Maar over 't algemeen kan men toch zeggen dat overal Duitse tonen door

de conventionele nabootsing heen breken. Heel ver van de vormen der

troubadourpoëzie is bv. de jolige platduitse humor in meer dan één van

Hendrik van Veldekes platduitse liederen: het jonge meisje dat haar

aanbidder weg heeft moeten zenden omdat hij »lose minne" van haar

durfde vragen; zij vindt het vervelend dat hij niet zo is geweest

als zij van hem verwachtte maar zij neemt het zijn »ziek gemoed" niet

kwalik, verheugt zich op de komende zomer en heeft plezier in vrolike,

onschuldige »bliskap". Of het huiselike, klagende innige der liederen

van Albrecht van Johannesdorff, terwijl hij op een kruistocht naar zijn

geliefde terug verlangt: »Hoe liefde begint dat weet ik wel; hoe die

ophoudt weet ik niet... Mijn eerste liefde zal mijn laatste zijn... God

geve dat ik haar in ere terug moge vinden als ik weer thuis kom, dan

is mijn beste wens vervuld. Indien zij onderwijl haar leven veranderd

mocht hebben, dan wens ik zelf op reis om te komen! Een ding raad ik

haar, dat haar woorden oprecht mogen klinken en dat zij zich eerlik

»einvalteclîche" gedrage tegenover mij." Zeer Duits gekleurd is

tenslotte ook Reinmar von Hagenau's slechts weinig gepassioneerde maar

lyries sentimentele aanbidding van het »ewig weibliche."--»Met passende

klachten en zonder aanstoot te geven" (ân arge site) zal hij zijn

ongelukkige liefde dragen; hoe lang hij ook leeft, zijn gehele bestaan

zal aan haar gewijd zijn, en niet alleen aan haar, maar aan de vrouw

in 't algemeen wijdt hij zijn lied. »Wel u vrouw, wat een reine naam,

zo zoet t'erkennen en zo zoet te zeggen, zo veel als gij kunt, kan er

geen volbrengen, uw lof geen mens volprijzen kan, hij die gij lief hebt

is een zalig man, één vreugd is hem het leven. De hele wereld geeft

gij lust en moed, waarom hebt gij nooit het minste mij gegeven?" Die

verering van de vrouw in het algemeen, in plaats van »een" vrouw is een

spesiaal Duitse vorm van de liefdepoëzie der troubadours,--een groot

deel van het verschil tussen de Franse en Duitse minneliederen ligt in

die verschillende opvatting uitgedrukt.

* * * * *

Zoals al gezegd is, trok Reinmar von Hagenau naar Weenen en zijn

leerling was Walther von der Vogelweide. De ridderromans van Hartmann

vonden ook hun weg oostwaarts en in Beiers Frankenland vond hij

een navolger in Wolfram von Eschenbach. In deze beiden, de twee

eerste geesten onder de dichters der Duitse middeleeuwen, vindt de

ridderromantiek het Duitsdom in zijn krachtigste vorm, zoals die in

het Zuid-Oosten bloeide en de Nationale poëzie zoals die zich in het

Nevelingenlied en het repertoire der scholastici vagantes vertoonde.

Walther von der Vogelweide was niet zoals de vroegere minnezangers

een adelik dilettant, die de Romaanse troubadourpoëzie als een

gezelschapsspelletje beschouwde; hij behoorde wel tot de adel, maar was

zonder enig fortuin, zodat hij als een mindere van de rondtrekkende

speellieden door muziek en zang de kost moest verdienen. Zijn lied

komt voort uit het populaire speelmanslied en dat der vaganten,

zoals dit bij de oudere Provençaalse troubadours het geval was, en

zodoende is hij feitelik een veel zuiverder pendant daarvan dan hun

directe navolgers dit waren. Hij zong ter ere van de Heren die hem

onderhielden, verdedigde hun politiek en viel hun vijanden aan; bij

alle gebeurtenissen van den dag meende hij ook een woordje meê te moeten

spreken in wat wij nu berijmde pamfletten zouden noemen, en hij dichtte

»Sprüche" en »Sinngedichte", zoals de oude speellieden gedaan hadden; en

evenals deze ontzag hij zich niet bedelverzen te zingen of spotverzen

op zijn mededingers. Eerst leefde hij aan het hof te Weenen en prees de

vrijgevigheid van Hertog Frederik als groter dan die van Koning Artus;

