Philips Augustus en Lodewijk de Heilige en het Duitsland der
laatste Hohenstaufen tot een korte harmonie in een edele en schone
menselikheid,--een classiciteit zo goed als die der Grieken en Romeinen.
Alles wat er van de kunst dier dagen tot ons gekomen is, draagt die
stempel. De Gotiese katedralen van de Rijnstreken en Noord-Frankrijk
met hun lichte gewelfde, feestelik stemmende ruimten, de slanke pijlers
en bogen, het kleurrijke stralende licht door ruiten en rosetten. De
schone glasmozaieken der kerken van Tours en Bourges met de reine diepe
kleuren, de eenvoudige, duidelike omtrekken der figuren en de hele
ideale klassieke stijl die wat te vertellen heeft, dezelfde die wij in
de edele eenvoudige miniaturen van de zogenaamde Bijbel van Lodewijk
de Heilige terugvinden. De Madonnabeelden en die der Apostelen op de
kerkfaçaden van Rheims en Amiens, de reliefbeelden van de dood van Maria
op de Notre-Dame te Parijs of de Dom van Straatsburg,--afbeeldingen van
de mens van een even vrije natuurlikheid en hoge adel als die van de
klassieken. Of »de heilige kapel" te Parijs met het feestelik fijne
samenspel van licht en kleuren, ruimte en lijnen en met de reine en
nobele ornamentiek der muren. In het museum van Cluny te Parijs of het
»Germanisches Museum" te Neurenberg getuigen kleine voorwerpen--een
ivoren kam, een kandelaar, een muurtapijt--van de edele en fijne
schoonheidskultuur der 13de eeuw.
Op dezelfde wijze wordt de ridderromantiek op haar hoogste punt slechts
tot een geïdealiseerde uitdrukking van de edele en fijne menselikheid
die in de eerste kultuurcentra van die dagen te voorschijn kwam. Vele
romans en korte ridderlike berijmde novellen laten nu meer en meer de
wonderbaarlike producten der fantasie vallen die de ridderromantiek
uit Keltiese en Oosterse bronnen ontleend had en de kinderachtige
avontuurtjes die ze van de Griekse romans geleend hadden; ook de
geaffekteerde, overspannen troubadourpoëzie geven ze op, zowel
als de zoetige sentimentaliteit der Bretonse romans en hun andere
extravagances,--feitelik ontdoen ze zich van alles wat spesiaal
ridderromantiek was en worden zo tot heel natuurlike, menselike,
verhalen uit het leven der Franse en Duitse edelen, een ideale
afspiegeling van de werkelike kultuur der hoge kringen en een
interpretatie van de fijne gevoelige menselikheid die het leven in
de beste ogenblikken kon verwerkeliken. En in een reeks leerdichten
worden geformuleerd, niet langer gelijk vroeger, de voorschriften der
geestelike paedagogen, hoe men de »fijne wereld" opvoeden moet, maar
omgekeerd, regels voor goede manieren, opgesteld door die zelfde
geesteliken tengevolge van wat ze zelf in die kringen hadden kunnen
opmerken en leren.
Die »kringen",--dat zijn de uitverkorene edelen,--over die alleen is
het de moeite waard te spreken: een dode edelman is meer waard, heet
het, dan een levende burger. En het enige leven waar men iets aan heeft
is dan ook dat in die kringen; men moet »sich gesellen", anders wordt
men »sauvage",--»ongemanierd", zoals Parzival of Iwein dit werden
in de eenzaamheid van het bos. Een hogere stand die slechts leeft
voor een luxe, leven van vrije, schone, fijne menselikheid,--een
»liberaal" leven in tegenstelling dat der »illiberale" werkers, der
_banausoi_,--dat is de ridderwereld, gelijk de Griekse aristocratie van
de »edelvoortreffeliken"--de »kalokagathoi"--dat was. »Le vilain"--zo
leert een riddergedicht--leeft alleen maar om te zwoegen en te sparen,
te pruttelen en te schelden,--hij spreekt niet en hij zingt niet, als de
hond die slechts bijt; hij voelt niets voor bloemen en vogels, en alles
wat schoon is en schittert, ergert hem alleen maar, zijn hele leven is
één wanklank in de harmonie des hemels,--Gods vrolike, gelukkige engelen
hebben niets met zulk een grove plebejer uit te staan. De »edelgeborene"
daarentegen, die God zelf met zijn schone handen uit een edeler
natuurstof gevormd heeft en die ook verder een goede opvoeding in
gezelschap van nette mensen gehad heeft, die leeft alleen maar voor
alles wat schoon is en edel en goed.
