Die Franse schrijver zal van Anjou geweest zijn, hij heeft altans ter

ere van het Angevin-Engelse koningshuis Parzival een prins van Anjou tot

vader gegeven en er een hele voorgeschiedenis bij geschreven over diens

heldendaden in Azië en zijn huwelik met een koningin der Moren,--alles

in de gewone stijl van de epiek der Kruistochten. Trouwens, hij heeft er

veel Oosterse elementen der Kruistochten bijgevoegd, citeert Arabiese

werken die hij in het Latijn gelezen heeft en is een van degenen geweest

die het meest gedaan hebben om de Graalromantiek met geestelike mystiek

te doortrekken; hij zal dan ook wel een geestelike geweest zijn.

De Graal is nu niet meer een schotel, maar een steen met allerlei

wonderbare eigenschappen. Die bezaten ook volgens de Oosterlingen

vele edelstenen en meteoorstenen, en zowel te Mekka als in Phoeniciese

steden en in Klein-Azië aanbad men in de oudheid heilige stenen. En

de Alchimisten hebben het altijd over de »Steen der Wijzen". Een heel

merkwaardig verhaal hangt Guiot (Kyot) nu op over de Graalsteen die uit

de Hemel naar de aarde gebracht was en eerst bewaakt was door de Engelen

die als »neutralen" uit de Hemel verbannen waren geworden, maar die nu

bewaakt werd op een kasteel »Mont Sauvage" (of Mons Salvationis) en

bediend door een ridderschap van kuise Tempelridders. Elke Goede Vrijdag

wordt de wonderbaarlike kracht van de Steen vernieuwd door een oblaat

waarmeê een duif uit de Hemel aan komt vliegen. De eerste Graalkoning

was Titurel, de tegenwoordige is Amfortas maar die is tot straf voor een

zondige liefde met ziekte geslagen. In het algemeen is de Graalmystiek

in dit werk heel wat meer geestelik-asceties en Oosters gekleurd dan

die van Chrestien. Er is ook een mystieke tovenaars-figuur ingevoegd,

die van Clincheor (Klinschor)--een soort Merlijn maar een boosaardig

halfmens--die op »Chateau Merveille" woont; en uit een Brabantse sage is

de Zwanenridder Lohengrin er bij gehaald die een onschuldig aangeklaagde

prinses redt en door Kyot tot ridder van de Graal gemaakt is en de zoon

van Parzival heet.

Dit ridderlik-geestelike gedicht is het nu dat Wolfram verduitst

heeft en vrij bewerkt in overeenstemming met zijn eigen karakter en

persoonlikheid. Veel meer dan de Graalmystiek is de geschiedenis van

Parzival zelf voor hem hoofdzaak en daardoor is die bij hem veel dieper

en tot een wereldlike »Erziehungsroman" geworden zo als later »Wilhelm

Meister" en in dramatiese vorm »Faust" dat is. Wat hij van Parzival

maakt is, als men het zo uitdrukken mag, de »perfect gentleman", niet

alleen in uiterlike ridderlikheid waar het voor Chrestien bijna alleen

op aan kwam, maar vooral in de hogere vorming van het hart en het

karakter, in een volle en echte menselikheid zoals het ideaal daarvan

zich voor een Beiers ridder voor moest doen.

De jonge, in het bos geboren en getogen knaap is hier niet alleen zoals

voor de Fransman, een simpel onbeschaafd jongeling uit Wales die door de

wereld afgeslepen moet worden; Wolfram herkent zich zelf en zijn eigen

Beieren in die frisse oprechte kinderlikheid en bekijkt met hartelike

welwillendheid zijn onervarenheid en eerlikheid, waarachter hij alle

deugden van hart en karakter vermoedt. Reeds in het begin van zijn werk

begroet hij zijn held als »traeclîche wîs",--hij die traag rijpt en

langzaam, maar dan ook des te heerliker vrucht geeft. Zo hadden de

Germaanse heldensagen er steeds behagen in geschept hun helden voor

te stellen--wat van Beowulf verhaald wordt, geldt ook van vele andere

helden, hoe ze in hun jeugd eigelik wat achterlik waren en geminacht

werden, zoals dit ook bij ons in het Noorden zo dikwels met de rijkste

naturen werkelik voorkomt. Juist onhandigheid en naïeveteit zijn de

eigenschappen waar Wolfram veel voor voelt als de karakteristieke

kentekenen van jeugdigheid en onbedorvenheid. Zijn »süeziu jugent"