maar toen de nieuwe hertog minder belang in poëzie bleek te stellen,

trok Walther weg en stelde in een gedicht Weenen voor als klagende over

het verval van een glansrijke periode. Een tijd lang was hij de »man"

van Hermann von Thüringen en hemelde hem op als de »Bloem van Thüringen"

die steeds heerlik riekt en schittert, wanneer alle andere hoven reeds

lang niet meer bloeien; al kostte een vat goede wijn ook wel 1000 pond,

bij de landgraaf zou de beker van geen ridder leeg staan! Ook met andere

kleine vorstenhoven stond hij in verbinding, maar hij sloot zich toch

meer en meer bij de keizers aan: eerst bij Philip van Zwaben, wiens zaak

hij voorstond tegen de Paus en de tegen-keizer Otto, terwijl hij niet

nalaat tegelijk om een paar druppels van de zegen der vrijgevigheid te

vragen en hij de royaliteit van een Saladin en Richard Leeuwenhart de

keizer als voorbeeld voor ogen stelt. Na de moord op Philip koos Walther

de partij van keizer Otto maar verliet die weer voor Frederik II,--wel

ietwat te veel volgens de lijfspreuk der rondzwervende zangers: »wiens

brood ik eet, diens woord ik spreek," terwijl hij zich bovendien maar al

te dikwels zijn »zangerloon" door bedelarijen en dreigementen wist te

doen geven, en hij ook meer dan eens danig van zich afsprak tegenover

»Hr. Wichmann" of Nidhardt of hoe die andere »Professionals" heetten die

hem concurrentie aan wilden doen.

