Duitsland der 12de eeuw de kleine edellieden aan de hoven der Welfen in
Brunswijk en Beieren bij elkaar, te Weenen, in Zwaben en op de Wartburg,
aan die der Babensbergers, der Staufen en der graven van Thüringen en
daar ontstond even als in Frankrijk een sosiaal leven en een sosiale
kultuur. De Latijnse roman »Ruodlieb" toonde, zoals wij gezien hebben,
niet alleen hoe ver men in de 11de eeuw reeds aan de Beierse hoven
gekomen was, maar ook vooral welke levensidealen de geesteliken de
baronnen voor ogen hielden. Evenals wij dit bij de Noord- en Zuid-Franse
hoven zagen gebeuren, werd ook aan die der Duitse vorsten het volkslied
het voorwerp van een fijnere, meer aristokratiese behandeling en de
edellieden van beider kunne dichtten dansliederen en minneliederen over
ridders en dames die elkaar verlaten moeten, en »Liebesgrüsze" die ze
elkaar in de verte zenden,--de dame is in de regel degeen die vraagt,
de ridder gedraagt zich koel, zoals het zijn waardigheid van man past--;
de zanger zelf staat op het voorplein van de burcht voor de dames en
heren te zingen. En ten slotte: evenals weer in Frankrijk, begonnen ook
aan het hof der Welfiese hertogen te Regensburg klerken de Latijnse
kronieken der geesteliken tot Duitse rijmkronieken om te werken, als
de Kaiserkroniek, rijk aan romanachtige onderhoudende stof, terwijl
tegelijkertijd de omzwervende speellieden in Frankenland en Beieren
evenals in Frankrijk zelf de oude heldengedichten gingen moderniseren
en romantiseren door ze naar het Oosten te verleggen en ze met
herinneringen aan de kruistochten op te smukken,--verliefde Saraceense
schonen, Oosterse pracht en wonderen. Uit de tijd der Ottonen waren
er toch genoeg verbindingen tussen het Duits-Romeinse Keizerrijk en
Byzantium en lang vóór dat Duitsland door de tweede kruistocht aan die
religieuse tochten mee was gaan doen, hadden vorsten en ridders, vooral
juist uit Beieren, aan zulk een tocht naar het Heilige Land deel
genomen.
Maar de begonnen zelfstandige ontwikkeling werd al meer en meer onder
een direkte, veelzijdige invloed van de Franse kultuur gebracht. Die
gehele nieuwe grote religieuse stroming van de 12de eeuw was Frans van
oorsprong en de monniken van Cluny die ook in Duitsland het kerkelik
leven beheersten, brachten de Franse geest en vorming met zich. Een
reeks huweliken met Franse prinsessen introduceerden het Fransdom aan
de vorstenhoven. Op het huwelik van Hendrik III met Agnes van Poitou,
volgde later dat van Hendrik V met een Anglo-Normandiese en dat van
Frederik Barbarossa met een Bourgondiese prinses en Hendrik de Leeuw van
Saksen huwde met de zuster van Richard Coeur de Lion. Zowel Bourgondië
als Provence kwamen onder de Duitse Keizerskroon en toen Frederik
Barbarossa de reis door Provence ondernam om zich te laten huldigen
of met oorlogszuchtige doeleinden naar Zuid-Italië trok, mag men wel
aannemen dat zijn volgelingen allerlei Romaanse modes en zeden hebben
leren kennen en overnemen, en dat troubadours hem op zijn feesten hun
opwachting zijn komen maken en Duitse hofzangers een lesje in hun kunst
hebben gegeven. Uit Noord-Italië trokken ook klerken zowel als die
troubadours uit Provence over de oude Alpenwegen op naar de gastvrije
hoven van Bohemen en Hongarije; de Donau-streken werden voortdurend
bereisd door Fransen die over land naar Byzantium of het Heilige Land
wilden. Maar vooral was de benedenloop van de Rijn: de Nederlanden,
Neder-Lotharingen, zowel als Vlaanderen, de plaats waar Frans en Duits
samenkwamen. Niet alleen Henegouwen en Brabant maar ook Lotharingen
hoorden onder het Duitse Keizerrijk maar waren altans overwegend Frans
in taal en kultuur en namen een aktief deel aan het opbloeien der
ridderromantiek die zich in het naburige Vlaanderen en Champagne aan
het ontwikkelen was. Langs al die wegen drong het Fransdom binnen.