Waar men in de eerste plaats voor leeft, is om de schoonheid van het
leven te genieten en het nog schoner te maken. De natuur werpt men een
vriendelike blik toe, maar verder niet. Meest is het nog in tuinen
en parken dat men de natuur liefheeft,--men bezingt de roos als het
zinnebeeld van het liefdegenot, het madeliefje van de trouw; in de
Duitse liederen is de linde de boom van de zomer en de liefde. Onder
de vogels zijn de meest geliefden de nachtegaal van Marie de France, de
leeuwerik van Bernard de Ventadour en de zwaluw die een lok van Isolde's
gulden haren uit Ierland haalde. Maar ook het jachtleven opent de
ridder het oog voor de natuur: men vindt b.v. een beschrijving van de
dauw-natte morgenstond, de slaperige middagstilte in het diepe groene
bos, de slanke ree, het enorme wilde zwijn en de roofvogels in de toppen
der bomen. De reiger en de valk--»the gentil faucon" noemt Chaucer
hem--is de lievelingsvogel van de ridders zowel als de dames. »Die vogel
doet mij 't harte goed", heet het in een gedicht ter ere van de valk,
»als ik die op mijn hand zie zitten, zacht en hoofs, of wanneer die zo
»edel" vliegt; alleen daarom sta ik gaarne 's morgens vroeg op." En de
borst van een valk,--zwelt die niet even schoon als een vrouwenboezem?
En kan de blik van een schone vrouw stralender zijn dan die van de
ridderlike jachtvogel? Menig ridder twijfelt of hij meer van zijn valk
houdt of van zijn dame en er lopen verhalen hoe een dame uit jaloesie
de valk van haar ridder de nek omdraait of hoe de arme ridder bij de
ontvangst van zijn dame genoodzaakt wordt haar het allerzwaarste offer
te brengen: zijn valk te doden en haar die bij de maaltijd voor te
zetten. Of een page die in een alleraardigste kleine vertelling door
liefde verkwijnt voor de echtgenote van zijn meester; zij heeft vergeefs
getracht hem weer moed in te spreken, en wanneer haar man dan vraagt
wat er eigelik bij hem aan scheelt, begint de dame aan het ziekbed van
de jongeling en tot diens grote schrik, te vertellen hoe de knaap haar
aldoor achtervolgd heeft en gesmeekt om... zijn meesters lievelingsvalk,
maar dat zij die toch niet heeft durven geven. Maar de ridder verklaart
dat hij hem liever al de valken zal geven die hij bezit, dan hem zo van
ellende te zien verteren en nu belooft de meesteres de zieke dat hij dus
de valk krijgen zal waar hij zo naar gezucht heeft.
Meer dan de natuur is het 't hofleven op de burcht dat de ridderkultuur
schoner tracht te maken en dat de ridderromans verheerliken. Een
eenvoudige, fijne smaak heeft nu in het leven zowel als in de romans die
massa van bonte Oosterse pracht vervangen die b.v. de Troja-romans bij
hunne beschrijvingen op elkaar stapelden; maar feestelik en schitterend
ziet zoo'n slot er toch uit. De muren blauw met gouden sterren of met
tafrelen versierd of wel hele schilderingen met voorstellingen naar de
ridderromans; ook in de muurtapijten zijn zulke scènes uit die boeken
geborduurd. De vloer is van groen marmer »als een weide met gras" of
grote lemen platen met bloemdekoraties of wapenschilden er in gebeiteld.