Alle stemmingen der »Vagantes" heeft hij doorleefd en geeft daar

uitdrukking aan in een lyriese poëzie, heel wat vrijer, persoonliker

en rijker dan die uit de gedichten van hovelingen als Friedrich von

Hausen of Heinrich von Moringen spreekt. Hij heeft de druk van de

winter gevoeld en de vreugde wanneer »het seizoen" weer begon, zoals de

vagantes en een Meester »Spervogel" of »Suchenwirt" en andere vogels van

enigsins verdacht allooi ze gevoeld hebben. De wintertijd, wanneer de

wereld van geel, rood en blauw, bleek en grijs geworden is en de kraaien

krijsen en de vorst de kleine vogeltjes en de arme mensen plaagt. Als

hij die strenge tijd nu maar verslapen kon, tot hij de meisjes weer met

de bal kon zien spelen en de boer aan zijn veldarbeid ging! Zoete zomer,

waar blijft ge? Zo lui te liggen en als in de ijzers geslagen, dat is

alsof je een monnikspij aantrekt. Het bittere gevoel van geen thuis te

hebben heeft hij gekend, hij smacht er naar eindelik eens niet zijn

brood bij vreemden te eten, maar nog eenmaal zijn voeten onder zijn

eigen tafel te steken en als gastheer begroet te worden door zijn

vrienden, en wanneer hij eindelik op latere leeftijd een stukje land

heeft weten af te troggelen, kent zijn vreugde geen grenzen. »Ich han

min lehen, al die Werlt, ich han min lehen" en nu vreest hij geen vorst

meer in zijn tenen!--Ook de aanvallen van doodsangst en walg van het

leven kent Walther als zo menig andere Bohémien,--wanneer hij »Frau

Welt" vaarwel zegt en de onvriendelike waard zijn groeten zendt en dat

hij zijn schulden nu betaald heeft en zijn naam nu van het zwarte bord

verdwijnen kan,--»ik zou liever geld van een Jood lenen dan _hem_ nog

langer iets schuldig zijn; hij zegt niets vóór hij je plotseling de deur

uitzet als men niet betalen kan." Of wanneer hij,--gelijk zo menig

vagebond vroeger of later, b.v. Villon--in een ogenblik van weemoed al

zijn roerende goederen vermaakt, voordat hij »fare" moet, opdat er geen

twist tussen zijn erfgenamen kome--al zijn ongelukken aan zijn vijanden,

zijn beslommeringen aan de leugenaars; aan de vrouwen schenkt hij zijn

hele verlangende liefde!--Maar in den regel is het toch de vreugde die

hij bezingt, de jeugd, de natuur en de liefde, zoals de vaganten dat

deden. Waar de »höfische" lyriek liefst elegies het hoofd laat hangen,

daar is Walther de zanger van de vreugde. De ouden van dagen mogen hun

leeftijd voelen, maar zij mogen de wereld niet ook oud maken; waarom

hebben de jongeren hun jonge sterke lichaam als het niet is om de

vreugde te kultiveren? Is men jong en rijk op de koop toe, kan niemand u

overwinnen en dan moest men in de lucht zweven van plezier. Mij die arm

is heeft Vrouw Fortuna toch meer opgewektheid gegeven dan den rijke. Hij

die beslommeringen heeft moest maar eens aan goede vrouwen denken en het

schitterende jaargetijde, dan raakt hij zijn nachtmerrie wel kwijt.

Walther is dol op de natuur en leeft daar heel wat meer vóór en ìn, dan

de echte Hofzangers. Hij bezingt het bontgekleurde tapijt der heide,

wanneer die zich over haar winterzorg begint te schamen en bloost als

zij het bos ziet groenen. Maar meer nog houdt hij van het bos zelf

en het allermeest van de vriendelike weiden en de velden, waar de

grassprietjes in de spelende zonneschijn staan te lachen en de bloemen

en de klaver met elkaar schijnen te wedijveren wie het hoogst op schiet.

Indien ik zulk een zalige dag als deze voorbij liet gaan, dan was ik wel

gek,--barst hij in overstromende lentevreugde uit. God zegene u allen

en wenst gijlieden mij nu ook maar veel geluk!--Op een warme zomerdag

zocht hij de schaduw onder een boom op een weide bij een beekje--in

zijn gedicht gebruikt hij bijna dezelfde woorden als een Latijns

Vagantenlied--en daar valt hij in slaap en droomt hoe hij over alle

rijken der wereld heerst en hoe zijn ziel uit alle beslommeringen

weggerukt wordt en ten hemel stijgt,--tot een domme kraai hem tot de

nuchtere werkelikheid terug roept.

Ook in zijn minneliederen bleef Walther in verbinding met de speellieden

en de dansliederen. Offisieel was het zijn werk het hof te amuseren

en daarvoor heeft hij zeer zeker de hofminneliederen van zijn leraar

Reinmar von Hagenau nagedicht. Hij voelt zulk een gedicht heel wat

sterker dan de vroegere minnezangers als iets dat _besteld_ is en noemt

het zijn taak in die toonaard en die geest te zingen zoals het _volk_

het wenst: »swie sî sint, sô wil ich sin,--daz si niht verdrieze mîn."

Voor hem hoort het tot de hoofse omgangsmanieren om zich één met de

mensen te voelen met wie men samen is, en hij is bang om uitgelachen

te worden wanneer hij alleen vrolik is terwijl al de lui om hem heen

bedroefd zijn. En zo zingt hij ter ere van de voorname vrouwen en maakt

zich de heraut van hun schoonheid; maar hij doet het voor zangerloon al

is het maar een vriendelike »gruoz" en hij verklaart ronduit dat hij hun

de rug toekeert indien zij dat niet voor hem over hebben en dan zullen

zij ook gauw genoeg merken dat het met hun goede reputatie uit is.