En de superioriteit van dat Franse element werd bereidwillig door de
Duitsers erkend die met het grote adaptatievermogen dat zij steeds
hebben behouden, zich er vlijtig aan begonnen aan te passen. De bouw en
de inrichting der kastelen, de klederdracht en de spijzen der edelen
werden Frans. De hogere standen engageerden Franse geesteliken om hun
kinderen Frans te leren of zonden ze met een gouverneur naar Frankrijk
om daar de taal te leren, evenals ook Duitse studenten de Franse scholen
gingen bezoeken. Door een reeks leerdichten, beantwoordende aan de
Franse »castoiements" en »doctrinals", trachtten Duitse geesteliken hun
landgenoten in Franse »Sitte" en »Zucht" in te wijden en zij vormden het
woord »höfisch", beantwoordende aan het Franse »courtois". In 1127 werd
te Würzburg het eerste toernooi op Duitse bodem gegeven op Franse leest
geschoeid, en in diezelfde tijd begonnen ook de vormen en ceremonieën
van het Ridderwezen een Frans karakter aan te nemen. En in verband
hiermede begon men nu de erotiese poëzie der troubadours en de
ridderromans langs verschillende wegen in het Duits te vertalen,--en
het zal buitengewoon leerrijk zijn die wegen schrede voor schrede na te
gaan.
Gewoonlik waren het persoonlike en maatschappelike verbindingen
der vorsten die de aanleiding waren tot dergelijke vertalingen en
bewerkingen. Op een reis in Frankrijk in 1131 had Hendrik de Stoute
het Rolandslied leren kennen en bij zijn thuiskomst droegen hij en de
hertogin aan een priester Konrad op dit in Duitse verzen te vertalen.
Ongeveer gelijktijdig hiermede bewerkte een zekere Pfaffe Lamprecht, die
aan de Rijn in de buurt van Straatsburg thuis hoorde, de Provençaalse
Alexanderroman in het Duits. Maar degeen wie toch eigelik de eer toekomt
die ridderomans in Duitsland geïntroduceerd te hebben, was Heinrich von
Veldeke, die in de Nederlanden uit een ridderlik geslacht geboren en
getogen was, maar dicht bij de Franse taalgrens. Voor een gravin van
Kleef bewerkte hij de Aeneasroman in Duitse verzen. Toen zij met de
landgraaf Lodewijk van Thüringen trouwde, was het een dier graven van
Thüringen die het nog onvoltooide manuskript mede naar huis nam en eerst
toen de dichter negen jaar later zelf naar Thüringen kwam, kreeg hij
het van de literaire landgraaf Herman terug met de opdracht het te
voltooien. En die zelfde graaf Herman gaf nu zijn wens te kennen de
Trojaroman, die men als een soort vóórgeschiedenis van die van Aeneas
beschouwde, ook in het Duits vertaald te zien. Een graaf van Leiningen
wist de Franse roman machtig te worden en droeg een jonge geestelike uit
Fritzlar op die te verduitsen. Een ander onderdaan van de Landgraaf, een
der geesteliken uit het klooster Jechaburg in Thüringen, kreeg nu het
idee de Metamorphoses van Ovidius in Duitse verzen te vertalen. En zo
verplant de beweging zich, stap voor stap, van de Nederlanden naar het
hof op de Wartburg.
Een andere zetel van de Franse kultuur was, zoals wij zagen reeds ten
tijde van Hendrik de Stoute, het hof der Welfen te Regensburg; later
bevorderde de Anglo-Normandiese gemalin van Hendrik de Leeuw nog de
invloed van haar geboorteland sterker. Zo vertaalde b.v. een van 's
hertogen »Dienstmannen" Eilhart van Oberge, uit het Brunswijkse, het ons
bekende gedicht van Tristan en Isolde.
In Zwaben en aan de Bovenrijn hadden de Staufen hun eigelik machtsgebied
en Frederik Barbarossa resideerde gewoonlik in de Keizerlike Palts,
te Hagenau, Gelnhausen of Ingelheim. Het grote feest dat hij op
Pinkster van 1184 te Mainz gaf naar aanleiding van de ridderslag--de
»Schwertleite"--van zijn zoons, kwamen vorsten en edellieden uit
Frankrijk en Duitsland te zamen en die glorieuse dagen te Mainz wijdden
om zo te zeggen de gouden eeuw der Ridderromantiek voor Duitsland in.