Op deuren en zolderingen zijn dieren of bloemen uitgesneden; kunstig
smids-werk; weinig maar smaakvol versierde ligbanken en taboeretten;
vele kleuren en een sierlike rijkdom van détails, maar zuiver en deftig
van smaak.
Een deftige smaak vertoont zich ook in de klederdrachten der ridders en
der dames in de 12de en 13de eeuw, waardoor ze ook sterk verschilden van
de barbaarse tijd der roofridders en van de geraffineerde extravagance
der 14de eeuw. Een lange mantel van donker purper met gouden sterren er
op, werd om het lijf door een zijden koord samengebonden en van boven
door een gouden gesp; de voering van hermelijn met zwarte sterren, om de
open hals sabelbont, op het haar een krans van bloemen, aan welks kant
twee geëmailleerde gouden gespen aan zijn gebracht,--zo ziet de heldin
bij Chrestien er in haar bruidstooi uit. Zorgvuldig worden de kleuren
van dat gewaad zo uitgezocht dat ze niet vloeken en dat ze bij de teint
en de kleur van het haar passen, met dezelfde zin voor schoonheid als
bij het draperen van de beelden wordt er voor gezorgd,--voor zover we
uit de beschrijvingen der romans op kunnen maken--dat de kledij goed
in de vouwen valt en er wordt voortdurend op gewezen dat hoe mooier
het meisje is, des te eenvoudiger moet de klederdracht zijn. Met zéér
geringe afwijkingen wordt hetzelfde kleed en mantel door man en vrouw
gedragen, door jong zowel als oud, gelijk ook de gladgeschoren baard het
verschil tussen leeftijd en geslacht uitwist, de dracht waarmede men
in het openbaar verschijnt, maakt allen als 't kan slechts tot mensen,
alleen de stof en de snit laat diskreet de waardigheid en de leeftijd
doorschijnen, de gratie van de vrouw en de lichte elegantie van
de jongeling. Ook in de wapenrusting en wat de man verder voor de
oorlog nodig heeft,--wat men b.v. op de zegels uit die tijd goed kan
bestuderen--openbaart zich een zuiverheid en een adel van smaak die
zowel de tijd die er aan vooraf gaat als die welke er na komt, zeer in
dit opzicht overtreft.
De vormen der samenleving worden ook schoner en edeler,--van de pedant
aangeleerde regelen voor goede manieren die men uit het buitenland en
van de geesteliken ontvangen had, worden ze nu tot een werkelike
wellevendheid, gedragen door takt en fijngevoelige vriendelikheid.
»Cortezia"--zegt een ridder uit Provence--»bestaat dáárin dat men zich
door woord en optreden bemind weet te maken, en hoofs is hij die weet te
doen wat anderen aangenaam is; hoofsheid vertoont zich in klederdracht
en vriendelike tegemoetkoming, in het onthaal en in liefde." De Duitse
woorden »Tugend" en »gezogentlich" slaan op uiterlike zowel als
innerlike eigenschappen. »Iemand die op hoofse wijze een ander een beker
aan kan bieden," zegt een moralist, »en zijn handen houdt zoals het
hoort, van zo iemand zeggen de mensen dadelik: »wat een welopgevoede
knaap is dat toch, die is zeker deugdzaam, zie eens hoe deugdzaam hij
zich gedraagt"." En een Duits boekje over »tafelmanieren" zegt:
»Verloren is geen opgevoed man, heb ik wel horen zeggen, nooit kan een
onopgevoede een plaats in de hemel verkrijgen." Nu komt het er niet
alleen op aan om »wel bedankt" te zeggen of »Goeden-dag", of zijn mond
goed af te drogen, neen, men moet zich nu netjes houden en rechtop lopen
»als een waskaars" of »als een jonge scheut op een tak"--en daarvoor
zijn schermoefeningen goed, heet het,--en men moet de conversatie goed
gaande weten te houden--in de romans vindt men menig gesprek tussen
gast en gastheer waarin die elkaar in beleefdheidsfrases trachten te
overtreffen--en men moet zich licht en bevallig weten te bewegen en zich
fijn en netjes gedragen. Het is duidelik dat de omgangsvormen bepaald
werden door hetzelfde tegen elkaar doen opwegen van een conventionele
vormelikheid en de natuurlijke vrijheid die bijvoorbeeld ook de figuren
kenmerkt op miniaturen en ivoorwerk. De houding, gestes en andere
bewegingen hebben nog een traditionele betekenis om het gesproken woord
kracht bij te zetten en te illustreren, even simbolies ongeveer als bij
de oude rechtspleging: door de vinger op te heffen maakt men op iets
opmerkzaam, in diepe gedachten steunt men zijn kin op de hand, en dat
twee goede vrienden elkaar omhelzen wanneer ze elkaar ergens ontmoeten
en samen in een vensternis gaan zitten praten, hoorde evengoed tot de
overgeleverde »goede toon" als dat een rechter op zijn rechterstoel
zitten moest als een »grisgrimmender löwe" en met »de rechtervoet over
de linker geworpen."