Maar hij geeft de conventionele, de Provençaalse dichters nageaapte

vrouwendienst en de hele stijl die daarmeê in verband staat, toch

heel spoedig op. In plaats van het »Vrouwe"--het »domina", meesteres,

der troubadours--gebruikt hij in een fraai gedicht: »Wîp" als de

erenaam der vrouw,--de natuurlike naam van het geslacht in plaats

van de conventionele aanduiding van de stand en hij verheerlikt de

»echtgenote" in plaats van de »vriendin". Mooi en natuurlik, zoals nog

geen een dichter vóór hem, geeft Walther uitdrukking aan zijn echt

rechtstreeks plezier in de schoonheid der vrouw: schoner gezicht zelfs

dan de pracht der zomerweide is hem de schone reine vrouw, wanneer zij

in een nette dracht en fijne witte hoofdtooi ten feeste opgaat, in

fiere houding en door haar maagden begeleid, maar nu en dan toch eens

vriendelik omkijkend,--een zonne tussen sterren. Met het beeld der

uiterlike schoonheid vermengt zich hier reeds de hoofse zedigheid en

de innerlike schoonheid der ziel. Maar nog inniger--en in verzen die

nog heden geschreven hadden kunnen zijn--wordt de liefde der vrouw

verheerlikt als de beste balsem voor het verlangend hart van de man.

»Zalig verlangen, haar heb ik gevonden,--in mijn hart, daar keerde zij

in,--heel mijn gemoed heeft zij betoverd, gebonden, mij beroofd van

bewustzijn en zin--Nooit meer kan ik van haar scheiden, door haar

goedheid en haar gratie, en haar rode mondje dat zo zoetjes lacht."

»Maar," gaat Walther verder door, »liefde is slechts liefde wanneer die

door beiden gedeeld wordt, die moet het geluk van twee uitmaken; als

die er eén ongelukkig maakt, dan heet die ten onrechte liefde,"--voor

de sentimentele elegiese troubadour die zich in zijn eigen smachten

verkneutert, voelt Walter niets. »Liefde is niet goed voor één alleen,

daar moeten er twee voor zijn, en wel zo dat die de twee harten

doordringt maar ook niet meer." En de vrouw en de man moeten hetzelfde

in die liefde voelen: jubelt de man dat »het geluk dat een man ten deel

kan vallen, werd het mijne, toen zij mij eerlik rechtuit verklaarde

dat ik haar na aan het hart lag", even openlik erkent de vrouw dat zij

in hem ook »wîbes heil" gevonden heeft, het geluk dat voor de vrouw

weggelegd is. Voor beiden moet de liefde iets zijn wat ze in de goede

zeden opvoedt: _hij_ komt tot haar en bidt haar er met »Maze" de schaaf

bij hem over te laten gaan, maar nu verklaart zij bescheiden dat hij

even goed aan haar heel wat op te voeden zal vinden; en dan vertelt

_hij_ haar wat de man bij de vrouw verwacht: trouw en zedigheid, maar

tegelijkertijd opgewektheid en beminnelikheid, en _zij_ hem wat de vrouw

graag in de man ziet: vrolikheid, maar gelijkmatigheid van karakter en

trouwe toewijding. En vrouwen die zo kunnen beminnen en ook zo bemind

kunnen worden, die vindt men, volgens Walther, alléén in Duitsland: vele

landen heb ik gezien, maar nooit nog vond mijn hart smaak in vreemde

zede; Duitse zedigheid gaat boven alles, van de Elbe tot de Rijn, en

helemaal tot Hongarije, daar vindt men de besten als ik tenminste iets

van geestesgaven en lichaamsschoonheid af weet; hij die deugd en reine

liefde zoekt, moet naar ons land komen.

Dikwels gaat Walther ook van de conventionele »hohe minne" der hogere

kringen op »die niedere minne" over en bezingt dan burgerdochters en

boerenmeisjes in een fris gedichtje in de volkstoon. »Herzeliebes

frowelîn," zingt hij, »de mensen maken er aanmerking op dat ik mijn

snaren zo laag stem, maar zij die zo spreken, hebben nooit liefgehad.

Zij die aardse goederen nastreven of schoonheid, voelen de ware liefde

niet. De liefde maakt de vrouw haar schoonheid uit en laat ze maar

praten, ik heb liever jou ring van glaspareltjes dan de gouden ring van

een koningin..." »Neem deze krans," zeide hij in een heerlike droom die

hij verleden had, tegen een »wôl getanen maget", en met blozende kaken

en neergeslagen ogen nam zij die als een schuchter kind en »geschiedde

er meer, dan bewaar ik dat in mijn heimelikheid." Nooit was groter

vreugde mijn, de bloemen daalden van de bomen over ons in het gras

neder,--toen het eilacy! dag werd en ik uit mijn droom ontwaakte. En nu

loop ik alle meisjes sterk in de ogen te kijken of zij er ook bij is,

van wie ik droomde. »Wie weet of zij hier niet bij is, bij deze dans?

