laten verenigen. Het verschil ten gunste van Marie wat betreft de morele
verantwoordelikheid en fijngevoeligheid is duidelik.
Nog duideliker is het dat de Cligès van Chrestien als een morele
tegenhanger van de Tristan-romans bedoeld is. Evenals hier wordt ook
in de Cligès een neef verliefd op de bruid die hij voor de koning,
zijn oom, gaat halen. Maar behalve dat Cligès volstrekt niet door
dankbaarheid aan zijn oom gebonden was, zoals dit met Tristan het geval
was,--integendeel is zijn erfrecht op de troon door zijn oom met geweld
terzijde gezet--verklaart ook Felice, de koningin, dadelik uitdrukkelik
dat zij niet, wat Isolde zo met vreugde deed, haar lichaam tussen
echtgenoot en minnaar wil delen: »hij die het hart heeft, zal ook het
lichaam genieten." En zo geeft zij zich ook pas aan Cligès, wanneer haar
min, die de kunst der toverij verstaat, de keizer een toverdrank gegeven
heeft die maakt dat hij het huwelik niet heeft kunnen consumeren. En
de twee gelieven zoeken dan ook niets beter dan een openbaar, wettig
huwelik voor de verborgen liaison in de plaats te stellen, wat hun dan
per slot van rekening ook gelukt, als de keizer uit de weg geruimd is.
Maar zelfs als echtgenote--heet het, volkomen tegen de wetten van de
ridderlike erotiek indruisend--bleef zij zijn dame en vriendin. Zo
antwoordt ook de echtgenote in »Erec en Enide" demonstratief aan iemand
die haar vraagt of zij de vrouw of de vriendin van de held is:
»Echtgenote èn vriendin."
In vele romans van de 13de eeuw kan men nagaan hoe de verfijning van de
erotiese moraal en het dieper en inniger gevoel dat voor de andere min
in de plaats komt, als vanzelf van de konventionele troubadourliefde tot
het huwelik voert. De vorstenzoon, Durmart le Gallois, die begint met
een losse verbintenis met de vrouw van den drossaete, ondergaat b.v.
langzamerhand een morele loutering en opvoeding en eindigt met zijn
dame, de Ierse vorstin, de hand voor het altaar te reiken. »De meesten,"
zegt de dichter, »laken hem die met zijn minnares trouwt, maar die
voelen de ware, echte liefde niet, want hoger is dàt geluk te achten
dat onverminderd genoten kan worden, dan dat hetwelk men slechts voor
een ogenblik leent, en het moet voor ieder zéér pijnlik aandoen zijn
vriendin vlak voor zijn ogen door een ander te moeten zien kussen en
omhelzen." En vooral in Duitsland bezingen de voornaamste dichters
eigelik steeds de lof van het huwelik ten spijt van de conventie der
riddererotiek, terwijl de leerdichten als in de geest van Luther
verklaren dat het hoogste geluk in de wereld is een goede en trouwe
vrouw te bezitten en dat de wil van man en vrouw »van het hart en tot
het hart gaat".
Ook uit menig andere conventie der ridderromantiek ziet men zich
langzamerhand een fijnere en gezonder liefdemoraal ontwikkelen.
B.v. uit de argumenten tegen die echtgenoten welke zonder het minste
vertrouwen op hun vrouw, dadelik in alle laster tegen hen en hun eer
geloven--gelijk in de »Roman de la Violette"--uit de oppositie tegen
de dames die de ridder tot speelbal van hun luimen maken en hen die ze
liefhebben door hun grillen plagen; of wel wendt dan de ridder zich ten
slotte van haar af, als hij genoeg heeft van haar koketterie, of wel
betaalt hij haar in gelijke munt door haar liefde op een dergelike proef
te stellen, als die waarmede zij hem in haar koketterie geplaagd heeft.
Allerliefst bestaat beider liefde de proef in een klein verhaal: »De
drie ridders en de mantel." De dame heeft haar drie aanbidders gezegd
dat zij hèm voor zou trekken, die bij een toernooi haar mantel wil
aantrekken in plaats van een wapenrusting. Slechts bij één der drie is
de liefde daar sterk genoeg voor en hij komt zegevierend terug, maar
met zware wonden. Maar nu verlangt hij van haar dat zij op een feest die
bloedige mantel over haar feestdracht dragen zal. En haar liefde is even
sterk als de zijne, zij offert haar ijdelheid op evenals hij zijn leven
op het spel gezet had.