brengt hem in verrukking; hij is »tumb und wert", hij is »gein valscher

fuore ein tor", een dwaas tegenover alle valse streken,--zoals Thor dat

in Jotunheim is.

Een echt Duits lyries dwepend jongeling is hij ook, die Parzival van

Wolfram, wanneer hij in de eenzaamheid van het bos ronddwaalt en zijn

borst uit voelt zetten bij het zoet gekweel der vogeltjes, dat zijn hart

doordringt; wenend loopt hij naar zijn moeder en kan haar niet verklaren

waarom hij weent. Dat is hetzelfde verlangen om weg te komen, dat reeds

»zijn linkerborst doet zwellen" evenals dat hetwelk zijn vader er uit

dreef en later ook de jongeling zelf er uit zou jagen--alle vlakten

waren hem nog te eng, al het groen scheen hem verlept, zoals het ergens

over hem heet. Een verwonderlik dromerige zwaarmoedigheid en dwepend

verlangen blijft de Duitse Graalheld aan de eenzaamheid wijden en aan

rusteloos smachten; in gedachten verzonken, leeft hij op meer dan een

plaats, soms raakt hij helemaal zijn hoofd kwijt; die hele figuur

schijnt als een uitwerking van het oude Keltiese sprookjesmotief dat

Chrestien reeds voor Parzival gebruikt heeft, maar dat Wolfram veel

verder uitwerkt: de held die op zijn omzwervingen een zekere dag in

gepeins verzinkt bij het zien van een paar bloeddruppels in de witte

sneeuw, die nu het gezicht van zijn geliefde voor zich ziet en de gehele

dag door daar blijft staan, in smachtend verlangen verzonken.

Nu gaat Parzival de wereld in en verlaat zijn moeder. Maar reeds bij

zijn eerste stappen veroorzaakt hij, zonder het te willen en zonder

het te weten, ongeluk op ongeluk door zijn naïeve onachtzaamheid

en gedachteloosheid en hoopt de ene schuld op de andere; door zijn

moeder te verlaten legt hij haar in het graf, hij doodt een zijner

bloedverwanten om diens wapenrusting machtig te worden en is de oorzaak

dat Jeschute door haar man verdacht en hard behandeld wordt. Maar dat

gebeurt alles terwijl hij eerlik meent de raad van zijn moeder te

volgen: »sus riet mîn muoter" zegt hij telkens weer, en zijn »zoete

jeugd", zijn goed hart, zijn flink karakter komen altijd weer te

voorschijn en winnen de harten van allen. Alles wat hij nodig heeft

is slechts dat hij door onderricht en ervaring wijzer worden moge.

Onderricht,--dat geeft hem evenals bij Chrestien, de oude ridder

Gurnemanz en op zijn tochten treft de jongeling ridders en dames wier

optreden een voorbeeld is voor hem--en voor Wolfram's lezers. Het

gedicht is om zo te zeggen één kursus in uiterlike vormen en als in

het geval van Hartmann tracht ook hier de Duitse leerling zijn Franse

leermeester in pedant ceremonieel te overtreffen. Ridder Key, de

drossaart van Arthur, die in de Bretonse romans altijd uitgelachen

wordt, verdedigt Wolfram omdat hij zo goed de etikette in acht doet

nemen; het hof van de Thüringse landgraaf zou zulk een ceremoniemeester

uitstekend kunnen gebruiken. Dames en ridders trachten elkaar in het

gedicht in tucht en hoofsheid de loef af te steken, en zelfs wanneer

Gawein na een gevecht doodvermoeid ter neder ligt en geen lid verroeren

kan, maakt hij nog duizend excuses tegen de jonge meisjes die hem

verzorgen dat hij daar zo »ungezogenlîche" blijft liggen. »Gezogenlich"