Een der mannen van Barbarossa, een ridder von Hausen uit de Rijnstreken
die in de dienst van de Keiser naar Frankrijk zowel als in Italië kwam,
vertaalde de minne-poëzie der Provençaalse troubadours in het Duits en
veel andere keizerlike ambtenaren die ook in de Romaanse landen reisden
volgden zijn voorbeeld. Andere ridders uit de Rijnstreek en Zwaben
zochten hun voorbeelden in Noord-Frankrijk, zo richtte Reinmar von
Hagenau uit de Elzas zich voor zijn minneliederen hoofdzakelik naar de
Noord-Franse lyriek. Daar heeft ook de eerste grote man van de Duitse
ridderroman gereisd, Hartmann, waarschijnlik in de dienst van zijn
meester, de heer von Aue, zelf vertelt hij ons dat hij zijn ridderlike
Liefdeleer daar van daan meebracht, die hij in een poëtiese zendbrief
(ein »Büchlein") ontvouwde, zo wel als twee der ridderromans van
Chrestien de Troyes die hij elegant verduitste: Erec en Iwein.
Tussen die verschillende haardsteden der kultuur in Zwaben,
Rijn-Frankenland, Thüringen en het hof der Beierse hertogen was er nu
een sterk, levendig literair verkeer, en van die vaste punten breidde
de ridderromantiek zich over andere delen van Duitsland uit. Een der
Franse edelen, een dier gijzelaars die tegen de loslating van Richard
Coeur-de-Lion uit de gevangenschap des keizers gesteld waren, gaf een
handschrift van de roman van Lancelot aan een geestelike uit Thurgau,
die dit later in het Duits trachtte weer te geven op het voetspoor van
Hartmann von Aue's romans. Een waardiger navolger en mededinger kreeg
Hartmann intussen in een ridder uit het Beierse Frankenland, Wolfram
von Eschenbach, die heel lang aan het hof van de landgraaf Herman
von Thüringen leefde en werkte; althans één van de romans die Wolfram
bewerkte was hem door die landgraaf besteld. Ook de troubadour-poëzie
verplantte zich tegelijk van de Rijnstreek naar de hoven van Thüringen,
waar Heinrich von Moringen de leider werd van een locale school van
minnezangers.
En eindelik komt de beurt aan het Beiers-Oostenrijkse Duitsland, waar
de eigen nationale kultuur zich nog het langst tegen de indringer
verzet had,--waar de oude heldenliederen van Siegfried en Krimhilde en
Wolfdietrich nog voortdurend in de grote hal der kastelen weerklonken en
waar het inheemse minnelied nog steeds aan de hoven gekultiveerd werd.
Uit de Rijnstreek kwam de zoëven genoemde Reinmar van Hagenau naar het
hof der Babensbergers te Weenen en charmeerde allen door zijn vreemde
koloratuur en niet lang daarna was het Oostenrijk dat in Walther von der
Vogelweide de fraaiste liederen der ridderlyriek voort zou brengen. Uit
Midden-Duitsland kwam de rondzwervende zanger Stricker naar Oostenrijk
met zijn eigengemaakte Artur-romans en het was ook daar dat later
de vrouwendienst en het rondzwervende ridderleven het verst gedreven
werden, zelfs bijna tot een karikatuur, door Ulrich von Lichtenstein.
Zelden zal een literaire modebeweging zo aardig stap voor stap in haar
ontwikkeling gevolgd kunnen worden. Maar het waren toch voortdurend de
Rijnlanden die de meest echt-Franse en de meest elegante ridderlikheid
opleverden: de klassieke ridderroman in de »Tristan en Isolde" van
Gottfried van Straatsburg, fijne ridderlike verhaaltjes in de »Mären"
van Konrad von Würzburg die te Straatsburg en Bazel werkte.