Wees zo goed, o schonen, uw hoed wat op te schuiven, ach! zag ik haar

maar met haar krans!"--Schelms en lief zingt ook het jonge meisje

hoe zij en haar vriend zich onder de linde op de weide een plaatsje

uitgezocht hebben. Menigeen die daar voorbijkomt zal moeten lachen als

hij ziet hoe het gras en de bloemen er uit zien! Aan de rozen zal hij

het kunnen zien waar mijn hoofd lag. Als iemand wist dat hij bij mij

gelegen had, zou ik mij dood schamen en wat hij met mij deed, dat hoeft

niemand te weten behalve hij en ik en een klein vogeltje. Tietewiet! dat

zit hier niet ver vandaan!

Dat is artistiek verfijnde volkskunst. En zo staan ook Walther's

politieke »Dienst"-gedichten duidelik in verband met de oude populaire

dicht-genres der Speellieden. Van de heidense tijden af waren

volksdichters gewoon geweest de een of andere gedachte uit te spreken

in de scherpe, treffende kernachtige vorm van een korte strofe gekleed,

die òf op een bepaalde gebeurtenis sloeg òf van meer algemeen satiriese

of morele aard was en soms een zekere leerstelling door een »exempel"

illustreerde. In dergelijke »Sprüche" en »Bîspeln" geeft Walther

gewoonlik zijn politieke journalistiek ten beste en heft daardoor ook

zijn schimpdichten en zijn bedelpoëzie boven die van het ogenblik tot

de waardigheid van werkelik diepere dichtkunst op, een poësie soms

satiries, filosoferend of moraliserend. In zijn korte kernachtige

»zinnekens" verstond hij de kunst de kern van de Duitse nationale

politiek bloot te leggen, die hij voorstond en om het »los van Rome",

de grondgedachte der Hohenstaufen, in alle toonaarden te variëren, van

energies pathos tot bloedige hoon en bittere komiek--en dat steeds weer

in nieuwe beelden en vormen die zelfs de kunst van de beste »Sirventes"

der troubadours overtreffen. Men ziet dadelik dat hij hier uit

zijn eigen volle nationale overtuiging spreekt. En in zijn meer

algemene morele berijmde beschouwingen legde hij zijn gehele etiese

levensbeschouwing bloot met als idealen twee deugden: »Maze" de deugd

der ridderlike vormen en »Staete", de voornaamste der oude Germaanse

deugden. »Maze" is evenals het Franse »mesure" in het algemeen

hoofsheid, fatsoen, zedelike tucht. »Unmaze" legt zowel de vrouw aan

den dag die als een man optreedt, als omgekeerd de man die zich als een

vrouw aanstelt, zowel de ridder die als een monnik leeft, als de monnik

die de allures van een ridder aanneemt, zowel hij die zich boven zijn

stand wil verheffen als hij die zo lang drinkt tot zijn tong dubbel

slaat en hij niet meer op zijn benen kan staan. En tot »Maze" hoort vóór

alles, Gode te geven wat Godes is en de wereld wat der wereld is, »Gotes

hulde" dus te zoeken zowel als »weltlich ere",--goed te onderscheiden

tussen de hemel die Gods is en de aarde die des Keizers is. Maar nog

hoger schittert toch »Staete". Walther's ideaal: »Staete" betekent de

mannelike vastberadenheid, de opene integriteit, de onbuigzaamheid en

trouw die reeds Tacitus zo bij de Germanen prees,--trouw tegen zich zelf

zowel als tegen anderen. De man moet uit één stuk zijn, en »vierkant",

wat de Grieken »tetragonos" en de Romeinen »quadratus" noemen, evenals

nog in 't Frans carré, zijn zin moet vast zijn als steen, en rechtuit,

zo recht als de pijl uit een boog,--niet glad als ijs of een aal,--zijn

woord moet zonder tweetongigheid zijn, beter één eerlik Neen! dan twee

gelogen Ja's, zijn hart zonder valsheid, zoet als de avondschemering die

een heldere dag voor morgen voorspelt,--de ware man wordt nooit

»nieuw",--wien hij éénmaal wel wil, wil hij ook wel voor altijd.