en »Vuoge" zijn de uitdrukkingen voor dat zekere »decorum" dat Wolfram

najaagt. Maar behalve in de uiterlike riddervormen geeft de Gurnemanz

van Wolfram, veel meer dan die van Chrestien, Parzival ook diepere

morele levensregels ten beste: karaktervastheid en ootmoed,

barmhartigheid voor hen die in nood zijn, achting voor de vrouw, trouw

in de liefde,--dat zijn de deugden die hij hem voorhoudt en aanprijst.

En bij Wolfram is het dan ook juist door een afwijken van die diepere

moraal dat Parzival eerst zondigt, om daarna, als hij het weer goed

gemaakt heeft, te zegevieren.

Uit de handen van Gurnemanz en na diens onderwijs genoten te hebben,

komt Parzival aan het slot van de jonge ridderdochter Kundwiramur waar

hij zijn opvoeding in de liefde-kunst ontvangen zal. Ook in de min deed

Wolfram zijn best zich volgens de nieuwe ridderlike smaak te vormen,

maar die komt met zijn natuur heel weinig overeen. Als hij op zijn Frans

frivool wil zijn, wordt hij onbehagelik wellustig, als hij charmant wil

zijn, wordt hij zoetig geaffekteerd,--men vergelijke b.v. de episode

van Gawein-Obilote bij de beide schrijvers. Zo is ook het jonge meisje

op het slot dat de knaap de liefde wil leren kennen, veel gracieuser in

het Frans en onschuldiger in haar natuurlikheid,--bij Wolfram ligt er

iets zoets, wellustigs over de episode. Maar daar staat iets tegenover

dat werkelik Scandinavies-Germaans genoemd mag worden. Wanneer in de

huweliksnacht de jongeling te schuchter is en te veel er op uit zijn

bruid te sparen, om dadelijk aan zijn wensen toe te geven, dan stelt hij

zich met lichte liefkozingen tevreden, maar de jonge bruid bindt toch de

volgende dag zich de »Vrouwenband" om het voorhoofd en weet niet beter

of zij is vrouw geworden, zo goed als een ander!

Wanneer Parzival aan de Graalburg komt, verzuimt hij bij Wolfram zowel

als bij Chrestien, de vraag te stellen die een einde aan de betovering

zou maken. Dit oud sprookjes-motief is bij Chrestien een bewijs van

Parzival's naïeveteit en onbeschaafdheid; hij heeft de waarschuwing van

Gurnemanz om zijn vraaglust niet te veel bot te vieren, al te letterlik

opgevat en laat alle merkwaardige dingen gebeuren zonder de vraag te

stellen die men van een gast die zijn wereld kent had mogen verwachten.

Maar Wolfram geeft het geheel een veel moreler en sentimenteler draai.

Niet naar de Graal en de lans had Parzival moeten vragen, maar als gast

had hij met deelneming en medelijden naar de ziekte van de lijdende

koning moeten informeren. Door een al te streng vasthouden aan de

uiterlikheden van Gurnemanz's voorschriften verzuimt hij zijn plicht

als man. Het is dus alleen nog maar het uiterlike, de schil der

ridderlikheid die hij zich eigen heeft gemaakt; hij laat de stem des

harten verstikken in leeg conventionalisme, en daarin steekt zijn fout.