De bewerking door Hartman von Aue der romans van Chrestien de Troyes
toont al dadelik ook zeer duidelik de punten waarin de Duitse en Franse
ridderromans altijd van elkaar verschild hebben. Bij de Fransman is de
ridderwereld een stuk van zijn eigen inheemse kultuur, die met de tijd
en de grond gegroeid is en die de burgerzoon uit Troyes met bewondering
aan de vorstenhoven om zich heen gadeslaat. Voor de Duitse ridder is
daarentegen die ridderkultuur een vreemde mode en fijne manier van leven
en voelen, waarin hij zich zelf heeft moeten inwerken en opvoeden en
waarin hij nu door zijn dichtwerk zijn landgenoten een kursus geven
wil. Waar Chrestien naïef en fris beschrijft wat hij zelf gezien heeft
en natuurlik menselik voelt, dikwels met zijn eigen burgerlikheid,
daar heeft Hartmann aan de ene kant een zekere ingeboren fijnere
ridderlikheid in zich, maar aan de andere kant kontroleert en
»stiliseert" hij ook aldoor en idealiseert alles wat hij schildert
volgens een ideaal der ridderlikheid dat hij zijn lezers duidelik
wil maken; in de gehele verhouding tot zijn stof is hij niet-naïef,
gereflekteerd, »sentimenteel". En dan: de Fransman werkt in de
»grondstof" der sagen, die hij hun eerste vorm geeft, de Duitser is de
bewerker die het essentiële van het werk afgedaan vindt en die het nu
fijner kan maken,--die ongelijkheden kan effenen, het overbodige er uit
kan laten, gebreken in de motivering kan aanvullen,--maar die er ook
licht toe komt het er wat dik op te leggen, het te veel uit te spinnen
en te overladen, of te veel en te geraffineerd te verfraaien. In
vergelijking met Chrestien is de schildering van Hartmann meer kunstig
maar ook meer gekunsteld.--Maar bovendien komt hier ook het verschil
van ras reeds op de voorgrond dat later de gehele Franse en Duitse
literatuur kenmerken zal. De Fransman heeft het nuchtere soliede gevoel
voor de werkelikheid van de Latijnse naties; met al zijn zintuigen leeft
hij in het uiterlike leven mede dat hij evenals zijn medemensen neemt
zoals zij zijn en hij heeft daarenboven een sosiaal simpatiek karakter,
dat zich in de gemoedsbewegingen zijner personen inleeft, en levendig
alle scènes dramatiseert: de aanleg van de Franse geest voor roman en
drama doet zich bij Chrestien reeds duidelik kennen. Het Germaanse
karakter van de Duitser beschouwt de dingen en neemt ze van buiten
waar, veel minder levendig en massief, hij leeft meer in zijn eigen
voorstellingen en gevoelens en hij idealiseert het leven en de
mensen naar zijn eigen dromen en idealen: de lyriese, idealistiese,
rekonstruerende aanleg van de Duitse geest openbaart zich reeds bij
Hartmann.
»Mij lust het u te laten horen, dingen, die het zéér waard is te
bezingen," zo begint Chrestien zijn vertelling in naïeve »Lust zu
fabulieren". Daarentegen schrijft Hartmann om aan te tonen »hoe hem die
zich op de ware voortreffelikheid spitst, geluk en ere steeds zullen
begeleiden". Waar dus Chrestien de scène zeer aanschouwelik schildert en
de gebeurtenissen dramaties voorstelt, is Hartmann er steeds op bedacht
alles zo goed mogelik het ideale ridderleven te doen illustreren en de
lezers tot voorbeeld te doen strekken. Het konflikt tussen riddereer
en liefde dat de romans van Chrestien behandelen, wordt bij de Duitser
diepzinnig tot een moreel probleem, waarbij de begrippen Eer en Trouw
zeer sterk op de voorgrond treden: Door zijn gelofte te breken is
Iwein een verrader geworden, een »triuweloser man" welke allen zullen
verachten die »Trouw en Eer liefhebben". En aldoor past Hartmann op
dat alles volgens de ridderlike gewoonte en hoofsgepast geschiedt. Hij
verwerpt de realistiese jolige vergelijkingen en allerlei triviale of
naturalistiese détails over strijd of eten of kleeren, bizonderheden
waar de speellieden uit het heldenepos zich gaarne in vermeiden.
Daarentegen zijn een ideaal ridderpaard of een ridderburcht, een
tournooi of een jachtpartij onderwerpen die blijkbaar beter bij zijn
stand passen en die hij met voorliefde schildert. Waar Chrestien de een
of andere ontvangst levendig weergeeft, doceert daarentegen Hartmann hoe
de ware gastvrijheid zijn moet in tegenstelling met een die men tegen
zijn zin, gemelik zich laat afdwingen. Wanneer Chrestien mededeelt dat
Lunette bij de dienstmaagden zo geliefd was omdat zij hun de afgedragen
japonnen van de prinses gaf, of dat het bruidskleed dat de koningin
Enide ten geschenke gaf, nooit te voren gebruikt was geweest, en dat
hij de koningin haar zelf laat verzekeren dat die wel meer dan 100 mark
waard is, dan laat Hartmann dergelike burgerlike naïeveteiten eenvoudig
weg, evenals het tussen de burchtvrouwe en haar cameriere, tussen de
edellieden en de kleine burgers bij hem ook veel minder vertrouwelik,
veel deftiger toegaat dan bij Chrestien.