* * * * *

Aan het hof van Hermann van Thüringen trof Walther de dichter van de

Parzival, _Wolfram von Eschenbach_, die in de lyriek een dergelike

plaats inneemt als Walther, terwijl hij zich ook in een krachtige Duitse

geest aan de ridderromantiek wijdde. Evenals Walther is hij van adel,

maar zonder geld; hij is geboren, zegt hij, tot »Schiltes Ambet" en laat

er zich zelfs erg op voorstaan dat hij heel weinig gelezen heeft en niet

kan schrijven. Hij is uit Beieren en verklaart dat »wij Beieren zijn

dapper, maar verstand en hoofse vormen is niet iets voor ons". Toch

heeft hij met zijn grote drang naar ontwikkeling en vormen getracht zich

het hele evangelium van het nieuwe Fransdom eigen te maken, zowel als

allerlei geleerdheid over landen en volkeren en natuurfenomenen, gelijk

hij zich ook brutaalweg inlaat met allerlei geheimzinnige teologiese

bespiegelingen. En met al de verachting van een krijgsman voor boeken,

heeft hij als de echte autodidact die hij is, er altijd plezier in

zijn half verteerde wijsheid uit te kramen. Zijn taal is doorspekt met

Franse woorden en eigengemaakte Franse uitdrukkingen en hij kan op de

vermakelikste manier het »gaste forest soutaine" van zijn Franse bron

tot »de woestijn in Soltâne" maken en »Une dame gisait" tot »Vrouwe

Jeschute" en soms steekt hij zelf de gek met zijn Beiers Frans. IJverig

heeft hij Heinrich von Veldeke en Hartmann von Aue bestudeerd en met

hen als leermeesters tracht hij zichzelf en zijn landgenoten naar de

nieuwe moderne ridderlikheid te vormen. Maar veel van de oude bekende

heldenzangen hoort hij nog in zijn oor klinken en hij kent de oude

heldensagen goed en wij vinden al de karakteristieke uitdrukkingen

daaruit, als »Degen" en »Recken", »balt" en »ellenthaft" in zijn

ridderstijl terug. Het was geen toeval dat hij het niet beneden zich

achtte om een van de wildste oud-Franse Heldendichten--Aliscans--te

bewerken, ofschoon, dat dient er bij gezegd, in een merkwaardig

ridderromanties kleed!

Er is een frisse, kernachtige kracht, een flinke durf in die Beierse

ridder en zanger. Aan de levende ridderwereld van de oorlog en de jacht

en het paard en het zwaard, ontleent hij krachtige en schilderachtige

beelden voor alles wat hij uit wil drukken. De morgenzon heeft zijn

klauwen door de wolken geslagen en stijgt met macht; trouw zit in het

maagdelik gemoed, vèr-blikkend als de helderziende valk; voor een van

zijn personen breekt de »kling der vreugde" plotseling dwars door bij

het heft, voor een ander is de smart reeds zo ver van honk gereden dat

geen speer die meer in kan halen. Maar er is ook een brede Beierse humor

in hem, sterk verwant aan die van de gedichten der speellieden. Midden

in zijn verhaal vallen er hem woordspelingen of barokke vergelijkingen

in, of kan hij niet nalaten zijn eigen personen voor de gek te houden;

soms krijgen wij op eens een vermakelike scène aan het hof van Thüringen

of uit zijn eigen levensgeschiedenis of tapt hij een hatelikheid

op de stereotiepe beschrijvingen van andere dichters. En gewoonlik

geneert hij zich niet,--hij toont zich de man die hij is en er zit niet

weinig zinnelikheid in hem. Zijn grapjes draaien daarom dikwels om het

geslachtsleven en zijn dubbelzinnigheden zijn gewoonlik grof en als hij

er maar even kans toe ziet, beschrijft hij graag de vrouwelike vormen en

een nacht van liefde. Zijn ridders en vrouwen en meisjes munten meestal

uit door een grote mate van zinnelikheid en zijn ridders hebben het

voortdurend over vrouwen en behandelen ze meer op de wijze der baronnen

dan echt ridderlik.