En als hij dan hoort wat hij al niet door dat verzuim verspeeld heeft en

gesmaad wordt voor wat hij juist als fijne riddervormen beschouwde, dan

raakt hij helemaal de kluts kwijt en zo vervalt hij dan in een veel

groter zonde, die waarvan Wolfram juist leert dat het 't grootste gevaar

voor de mensheid is,--dan komt de twijfel bij hem op,--d. w. z. dan

begint hij te twijfelen aan de hemelse rechtvaardigheid en hij komt tot

oproer tegen God, in plaats van zich ootmoedig onder de hem opgelegde

beproevingen te buigen. En hier zien wij de eis van de religieuse

opvoeding der ridders waarschijnlik uit Wolfram's geestelike Franse bron

te voorschijn komen. Dit ontbreekt Parzival n.l. nog maar, zegt Wolfram

en hierin herkent men hem terstond, als er maar echte mannenaard en

trouw tegen zich zelf in de mens zit, dan werkt hij zich wel uit die

twijfel en die vertwijfeling vandaan, en komt zeer zeker tot de troost

van God. »Wert gedinge," d. w. z. een edel vertrouwend streven, zegt

Wolfram, is een groot geluk in dit leven zowel als hiernamaals. »Wer

immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen," zoals het heet van

een ander die zich ook van God losgemaakt heeft, maar die tengevolge van

zijn morele kracht toch door strijd tot redding weet te komen. En zo

buigt ook Parzival na jarenlang nutteloos omzwerven tenslotte gewillig

zijn ridderlik mandom onder de wil van God. Nu is zijn zedelike

opvoeding pas geëindigd, de hoogste ridderlikheid bereikt en als de

volmaakte ridder weet hij de toverij te doen wijken en wordt hij zelf

tot Graalkoning uitgeroepen.

Dit alles is niet helder doordacht en de oude stof heeft er zich maar

half toe kunnen lenen om de gedachtengang in levende handeling om te

zetten. In tegenstelling met Gawein die, gelijk reeds bij Chrestien,

niet anders doet dan op krijgs- en liefdesavontuurtjes uittrekken, is de

Graalheld Persival de naar volmaaktheid strevende, ideale ridder. Maar

hij wordt geen monnik-ridder, hij wil, evenals Wolfram, voldoen aan de

eisen van God maar ook van de wereld. Wolfram leefde namelik midden in

de voortdurende strijd tussen Keizer en Paus en hij voelt met zijn

karakter, even diep als Dante, de grote tegenstelling tussen die twee

levensopvattingen, maar wil, ook gelijk Dante, leven voor een krachtige

dualiteit. Dit was trouwens toch in 't algemeen het programma van de

ridder-romantiek: »Voor >Dieu< en voor >le Siècle< te leven, goed te

zijn voor God en in de ogen der wereld",--dat is het ideaal der Franse

ridderromans. »Het lichaam moet voor de wereld leven, het hart moet naar

God streven," de mens moet tegelijkertijd »die beiden ê" (fas et jus)

nastreven--zo leren de Duitse ridderlike leerdichten, want, gelijk

Frederik Barbarossa een oproerige stad toevoegde die religie in de

politiek wilde mengen: »Aangaande den hemel, de hemel is des Heeren;

maar de aarde heeft Hij der menschen kinderen gegeven" (Ps. 115, 16).

Dit programma zal Parzival illustreren. De hermiet schrijft hem voor dat

hij niet alleen God moet liefhebben, maar ook dienen moet »umbe wibes

gruoz", de ridderschap moet vooral »des lîbes prîs" nastreven evenals

»der sêle pardîs". En zo is Parzivals ziel ook verdeeld tussen verlangen

naar de Graal en naar zijn geliefde Kundwiramur.

Niet de religie maar een zuiver menselike moraal is feitelik het

hoogste voor Wolfram. Het is dan ook een zeer weinig kerkelik Kristendom

dat er in het gedicht doorstraalt. De kuise vrouwelikheid van de

Moren-koningin is, volgens de dichter, haar doop en was Parzivals moeder

niet te voren gedoopt geweest, dan zou zij »in haar moedermelk" gedoopt

zijn geworden, d. w. z. door haar moederliefde. En gelijk in de figuur

van Parzival het mannelik ideaal verheerlikt wordt als trouw tegenover

zich zelf, »Staete", de deugd der Duitse karaktervastheid die ook

Wolfram verheerlikt had, zo wordt in een reeks vrouwenfiguren het ideaal

der zuivere »wîplichkeit" getekend als trouw tegenover de geliefde man.