Een samengaan van »Tucht" en »Gemeite", d. w. z. van eerbare tucht en
opgewekte vriendelikheid is het ideaal voor de verschijning in 't
publiek. Te hard lachen en te hard schreeuwen als men klaagt is al even
ongepast; een vrouw moet met half open mond lachen, en al is ze ook nog
zo zeer onder de indruk van het een of ander, moet ze toch goed oppassen
dat haar hoofdtooi netjes blijft zitten,--als Walther klaagt dat de
wereld in de war is, drukt hij dit zo uit: »Wee, u, wereld, wat zit
uw hoofddoek tegenwoordig slecht!"--zacht en licht moet de vrouw
voortzweven (»schleichen"), liefst met een zekere gratieuse zwaai
(»swanc"); het hoofd ietwat op zij--zoals men dat op de Mariabeelden
kan zien; en de ene kant van haar kleed moet zij op een bepaalde wijze
opnemen. Zij mag niet te veel rondgluren maar een zekere schuchtere,
half nieuwsgierige blik past een jong meisje wel, zegt Walther. Een
voorbeeld van menselike »Tucht" en »Gemeite" is de manier waarop Isolde
en haar moeder, de koningin, de zaal binnentreden in de koningsburcht,
zoals Gottfried dit schildert. Slank als een den is de prinses, haar
bruine fluwelen kleed is om het middel vastgesnoerd en voegt zich lenig
om de lichaamsvormen, met haar linkerhand houdt ze een paarlen snoer
vast dat de mantel op haar borst vast bindt, zo dat ze volgens de hoofse
zeden die met twee vingers samenhoudt; bevallig »zweeft" ze nu met haar
moeder naar binnen, men volgt hen met de ogen en langzaam en gelijk
op doorlopen de blikken der twee vorstinnen de zaal, zo dat elk der
aanwezigen een blik krijgt en in aller harten brengen ze onrust; de
moeder begroet de anderen met een woord, de dochter, zo als het past,
buigt zwijgend.