Of men lette op hoe vaak morele fijngevoeligheid en hooggespannen
idealisme de ridderroman op zijn best in het oude feeën-motief leggen
kan, dat wij al zo dikwels hebben zien behandelen: de ridder die
verraadt dat hij in het geheim de gunst van de fee genoten heeft. In de
»Parthenopaeus van Blois" is de fee tot een prinses van Konstantinopel
geworden, die de toverkunst machtig geworden is, haar minnaar is de
jonge ridder van Blois. Wanneer hij er zich toe laat verleiden haar
gebod van geheimhouding te overtreden, verbant zij hem uit haar ogen,
niettegenstaande al zijn berouw en de smeekbeden van haar zuster; haar
verwond hart, haar teleurgesteld vertrouwen vloeien over van smart en
boosheid. »Zuster," zegt zij, »gij kent de liefde slecht, de liefde met
haar vreugde en smart; één enkele smart die een vriend ons berokkent,
doet meer kwaad dan vijf die een vijand ons veroorzaakt." Maar even diep
is dan ook haar berouw en haar zelfverwijt, als het blijkt dat zij hem
tot vertwijfeling gebracht heeft. »Wie zijn vriend hoogmoedig afwijst,
wanneer hij onder tranen om genade bidt," zegt zij, »moet niet éénmaal
sterven, maar langzaam de uitterende dood voelen naderen." Eerst wanneer
beiden door hun beproevingen gelouterd zijn, worden zij voor goed
vereenigd.
Dit feeën-motief wordt geheel in de werkelikheid opgenomen in de kleine
vertelling van »La Châtelaine de Vergy",--misschien de fijnste bloem der
ridderpoëzie. Misschien ligt er iets dat werkelik aan het Bourgondiese
hof gebeurd is aan ten grondslag. Aan het hof van een Hertog leeft een
jong ridder, de lieveling van de vorst en de vreugde van het hof. Ook de
hertogin werpt haar ogen op hem; lang tracht zij hem zeer diskreet haar
gunst te tonen, en in fijne, passende bewoordingen geeft zij hem haar
gevoelens te kennen, maar hij doet haar in alle hoffelikheid begrijpen
dat hij er niet over kan denken het vertrouwen van zijn meester te
beschamen. En nu gaat de hertogin diep gekrenkt naar haar echtgenoot
om de knaap te belasteren en te zeggen dat hij haar met oneerbare
bedoelingen heeft trachten te naderen. De hertog kan zijn oren nauweliks
geloven en hij laat de ridder nu alleen bij zich komen om hem aan een
verhoor te onderwerpen; het is duidelik dat de jongen verliefd is,
maar hij zweert dat hij onschuldig is en de hertog wil hem heel graag
geloven, maar op wie kan het dan zijn dat hij verliefd is? Slechts als
hij hem dat wil zeggen, kan hij zijn wantrouwen doen verdwijnen. En
zo lang dringt hij aan en zo ongelukkig voelt de knaap zich dat hij
in een vals licht voor zijn meester zou staan, dat hij ten slotte
met het geheim voor den dag komt: het is de nicht van de hertog, de
Burchtgravinne van Vergy en hij die elkaar al lang in het geheim bemind
hebben, maar ze hebben gezworen er het stilzwijgen over te bewaren.
De vorst zweert van zijn kant dat het geheim niet over zijn lippen zal
komen en neemt de gelegenheid waar, om, ongezien, de ontmoeting van
het jonge paar in de tuin bij te wonen. Hoger dan ooit te voren staat
de jongeling nu bij de hertog in de gunst, wat, gelijk te verwachten
was, de verbazing en zelfs de verbittering van de hertogin wekt. In
een vluchtig geschetst nachtelik idyllies ogenblik weet de jaloerse
vrouw eindelik haar gemaal met moeite het geheim te ontlokken. Zij,
een hertogin, versmaad voor een simpele burchtgravin,--dat is een
belediging, die gewroken moet worden. Kort daarna is er een groot feest
aan het hof van de hertog en onder de gasten uit de buurt is ook de
burchtgravin. Vriendelik wordt zij door de hertogin ontvangen, maar
wanneer de dames zich na het middagmaal teruggetrokken hebben om zich
voor het bal te kleden, dan kan de gastvrouw niet nalaten met een kleine
hatelikheid voor den dag te komen die de jonge vrouw het hart doorboort,
omdat die het haar duidelik maakt dat haar geliefde hun geheim verraden
heeft. Als de andere dames die niets gemerkt hebben, ten dans gaan,
trekt zij zich, diep in 't hart getroffen, in een kleine kleedkamer
terug: zij is verraden door haar minnaar, verraden aan de hertogin,--dus
is zij het nu die hij liefheeft. Zij werpt zich op een bed en onder
wenen en klagen breekt haar hart van verdriet met de woorden: »Gode
beveel ik u, zoete vriend." Ondertussen heeft haar ridder haar overal
bij de dans gezocht en in de vertrekken; eindelik vindt hij haar op het
bed in die kleine kamer. Zijn kwade geweten doet hem reeds vermoeden
wat er gebeurd is en dat wordt hem door een kamermeisje bevestigd die
de dame heeft horen klagen, en als de rest van het gezelschap aan komt
ijlen, wordt de ridder, doorboord door zijn zwaard, op het lichaam
van zijn geliefde gevonden. Maar de vorst trekt het zwaard uit het
lichaam van de dode en midden onder het feest stoot hij het in zijn
vrouw,--daarop neemt hij het kruis en trekt naar het heilige land.