Vol smart voelt de dichter dat er zoveel valse vrouwen de reine naam

van »wîp" dragen, waar alleen de trouwe vrouw recht op heeft; en ergens

noemt hij alle trouwe vrouwen op die hij in zijn gedicht geschilderd

heeft,--van de koningin der Moren af tot Parzival's moeder toe wier

hart barstte »in liefdetrouw" en die daarom zeker tot de vreugde des

hemels ingegaan is, van Ieschute die onschuldig als zij is, haar mans

mishandeling geduldig draagt, tot Kundwiramur, die als een Solveig op

haar rondzwervende man blijft zitten wachten--maar met twee kinderen--en

hem met roerende vreugde ontvangt zonder een enkel verwijt. Maar

het allervleiendst wordt de vrouwentrouw getekend in de figuur van

Sigune--zij die eens in een gril, zoals de dames in de ridderromans die

zo dikwels hebben, haar liefhebbende ridder in de dood heeft gezonden

en die nu ontroostbaar bij zijn lijk zit te wenen--die daar nog altijd

weer zit, telkens als Parzival op zijn zwerftochten haar weer aantreft,

totdat hij haar ten laatste dood over zijn lichaam vindt liggen. In

een aparte cyclus--de hoogste openbaring van Wolfram's fantasie en

lyriek--verhaalde hij naderhand de liefdesgeschiedenis van Sigune en

Schiotulander van hun kindsheid af toen zij samen opgroeiden tot op het

ogenblik dat zij uit pure nieuwsgierigheid, omdat zij weten wou wat er

op de halsband van een jachthond geschreven staat, haar hartevriend

in de strijd zendt waarin hij vallen zou. Er is hier ook een zekere

zoetige sentimentaliteit en een geaffekteerde naïeveteit in die poëzie

van Wolfram, maar er ligt ook iets als men 't zo uitdrukken mag,

Scandinavies-blonds, iets smachtends over de liefde dier twee jonge

lieden, iets dat meer verwant is aan de gevoelens van Fritjof en

Ingeborg dan aan die van Floris en Blanchefleur. En de trouw waarmede

zij zo lang boete doet voor haar flauwe koketterie is, evenals Wolfram's

schildering van »Dame orgueilluse", is het echt-menselike protest van de

dichter tegen de frivoliteit van de ridderliefde. Overal in Wolfram's

poëzie komt ook de verheerliking van het huwelik mooi door de literaire

galanterie heen op de voorgrond. Waar hij ook rondzwerft, denkt hij

aan zijn armoedig slot, zijn vrouw en zijn kinderen en één van zijn

»Tagelieder" waarin de minnaar bij het breken van de dageraad uit de

kamer van zijn geliefde weg moet sluipen, breekt af met een hartezucht:

hoeveel heerliker dan zulk een heimelik gestolen liefde toch die is,

welke »ein offen suëze wirtes wîp" schenken kan.

* * * * *

Maar het zou niet de verduitsing der ridderromantiek door Wolfram en

door Walther zijn die de aard en het karakter der latere literatuur

bepaalde. Sterker en sterker werd de invloed van de Rijnstreken. Zelfs

het oude Duitse heldenepos dat nog steeds aan de hoven van Oostenrijk

in ere stond, ondergaat de invloed van de ridderromantiek, zoals dat

b.v. met het Nevelingenlied en de Gudrun het geval was. Wel zijn de

grondtonen en de grondstof en het oorspronkelik celweefsel gebleven

maar over de barbaarsheid en de naïeveteit van de toestanden is door de

ridderlike bewerkers een blinkend net van fijne, hoofse levensvormen en

zeden geworpen: klederdrachten en feesten, de toernooien en de gehele

omgangstoon is die van het nieuwe hofleven en door het wilde heroisme

en het tragiese pathos zijn er tonen gemengd uit de liefdelyriek van het

minnelied en de ridderromans van Hartmann von Aue: men denke slechts aan

de verliefdheid van Siegfried en Chrimhilde aan het hof te Worms of de

innerlike strijd van Markgraaf Rüdiger waar hij weifelt tussen riddereer

en leenmanstrouw, volkomen in de trant van die van Iwein.