Steeds fijner worden de wenken die Provençaalse en Franse didaktiese
gedichten de dames geven voor hun optreden in de wereld--»Het hof der
Liefde",--»De God der Liefde",--»De Sleutel der Liefde",--»De Kunst der
Liefde" en wat die alle heten,--de Liefde wordt nl. altijd beschouwd
als de bloem van het wereldse »Savoir-vivre". Dergelijke leerdichten
bewerkte een halfduitse geestelike in Italië in Duitse verzen en zond
die naar zijn land onder de titel »De Walse Gast",--en kort daarop
volgde een »Winsbecker" en een »Winsbeckerin" met _hun_ raad. Een
geslacht later was er een notaris uit Florence die aan Franse hoven
verwijld had en die, toen hij thuis gekomen was, een leerdicht schreef
om zijn vrouwelike landgenoten Franse manieren te leren. En nu
zijn het niet meer zo als vroeger elementaire regels die ze daar
te lezen krijgen: wanneer ze zich verschonen moeten en dergelijke
dingen--ofschoon »er zijn dames die geloven dat reinheid een teken van
losse zeden is"--hij schrijft vooral over de kunst om maatschappelike
talenten te vormen. De dame moet leren zingen en als zij een aangename
stem heeft, moet zij zich niet laten bidden, maar gewillig een lied ten
beste geven; ten dans moet zij gaan Ȉ petit pas, simple et mollet",
zij moet kunnen schaken en de teerlingbak spelen, waarbij het er minder
voor haar op aan komt goed, dan wel met gratie te spelen en zij mag
voor al niet boos worden als zij verliest,--de vrouw die boos wordt
en dat in woorden toont, verdient de naam van »dame" niet. Vooral
moet zij de kunst verstaan van een gesprek te voeren, »car nul chose
tant n'afole--coeur d'homme que douce parole", zij moet, gelijk een
Zuid-frans gedicht het fijn uitdrukt, zo kunnen spreken, zo kunnen
converseren dat de ander bij zijn afscheid, de indruk meeneemt dat hij
geestig geweest is, zelfs al is hij niet meer dan een dwaas, en zij moet
een gesprek dat haar mishaagt af kunnen breken of het een andere draai
te geven, zonder iemand te stoten; dan kan zij hem b.v. vragen of hij de
vrouwen uit Gascogne of die uit Engeland schoner vindt en welke opinie
hij dan ook heeft, kan zij het tegenovergestelde beweren om zo een
dispuut aan de gang te krijgen. Zeer fijne regels worden er b.v. ook
gegeven over de kwestie hoe een bruid zich gedragen moet. Bij het
wisselen van de ringen moet zij terughoudend zijn, bijna angstig, haar
hand niet al te gretig naar de ring uitsteken en slechts met een zachte
stem »ja" zeggen. Het is ook verstandig als zij thuis reeds iets eet, zo
dat zij bij de huweliksmaaltijd zich meer in kan houden, en wanneer zij
het vertrek binnenkomt waar de bruidegom is, moet zij eerst doen alsof
zij hem niet ziet, dat is echt »hoofs".
Opgewektheid, vriendelikheid, zachtheid, dat is voor de man zo wel als
voor de vrouw de hoofdzaak bij de omgang; het is er de kultuur dier
dagen dan ook altijd om te doen, ruwheid en brutaliteit te onderdrukken.
De Tristan van Gottfried is de verpersoonliking van de vriendelikheid;
wij lezen van hem dat hij graag een ieder op zijn handen wil dragen
en voor allen tracht te leven, »wat iemand uit het gezelschap ook
maar voorsloeg was hij dadelik bereid te doen." Ook Aucassin is de
beminnelikheid zelf; door zijn zachtmoedigheid en hoofsheid ontwapent
de jonge edelknaap volkomen de lompe kolenbranders en herders die hem
onbeschoft aan hebben gesproken. Een zoetige liefheid hoort tot de
goede toon tussen ridders en hun dames: »Schone Heer",--»Schone
Dame",--»Lieve, zoete vriend",--»God zegene U", en kussen en een
omhelzing horen tot de omgangsvormen, evenals er in de brievenstijl
allerlei sierlike wendingen en zwierige zwaaien voorkomen die in de
»brievenboeken" aangegeven zijn.
Een vrolik »leven en laten leven" hoort verder tot de »liberale"
ridderlike opvattingen. Al wat treurig is en ruw, wordt glad gemaakt, al
wat somber is en donker wordt verlicht en verzacht in deze adelswereld
van spel en schoonheid. Ouderdom en dood is iets waar de ridderpoëzie
maar zo min mogelik over denkt; de dood die zulk een tragiese pathos
in de oude heldenpoëzie gebracht had, komt hier bijna niet voor, en
de eerbied waarmede de ouderdom daar ginds omstraald werd is hier
verdwenen--het is b.v. bepaald vermakelik te zien hoe ongepast in de
Parzival van Wolfram de oude moeder van koning Arthur behandeld wordt
en terzijde gezet, voor de jongere dames. Schoonheid, jeugd en vreugde
moeten regeren. Hoog en rijk moet er geleefd worden,--alle sparen en
alle zuinigheid maakt de geest bekrompen en zet »banausties" stof op de
vingers. Men moet »gast-ere" aan den dag leggen zowel als »hus-ere",--d.
w. z. milddadigheid en gastvrijheid bij feestelike gelegenheden tonen,
en zelf een gepaste weelde in zijn huishouding ten toon spreiden.