In duizend kleinigheden merkt men groter takt en fijngevoeligheid bij
de Duitse edelman en diens betere opvoeding en vormen. Zo is b.v. de
gehele scène waar Erec bij de arme Vavassor intrekt en diens dochter
wint, geretoucheerd met een massa fijne trekjes: dat het jonge meisje
eigelik als stalknecht dienst doet, geneert de dichter evenzeer als
Erec zelf; haar schuchtere (bliuchliche) blikken naar hun gast en diens
verliefdheid worden veel fijner dan in het Frans weergegeven en bij
Hartmann treedt de voorname ridder met veel groter kiesheid tegenover
zijn gastheer op. En zo gaat het steeds; de uiterlike vormen zijn fijner
en netter geworden, en in plaats van het vertrouwelike »zoete, lieve
vriendin" wordt in het Duits de vorm »Frau" gebruikt waar hij haar
aanspreekt en ook in bescheidenheid, takt en fijngevoeligheid staan de
mensen hoger dan die van de eenvoudige Franse trouvère.
Verder is de Duitser harteliker en ook meer zoetsappig-sentimenteel.
De vrouwen van Chrestien kunnen een drastiese passie tonen die bij de
Duitser tot een stille eerbare sentimentaliteit wordt. En overal komt er
een warme zachte gevoelstoon over wat er verteld wordt: de vriendschap
tussen Iwein en Gawein heeft een volkomen sentimenteel karakter en
er zijn aardige beelden uit het familieleven, hier en daar een stukje
Duitse humor, een roerend afscheid van huis, een roerend weerzien van
twee geliefden. »Hun mond was stom, hun harte zong,--het droeg een
vreugdekrone,"--heet het lyries.
Vooral is de vrouwenverering en de liefde heel wat
zoetsappig-sentimenteler bij Hartmann dan bij Chrestien.
Zoetig-galant--»zoet" is een van zijn lievelingswoorden--is hij aldoor
bij de beproevingen van Enide, en dat zijn ook alle mensen met wie zij
in aanraking komt; zelfs het paard vindt dat zijn voeder beter smaakt
wanneer het hem toegediend wordt door de witte handen van zulk een
»zoete" stalknecht. Hij voegt er een lange roerende monoloog in waarin
Enide verklaart zich van kant te willen maken, zij vraagt de dood om
haar te komen huwen terwijl zij nog jong en fris is, en zij roept de
dieren des wouds aan om haar op te komen eten;--waren zij werkelik
gekomen, zegt de dichter, dan zouden zij alleen maar vol medelijden met
haar geweend hebben. Veel meer dan bij Chrestien wordt het daarom bij
Hartmann een sentimentele proef waarop de echtgenoot zijn vrouws liefde
stelt en terwijl het Franse gedicht daarmee eindigt dat Erec Enide
vergeeft, is het slot van het Duitse dat Erec haar om vergiffenis
smeekt. Evenzoo wordt in de »Iwein" het avontuur van de held met de
»Dame de la Fontaine" wier echtgenoot hij gedood heeft, door de Duitser
veel sentimenteler geschilderd en hogerop genomen dan bij de Fransman.
Dat een vrouw de moordenaar van haar man huwt is voor Chrestien niet
meer dan een nieuw bewijs er voor dat de vrouw honderd keer van opinie
verandert en morgen weer anders denkt dan vandaag en feitelik gebeurt
dit ook alleen om de praktiese reden het kasteel weer een beschermer te
geven. Voor Hartmann is het daarentegen »die gewaltige Minne" die de
burchtvrouwe in haar macht krijgt ofschoon zij Iwein nog volstrekt
niet gezien heeft. De dichter wil het verhaal idealiseren en
sentimentaliseren, maar maakt het daardoor eigelik alleen maar
ergerliker.