En met de derde grote naam van de Duitse poëzie der Middeleeuwen,

_Gottfried von Strassburg_,--dus uit het meest verfranste deel van

Duitsland--werd de invloed van de Franse ridderromantiek zo goed als

kompleet. Hier stelt de schrijver zich niet tevreden met een nabootsing

van uiterlikheden als van een scholier gelijk in Hartmann, of met een

barok alliage van vreemde en eigen stof als bij Wolfram; de »Tristan

en Isolde" van Gottfried sloot zich zoals wij reeds gezien hebben,

innig aan het Franse gedicht aan, maar werkte zelfstandig op die stof

voort, welke op zoveel krachten in Frankrijk beslag had gelegd, en wel

hoofdzakelik in dezelfde richting. Zijn gedicht over Tristan betekent de

hoogste kunstmatige afronding die de stof in de middeleeuwen ten deel

gevallen is, en daarom is het dat wij die reeds vroeger hier behandeld

hebben als een schakel,--de laatste--in de keten der Franse bewerkingen.

Enkele van de fouten die de Duitse vertalingen van Hartmann

aankleefden, vindt men ook wel bij Gottfried. Het breedsprakige

uitrekken van elke trek in het origineel, het pedante de ander steeds

trachten te overtreffen in sierlikheid en ceremonieel, als wanneer de

précieuses der provincie die der hoofdstad naäpen--het spitsvondige

spelen met allegorieën en de schoolmeesterachtige moralisaties. Waar

hij er maar gelegenheid toe vindt--zelfs ook waar die er eigelik niet

is--geeft de schrijver ons een hele cursus in de kunst om het wild toe

te bereiden of een uitvoerige allegoriese verklaring van de »deugden"

waar Tristan's ridderkleed uit is samengeweven; en wanneer de blikken

van Isolde alles in de zaal »schaak zetten" of Tristan's hart verzegeld

wordt met »de zegel der liefde", dan herkennen wij de Duitser en zien

hoe zwaar op de hand die worden kan, wanneer hij aan Frans »esprit" wil

gaan meedoen. Niet minder Duits is daarentegen het lyriese smachten

en de romantiese fantasie die zulk een glans werpt over de Tristan

van Gottfried. Zijn taal kan soms een hele symboliese gevoelskleur

krijgen, als hij van woorden spreekt die door het oor klinken en in

het harte lachen of die het hart verkwikkende schaduw brengen als het

sappig-groene lindenblad. De natuurromantiek die zijn schildering van

Tristan en Isolde's bosleven bezielt, bezit een eigenaardig Germaans

karakter. Het doet sterk aan Heine denken waar Gottfried »diu senfte

süeze sumerzît" verheerlikt die »zo zoet" de weide heeft versierd; het

groene gras, »de vriend van de Meimaand" dat zulk een »wunneclîchiu

sumerkleit" aan had getrokken, de schitterende bloemen die de mensen »sô

rehte suoze lachende" aankeken en »de zalige nachtegaal" die met zulk

een overstromende vreugde (»übermüete") zijn trillers sloeg dat alle

harten er van verrukt werden. Een verfijnd genot in muziekale schoonheid

is ook overal in het gedicht op te merken. Wij horen een en ander over

Tristan's kunst om op de hoorn te blazen en wanneer hij op de harp

speelt, vertelt de dichter niet alleen welke prachtige zoete tonen hij

te voorschijn wist te lokken, maar ook hoe zeer het tokkelen zijn

zachte, slanke, lange hermelijn-witte vingers uit deed komen.