En het is niet langer genoeg vrijgevig te zijn, men mag een echte
welwillendheid en fijngevoeligheid eisen in de manier _waarop_ men
geeft. Van een edele vorstin lezen wij: zij heeft er meer door fraaie
woorden gewonnen, dan anderen door grote gaven, en zo vriendelik geeft
zij haar geschenk dat dit voor dubbele gave telt. En omgekeerd worden
die gastheren gelaakt, die over niets met hun gasten spreken dan over de
slechte tijden en hoe weinig er te verdienen valt, zodat de gasten het
niet anders dan bezwaarlik moeten vinden zich zo te laten onthalen.
»Les vilains",--dat zijn de gemelike knorrepotten die altijd in de
contramine zijn, en die noch zelf willen leven noch anderen laten leven.
Maar God is met de opgewekten en welwilligen, »les courtois"; hij zelf
en zijn engelen zijn schoner en opgewekter dan alle anderen en hij
heeft alle jonge paren en alle vrouwen lief. Hoe graag zou hij b.v.
niet Nicolette daarboven in den hemel bij zich gehad hebben, »om in den
avondstond als een licht voor hem te schijnen"! En jonkvrouw Maria--men
merke maar op hoe schoon en liefderijk zij er uit ziet, die zal zeker
de jonge ridderknaap niet weigeren wat hij zo graag zou wensen. Als
schitterende feestzalen schijnen de Gotiese kerken. »Het oog weet niet
waarheen het 't eerst de blik zal wenden. De zoldering is groen als een
tapijt, de muren verbeelden het paradijs, de vensters wekken bewondering
door de schone kleuren van het glas en het rijk versierde werk... Het
is alsof men naar de hemel verplaatst is en zich in een der schoonste
zalen van het paradijs bevindt." Hier, bij het heldere schijnsel der
waskaarsen en het schone misgezang der geesteliken, wordt de ziel tot
liefde gestemd en hier heeft men gelegenheid de schonen te zien, die
iemand een glimlach of een knik geven of in het geheim de hand drukken
en de zeer gewillige biechtvader heeft er niets op tegen de smeekbeden
van de minnaars te verhoren, of de geliefden samen te brengen ten spijt
van boze ouders of brutale echtgenoten.
Alle goede, zachte gevoelens van menselike simpatie zijn het die de
ridderlike hofkultuur ontwikkelen wil, en die de ridder-romantiek
verheerlikt. De wapenen zijn niet minder geëerd dan vroeger, de roeping
van de ridder is »Schiltes Ambt" en het is het schild dat hem verplicht
zijn eer onbevlekt te houden; wil men in teugelloosheid leven en zijn
schild met oneer bevlekken, dan doet men beter het maar aan de wand te
laten hangen. Maar wat de ridder op den weg der eer zal vergezellen dat
is, lezen wij: »de gedachte aan een reine vrouw." En korter en korter
worden in de schoonste riddergedichten de beschrijvingen van de strijd,
meer en meer idealiseert de ridderromantiek zich tot hetzelfde schone,
gevoelvolle humanisme waar het kristendom zich in de Gotiese beeldende
kunst en de Marialegenden der 13de eeuw in omzet. In werkelikheid is ook
die bloem der ridderkultuur ontsproten uit de sentimentaliteit der
kristelike legenden zowel als uit de zoetige humaniteit van Ovidius en
de Griekse romans en uit de vrouwen-atmosfeer van het maatschappelike
hofleven.