Op zijn eigen sentimenteel-Duitse manier legt Hartmann ook een
kristelike kleur over zijn ridderromantiek. Zijn stijl is doortrokken
van geestelike en bijbelse voorstellingen en God is steeds galant en
sentimenteel voor de smeekbeden van een »zoete-meisjesmond". Enide wordt
een echte heilige, omzweefd door hemelse allegoriese wezens. Als boete
tot zekere hoogte voor zijn profane gedichten legde Hartmann er zich in
zijn latere jaren op toe Legenden in een half ridderlike, avontuurlike
sentimentele, half aestetiese stichtelike stijl om te werken. De kleine
H. Gregorius is als kind in de kloosterschool door zijn beminnelikheid
en zachtheid eigelik een vrome pendant van de Florissen en Guillaumes
der Grieks gekleurde Franse romans onder hun verblijf aan het hof. En in
»der arme Heinrich" is het dochtertje van de boerenkinkel dat leven en
bloed over heeft om de melaatse vorstenzoon te genezen, nauw verwant aan
het burgermeisje van Marie de France, dat zich voor haar geliefde ridder
opoffert. Maar er is in die Oedipus-achtige Gregorius-geschiedenis
zowel als in »der arme Heinrich" een mystiek, een drang naar de
martelaarskroon en een verlangen naar het hiernamaals, die tonen hoe
sterk de Duitse ridderromantiek nog in het teken van de levensopvatting
der geesteliken staat.
Maar »Frau Welt" steekt het hoofd al meer en meer op aan de
Duitse hoven zo wel als aan de Franse. In zijn jonge dagen geneerde
Hartmann zich niet een veelvuldig gebruik te maken van een der
lievelingsvoorstellingen der geestelike literatuur: een dialoog tussen
het lichaam en het hart, om de levensregelen der ridderlike liefdekunst
te verklaren en hij schreef ook troubadour-liederen. Het oudste Duitse
minnelied staat over het algemeen bij Friedrich von Hausen, Heinrich
von Veldeke, Heinrich von Moringen of Reinmar von Hagenau in dezelfde
verhouding tot zijn romaanse bronnen als de romans van Hartmann von Aue
tot de hunne.
Reeds te voren waren de minneliederen aan de Duitse hoven in zwang
geweest en de erotiese poëzie der romaanse troubadours had die niet
geheel en al kunnen verdringen, zo min als de Duitse zeden zich volkomen
naar de Franse lieten vervormen. Maar: de in één strofe paarwijze
rijmende verzen werden nu vervangen door de kunstige versmelodieën
met hun vlug rhythme, dat maar heel slecht paste bij het stijve zware
Duits door hun talrijke, door elkaar geslingerde rijmen, de getelde
lettergrepen en hun in drieën verdeelde strofen. Men voerde de nieuwe
dichterlike stijl in met de hele vrouwendienst. Men zeide van het
lichaam der Schone dat het »wolgetan" en »minneclich" was, evenals de
Provençaalse dichters het »ben estans" en »amoros" genoemd hadden, men
prees haar »Tugend" en »Guote" in plaats van »pretz" en »bontatz", bad
om genade en zwoer hulde als vasal, kultiveerde »tougen Minne", beloofde
»Verswîgenheit" en klaagde over »die huote", »die nîdaere", juist zoals
de troubadours de geheimhouding (»lo celar") als voorwaarde opstellen
voor de ridderliefde en zij tegen de »gardadors", de wachters, al de
»envios", de ijverzuchtigen, en de sluwe »lauzengiers", de lasteraars,
te velde trokken. Ook het bekende arsenaal der beeldspraak: de pijlen
van de blikken die het hart door het oog wonden, en de personificatie
der liefde vinden wij bij de Duitsers terug. Maar het meeste voelt men
toch als geleende veren en dat past soms heel slecht bij de Duitse
toestanden. De Duitse zangers zijn geen afhankelike hofpoëten die hun
meesteres moeten bezingen en haar daarom natuurlik hun vazallenhulde
bieden en die alle mogelike reden hebben tot bescheiden ootmoed en
discretie voor het geval zij zich verwaardigt hen te begunstigen.
Het zijn integendeel voorname edellieden en welgestelde hovelingen
en de vrouwen hebben er geen politieke en sosiale machtspositie als in
Zuid-Frankrijk. De zangers verbergen de naam hunner aangebedene dan ook
niet en dikwels zal het ook een ongetrouwd jong meisje geweest zijn dat
zij openlik, en in eer en deugd het hof maakten. En zo ontmoeten wij bij
die onderdanige huldigingsgedichten der dames naar de nieuwe mode bv.
nog steeds die oude »Frauenstrophen" waarin de vrouw zich niet geneert
haar liefdesverlangens en smeekbeden bloot te leggen en uit te spreken
of zich eerst voorneemt zoals 't past, trots zich op een afstand te
houden, maar weldra overslaat en eigelik niets liever verlangt dan naakt
in zijn armen te liggen.