Een smachtend lyriese toon klinkt er vooral door de minne-poëzie van

Gottfried; dat is reeds de echte Duitse »Ueberschwänglichkeit". De held

is een »vreugde verspreidende zon", een »Werltwunne", hij leeft slechts

in zijn rijke gevoelsleven, »zweeft in de lucht zijns harten", op alle

praktiese verstandsredenen en nuttigheidsgronden ziet hij met verachting

neer, en dat hij in zijn jongensjaren wat school- en boekenwijsheid

geleerd heeft, vindt hij eigelik zonde en jammer, een ingrijpen in de

vrijheid van de dweepzieke jongeling, een verdorren van de bloei zijner

vreugde. Met extase schildert de dichter de zaligheid der liefde wanneer

hij zijn »kaiserlîches wîp" omhelst en haar mond »honderdduizend maal"

kust,--op een zeker ogenblik krijgen we een hele hymne aan de liefde;

als ik aan de liefde denk--zegt hij--ofschoon ik dat geluk nog maar

weinig ken, dan zwelt mijn hart op en alles in mij verlangt dan naar

iets hoogs, iets boven de wolken. Maar sentimenteel weet hij van 't

begin tot het einde de tonen van de smart en de dood in de liefdemuziek

in te leggen. De liefde is een religie, voor de liefde is alles

veroorloofd, alle wetten moeten voor de liefde wijken, zelfs Kristus

kan de ware liefde heel gemakkelik naar haar hand zetten. Maar de enige

inwijding in de liefde, de noodzakelike prijs er voor is lijden en het

lijden is de grootste waarde. Daarom wendt zijn gedicht zich niet tot de

velen die alleen vreugde vragen en genot; alleen tot die uitverkorenen

die »diu senfte herzesmerzen" kennen, tot »den edelen senedæren", de

edele verlangende gemoederen die het zoete van de liefde kennen, alleen

tot troost voor _hen_ en om een ogenblik slechts de zware smart van hen

af te wentelen, vertelt hij van Tristan,--van hem wien het gegeven was

in volle mate twee dingen te bereiken: lijden en geluk. Hier zijn wij

bij de Tristan en Isolde-romantiek van Wagner.

Gottfried von Strassburg is de bloem der ridderlike kultuur in

Duitsland. Een natuur vatbaar voor ontwikkeling en die het in zich had

om wat hij doen moest, ook harmonies af te maken,--zoals Raphael en

Racine dat voor hun tijd waren--geen baanbrekende vernieuwer, geen

»oer-eigen origineel genie" als Wolfram, wiens gehele persoonlikheid

Gottfried een afschuw was en de enige tegen wie de Straatsburger zich

kwaadaardig toont,--maar goed belezen in de klassieken, volkomen thuis

in 't Frans,--hij is de enige dier Duitsers die geen vertaalfouten

maakt,--met een levend poëties gevoel, een fijne aestetiese smaak, een

plooibaar en volkomen artistiek gevoel voor vormen; tegelijk een man van

de wereld, volkomen thuis in de hogere ridderkringen, met een aangeboren

zin voor de hofkultuur en de uiterlike kentekenen er van,--een fijne

nobele natuur, een echt gevoelig mens. Zijn gedicht van Tristan

openbaart meer dan eens meer goedheid des harten en meer geweten dan

de Franse bewerkingen van de stof.

Met Gottfried is de Duitse ridderromantiek even hoog gestegen als de

Franse en zijn volgelingen overtreffen hem even min als die van

Chrestien van Troyes deze laatste.

XX.

IDEAAL HUMANISME.

In haar korte bloeitijd die in het einde van de 12de en het grootste

deel van de 13de eeuw valt, ontvouwt de ridderromantiek zich op haar

hoogste punt tot wat men zou kunnen noemen een soort ideaal humanisme.

De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen · 第 32 / 36 段