In de heldenpoëzie hadden de personen er zich op beroemd wanneer zij
een hart hadden als een steen zo hard en als een noot zo klein. In een
asceties gedicht uit de 12de eeuw klaagde een monnik over zijn oproerig
gek hart dat nooit de ziel met rust laat; het is niet 't lichaam maar
het hart dat de zonde veroorzaakt, en nu had hij zelf, ongelukkig voor
zijn zielsrust, een hart gekregen dat groot genoeg was voor duizend
mensen. Maar nu berispt de ridderlike dichter hem, die »een hart van
hout heeft". Het hart is het lievelingetje dier dagen geworden, naar
welks bewegingen men luistert, naar welks welzijn men steeds informeert,
en waar men trots op is als men het zijne groter, zachter, rijker noemen
kan dan dat van anderen en welks bevelen men zonder aarzelen opvolgt.
»Pitié" en »Gentilesse" zijn in het Frans, »Güte" in 't Duits de termen
voor de zachtheid en de ontvankelikheid voor simpatie van het hart en de
woorden die Chaucer meer dan eens herhaalt: »Pity renneth sone in gentil
heart" kon het motto zijn van de ridderpoëzie.
Het zijn alle vormen van »Güte" en »Pitié" die de Duitse en Franse
vertellingen van de 13de eeuw verheerliken. De roerende trouw van een
oude dienaar jegens zijn ridder die tot armoede vervallen is (Der Junker
und der treue Heinrich, vgl. Flore en Jehanne); opofferende vriendschap,
(Engelhart); de leenman van keizer Otto die in een rijksakte verbannen
verklaard is, maar gelegenheid vindt om het leven van zijn leenheer te
redden en zich met hem verzoent (Otto mit dem Barte); de onschuldig
aangeklaagde prinses voor wie geen ridder in het perk durft te treden
tegen de machtige aanklager, totdat op het beslissende ogenblik een
Arthur of Graalridder als redder op het toneel komt en de beschuldiger
nederslaat (het allerschoonst in de Lohengrin). Maar in de eerste
plaats is het toch de min in alle soorten en graden waar de romans en
vertellingen over handelen; de liefde is de bloem van het ridderleven en
de gehele edele menselikheid.
Denk b.v. aan dat heel kleine meisje dat Gawein bij een toernooi tot
zijn dame gemaakt heeft, opdat zij evengoed een ridder hebben zou als
haar oudere zuster. Haar vader laat haar een mouw van rood fluweel
maken, die het kind de volgende morgen zelf haar ridder brengen moet
om in de strijd op zijn lans te dragen, zoals dat gewoonte was, en zij
kan van ongeduld haast niet slapen, staat ook vroeg op en brengt hem
de mouw. Met kloppend hart volgt zij haar ridder in het gevecht en
is verrukt te zien dat hij haar zusters kavalier geheel in de schaduw
stelt, en wanneer hij thuiskomt staat zij aan zijn stijgbeugel om hem
te bedanken. Gawein moet verder de wereld in maar belooft voor haar
als haar ridder te komen strijden, wanneer zij in haar nood hem een
boodschap zendt en het kleine meisje kust zijn voet opdat hij aan haar
zal denken waar hij ook komt (Chrestien's »Perceval" en Wolfram's
Parzival).
Of het zeer jonge meisje dat nieuwsgierig de wereldt inkijkt, maar nog
jonkvrouwelik schuchter, niets van de liefde weten wil. Haar vader heeft
haar opgedragen om de vreemde gast zo goed mogelik bezig te houden en
zo neemt zij hem dan ook bij de hand en wijst hem in het kasteel rond.
Hij vraagt haar uit of zij al een vriend heeft, maar zij antwoordt
wijsneuzerig dat de tijd voor zulke gekheid nog niet gekomen is; als
zij wou had ze al heel goed een »ami bel et gent" kunnen hebben, maar
daar heeft ze nu nog geen zin in. Maar daarentegen wil ze graag mensen
ontmoeten die de liefde gekend hebben en daarvoor geleden hebben, zodat
zij op die manier wat ervaring in dat opzicht op kan doen. Glimlachend
luistert de ridder naar dat voorzichtige jonge meisje en maakt haar een
paar komplimentjes (Chrestien's »Perceval").