Gemoedelikheid en karakter is er genoeg in het werk van Wolfram. Hij

heeft het warme frisse gemoedsleven van de Zuid-Duitser en zijn poëzie

ziet de wereld door een glimlach en tranen en voelt voor het geluk en

het ongeluk der mensen waar zijn pen van schrijft. Humor, idyllen,

sentimentaliteit, alle straalbrekingen van het gemoedsleven zijn er in

de poëzie van Wolfram von Eschenbach evenals in die van Goethe of Jean

Paul. De hele Parzival door wordt de belangstelling van de lezer gaande

gehouden door aardige kleine scènes en episoden: nu eens wordt er

humoristies de treurige hongerkuur geschilderd die de bezetting van een

belegerde burcht moet verduren, dan eens is het een ridder die Parzival

op zijn kasteel ontvangt en met de bedachtzaamheid van een familievader

zijn schuchter jong dochtertje en de knappe vreemde ridder samen tracht

te brengen. Of Gaweins zeer jonge zuster, die voor het eerst in haar

leven met een ridder spreekt, en om beurten rood en bleek wordt wanneer

die haar zeer dierbare groeten komt brengen van niemand meer of minder

dan de Koning zelf, voor wie zij reeds lang in het geheim gezucht heeft.

En overal in het boek schitteren beelden en vergelijkingen die van een

bizondere sentimentele vlucht der fantasie getuigen: De groene vreugde

van Parzival wordt volkomen ontkleurd,--de gedachte aan Sigune trok

de vreugde te voorschijn uit het hart van de held gelijk de bij de

zoetigheid uit de bloemen zuigt,--de sterren begonnen zich te vertonen,

de boodschappers van de nacht, die haar voorafgaan om haar herberg te

bereiden.

Maar die zoete kern is bij Wolfram in een verwonderlik harde schil

verborgen. Zijn stijl is even hortend en stotend, even verward en met

presies zulke uitwassen als de Duitse taal zelf met zijn ophoping van

sisklanken en harde konsonanten en zijn in elkaar gedraaide zinsbouw.

Evenals de verzen van de IJslandse Skalden zijn die van Wolfram vol van

de meest capricieuse onvoldragen en geheel en al mankgaande beelden die

een merkwaardige neiging vertonen om in onverteerbare klompen samen

te groeien of zich in onontwasbare knopen door elkaar te slingeren.

Zijn fantasie is even groot als zijn smaak barok is, hij houdt er van

allerlei kunstige omschrijvingen te bedenken en heeft plezier in de

wonderlikste vergelijkingen: het is alsof hij er een eer in stelt alles

op zijn eigen manier te zeggen en het de lezer zo lastig mogelik te

maken om hem te volgen. Wolfram is een echte Germaan die zijn hoed

draagt zo als hem dat nu eenmaal belieft, en die nog trots is op zijn

eigenaardigheden ook.

In de Franse romans van Parzival vond de Beiers-Frankiese dichter een

voorbeeld dat hem in het hart grijpen moest. Daar leest men immers hoe

een jonge, naieve, onbeschaafde bewoner van Valois,--maar dat is nu

juist, zegt Wolfram, alsof wij zeggen zouden: een Beier--langzamerhand

in de ridderlikheid ingewijd en tot een voorbeeldig ridder gemaakt

wordt; hier vond men nu juist zulk een kursus in goede zeden en

ridderlik denken als Wolfram zelf wenste te doorlopen en zijn

landgenoten voor te kunnen houden. Het zou zijn levenswerk worden om die

gedichten in het Duits over te brengen en Wolfram's Parzival werd het

belangrijkste en meest echt-Duitse werk van de Duitse ridderromantiek.

Nu is het natuurlik op dit ogenblik heel moeilik met zekerheid aan te

geven wàt er in dat werk van hem is en wat hij aan de Franse bronnen te

danken heeft. Als een dier bronnen noemt Wolfram naast het gedicht van

Chrestien de Troyes vooral »Kyot van Provence" (waarschijnlik Guiot)

maar dat gedicht is niet tot ons gekomen. Maar in hoofdtrekken kan men

toch wel aan ieder het zijne geven.

De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen · 第 31 / 36 段